5-19COM

5-19COM

Commission des Affaires sociales

Annales

MARDI 21 DÉCEMBRE 2010 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Demande d'explications de Mme Nele Lijnen à la vice-première ministre et ministre de l'Emploi et de l'Égalité des chances, chargée de la Politique de migration et d'asile sur «la rémunération des étudiants jobistes» (nº 5-24)

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Mannelijke werknemers worden in het algemeen nog steeds meer betaald dan hun vrouwelijke collega's, ook al is de gelijke verloning voor mannen en vrouwen voor werk van gelijke waarde nochtans vastgelegd in tal van internationale verdragen, alsook in de Belgische grondwet. België bezit zelfs een zeer gedetailleerde wetgeving op het gebied van gelijke verloning en functiewaardering. Men zou dan ook verwachten dat er in de praktijk weinig discriminatie voorkomt. Niets is minder waar. Vrouwen verdienen in het bedrijfsleven gemiddeld 23% en bij de overheid gemiddeld 15% minder dan hun mannelijke collega's.

De verloning van een werknemer en een werkstudent is moeilijk te vergelijken. Ik vraag mij dan ook af of de minister zicht heeft op de loonverschillen bij werkstudenten.

Is er in België een tendens naar een verschil in verloning tussen mannelijke en vrouwelijke werkstudenten?

Zo ja, zijn er objectieve redenen die deze verschillen kunnen verklaren?

Kan de minister me zeggen hoeveel het gemiddelde brutoloon voor mannelijke jobstudenten en vrouwelijke jobstudenten bedraagt?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. - Hoewel er meer vrouwelijke dan mannelijke werkstudenten zijn, verdienen die laatsten meer dan de eersten. Het verschil bedraagt 5,17 euro gemiddeld per dag en 85 euro gemiddeld per studentenjob, ook al duurt een studentenbaan voor de twee groepen gemiddeld bijna even lang, namelijk 13,8 dagen bij de vrouwen en 14 dagen bij de mannen.

Procentueel uitgedrukt, verschilt het dagloon 7,40 procent en voor een studentenjob loopt dat verschil op tot 11 procent. Deze cijfers komen uit de RSZ-gegevens van het derde kwartaal van 2009. Dat is een zomerperiode, waarin de meeste studenten aan de slag zijn.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft cijfers over het aantal studentenbanen, de totale lonen en het totaal aantal dagen dat studenten hebben gewerkt.

De verklaring voor de verschillen is te vinden bij de horizontale segregatie. Meisjes en jongens komen in andere sectoren terecht en krijgen andere taken. Hierbij mogen we niet vergeten dat voor die banen meestal weinig scholing vereist is. Bij een vergelijking met de volwassenenarbeidsmarkt, moet dus rekening gehouden worden met de vrij grote segregatie bij laaggeschoolden.

Het gemiddelde brutodagloon van een mannelijke werkstudent bedroeg 69,81 euro in 2007, terwijl dat van een vrouwelijke jobstudent maar 64,64 euro bedroeg. We moeten deze cijfers wel met enig voorbehoud behandelen, aangezien de RSZ-gegevens waaruit ze voortkomen, niet voldoende gedetailleerd zijn. Studentenarbeid wordt immers per dag tewerkstelling aangegeven, ongeacht hoeveel uren er zijn gepresteerd. De kloof tussen de mannelijke en de vrouwelijke werkstudenten is waarschijnlijk voor een deel te verklaren door het feit dat de mannen per dag gemiddeld meer uren presteren. Als er geen objectieve factoren zijn die het verschil verklaren, is dat uiteraard onaanvaardbaar. Daarom moeten we een echte strijd tegen de loonkloof in het algemeen voeren.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - De cijfers spreken voor zich en nopen ons ertoe de problematiek verder te onderzoeken. Als we streven naar een gelijke verloning over de hele loopbaan, zou dit principe bij de studentenjobs toch al op de juiste manier moeten worden toegepast. Daarom moeten we de gegevens nog diepgaander analyseren teneinde de strijd tegen ongelijke verloning nog beter te kunnen voeren.