5-876/1 | 5-876/1 |
28 MAART 2011
De Belgische overheidsschuld die 97,5 % van het bruto binnenlands product (bbp) bedroeg in 2010 (84,2 % in 2007) (1) steeg sinds 2007 minder dan in de overige landen van de eurozone.
Toch steeg de totale schuld van alle overheden tijdens het eerste kwartaal van 2010. Hoewel de economische indicatoren van ons land veel gunstiger zijn dan die van heel wat andere landen van de eurozone, moet ons land wedijveren met de overige landen om in de behoeften van de overheidsfinanciering te kunnen voorzien. De hoge overheidsschuld is de belangrijkste factor die België in de problemen kan brengen op de internationale financiële markten.
De vooruitzichten zijn niet meteen rooskleurig. 2011 belooft een uiterst moeilijk jaar te worden voor de financiering van de overheidsschuld. De verschillende landen van de eurozone zullen alleen dit jaar al voor 814 miljard euro aan overheidsobligaties moeten uitschrijven. Men verwacht daarom in het begin van 2011 een uitzonderlijke drukte op de obligatiemarkt, net omdat al die landen zich tegelijk op de markt zullen storten.
In 1998 was de Belgische overheidsschuld voor 85 % (2) in handen van de bevolking, in 2009 daalde dit percentage naar 42 %. De Belgische schuld is dus meer onderhevig aan internationale speculatie dan in 2000 omdat de schuld voor een groot deel in handen is van buitenlandse investeerders.
Tegelijk verzamelden de Belgische consumenten meer dan 200 miljard euro op hun spaarrekeningen. Deze som vertegenwoordigt een enorm kapitaal en biedt daardoor bijzonder interessante kansen voor de Belgische overheid. Een verstandige strategie op basis van dit gegeven bezorgt België een grote onafhankelijkheid tegenover bijvoorbeeld buitenlandse speculanten.
De Belg staat bekend om zijn spaarwoede en zet gemiddeld 12 tot 15 % van zijn inkomen opzij. Een groot deel daarvan belandt bij beleggingsfondsen en spaarrekeningen, want zo omzeilt men de roerende voorheffing. Op die manier verdwijnt een aanzienlijk deel van onze spaargelden naar het buitenland. Dat geeft een veeleer perfide cyclus, want tegelijkertijd moet ons land in datzelfde buitenland leningen aangaan en wordt het overgeleverd aan de willekeur van speculanten en beleggers en aan de grillen van de kredietagentschappen. Die eisen dan weer een hogere vergoeding op Belgische obligaties.
De oplossing ligt voor de hand : ons land kan zich minder afhankelijk opstellen ten opzichte van buitenlandse speculanten door de Belgische spaarders rechtstreeks aan te spreken. Daarvoor is het nuttig dat de Staatsbons kunnen beschikken over dezelfde fiscale voordelen als spaarboekjes. De gunstige rentevoeten betekenen dan weer een godsgeschenk voor de spaarders, want zij verdienen hierdoor meer. Zo ontstaat een duidelijke win-winsituatie voor de Staat en voor de bevolking.
Vanaf 1999-2000 werden de Staatsbons om diverse redenen minder aantrekkelijk, meer bepaald om fiscale redenen of omdat de banken de verkoop van bepaalde financiële producten aanmoedigden via incentives voor hun personeel of omdat de klanten werden aangetrokken door activa die weliswaar een hoger rendement gaven dan de Staatsbons, maar wel risicovoller waren; de crisis van 2008 heeft dat op een pijnlijke manier geïllustreerd.
België moet dit jaar ongeveer 41 miljard euro ophalen op de obligatiemarkt. Tegelijkertijd staat er 200 miljard euro op de spaarboekjes. Een Staatsbon met vrijstelling van roerende voorheffing voor de eerste schijf (gelijk aan die welke van toepassing is op de spaardeposito's), biedt ons land de mogelijkheid tegen gunstige tarieven te lenen en grotendeels aan de speculatie van buitenlandse operatoren te ontsnappen.
Dankzij gunstige rentevoeten blijft de impact op de overheidsfinanciën beperkt omdat de last die de burger hoe dan ook moet dragen, binnen de perken wordt gehouden, terwijl niet geraakt wordt aan de kwaliteit of de veiligheid van het spaargeld.
| Bert ANCIAUX François BELLOT. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 21 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangevuld met de bepaling onder 11º, luidende :
« 11º de eerste schijf van 1 250 euro per jaar van de inkomsten uit Staatsbons uitgegeven na de inwerkingtreding van deze wet. »
Art. 3
Artikel 221, enig lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, met inbegrip van de in artikel 21, 5º, 6º, 10º en 11º, vermelde eerste inkomstenschijven, alsook van de in artikel 90, 5º tot 7º en 11º, vermelde diverse inkomsten. »
Art. 4
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
1 februari 2011.
| Bert ANCIAUX François BELLOT. |
(1) NBB, Agentschap van de Schuld.
(2) Agence de gestion de la dette des pays, NATIXIS.