5-539/1

5-539/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

29 NOVEMBER 2010


Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 223, 1447 en 1479 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 587, 594 en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, inzake preventieve uithuisplaatsing en houdende andere maatregelen ter opvolging en beteugeling van het partnergeweld

(Ingediend door de dames Sabine de Bethune en Cindy Franssen)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt — mits aanpassingen — de tekst over van een voorstel dat reeds op 9 april 2008 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-684/1 - 2007/2008).

De wet op het partnergeweld maakt het voor de gehuwde of samenwonende partner, die het slachtoffer is van geweldplegingen, mogelijk om de rechter te verzoeken de echtelijke verblijfplaats toegewezen te krijgen (wet van 28 januari 2003 tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden vanwege zijn partner en tot aanvulling van artikel 410 van het Strafwetboek, Belgisch Staatsblad van 12 februari 2003).

In de tweede plaats wordt, door die nieuwe regeling, de maximumstraf voor de geweldpleging tussen gehuwden of samenwonenden opgetrokken van zes maanden naar één jaar, om de wet op de voorlopige hechtenis van toepassing te maken en aldus te kunnen overgaan tot aanhouding en medeneming van de dader.

In 1997 werd een eerste stap gezet om het geweld binnen persoonlijke relaties te erkennen als misdrijf en als strafbaar feit (wet van 24 november 1997 strekkende om het geweld tussen partners tegen te gaan, Belgisch Staatsblad van 6 februari 1998).

De bestaande regelingen gaan evenwel niet ver genoeg; er blijven lacunes bestaan op verschillende vlakken.

1) Nood aan een nieuwe procedure van uithuisplaatsing bij dreigend intrafamiliaal geweld

Op vlak van preventie van geweldpleging binnen een relatie schiet de voorgestelde regeling tekort.

Er wordt enerzijds niets voorzien voor bedreigende situaties waarbij het (nog) niet tot effectieve geweldpleging is gekomen. Er is geen onmiddellijke bescherming voor de slachtoffers wanneer de bevoegde overheden, na een geweldpleging, niet overgaan tot het in voorlopige hechtenis nemen van de dader.

Dit was trouwens ook de kritiek van het Vrouwen Overleg Komitee (VOK) en de CD&V-werkgroep Vrouw en Maatschappij, die op de 31e Vrouwendag in november 2002, met als hoofdthema « geweld », verwezen naar het Oostenrijks systeem, waar sinds enkele jaren een preventieve uithuisplaatsing bestaat voor een beperkte periode van tien dagen, om erger te voorkomen. Ook tijdens de Internationale Vrouwendag van 8 maart 2004 stond de thematiek van het geweld tegen vrouwen weer hoog op de agenda, met een campagne van Amnesty International.

Als antwoord op deze ontoereikendheid van de bestaande wetgeving stellen wij voor de rechter uitspraak te laten doen binnen 24 uur na neerlegging van het verzoekschrift (vrederechter of rechter in eerste aanleg, al naargelang de stand van de procedure). De gevatte rechter kan dan de termijn bepalen van de toewijzing van het genot van de woonst en het omgangsverbod, die evenwel de tien dagen niet mag overschrijden.

De voorgestelde wijzigingen dienen een dubbel doel : enerzijds geven zij de mogelijkheid aan de gehuwde of samenwonende partner die het slachtoffer is van geweldpleging, om op éénzijdig verzoekschrift, binnen de vierentwintig uur, een uitspraak van tijdelijke uithuisplaatsing te verkrijgen met contactverbod. Dit is van belang, nu in de op 28 januari 2003 aangenomen regeling die beslissing weken of maanden op zich kan laten wachten, met alle gevolgen vandien. De aangenomen regeling geeft met andere woorden geen antwoord op de gevallen waarin de geweldpleger niet wordt aangehouden of binnen een korte termijn weer wordt vrijgelaten in afwachting van eventuele verdere vervolging. Dit geeft het slachtoffer bovendien de mogelijkheid om in alle rust te bekomen van de gepleegde feiten en zich te bezinnen over het vorderen van maatregelen « ten gronde », zoals de permanente uithuisplaatsing.

Anderzijds geven de voorgestelde wijzigingen diezelfde rechten tot het bekomen van een tijdelijke uithuisplaatsing aan de gehuwde of samenwonende partner welke enkel bedreigd werd, maar die (nog) niet het slachtoffer was van gewelddaden. In dit tweede geval geeft de voorgestelde wijziging dus de mogelijkheid om een onmiddellijke afkoelingsperiode in te bouwen. De bedreigende partner, die tijdelijk uit huis geplaatst wordt en tegen wie een contactverbod werd uitgesproken, krijgt aldus de tijd om zich te bezinnen over zijn gedrag, en voor de bedreigde partner wordt een gevaarlijke stresssituatie opgeheven.

De wijzigingen zijn ingegeven door de Oostenrijkse regeling, die zelfs nog verder gaat. Inderdaad stelt het uitvoeringsbesluit van de federale wet 79/1896 inzake familiaal geweld onder meer :

« Schutz vor Gewalt in Wohnungen

§ 382b. (1) Das Gericht hat einer Person, die einer anderen Person durch einen körperlichen Angriff, eine Drohung mit einem solchen oder ein die psychische Gesundheit erheblichen beeinträchtigendes Verhalten das weitere Zusammenleben unzumutbar macht, auf deren Antrag

1. das Verlassen der Wohnung und deren unmittelbarer Umgebung aufzutragen und

2. die Rückkehr in die Wohnung und deren unmittelbare Umgebung zu verbieten, wenn die Wohnung der Befriedigung des dringenden Wohnbedürfnisses des Antragstellers dient.

(2) Bei einstweiligen Verfügungen nach Abs. 1 ist keine Frist zur Einbringung der Klage (§ 391 Abs. 2) zu bestimmen, wenn die einstweilige Verfügung für längstens sechs Monate getroffen wird.

(3) Verfahren in der Hauptsache im Sinne des § 391 Abs. 2 können Verfahren auf Scheidung, Aufhebung oder Nichtigerklärung der Ehe, Verfahren über die Aufteilung des ehelichen Gebrauchsvermögens und der ehelichen Ersparnisse und Verfahren zur Klärung der Benützungsberechtigung an der Wohnung sein. »

Daadwerkelijke aanpak van het partnergeweld

Sinds de komst van het Nationaal Actieplan inzake de strijd tegen het partnergeweld vanaf 2001, steeg de aandacht voor deze problematiek aanzienlijk bij de verschillende bevoegde overheidsinstanties.

Waar de justitiële overheden gedurende lange tijd te weinig aandacht hadden voor deze problematiek, kwam daar een belangrijke wijziging in door het uitvaardigen van een Omzendbrief van het College van procureurs-generaal betreffende het strafrechtelijk beleid inzake partnergeweld. Deze omzendbrief bevat een resem maatregelen te volgen door de politiediensten en de parketten bij een melding of ontdekking van partnergeweld (COL nr. 4/2006 van het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep).

De omzendbrief formuleert de volgende doelstellingen :

1º de krachtlijnen vastleggen van het strafrechtelijk beleid inzake de bestrijding van het partnergeweld;

2º een eenvormig systeem uitwerken aan de hand waarvan de geweldsituaties tussen partners door de politiediensten en de parketten kunnen worden geïdentificeerd en geregistreerd;

3º de minimummaatregelen bepalen die in alle gerechtelijke arrondissementen van het land moeten worden toegepast en bijzondere lokale acties stimuleren;

4º de optredende gerechtelijke en politiediensten de instrumenten en referenties aanreiken waarop zij zich bij hun actie kunnen baseren.

Het Nationaal Actieplan 2008-2009 formuleerde opnieuw de verschillende doelstellingen in het kader van een globale aanpak. In het kader van de opvang en bescherming van slachtoffers geeft het plan aan dat de wijziging van de wet op de toewijzing van de gezinswoning een bijzonder actiepunt is (1) .

De indiensters van dit wetsvoorstel wensen over voorgaande kanttekeningen een aantal eisen op te nemen in de wettekst.

Het voorstel wil onder meer aanzetten tot het meer en correcter opmaken van processen-verbaal en een behoedzamer opvolgen van de vastgestelde gevallen. De seponeringsgraad van klachten van intrafamiliaal geweld blijft immers verontrustend hoog.

De minister van Justitie en de minister belast met het Gelijkekansenbeleid worden verplicht tot het jaarlijks voorleggen van een verslag aan het Parlement dat minimaal de volgende punten omvat :

— een overzicht van de richtlijnen en het beleid van het College van procureurs-generaal inzake de vervolging en de bestraffing van partnergeweld;

— een overzicht van de statistische gegevens over het politie- en strafrechtelijk beleid inzake partnergeweld op terrein;

— een overzicht van de invulling van het in de tekst gebruikte begrip « uitzonderlijke omstandigheden ». Immers kan de rechter in de voorgestelde regeling « uitzonderlijke omstandigheden » inroepen om aan het verzoek tot uithuisplaatsing na het plegen van gewelddaden geen gevolg te geven. Wat die uitzonderlijke omstandigheden zijn, is tot op heden onduidelijk, zodat het risico bestaat dat de rechtbanken deze bepaling zeer ruim interpreteren en de effectieve bescherming van het slachtoffer wordt uitgehold;

— een overzicht van de uitgevoerde gerichte vorming van magistraten en politiediensten inzake partnergeweld.

3) Wijzigingen rechterlijke bevoegdheid

Teneinde de voorgestelde regeling in rechte toepasbaar te maken, wordt een bevoegdheid toegevoegd aan de bestaande bevoegdheden van de vrederechter. Ook wordt een kortgedingbevoegdheid toegevoegd aan de bevoegdheden van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

Deze artikelen slaan op een materie bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen 2 en 3

In vele gevallen van intrafamiliaal geweld is het zo dat ofwel de ordediensten niet overgaan tot het medenemen van de dader van de feiten, omdat die niet ernstig genoeg zijn, of omdat er alleen een zeer bedreigende sfeer heerst, die nog niet heeft geleid tot het zich voordoen van strafrechtelijke feiten, maar waarbij er een ernstig risico bestaat dat de situatie uit de hand loopt. Vandaar is het van belang dat de wetgever in een zeer snel toepasbare « afkoelingsperiode » voorziet voor een beperkte tijd, als hoogdringende burgerrechtelijke maatregel, los van het strafrechtelijk gevolg dat al dan niet zou worden gegeven aan de feiten.

De afkoelingsperiode geeft de echtgenoten de mogelijkheid om zich te bezinnen, en om desgevallend verdere procedurele stappen te ondernemen, zoals het permanent vorderen van het genot van de gezinswoning.

Er is beroep mogelijk tegen de beslissing, dat evenwel niet schorsend werkt. Dit zou de zin van de maatregel wegnemen. Gelet op de controle uitgevoerd door de vrederechter en de beperking van de termijn van de maatregel, zijn de rechten van verdediging niet geschonden door deze niet-schorsende werking.

Het behoeft geen verdere uitleg dat de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding, bevoegd moet zijn inzake beroep. Daarom wordt in het artikel 587 van het Gerechtelijk Wetboek met dit voorstel een nieuwe bevoegdheid toegevoegd.

Artikel 4

Voegt dezelfde regeling in als hierboven, maar dan voor de wettelijk samenwonenden.

Artikel 5

Deze aanvulling heeft tot doel de bevoegdheden van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uit te breiden tot het geval waarin beroep wordt ingesteld tegen beslissingen van de vrederechter inzake preventieve uithuisplaatsing. Vermits de procedure voor de vrederechter verloopt op eenzijdig verzoekschrift, worden de rechten van verdediging van de dader ernstig beperkt. Om die te vrijwaren moet het hem of haar mogelijk gemaakt worden om zeer snel tegen de beslissing van de vrederechter in beroep te gaan bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die kennis neemt van die standpunten en, indien nodig, de beslissing van de vrederechter binnen het kortst mogelijke tijdsbestek kan vernietigen. Zo voorkomt men proceduremisbruiken.

Is er al een procedure van echtscheiding hangende, dan zijn de rechten van verdediging wel gevrijwaard, omdat de rechtbank reeds kennis heeft van het gehele geding en de tegenpartij reeds betrokken was in de echtscheidingsprocedure. In dat geval neemt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kennis van de vordering en is er mogelijkheid tot beroep bij het hof van beroep op grond van artikel 602, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 6

Deze aanvulling heeft tot doel de wijzigingen inzake de bevoegdheid van de vrederechter voor bewarende maatregelen op korte termijn, wat betreft het geven van het genot van de gezinswoning aan het slachtoffer of de bedreigde persoon, aan te passen aan de bevoegdheden van de vrederechter zoals die zijn opgenomen in artikel 594 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 7

Dit artikel voegt eenzelfde regeling in voor de gevallen waarin voor de rechtbank van eerste aanleg de ontbinding van het huwelijk werd gevorderd. In het algemeen kan de voorzitter in deze gevallen voorlopige maatregelen nemen. Het artikel specificeert één van deze maatregelen.

Artikel 8

Dit artikel somt een aantal verplichtingen op van de minister van Justitie en de minister belast met het Gelijkekansenbeleid, die tot doel hebben een betere opvolging van de problematiek mogelijk te maken alsook het uitstippelen van een duidelijk vervolgingsbeleid.

Alle bronnen hebben het over de problemen van het tekort aan opvolging op het terrein, zowel wat het opmaken van processen-verbaal betreft, het opvolgen van de dossiers als de toepassing van burgerrechtelijk en strafrechtelijk voorziene sancties. Dit amendement wil aanzetten tot het meer en correcter opmaken van processen-verbaal en een behoedzamer opvolgen van de vastgestelde gevallen.

De minister van Justitie en de minister belast met het Gelijkekansenbeleid worden daarom verplicht tot het jaarlijks voorleggen van een verslag aan het Parlement dat minimaal de volgende punten omvat :

— een overzicht van de richtlijnen en het beleid van het College van procureurs-generaal inzake de vervolging en de bestraffing van partnergeweld;

— een overzicht van de statistische gegevens over het politie- en strafrechtelijk beleid inzake partnergeweld op het terrein;

— een overzicht van de invulling van het in de tekst gebruikte begrip « uitzonderlijke omstandigheden ». Immers kan de rechter in de voorgestelde regeling « uitzonderlijke omstandigheden » inroepen om aan het verzoek tot uithuisplaatsing na het plegen van gewelddaden geen gevolg te geven. Wat deze uitzonderlijke omstandigheden zijn, is tot op heden onduidelijk, zodat het risico bestaat dat de rechtbanken deze bepaling zeer ruim interpreteren en de effectieve bescherming van het slachtoffer wordt uitgehold;

— een overzicht van de uitgevoerde gerichte vorming van magistraten en politiediensten inzake partnergeweld.

Sabine de BETHUNE
Cindy FRANSSEN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van de artikelen 5 en 6, die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 28 januari 2003, worden tussen het derde en het vierde lid de volgende leden ingevoegd :

« In de gevallen bedoeld in de vorige leden, alsmede wanneer er herhaalde en ernstige bedreigingen zijn geuit tot het plegen van de feiten bedoeld in het vorige lid, kan de echtgenoot die daarvan het slachtoffer is of die bedreigd werd bovendien bij eenzijdig verzoekschrift vorderen dat hij met onmiddellijke ingang het genot toegewezen krijgt van de echtelijke verblijfplaats. De echtgenoot kan tevens verzoeken dat een omgangsverbod wordt opgelegd.

In dit geval doet de vrederechter uitspraak binnen vierentwintig uur na neerlegging van het verzoekschrift. Hij bepaalt de termijn van de toewijzing van het genot en het omgangsverbod, die evenwel tien dagen niet mag overschrijden. Het beroep tegen deze beslissing bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg werkt niet schorsend. »

Art. 3

In artikel 1447 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 van gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, worden tussen het tweede en het derde lid de volgende leden ingevoegd :

« In de gevallen bedoeld in het vorige lid, alsmede wanneer er herhaalde en ernstige bedreigingen zijn geuit tot het plegen van de feiten bedoeld in het vorige lid, kan de echtgenoot die daarvan het slachtoffer is of die bedreigd werd bovendien bij eenzijdig verzoekschrift aan de vrederechter van de echtelijke verblijfplaats vorderen dat hij met onmiddellijke ingang het genot toegewezen krijgt van de echtelijke verblijfplaats. De echtgenoot kan tevens verzoeken dat een omgangsverbod wordt opgelegd.

In dit geval doet de vrederechter uitspraak binnen vierentwintig uur na neerlegging van het verzoekschrift. Hij bepaalt de termijn van de toewijzing van het genot en het omgangsverbod, die evenwel tien dagen niet mag overschrijden. Het beroep tegen deze beslissing bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg werkt niet schorsend. »

Art. 4

Artikel 1479 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de wet van 28 januari 2003, wordt aangevuld met de volgende leden :

« In de gevallen bedoeld in het vorige lid, alsmede wanneer er herhaalde en ernstige bedreigingen zijn geuit tot het plegen van de feiten bedoeld in het vorige lid, kan de wettelijk samenwonende die daarvan het slachtoffer is of die bedreigd werd bovendien bij eenzijdig verzoekschrift vorderen dat hij met onmiddellijke ingang het genot toegewezen krijgt van de gemeenschappelijke verblijfplaats. De wettelijk samenwonende kan tevens verzoeken dat een omgangsverbod wordt opgelegd.

In dit geval doet de vrederechter uitspraak binnen vierentwintig uur na neerlegging van het verzoekschrift. Hij bepaalt de termijn van de toewijzing van het genot en het omgangsverbod, die evenwel tien dagen niet mag overschrijden. Het beroep tegen deze beslissing bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg werkt niet schorsend. »

Art. 5

In artikel 587 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de bepaling onder 7º, opgeheven door de wet van 10 mei 2007, hersteld in de volgende lezing :

« 7º over de beroepen tegen de beslissingen bedoeld in de artikelen 223, vijfde lid, 1447, vierde lid, en 1479, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek. »

Art. 6

In artikel 594, 19º, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 23 november 1998, wordt de artikelverwijzing « 1447, derde lid, » ingevoegd tussen het cijfer « 223, » en het cijfer « 1479 ».

Art. 7

In artikel 1280 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 maart 2010, worden tussen het zevende en het achtste lid de volgende leden ingevoegd :

« In de gevallen bedoeld in het vorige lid, alsmede wanneer er herhaalde en ernstige bedreigingen zijn geuit tot het plegen van de feiten bedoeld in het vorige lid, kan de echtgenoot die daarvan het slachtoffer is of die bedreigd werd bovendien bij eenzijdig verzoekschrift aan de voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt vorderen dat hij met onmiddellijke ingang het genot toegewezen krijgt van de echtelijke verblijfplaats. De echtgenoot kan tevens verzoeken dat een omgangsverbod wordt opgelegd.

In dit geval doet de voorzitter of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt uitspraak binnen vierentwintig uur na neerlegging van het verzoekschrift. Hij bepaalt de termijn van de toewijzing van het genot en het omgangsverbod, die evenwel tien dagen niet mag overschrijden. Het beroep tegen deze beslissing werkt niet schorsend. »

Art. 8

De minister van Justitie en de minister belast met het Gelijkekansenbeleid leggen jaarlijks een verslag voor aan de Wetgevende Kamers dat minimaal de volgende punten omvat :

1º een overzicht van de richtlijnen en het beleid van het College van procureurs-generaal inzake de vervolging en de bestraffing van partnergeweld;

2º een overzicht van de statistische gegevens over het politie- en strafrechtelijk beleid inzake partnergeweld op terrein;

3º een overzicht van de invulling van het begrip « uitzonderlijke omstandigheden » zoals bedoeld in de artikelen 223, 1447, 1479 van het Burgerlijk Wetboek;

4º een overzicht van de uitgevoerde gerichte vorming van magistraten en politiediensten inzake partnergeweld.

20 juli 2010.

Sabine de BETHUNE
Cindy FRANSSEN.

(1) Nationaal actieplan inzake de strijd tegen het partnergeweld 2008-2009, blz. 12.