4-1791/1 | 4-1791/1 |
6 MEI 2010
A. Inleiding
Het oprichtingsproces van het Internationaal Strafhof is in 1948 van start gegaan, toen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de VN-Commissie Internationaal Recht belast heeft met het onderzoek naar de opportuniteit en de mogelijkheid van de oprichting van een permanent Internationaal Strafhof om de daders van de meest ernstige misdrijven te berechten en te straffen. De idee van een Internationaal Strafhof is ook aanwezig in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, dat op 9 december 1948 door de algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen. Het Verdrag bepaalt dat de personen die beschuldigd worden van genocide berecht zullen worden door een Internationaal Strafhof.
Na de vonnissen uitgesproken door het Nuremberg en het Tokyo Tribunaal hebben tal van schendingen van de mensenrechten plaatsgehad. De opstand veroorzaakt door de straffeloosheid die tal van daders van deze gruwelijke misdrijven genoten en nog genieten, heeft aanleiding gegeven tot een invloedrijke beweging van burgers die zich verenigd hebben rond de eis voor gerechtigheid, opdat alle daders zouden worden berecht en gestraft. Die eis werd overigens overgenomen in een ruimere context van strijd tegen de straffeloosheid.
Zodra het Statuut van Rome op 17 juli 1998 werd aangenomen door een internationale conferentie, moesten 60 Staten het ratificeren opdat het in werking kon treden. Dat quorum werd bereikt op 11 april 2002 en op 1 juli 2002 is het Statuut van het Internationaal Strafhof in werking getreden. Sedert 21 juli 2009 zijn 110 Staten partij bij het Statuut van Rome.
Het Hof is het eerste permanent internationaal orgaan, dat als opdracht heeft het veroordelen van de meest ernstige schendingen van de fundamentele mensenrechten. Het Internationaal Strafhof is complementair aan de nationale rechtbanken. Om evenwel te voorkomen dat de Staten die Partij zijn de daders van internationale misdrijven ongestraft laten, kent het Statuut van het Hof het Hof de bevoegdheid toe controle uit te oefenen op de activiteiten van de nationale rechtbanken indien :
— het proces dat door een nationale rechtbank werd aangevat tot doel had de van misdrijven van internationaal recht beschuldigde persoon te onttrekken aan elke strafrechtelijke aansprakelijkheid, met andere woorden, wanneer een nationale rechtbank probeert een straffeloosheid in rechte te bevestigen;
— het proces niet onpartijdig werd gevoerd.
Het Hof is dus bedoeld om de lacunes en de tekortkomingen van het internationaal recht en het intern recht te verhelpen. In de preambule van zijn Statuut wordt inzonderheid opgemerkt dat de oprichting ervan tot doel heeft paal en perk te stellen aan de straffeloosheid via de bestraffing van de daders van de ernstige schendingen van het internationaal recht. Het is een permanent orgaan, samengesteld uit onafhankelijke rechters van de Staten en belast met de toepassing van het internationaal recht. Zodoende beschikt het Hof over de noodzakelijke onafhankelijkheid en autonomie om zijn rechtsmacht ten volle uit te oefenen met betrekking tot de in zijn Statuut bepaalde misdrijven.
B. De materiële bevoegdheid van het Internationaal Strafhof
Het Hof heeft rechtsmacht met betrekking tot de volgende misdrijven :
— het misdrijf genocide, bepaald volgens de criteria vermeld door het Nuremberg Tribunaal en door het Verdrag van 1948;
— de misdrijven tegen de menselijkheid, zoals de gedwongen overbrenging van personen en marteling;
— de oorlogsmisdaden, zoals beschreven in het Verdrag van Genève van 1949;
— het misdrijf agressie, volgens een definitie en de beschrijving van de voorwaarden waaronder het Hof zijn bevoegdheid zal uitoefenen;
Het Hof oefent zijn rechtsmacht uit over de misdrijven die begaan werden na de inwerkingtreding van het Statuut.
Een tijdelijke uitzondering kan de uitoefening van de rechtsmacht van het Hof inzake oorlogsmisdaden beperken (artikel 124). Bij de ratificatie van het Statuut kunnen de Staten verklaren dat ze gedurende een periode van zeven jaar de bevoegdheid van het Hof niet aanvaarden wanneer oorlogsmisdaden gepleegd werden door hun onderdanen of op hun grondgebied. Die verklaring sluit evenwel de rechtsmacht van het Hof niet uit in geval van misdaden tegen de menselijkheid of genocide; hoewel die misdaden moeilijker kunnen worden bewezen dan de oorlogsmisdaden, aangezien de drempel voor het plegen ervan hoger ligt.
C. De bevoegdheid ratione personae van het Internationaal Strafhof
Het basisbeginsel voor de uitoefening van de rechtsmacht van het Hof is het volgende : de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de internationaalrechtelijke misdrijven is altijd individueel. In die zin volgt het Statuut van het Hof het door het Nuremberg Tribunaal geformuleerde beginsel dat onlangs nog bevestigd werd door het Internationaal Tribunaal voor Ex-Joegoslavië (art 7) en dat voor Rwanda (art. 6). Die aansprakelijkheid geldt voor alle ernstige schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten. De individuele aansprakelijkheid is nochtans strikt beperkt tot de natuurlijke personen.
Het Statuut vermeldt eveneens de verschillende gronden waarvoor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een persoon kan worden aangevoerd, namelijk :
— wanneer de handeling die een internationaal misdrijf uitmaakt, gepleegd werd met zijn medewerking;
— wanneer de persoon geprobeerd heeft een dergelijke handeling te verrichten;
— wanneer hij aangezet heeft tot het verrichten van een dergelijke handeling of meegewerkt heeft aan de planning ervan;
— wanneer de persoon medeplichtig was bij het plegen van het misdrijf of wanneer hij het plegen ervan heeft bevolen;
— wanneer de persoon niet al het mogelijke gedaan heeft om het plegen van de misdrijven te voorkomen.
De strafrechtelijke aansprakelijkheid kan ook worden aangevoerd wanneer het misdrijf niet volledig werd gepleegd. Het feit dat het plegen van internationale misdrijven wordt gepland, is op zich een delinquent gedrag.
In artikel 28 van het Statuut van Rome wordt een bijzondere vorm van aansprakelijkheid gedefinieerd, namelijk de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een militair bevelhebber of persoon die daadwerkelijk als militair bevelhebber optreedt, voor misdrijven begaan door strijdkrachten die onder zijn daadwerkelijk bevel of leiding stonden. Artikel 28 voorziet in de uitdrukkelijke verplichting van de meerderen om alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen hun macht liggen om het begaan van de misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit te verhinderen of te bestraffen.
D. De toegangswegen tot het Internationaal Strafhof
Er zijn drie mogelijkheden waardoor het Hof zijn rechtsmacht kan uitoefenen.
— De eerste mogelijkheid betreft de Staat die Partij is. Deze Staat kan de Aanklager inlichtingen verschaffen over begane misdrijven en vragen dat de daders worden vervolgd;
— De tweede mogelijkheid is de VN-veiligheidsraad, die, net als de Staten die Partij zijn, de Aanklager inlichtingen kan verschaffen en vragen dat een onderzoek wordt geopend naar misdrijven die begaan werden op het grondgebied van een Staat die Partij is. Het Statuut van het Internationaal Strafhof bepaalt dat de Veiligheidsraad elk onderzoek of proces tegen de daders van misdaden tegen de menselijkheid voor twaalf maanden kan opschorten. Die opschorting kan geschieden indien de Veiligheidsraad, door het aannemen van een resolutie in het kader van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, beslist dat een onderzoek of een vervolging een bedreiging vormt voor de internationale inspanningen om de vrede en de veiligheid te herstellen in een bepaalde situatie.
— De derde mogelijkheid bestaat erin dat de Aanklager uit eigen initiatief beslist een strafrechtelijke procedure te openen op basis van inlichtingen over het bestaan van misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit.
In al die procedures komt het de Aanklager toe de waarheid van de feiten vast te stellen, inzonderheid door inlichtingen te vragen aan de gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, en, in beginsel, ook aan de slachtoffers.
De Aanklager is immers onafhankelijk en niet gebonden door de indiening of de verwijzing van situaties door de Staten, de Veiligheidsraad of om het even welke andere entiteit.
E. De Herzieningsconferentie (van 31 mei tot 11 juni 2010 in Kampala)
Overeenkomstig de artikelen 121 en 123 van het Statuut van Rome zal de Herzieningsconferentie de Staten die Partij zijn voor het eerst de mogelijkheid bieden om wijzigingen aan het Statuut te bespreken en aan te nemen. Die Conferentie heeft plaats in Kampala, van 31 mei tot 11 juni.
Ten eerste, overeenkomstig resolutie ICC-ASP/1 Res. 1 en resolutie F van de Slotakte van de Conferentie van Rome, zal in de Herzieningsconferentie de mogelijkheid worden onderzocht om een bepaling inzake het misdrijf agressie op te nemen in het Statuut van Rome. Ontwerpen van bepalingen inzake het misdrijf agressie werden uitgewerkt door de speciale werkgroep terzake, die zijn werkzaamheden in februari 2009 beëindigd heeft.
Ten tweede, de Herzieningsconferentie zal de overgangsbepaling van artikel 124 van het Statuut onderzoeken met betrekking tot de uitgestelde aanvaarding, door een Staat, van de rechtsmacht van het Hof inzake oorlogsmisdaden.
Ten derde, de Herzieningsconferentie kan overgaan tot het onderzoek van andere wijzigingen van het Statuut van Rome. Een eerste bespreking heeft plaatsgehad in november 2009, op de achtste zitting van de Vergadering van de Staten die Partij zijn, teneinde een consensus over en een goede voorbereiding van de Conferentie te bevorderen. In dat verband werd een door België ingediend voorstel over de uniformisering van de lijst van verboden wapens in geval van interne en internationale gewapende conflicten goedgekeurd door een ruime meerderheid van de Staten die Partij zijn. Dat voorstel zal in Kampala worden besproken in het kader van artikel 8 betreffende de oorlogsmisdaden.
Ten vierde, de Vergadering van de Staten die Partij zijn, heeft in haar resolutie ICC-ASP/7/Res. 3 aanbevolen dat de Herzieningsconferentie, naast het onderzoek van de wijzigingen, ook de evaluatie van het internationaal strafrechtstelsel in 2010 mogelijk zou maken, gelet op de noodzaak om ook rekening te houden met de aspecten die betrekking hebben op de universaliteit, de toepassing en de lessen die getrokken zijn, teneinde de werkzaamheden van het Hof te verbeteren.
Deze eerste Herzieningsconferentie is dus een belangrijke stap voor het Internationaal Strafhof. Voor de Staten is het een unieke gelegenheid om na te denken over de verwezenlijkingen van het Hof sedert de inwerkingtreding van het Statuut en hun engagement voor de strijd tegen de straffeloosheid van de ergste misdrijven tegen de internationale gemeenschap opnieuw te bevestigen.
De Herzieningsconferentie zal openstaan voor deelname van de civiele maatschappij, met inbegrip van de niet-gouvernementele organisaties en de vertegenwoordigers van de slachtofferorganisaties.
| Alain DESTEXHE. |
De Senaat,
A. Eraan herinnerend dat de daders van oorlogsmisdaden met toepassing van het Verdrag van Genève van 1949 op basis van de universele rechtsmacht altijd vervolgd kunnen worden door de nationale rechtbanken;
B. Eraan herinnerend dat de Staten verplicht zijn de daders van deze misdaden te vervolgen;
C. Eraan herinnerend dat het Internationaal Strafhof slechts een complementaire bevoegdheid heeft ten opzichte van de Staten;
D. Gelet op het door België ingediende voorstel over de uniformisering van de lijst van verboden wapens in geval van interne en internationale gewapende conflicten.
Vraagt de regering :
1. te ijveren voor de universaliteit van het Internationaal Strafhof en de Staten die het Statuut niet hebben geratificeerd te overtuigen dit zo spoedig mogelijk te doen;
2. ervoor te zorgen dat de Staten die Partij zijn, hun voorbehoud opgeven en hun intern recht aanpassen aan het Statuut van het Internationaal Strafhof;
3. het Internationaal Strafhof politiek en financieel te steunen om de efficiëntie ervan te verbeteren en er voor te zorgen dat de processen tijdig worden afgerond;
4. de internationale campagnes te steunen die gericht zijn op de universele toetreding tot het Statuut van Rome en de toepassing ervan in het interne recht;
5. erop te wijzen dat de beslissingen van het Internationaal Strafhof slechts uitvoerbaar zijn als de Staten meewerken aan de toepassing ervan;
6. te ijveren voor de naleving van resolutie 1593 waarmee de Veiligheidsraad de situatie in Darfoer sedert 1 juli 2002 heeft overgedragen aan de Aanklager van het Internationale Strafhof;
7. er voor te zorgen dat de aanhoudingsbevelen snel worden uitgevoerd;
8. er samen met het Spaans voorzitterschap van de Europese Unie voor te zorgen dat de EU ambitieuze gemeenschappelijke standpunten verdedigt en op het hoogst mogelijke niveau wordt vertegenwoordigd.
16 maart 2010.
| Alain DESTEXHE. |