5-14COM | 5-14COM |
De heer Peter Van Rompuy (CD&V). - Afgelopen september sloot het Bazelcomité binnen de Bank for International Settlements een nieuw akkoord over de kapitaalsvereisten voor banken, de zogenaamde Bazel III-normen.
De Bazel III-normen voorzien in een aanzienlijke verhoging van het kapitaal van de Belgische banken: naast een verhoging van het Tier 1-kapitaal wordt eveneens voorzien in de invoering van een Capital Conservation Buffer en een Countercyclical Capital Buffer. Tevens is bepaald dat banken die een systemisch risico vormen, bijkomend kapitaal zullen moeten aanleggen. Wat het Tier 1-kapitaal betreft, betekenen de nieuwe normen meer dan een verdrievoudiging.
De Bazel III-normen moeten vervolgens worden opgenomen in de Europese regelgeving, die uiteindelijk wordt omgezet in een Belgische regelgeving.
De verhoging van het kapitaal wordt geleidelijk aan doorgevoerd, volgens een uitgetekend tijdspad.
Artikel 205ter, §1, van het Wetboek op de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat het eigen vermogen in aanmerking komt voor het bepalen van de aftrek voor risicokapitaal, de zogenaamde notionele intrestaftrek. Het eigen vermogen wordt bepaald overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van vennootschappen.
Een studie van de Nationale Bank toonde aan dat Belgische ondernemingen hierdoor hun kapitaalpositie hebben kunnen versterken.
Hoeveel bedraagt de mogelijke hogere budgettaire kostprijs voor de notionele intrestaftrek naar aanleiding van de invoering van Bazel III voor de Belgische banken, rekening houdende met de geleidelijke invoering van Bazel III? Wat is het eventuele tijdspad?
Hoe staan de Belgische banken ervoor? Welke inspanningen moeten zij leveren om aan de Bazel III-normen te kunnen voldoen?
De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - De Bazel III-normen die betrekking hebben op het kapitaal en de liquiditeit werden door het Bazelcomité voorgesteld als antwoord op de financiële crisis en op het verzoek van de G 20, om de prudentiële vereisten te versterken, zodat een grotere financiële stabiliteit kan worden gegarandeerd. De publieke overheden moeten de voorstellen dan ook ondersteunen en mogen ze zeker niet negeren. Bij de keuze voor die normen werd rekening gehouden met de resultaten van diverse studies die door het Bazelcomité werden uitgevoerd over de potentiële impact van de normen op de wereldeconomie. De belangrijkste conclusie van de studies was dat indien de normen geleidelijk zouden worden toegepast, de impact op de toekenning en de kostprijs van het krediet beperkt zou zijn. Dat is een goede regel om een correcte evolutie te hebben in alle regio's in de wereld. Daarom werd een overgangsperiode voorgesteld, namelijk van 1 januari 2013 tot 1 januari 2019, wat de banksector in staat zou moeten stellen zich geleidelijk aan te passen zonder onmiddellijk kapitaal te moeten ophalen op de markt.
Op Europees niveau moet de Europese Commissie eerst een analyse over de impact van die normen afronden, voordat ze in de Europese richtlijnen kunnen worden ingevoerd. De publieke overheden zullen de resultaten van die analyse aandachtig bestuderen en er rekening mee houden bij de beslissing of ze de regels die door het Bazelcomité worden voorgesteld op het Europees niveau strikt zullen toepassen, ook wat de overgangsperiode betreft, dan wel of het nodig is ervan af te wijken om de heropleving van de economie en de toekenning van krediet niet te hinderen.
Wat de Belgische banken betreft, hebben de CBFA en de NBB, in coördinatie met het Bazelcomité en het Comité van Europese Banktoezichthouders (CEBS), een onderzoek verricht naar hun situatie ten opzichte van de voorgestelde normen, in het kader van de kalibratie van de zogenaamde Bazel III-normen. De resultaten van dit onderzoek zouden binnenkort openbaar moeten worden gemaakt door het CEBS op Europees niveau en ook door de Europese Commissie in het kader van bovenvermelde impactanalyse.
Het is duidelijk dat de nieuwe Bazel III-normen, zowel voor België als voor de rest van Europa of de wereld, strenger zijn en dat sommige banken, met inbegrip van enkele Belgische banken, het bedrag van hun kapitaal tijdens de overgangsperiode zullen moeten optrekken. Dat lijkt noodzakelijk voor het bereiken van het uiteindelijke doel, namelijk de verbetering van de soliditeit van de banksector.
Om hierin te slagen, beschikken de betrokken Belgische banken over verschillende mogelijkheden, met name meer winst reserveren, overgaan tot een kapitaalsverhoging of tot het inkrimpen van de activiteiten die een groot risico inhouden. De overgangsperiode laat hen een tamelijk grote bewegingsruimte om te beslissen welke oplossing voor hen het beste is. De keuze zal afhangen van de strategie die de betrokken banken voor hun ontwikkelingsplan in de komende jaren zullen aannemen.
Wat de impact op de aftrek van risicokapitaal betreft, zult u begrijpen dat het momenteel veel te vroeg is om al gerichte berekeningen te maken over de omvang van de budgettaire impact, uitgaande van de gesuggereerde aanpassingen aan het kapitaal van de beoogde financiële instellingen via de aftrek op risicokapitaal. Uit de bovenvermelde stand van zaken blijkt dat er nog heel wat onduidelijkheden zijn, zowel over de Europese richtlijnen die ter zake zullen worden genomen als over de concrete invulling ervan door de publieke overheden.
Naast de onduidelijkheden over de Bazel III-normen zal de verleende aftrek voor risicokapitaal hoe dan ook afhangen van een hele reeks andere factoren zoals:
1) De evolutie van het resterende fiscale resultaat vóór de aftrek voor risicokapitaal van de betrokken ondernemingen (of meer concreet, de winstevolutie van deze bedrijven).
2) De evolutie van het tarief van de aftrek voor risicokapitaal, met andere woorden de evolutie van de rentevoeten in Europa en zoals u weet is er al een plafond vastgelegd voor twee jaar.
3) De uiteindelijke bepaling van de verhoging van het eigen vermogen die uit deze nieuwe normen zal voortvloeien. Er zal een andere impact zijn als er een daadwerkelijke kapitaalverhoging wordt doorgevoerd dan wanneer een deel van de risicovolle activiteit wordt afgestoten.
4) De beweging van de bestanddelen die, met het oog op de berekening van het risicokapitaal, van het eigen vermogen dienen te worden afgetrokken en vooral dan de financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan. Immers, uit de jaarrekeningen neergelegd bij de Nationale Bank van België blijkt dat enkele belangrijke kredietinstellingen momenteel een negatief risicokapitaal hebben en de aftrek voor risicokapitaal dus niet kunnen genieten.
De toekomstige evolutie van al deze elementen is uiteraard erg moeilijk of zelfs helemaal niet in te schatten, waardoor een becijfering van de potentiële impact van de Bazel III-normen op de aftrek voor risicokapitaal actueel onhaalbaar is.
Ik heb zowel de Nationale Bank als mijn diensten gevraagd om dit te volgen en kwartaal na kwartaal zullen we daarover misschien meer verduidelijking kunnen geven.
De heer Peter Van Rompuy (CD&V). - Ik begrijp dat de nieuwe regeling ten vroegste ingaat op 1 januari 2013.
Wanneer wordt de impactstudie gepubliceerd?
De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - In 2013 begint de overgangsperiode.
De impactstudie zal vroeger uitkomen. Wellicht komen er nog verschillende nieuwe richtlijnen. We wachten op de impactstudie van de Europese Commissie, maar normaal moeten we daarvan resultaten zien in de eerste helft van volgend jaar.