4-115 | 4-115 |
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Vorige week deed het Europees Hof van Justitie in Luxemburg een belangrijke uitspraak over het beleid van de EU-lidstaten inzake gezinshereniging. Aanleiding hiervoor was de zaak van een Marokkaanse man die al sinds 1970 in Nederland woont en zijn echtgenote naar Nederland wilde laten overkomen. Omdat de man een werkloosheidsuitkering geniet, wilde de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken geen verblijfsvergunning afgeven.
De Nederlandse Raad van State stelde daarop twee prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie. Het Hof antwoordde ten eerste dat er voor de inkomenseis bij gezinshereniging geen onderscheid gemaakt mag worden tussen mensen die voor ze naar Nederland kwamen al gehuwd waren en diegenen die dat niet waren. Ten tweede oordeelde het Hof dat per individu bekeken moet worden of de inkomsten voldoende zijn en dat daarbij wel een beroep mag worden gedaan op bijzondere bijstand, of zoals bij ons, op het OCMW.
De uitspraak lijkt er dus op neer te komen dat de EU-lidstaten geen minimuminkomen mogen vaststellen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan, zonder een beoordeling van de situatie van iedere aanvrager.
Onze fractie blijft nog steeds voorstander van het opleggen van een inkomenseis, zoals overigens is overeengekomen in het regeerakkoord alsook in het akkoord van september 2009. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de vereiste wetsontwerpen daarover. De staatssecretaris dient de uitspraak over Nederland echter goed te bekijken zodat we niet dezelfde fouten maken als Nederland. Ik vermoed dat een en ander te wijten is aan het feit dat Nederland een inkomen vaststelt van 120 procent van het bestaansminimum, terwijl bovendien sommige Nederlandse gemeenten 110, 120 of 130 procent hanteren, waarmee ze afwijken van de uitgezette lijn.
Is de staatssecretaris op de hoogte van de problematiek en de uitspraak van het Europees Hof van Justitie te Luxemburg?
Hoe schat de staatssecretaris de draagwijdte van de uitspraak in voor wat betreft het Belgisch beleid inzake gezinshereniging, meer bepaald voor de hervormingen die op stapel staan? Zal België in de toekomst een vaste inkomenseis kunnen opleggen? Zijn er zaken waarop we moeten letten om te voorkomen dat we met een uitspraak van het Luxemburgse Hof worden geconfronteerd?
Hoe zal de staatssecretaris mogelijke problemen hieromtrent aanpakken?
De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Ik ben uiteraard onmiddellijk ingelicht over het arrest Chakroun. De elementen die erin aan bod komen, zijn interessant voor België omdat de regering in oktober 2009 beslist heeft om de voorwaarde van een toereikend, stabiel en regelmatig inkomen te verscherpen voor vreemdelingen die een beroep doen op de gezinshereniging. Hiermee wordt artikel 7, 1, c) van de Europese richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging in het Belgisch recht omgezet.
Wanneer we het Europees arrest naast het uitgewerkte voorontwerp van wet leggen, zie ik geen tegenspraak. Ik benadruk wel dat de Belgische en de Nederlandse situatie niet helemaal vergelijkbaar zijn. De inkomensvereiste wordt in beide landen niet op dezelfde wijze uitgewerkt. Zo staat 1 207,91 of 1 441,44 euro in Nederland tegenover slechts 930 euro in België volgens het regeringsakkoord. Bovendien merkt het Hof op dat `het door de Nederlandse autoriteiten vereiste bedrag om te beoordelen of de inkomsten voldoende zijn, het hoogste is van alle lidstaten van de Gemeenschap'.
Daarnaast geeft het Hof van Justitie aan dat de lidstaten zelf een bedrag mogen bepalen. Het Hof stelt in punt 48: `Aangezien de omvang van de behoeften van persoon tot persoon sterk kan verschillen, moet deze bevoegdheid bovendien aldus worden uitgelegd dat de lidstaten wel een bepaald referentiebedrag kunnen vaststellen, maar niet dat ze een minimuminkomen kunnen bepalen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan, zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager'. In punt 42 luidt het: `(...) beoordelen de lidstaten (...) de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen zij rekening houden met de nationale minimumlonen en -pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.'
Het bedrag waarvoor de regering in oktober opteerde, sluit aan bij de criteria van het Europees Hof. Het gevraagde bedrag moet overeenkomen met het bedrag van het leefloon, vermeerderd met het bedrag voor één persoon ten laste. Bij de evaluatie van de bestaansmiddelen van de vreemdeling bij wie men intrekt, mag er bovendien geen rekening gehouden worden met de gezinsbijslag of het onderhoudsgeld voor een kind.
De erkende vluchteling zal niet aan dergelijk bestaansmiddelenvereiste dienen te voldoen. Dat is een toepassing van het reeds bestaande principe dat is uitgewerkt in artikel 10, §2, 4º lid van de vreemdelingenwet.
Daarnaast blijft de huidige voorwaarde behouden dat de betrokkenen niet ten laste mogen vallen van de overheid.
Tot slot benadrukt het Hof van Justitie dat elke aanvraag apart moet worden beoordeeld. Het zal bijgevolg niet voldoende zijn alleen maar vast te stellen dat de aanvrager niet voldoet aan het vereiste minimuminkomen. Er zal daarnaast voor elke aanvrager een concrete beoordeling moeten worden gemaakt van zijn of haar situatie. Die tweede vereiste volgt uit artikel 17 van richtlijn 2003/86/EG.
Het zou in het licht van genoemd arrest dan ook opportuun zijn om de artikelen van deze richtlijn om te zetten in onze Belgische wetgeving. Op die manier behoeden wij ons voor problemen bij de invoering van een inkomstenvereiste. Dit alles stemt helemaal overeen met de beslissingen van de regering en met de praktijk van de administratie.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Het stelt me gerust dat de uitspraak van het Europees Hof geen problemen oplevert voor België. Ik dring er wel op aan dat het wetsontwerp snel wordt ingediend zodat Kamer en Senaat er ook snel over kunnen beslissen.