5-743/1

5-743/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

28 JANUARI 2011


Wetsvoorstel tot wijziging, wat de kunstenaars betreft, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering

(Ingediend door de heer Richard Miller c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 10 augustus 2007 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-149/1 - BZ 2007).

Een van de doelstellingen van de programmawet van 24 december 2004 bestond erin het sociaal statuut te verbeteren van al wie zich kunstenaar noemt, of het nu gaat om uitvoerende dan wel om scheppende kunstenaars.

Overeenkomstig die zeer recente wetgeving worden álle kunstenaars, dat wil zeggen zowel de scheppende als de uitvoerende, verondersteld in loondienst te werken, tenzij zij het tegendeel bewijzen. Het vermoeden van loondienst geldt dus voor alle kunstenaars, maar het is weerlegbaar geworden. Een commissie « Kunstenaars », die bestaat uit vertegenwoordigers van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) en het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ), is bevoegd om, op grond van een aantal criteria, de kunstenaars die daarom verzoeken de toestemming te geven het statuut van zelfstandige aan te nemen.

Bij wijze van inleiding herinneren we eraan dat die regeling een volkomen nieuw licht werpt op de tot dusver gehanteerde sociaalrechtelijke categorieën. Het statuut van loontrekkende of van zelfstandige wordt immers niet langer bepaald door de objectieve arbeidsrelatie, maar het wordt geënt op de persoon in kwestie.

Vervolgens wijzen we erop dat de in 2002 aangenomen wetswijziging heel wat kritiek heeft teweeggebracht, óók in kunstenaarskringen. Zo werd beweerd dat er voor de scheppende kunstenaars in werkelijkheid niets veranderde : schilders, beeldhouwers en componisten werken doorgaans al als loontrekkende (omdat zij tezelfdertijd journalist, orkestmusicus of leerkracht aan de academie zijn); mochten zij dat statuut nog niet hebben, dan zouden zij dat bovendien moeiteloos kunnen verkrijgen van de commissie « Kunstenaars ». Vele podiumkunstenaars hadden dan weer kritiek op het feit dat ze niet langer absoluut zeker waren van hun statuut van loontrekkende. Het vermoeden van loondienst is immers niet langer onweerlegbaar, zoals dat voorheen het geval was. Voortaan hebben de podiumkunstenaars dus de « toestemming » om het statuut van zelfstandige op te eisen. Sommigen vreesden echter dat zij door de druk op de arbeidsmarkt zouden worden verplicht om buiten hun wil om zelfstandige te worden, waardoor ze niet alleen hun recht op een werkloosheidsuitkering zouden verliezen, maar ook de andere voordelen die het statuut van loontrekkende biedt. Er heerst met andere woorden ongerustheid omtrent mogelijk misbruiken van de nieuwe regeling, waarbij de « werkgever » de kunstenaars systematisch dwingt het statuut van zelfstandige aan te nemen zodat hijzelf geen RSZ-bijdragen hoeft te betalen.

De indieners van dit wetsvoorstel willen in deze polemiek geen standpunt innemen. De toekomst zal uitwijzen hoe de verschillende categorieën van kunstenaars zich in de praktijk over het statuut van loontrekkende en dat van zelfstandige zullen spreiden en of sommigen onder hen verplicht zullen worden van het ene naar het andere statuut over te stappen.

Wel is het hun bedoeling een helpende hand te reiken aan de kunstenaars die hun activiteiten uitoefenen als loontrekkende. Met name willen ze in het voor hen geldende sociaal statuut van loontrekkende enkele correcties aanbrengen waardoor, inzonderheid wat de werkloosheidsuitkeringen betreft, een aantal ongelijkheden ten nadele van die categorie van sociaal verzekerden kan worden weggewerkt.

Zo stellen ze voor dat kunstenaars in loondienst makkelijker aanspraak kunnen maken op een werkloosheidsuitkering :

— zelfs indien zij, in bijberoep of occasioneel, activiteiten uitoefenen als zelfstandige. Dat is met name het geval voor tal van literaire auteurs, componisten of plastisch kunstenaars die daarnaast ook nog lesgever aan een academie zijn, dan wel journalist of orkestmusicus. Als loontrekkende zouden zij die betaalde nevenactiviteiten niet langer kunnen uitoefenen;

— zelfs indien het aantal werkdagen dat normaal vereist is om aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering, lager ligt dan het gebruikelijke minimum. Dat is met name het geval voor tal van podiumkunstenaars die hun repetitiedagen bijvoorbeeld niet als werkdagen kunnen doen meetellen. Het voorstel neemt de cijfers over die reeds sinds geruime tijd worden gehanteerd met betrekking tot specifieke groepen van werknemers (zie artikel 31 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering), te weten 216, 324 en 432 dagen in plaats van 312, 468 en 624 dagen zoals bepaald in de algemene regeling;

— zelfs indien de arbeidsduur per dag lager ligt dan het thans vastgestelde minimum. Dat is het geval voor tal van podiumkunstenaars, met name figuranten in theater-, televisie of filmvoorstellingen.

Met dit wetsvoorstel wordt geen ingrijpende wijziging beoogd van de sociale-zekerheidsregeling inzake de werkloosheidsuitkeringen. Het is veeleer de bedoeling om, via enkele beperkte maar noodzakelijke aanpassingen, een aantal ongelijkheden weg te werken waarvan de podiumkunstenaars nog al te vaak het slachtoffer zijn en die het hun financieel moeilijk maken. Daardoor wordt een behoorlijk groot aantal onder hen gedwongen de kunstsector te verlaten en een andere beroepsactiviteit te kiezen. Dat is jammer : niet alleen op menselijk vlak (we denken daarbij aan de mensen die hun roeping nog moeilijk kunnen waarmaken of die ze zelfs moeten laten varen), maar ook op het vlak van de culturele ontwikkeling in ons land (het culturele leven zal er door die betreurenswaardige situatie beslist niet rijker op worden).

Richard MILLER.
Gérard DEPREZ.
Jacques BROTCHI.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 31 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wordt aangevuld met de volgende woorden :

« , alsook voor de werknemer die artistieke prestaties levert of artistieke werken produceert. »

Art. 3

In artikel 37, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit wordt, tussen het eerste en het tweede lid, een nieuw lid ingevoegd luidende :

« Het leveren van artistieke prestaties of het produceren van artistieke werken worden, ongeacht de daartoe vereiste arbeidsduur per dag, beschouwd als voltijdse arbeid, op voorwaarde dat daarvoor het sectoraal vastgestelde minimumloon of, bij ontstentenis daarvan, het bij centraal akkoord vastgestelde minimumloon wordt uitbetaald. »

Art. 4

Artikel 48, § 1, 1º, van hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld met wat volgt :

« Wie echter in bijberoep of occasioneel een zelfstandige activiteit uitoefent als literair auteur, componist of plastisch kunstenaar, mag dat doen zonder daar vooraf aangifte van te doen en op voorwaarde dat hij die aangifte doet zodra de werken in het economische circuit terechtkomen. »

10 december 2010.

Richard MILLER.
Gérard DEPREZ.
Jacques BROTCHI.