5-893/1

5-893/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

24 MAART 2011


Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van strafvordering en van artikel 7 van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek

(Ingediend door mevrouw Christine Defraigne, de heren Francis Delpérée, Philippe Mahoux, mevrouw Martine Taelman en de heer Peter Van Rompuy)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel komt tegemoet aan bepaalde opmerkingen van technische aard die gerezen zijn bij de bespreking van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (Senaat, nr. 5-869/1) in de commissie voor de Justitie van de Senaat, waarbij het artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering wordt aangepast.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit artikel brengt twee wijzigingen aan in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering.

1º Tijdens de hoorzitting in de commissie voor de Justitie van de Senaat van 22 maart 2011 met de professoren Haelterman, Verstraeten en Masset is gebleken dat de voorgestelde wijziging van artikel 216bis, § 1, niet in overeenstemming is met artikel 80 van het Strafwetboek. Dit artikel houdt in dat na correctionalisatie van een misdaad door aanneming van verzachtende omstandigheden steeds minstens een gevangenisstraf van 1 maand dient te worden opgelegd.

Om dit te verhelpen wordt, naar analogie met artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering het toepassingsgebied aangepast in die zin dat de minnelijke schikking kan aangeboden worden indien de procureur des Konings meent dat het feit niet van die aard is dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf of een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf met verbeurdverklaring.

Zoals bij artikel 216ter inzake de strafbemiddeling is het criterium voor de mogelijkheid van een minnelijke schikking dus niet de wettelijk bepaalde straf op een misdrijf, doch wel de hoofdstraf die maximaal in concreto, eventueel na aanneming van verzachtende omstandigheden, schijnt te moeten worden opgelegd. Het spreekt vanzelf dat wanneer de procureur des Konings van oordeel is dat daadwerkelijk een gevangenisstraf of een werkstraf of een bijkomende straf zoals een ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten zou moeten worden opgelegd, hij geen minnelijke schikking zal voorstellen.

2º In het licht van artikel 151 van de Grondwet wordt aan de bodemrechter de bevoegdheid gegeven om ter gelegenheid van het vaststellen van het verval van strafvordering voorafgaandelijk na te gaan of aan de formele voorwaarden voor het afsluiten van een minnelijke schikking is voldaan.

Deze toetsing beperkt zich tot de formele voorwaarden en betreft dus geenszins een inhoudelijke toetsing of afweging van de opportuniteit en de proportionaliteit van de minnelijke schikking. Overeenkomstig artikel 151 van de Grondwet behoort de beoordeling hiervan eveneens tot de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar ministerie.

Artikel 3

Bij de bespreking van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (Senaat, nr. 5-869/1) stelde de Dienst Wetsevaluatie van de Senaat de vraag of het de bedoeling van de wetgever was om de nieuwe regeling uit te breiden naar de strafbemiddeling. Het is inderdaad niet de bedoeling om ook de strafbemiddeling, bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering, procedureel uit te breiden tot de fase van het gerechtelijk onderzoek en de procedure ten gronde. Artikel 3 komt hieraan tegemoet.

Artikel 4

Bij de bespreking van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (Senaat, nr. 5-869/1) merkte de Dienst Wetsevaluatie op dat artikel 7 van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek ook wijzigingen aanbracht aan artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering.

Gelet op het feit dat artikel 216bis, § 1, gewijzigd wordt door de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek en deze wet pas in werking treedt op 1 juli 2011, dient de desbetreffende bepaling van deze wet overeenkomstig te worden aangepast.

Christine DEFRAIGNE.
Francis DELPÉRÉE.
Philippe MAHOUX.
Martine TAELMAN.
Peter VAN ROMPUY.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering, laatst gewijzigd bij de wet van ... 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :

« § 1. De procureur des Konings kan, indien hij meent voor een feit dat niet van aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, desgevallend met inbegrip van de verbeurdverklaring, en dat geen zware aantasting inhoudt van de lichamelijke integriteit, de dader verzoeken een bepaalde geldsom te storten aan de federale overheidsdienst Financiën. »;

2º paragraaf 2, tiende lid, wordt vervangen als volgt :

« Op vordering van de procureur des Konings en na te hebben nagegaan of voldaan is aan de formele toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, de dader de voorgestelde minnelijke schikking heeft aanvaard en nageleefd, het slachtoffer en de fiscale of sociale administratie werden vergoed overeenkomstig paragraaf  4 en paragraaf  6, tweede lid, stelt de bevoegde rechter het verval van de strafvordering vast ten aanzien van de dader. »

Art. 3

Artikel 216ter, § 5 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1994, wordt vervangen als volgt :

« § 5. Het in § 1 aan de procureur des Konings toegekend recht kan niet worden uitgeoefend wanneer de zaak reeds bij de rechtbank aanhangig is gemaakt of wanneer van de onderzoeksrechter het instellen van een onderzoek is gevorderd.

Het bij de eerste paragraaf bepaalde recht komt ook toe, ten aanzien van dezelfde misdrijven, aan de arbeidsauditeur en, ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 479 en 483 van het Wetboek van strafvordering, aan de procureur-generaal van het hof van beroep. »

Art. 4

Artikel 7 van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 7. — Artikel 216bis, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juni 1993 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 23 maart 1994, 13 februari 1998, 24 december 1999 en laatst gewijzigd door de wet van ... 2011, wordt vervangen door volgend lid :

« De in het eerste lid bedoelde geldsom mag niet meer bedragen dan het maximum van de in de wet voorgeschreven geldboete, verhoogd met de opdeciemen en dient in verhouding te staan tot de zwaarte van het misdrijf. Voor de inbreuken bedoeld in het Sociaal Strafwetboek mag de geldsom voorzien in het eerste lid niet lager zijn dat 40 % van de minimabedragen van de administratieve geldboete, in voorkomend geval vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers, kandidaat werknemers, zelfstandigen, stagiairs, zelfstandige stagiairs of kinderen. » »

23 maart 2011.

Christine DEFRAIGNE.
Francis DELPÉRÉE.
Philippe MAHOUX.
Martine TAELMAN.
Peter VAN ROMPUY.