5-300/1 | 5-300/1 |
12 OKTOBER 2010
Dit voorstel van resolutie neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 12 september 2007 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 52-0145/001).
Al van bij het begin van de Europese eenwording genieten de overheidsbedrijven een bijzonder statuut wanneer het aankomt op de eerbiediging van de in het Verdrag van Rome opgenomen beginselen van vrij verkeer en vrije concurrentie. De Europese autoriteiten waren indertijd immers de mening toegedaan dat die bedrijven van een aantal verplichtingen moesten worden vrijgesteld, opdat zij hun specifieke opdrachten van algemeen belang naar behoren zouden kunnen vervullen. Die specifieke regeling heeft ertoe geleid dat de staatsbedrijven op het grondgebied van hun thuisland een monopoliepositie hebben kunnen handhaven.
Onder impuls van de Europese Commissie werden verschillende richtlijnen aangenomen die ertoe strekken concurrentie toe te staan in verscheidene economische sectoren die tot dusver traditioneel waren voorbehouden voor de staatsmonopolies. Aldus deden zich grondige wijzigingen voor in heel wat sectoren : telecommunicatie, postdiensten, spoorwegen enzovoort. De basisteksten van de Europese Unie hebben het begrip « openbare dienstverlening » verankerd als een onderdeel van de opdrachten van algemeen belang die de lidstaten gegarandeerd op zich moeten nemen. Openbare dienstverlening wordt omschreven als een economische activiteit van algemeen belang die door de overheid in het leven wordt geroepen en onder de verantwoordelijkheid van die overheid wordt ontplooid, ook al wordt het beheer ervan aan een niet-overheidsoperator toevertrouwd.
De afschaffing van de monopolies in de zogenaamde « netwerksectoren » (telecommunicatie, transport, energie) heeft een grondige wijziging teweeggebracht in de wijze waarop binnen de betrokken ondernemingen werd gewerkt. Vandaag genieten die ondernemingen in alle Europese landen beheersautonomie, gekoppeld aan een resultaatverbintenis wat de verwezenlijking van de doelstellingen van openbare dienstverlening betreft. Aldus volgen ook de overheidsbedrijven een logica die gebaseerd is op het adagium « geen rechten zonder plichten ». Ze beschikken over rechten op het stuk van de beheersautonomie en de interne organisatie, maar moeten tegelijkertijd verplichtingen nakomen ten aanzien van de samenleving, dat wil zeggen : ze moeten tegemoetkomen aan de verwachtingen van de bevolking inzake de kwaliteit van hun publieke dienstverlening.
De openstelling van de oude monopolies voor concurrentie, alsook de oprichting van onafhankelijke reguleringsinstanties teneinde eerlijke concurrentie te waarborgen, hebben de kiem gelegd voor een geleidelijke afzwakking van de rol van de Staat in het beheer van de overheidsbedrijven. Bijgevolg evolueerde de Staat van een verschaffer van monopolies aan overheidsdiensten naar een rationeel aandeelhouder in overheidsbedrijven. Het komt erop aan dat de Staat als aandeelhouder rekening houdt met de diverse marktsituaties waarmee de overheidsbedrijven worden geconfronteerd. Teneinde elk belangenconflict tussen de Staat als regulator en de Staat als aandeelhouder te voorkomen, ware het raadzaam structuren op te richten die daadwerkelijk garanderen dat het beheer van de overheidsbedrijven autonoom kan verlopen.
In de sectoren die al voor concurrentie werden opengesteld, is het niet langer mogelijk bepaalde opdrachten van openbare dienstverlening uitsluitend aan overheidsbedrijven toe te vertrouwen. De aanwezigheid van privéondernemingen schept ruimte voor concurrentie, die niet alleen speelt voor de commerciële activiteiten die niets met openbare dienstverlening te maken hebben, maar ook voor de openbare dienstverlening zelf. Die concurrentie kan worden bevorderd door een regeling van openbare aanbestedingen waarbij alle ondernemingen die dat wensen (inclusief de overheidsbedrijven) kunnen meedingen naar bepaalde opdrachten van openbare dienstverlening. Via een selectieprocedure die is gestoeld op objectieve, welomschreven en neutraal geëvalueerde criteria, moet het bijgevolg mogelijk zijn te garanderen dat dergelijke openbare diensten zo goedkoop en zo kwaliteitsvol mogelijk worden verleend.
| François BELLOT. |
De Senaat,
A) stelt vast dat de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (Belgisch Staatsbland van 27 maart 1991) bepaalde overheidsregies in staat moest stellen zich met behulp van een wettelijk kader aan te passen aan de vrijmaking op Europese schaal van hun activiteitensector;
B) stelt vast dat de diverse betrokken sectoren — telecommunicatie, post, spoorvervoer, luchtvervoer — daarop hebben ingespeeld en elk in een verschillend tempo (afhankelijk van de goedkeuring van de Europese richtlijnen met betrekking tot die sectoren) werk blijven maken van de liberalisering;
C) stelt vast dat voor de in de wet vastgelegde gemeenschappelijke regels tal van uitzonderingen en afwijkingen gelden die tot doel hebben een of ander autonoom overheidsbedrijf een soepeler wettelijk raamwerk te bieden, dat noodzakelijk wordt gemaakt door de concurrentie in de betrokken economische sector;
D) stelt vast dat, wat het overheidsaandeelhouderschap betreft, de meerderheidsregel ten gunste van de Staat al niet meer geldt voor BIAC, sinds die luchthavenuitbater werd geprivatiseerd;
E) stelt vast dat sommige bedrijfsrevisoren verschillende mandaten cumuleren in overheidsbedrijven of in privéondernemingen waarin de Staat aandeelhouder is, en wijst erop dat die cumulatie de onafhankelijkheid van die revisoren kan aantasten;
F) stelt vast dat de Staat niet altijd over voldoende financiële middelen beschikt om zijn rol van referentieaandeelhouder te vervullen;
G) stelt vast dat er, inzake de toekenning van de mandaten van revisor van de rekeningen van de overheidsbedrijven, een soort van monopolie bestaat of, op zijn minst, een oligopolie waar bepaalde revisoren voordeel uit halen,
Vraagt de regering :
1º de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven te evalueren, teneinde ze volledig te herzien;
2º de hervorming van de overheidsbedrijven aan te pakken met als uitgangspunt de diensten die zij de consument aanbieden, veeleer dan de structuur van de ondernemingen die die diensten aanbieden;
3º de kwaliteitsgaranties te versterken die moeten worden geboden door de ondernemingen die aan openbare dienstverlening doen;
4º de mogelijkheid te onderzoeken de Federale Participatiemaatschappij (FPM) geleidelijk om te vormen tot een Federaal Agentschap dat ermee wordt belast op een meer onafhankelijke wijze de overheidsparticipaties in publieke of particuliere ondernemingen te beheren;
5º de onafhankelijkheid te vergroten van de bedrijfsrevisoren die belast zijn met de controle op de rekeningen van de ondernemingen waarin de Staat aandeelhouder is;
6º mechanismen in het leven te roepen die alle bedrijfsrevisoren gelijke toegang waarborgen tot de mandaten van bedrijfsrevisor in ondernemingen waarin de Staat aandeelhouder is;
7º de ondernemingen waarin de Staat aandeelhouder is, de financiële middelen te garanderen die nodig zijn voor hun economische ontwikkeling.
21 september 2010.
| François BELLOT. |