4-1537/4 | 4-1537/4 |
5 JANUARI 2010
De Senaat,
I. Kinderrechten en mensenrechten
A. Rekening houdend met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) van 20 november 1989, in het bijzonder de artikelen 19, 28, 34, 39. Het IVRK stelt dat kinderen recht hebben op bescherming tegen alle vormen van lichamelijke, geestelijke mishandeling en uitbuiting met inbegrip van seksueel misbruik en verwaarlozing. Met betrekking tot geweld op school preciseert het IVRK dat de handhaving van de discipline op school verenigbaar moet zijn met de menselijke waardigheid van het kind en dat alle lijfstraffen en vernederende of schadelijke straffen op school verboden moeten worden. Slachtoffers van geweld hebben volgens het IVRK het recht op ondersteuning bij hun lichamelijk en geestelijk herstel en herintegratie in de maatschappij.
B. Verwijzend naar het General Comment nr. 8 (2 maart 2007) van het VN Comité voor de Rechten van het Kind over de bescherming van kinderen tegen fysieke en andere wrede of vernederende straffen dat bepaalt dat alle vormen van fysiek geweld tegen kinderen met inbegrip van alle vormen van lijfstraffen, niet in overeenstemming zijn met het IVRK. Bovendien zijn ook niet-fysieke straffen die schadelijk, wreed of vernederend zijn, niet in overeenstemming met het IVRK.
C. Rekening houdend met het feit dat het IVRK een holistische benadering van de kinderrechten hanteert en dat geweld tegen kinderen niet enkel een inbreuk vormt op de rechten ter bescherming van kinderen, maar een inbreuk vormt op alle kinderrechten met inbegrip van overlevings-, ontwikkelings- en participatierechten.
D. Rekening houdend met de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (UDHR) van 10 december 1948, in het bijzonder artikelen 3, 5 en 16.
E. Rekening houdend met het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (ICCPR) van 19 december 1966, in het bijzonder artikelen 6, 7 en 24.
F. Rekening houdend met het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ICESCR) van 19 december 1966, in het bijzonder artikel 10.
G. Rekening houdend met het VN-Verdrag over de Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979, in het bijzonder artikelen 5, 6 en 10.
H. Rekening houdend met het VN-Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing van 10 december 1984.
I. Rekening houdend met de VN-Verklaring inzake de Eliminatie van Geweld tegen Vrouwen (DEVAW) van 20 december 1993.
J. Gelet op het Afrikaans Charter inzake Mensen en Volkerenrechten (1990), en het Protocol over de Rechten van de Vrouwen in Afrika (juli 2003). Dit Protocol vereist dat staten maatregelen nemen om alle vormen van geweld tegen vrouwen te onderdrukken, om de oorzaken te identificeren, om de overtreders te bestraffen en om een effectieve rehabilitatie van de slachtoffers te verzekeren.
K. Gelet op het Afrikaans Handvest inzake de Rechten en de Welvaart van het Kind (1990) dat bepaalt dat overheden alle mogelijke wetgevende, administratieve, sociale en onderwijskundige maatregelen moeten nemen om kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld en onmenselijke behandeling met inbegrip van fysiek, seksueel en mentaal misbruik en verwaarlozing.
II. Internationale resoluties, rapporten en beleidsplannen
A. Gelet op de vaststelling dat verschillende Millenniumontwikkelingsdoelstellingen, die voortkomen uit de VN Millennium Top en de VN Millennium Verklaring (september 2000), negatief beďnvloed worden door het wijdverspreide dagelijks geweld tegen kinderen. Geweld tegen kinderen zet zowel een rem op het bereiken van MDG 2 « Basisonderwijs voor iedereen », MDG 3 « Gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen », MDG 4 « Kindersterfte terugdringen », MDG 5 « Moedersterfte terugdringen » als MDG 6 « De strijd tegen HIV/aids, malaria en andere ziekten ».
B. Gelet op het World Education Forum van Dakar (april 2000) en de « Education For All » — doelstellingen en het belang van de strijd tegen schoolgerelateerd geweld, voor het bereiken van onderwijs voor iedereen.
C. Gelet op het Wereld Rapport over Geweld en Gezondheid van de WHO (2002).
D. Verwijzend naar de VN Resolutie « A World Fit for Children » (6 mei 2002) die de verplichting van de ondertekenende staten om de rechten van alle kinderen te beschermen bevestigt, een actieplan naar voor schuift om « een wereld geschikt voor kinderen » te realiseren en onder andere oproept kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld, misbruik, uitbuiting en hiervoor een aantal strategieën poneert (Artikelen 7, 41 - 45).
E. Verwijzend naar de Verklaring van Parijs (2005) en de Accra-agenda (2008) over de doeltreffendheid van de hulp die poogt de impact van ontwikkelingshulp te vergroten door doeltreffender partnerschappen te promoten tussen donorlanden en begunstigde landen.
F. Gelet op het rapport en de aanbevelingen van de VN-Studie over Geweld tegen Kinderen (UNVAC) van 2006 en de bijbehorende nota van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties over Geweld tegen Kinderen (29 augustus 2006).
G. Verwijzend naar artikel 54 van de VN-resolutie van 16 november 2007 ter Promotie en Bescherming van de Rechten van het Kind dat landen oproept om hun internationale samenwerking te versterken met het oog op het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen kinderen en een eind te maken aan de straffeloosheid rond geweld tegen kinderen.
H. Gelet op de aanstelling door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in mei 2009, van mevrouw Marta Santos Pais tot Speciaal Vertegenwoordiger voor de bestrijding van geweld tegen kinderen.
I. Verwijzend naar het Unicef rapport « Progress for Children : a report card on child protection », gepubliceerd in september 2009.
III. Belgische wetgeving en beleid
A. Verwijzend naar de wet van 25 mei 1999 inzake de Belgische internationale samenwerking waarin sinds 2005 kinderrechten als transversaal thema zijn opgenomen in het gewijzigd artikel 8 (Belgisch Staatsblad van 19 juli 2005).
B. Verwijzend naar de strategienota « Eerbied voor de Rechten van het Kind » (overgezonden door de minister van Ontwikkelingssamenwerking aan het parlement in maart 2008). Deze strategienota geeft aan op welke manier het transversale thema kinderrechten geďmplementeerd kan worden binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Verschillende artikels in de strategienota hebben nadrukkelijk betrekking op de strijd tegen dagelijks geweld, met name de artikelen 12, 14, 30, 33, 57, 62, 64-68, 80-84, 96-97.
C. Verwijzend naar het verslag van de gedachtewisseling over de strategienota « Eerbied voor de Rechten van het Kind » in de Kamercommissie voor Buitenlandse Betrekkingen van 29 juli 2008.
D. Er rekening mee houdend dat het thans niet mogelijk is om een eenduidig overzicht te hebben van het budget dat de Belgische overheid vrijmaakt in de strijd tegen « dagelijks geweld tegen kinderen ».
E. Rekening houdend met het feit dat de algemene beleidsnota van de minister van Ontwikkelingssamenwerking (5 november 2008) aandacht besteedt aan de strijd tegen een aantal extreme kinderrechtenschendingen, zoals de inzet van kinderarbeid in cacaosector in West-Afrika en het gebruik van kindsoldaten in de regio van de Grote Meren, maar dat de strijd tegen het wereldwijde en veel voorkomende dagelijkse geweld tegen kinderen daarin niet wordt vernoemd.
F. Gelet op het feit dat de sectorale beleidsnota « Onderwijs » van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking op dit ogenblik herzien wordt en dat dit aldus kansen schept om de strijd tegen schoolgerelateerd geweld op te nemen in het Belgische ontwikkelingsbeleid rond onderwijs.
G. Gelet op de hoorzitting in de commissies Buitenlandse Betrekkingen van de Kamer en de Senaat van 12 mei 2009 over het dagelijks geweld tegen kinderen in het Zuiden en verwijzend naar het verslag hierover (nr. 4-1349/1).
H. Verwijzend naar het antwoord van de regering op de schriftelijke vraag van senator Sabine de Bethune over de inspanningen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking in de strijd tegen het dagelijks geweld tegen kinderen in het Zuiden (nr. 4-3838).
IV. Het middenveld
A. Verwijzend naar de Conferentie « Kinderrechten en Ontwikkelingssamenwerking » van 18 november 2004.
B. Verwijzend naar het verslag van de Conferentie over geweld tegen kinderen in België en in de Wereld die plaatsvond in het Egmontpaleis op 6 december 2006.
C. Verwijzend naar de sensibiliserende voorjaarscampagne van Plan België in 2008 en bijbehorende nieuwsbrief « Stop het dagelijks geweld tegen kinderen ».
D. Verwijzend naar de campagne en het rapport Learn Without Fear (2008) van Plan International waarin het probleem van schoolgerelateerd geweld wordt aangekaart.
V. Cijfers
A. Rekening houdend met het feit dat volgens het VN-rapport over geweld tegen kinderen er elk jaar 40 miljoen kinderen worden mishandeld, dat er 150 miljoen meisjes en 73 miljoen jongens jonger dan 18 jaar ooit het slachtoffer geworden zijn van seksueel geweld, dat 4 op 5 kinderen wereldwijd thuis lijfstraffen krijgen waarvan 3 op de 10 zeer zware lijfstraffen en dat minstens 1 op de 5 kinderen in de voorbije 30 dagen fysiek of psychologisch werd mishandeld.
B. Rekening houdend met het feit dat slechts 24 landen lijfstraffen op kinderen volledig verboden hebben, dat 90 landen lijfstraffen op school nog altijd toelaten en dat 155 landen geen verbod kennen op lijfstraffen thuis.
Vraagt de Belgische regering :
1. Conform artikel 104 van de Strategienota « Eerbied voor de Rechten van het Kind », bijzondere en prioritaire aandacht te schenken aan kinderen in een situatie van geweld of uitbuiting in haar beleidsnota Ontwikkelingssamenwerking, in de beleidsdialoog met haar partnerlanden en in de Indicatieve Samenwerkingsprogramma's. Het is cruciaal dit niet te beperken tot een aantal concrete en opvallende vormen van geweld maar een integrale benadering na te streven die kinderen beschermt tegen elke vorm van geweld.
2. In overeenstemming met artikel 62 en bij uitbreiding de artikelen 64 tot 67 van de Strategienota « Eerbied voor de Rechten van het Kind » partnerlanden aan te moedigen en actief te ondersteunen om « beschermende omgevingen » te scheppen die alle kinderen (via coördinatie, sensibilisering, capaciteitsopbouw en institutionele versterking en verbeterde gegevensverzameling) beschermen tegen alle vormen van geweld, inclusief dagelijks geweld. Samenwerking en afstemming met lokale overheden, andere donoren en NGO's is hierbij cruciaal.
3. De inspanningen die in het verleden geleverd werden om geweld tegen kinderen in gewapende conflicten op de internationale agenda te plaatsen, uit te breiden naar de strijd tegen alle vormen van geweld tegen kinderen, met inbegrip van extreme vormen zoals seksuele verminking, naast dagelijks geweld door :
a. geweld tegen kinderen in het algemeen aan te kaarten op internationale fora;
b. het bureau van Speciaal Vertegenwoordiger voor Geweld tegen Kinderen, mevrouw Marta Santos Pais, te ondersteunen;
c. via diplomatieke contacten de strijd tegen dagelijks geweld op kinderen in landen in het Zuiden ter sprake te brengen en te ondersteunen.
4. Via de sectorstrategie « Onderwijs » specifieke inspanningen te leveren om geweld tegen kinderen binnen én buiten het onderwijs te bestrijden door :
a. in het kader van sectorfinanciering in het onderwijs, partnerlanden aan te sporen om en te ondersteunen bij de integratie van de bescherming van kinderen tegen geweld (binnen én buiten het onderwijs) in het onderwijsbeleid;
b. de bescherming van kinderen tegen geweld te integreren in de institutionele capaciteitsversterking van onderwijssystemen in de partnerlanden;
c. te investeren in de verbetering van de opleiding van leerkrachten in de partnerlanden en hierbij specifiek aandacht te besteden aan competenties die het gebruik van geweld op scholen kunnen verminderen en positieve opvoedings- en disciplinestijlen stimuleren;
d. binnen het Fast-Track Initiative (FTI) een leidende rol op te nemen om de strijd tegen geweld in het onderwijs vast te leggen als één van de criteria om in aanmerking te komen voor FTI-financiering.