4-514/6 | 4-514/6 |
7 JANUARI 2010
I. PROCEDURE
De drie voorliggende ontwerpen die door de Kamer van volksvertegenwoordigers, na amendering, naar de Senaat zijn teruggezonden, hebben reeds een gevarieerd wetgevend parcours achter de rug.
De drie ontwerpen gaan terug op de drie voorstellen die de heer Francis Delpérée op 17 januari 2008 in de Senaat heeft ingediend (stukken Senaat, nrs. 4-513/1, 4-514/1 en 4-515/1). Deze voorstellen werden opgesteld met de hulp van de dienst Wetsevaluatie van de Senaat en de diensten van het Grondwettelijk Hof. Zij werden respectievelijk op 10 en 24 april 2008 bij eenparigheid goedgekeurd door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden en de plenaire vergadering van de Senaat.
Na de overzending heeft de toenmalige voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, ingevolge een eerste bespreking in de commissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen op 20 mei 2008, de drie ontwerpen op 26 mei 2008 voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Het was de bedoeling dat deze instantie zou nagaan of de drie ontwerpen geen lacunes vertoonden (zie het verslag van de heer Brotcorne, stuk Kamer, nr. 52-1112/6, blz. 5-6).
In zijn advies van 20 juni 2008 merkte de Raad van State echter in de eerste plaats op dat zijn onderzoek « niet de vraag behelst of de wetsontwerpen alle thans geldende wetsbepalingen wijzigen die het woord « Arbitragehof » bevatten. » (stukken Kamer, nrs. 52-1112/2, 52-1113/2 en 52-1114/2). Met betrekking tot het ontwerp van wet tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof », wees de Raad erop dat « de volgende wetten niet binnen het raam vallen van de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet :
— de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek;
— de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de wetgevende kamers;
— de wet van 25 april 2007 tot oprichting van een Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie.
De wijzigingen bedoeld in de hoofdstukken II, III en XI moeten bijgevolg worden aangenomen volgens de procedure bepaald in artikel 78 van de Grondwet. »
Tijdens de vergadering van de voormelde Kamercommissie op 28 april 2009 werden er amendementen ingediend waarvan er sommige tot doel hadden de door de Senaat overgezonden ontwerpen te corrigeren of aan te vullen. Andere amendementen kozen evenwel voor een geheel nieuw perspectief. In plaats van de door de Senaat voorgestane puntsgewijze wijziging van alle betrokken wetsbepalingen, werd voorgesteld om met één enkele generieke bepaling de voorgestelde wijziging door te voeren (zie het verslag van de heer Brotcorne, stuk Kamer, nr. 52-1112/6, blz. 6 e.v.).
Op 6 mei 2009 werden al die amendementen voor advies voorgelegd aan de Raad van State. In zijn advies van 16 september 2009 ging de Raad nader in op de voor- en nadelen van de twee voorgestelde wetgevingstechnieken (stukken Kamer, nrs. 52-1112/4, 52-1113/4 en 52-1114/4) : « De techniek die in het amendement wordt voorgesteld (met andere woorden de wijziging met één algemene bepaling), stuit op geen enkel juridisch bezwaar. De techniek van de exhaustieve opsomming biedt, voor zover die opsomming echt exhaustief is, evenwel het voordeel dat elke onzekerheid wordt vermeden. Een ander voordeel van die techniek bestaat erin dat de taakom de voorgenomen aanpassingen van de wet uit te voeren niet aan het bestuur en aan de adressaten van de regel wordt overgelaten. ».
Op 20 oktober 2009 heeft de Kamercommissie er, in een eerste beweging, voor gekozen om de naamswijziging met één algemene bepaling door te voeren (zie het verslag van de heer Brotcorne, stuk Kamer, nr. 52-1112/6, blz. 11 e.v.).
De plenaire vergadering van de Kamer heeft de drie ontwerpen echter tot tweemaal toe naar de commissie teruggezonden, respectievelijk omdat het Grondwettelijk Hof had gesteld de voorkeur te geven aan een exhaustieve opsomming en omdat de kwalificatie van sommige wijzigingsbepalingen in vraag werd gesteld (zie het aanvullend verslag van mevrouw De Schamphelaere, stukken Kamer, nr. 52-1112/9, blz. 4 en het aanvullend verslag van de heer Landuyt, stuk Kamer, nrs. 52-1112/11, 52-1113/10 en 52-1114/10).
Op 8 december 2009 heeft de commissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen zich uiteindelijk toch geschaard achter de door de Senaat voorgestelde wetgevingstechniek. Daarbij heeft ze van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele lacunes in de door de Senaat overgezonden teksten aan te vullen (zie het aanvullend verslag van de heer Landuyt, stukken Kamer, nrs. 52-1112/11, 52-1113/10 en 52-1114/10).
De plenaire vergadering van de Kamer heeft vervolgens de drie door de commissie geamendeerde ontwerpen op 22 december 2009 goedgekeurd en naar de Senaat teruggezonden.
De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft de drie ontwerpen besproken tijdens haar vergadering van 7 januari 2010, in aanwezigheid van de heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen.
Met betrekking tot het wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (stuk Senaat, nr. 4-515/6), wordt erop gewezen dat dit ontwerp, overeenkomstig artikel 64-1 van het Reglement van de Senaat, slechts bij de Senaat aanhangig is wat betreft de bepalingen die door de Kamer werden geamendeerd of toegevoegd en die nieuw zijn in vergelijking met het aanvankelijk door de Kamer aangenomen wetsontwerp en wat betreft andere bepalingen, alleen om de redactie te verbeteren of de tekst in overeenstemming te brengen met het geheel en zonder nieuwe inhoudelijke wijzigingen aan te brengen.
II. BESPREKING
A. Algemeen
De heer Francis Delpérée, indiener van de drie voorstellen die aan de basis liggen van de voorliggende ontwerpen, verheugt zich erover dat de Kamer van volksvertegenwoordigers uiteindelijk heeft gekozen om in te stemmen met de wetgevingstechniek die door de Senaat wordt gehanteerd. Eind goed al goed dus, ondanks de verloren tijd. Hij stelt dan ook voor om de ontwerpen aan te nemen zoals ze door de Kamer zijn geamendeerd.
De heer Philippe Mahoux verklaart dat de debatten in de Kamer weer de discussie hebben doen oplaaien over de problematiek van de kwalificatie van wetsontwerpen en wetsvoorstellen en de daaruit voortvloeiende bevoegdheidsverdeling tussen Kamer en Senaat zoals die is vastgelegd in de artikelen 77 en 78 van de Grondwet. Hij herinnert eraan dat onder meer in de parlementaire overlegcommissie afgesproken is dat elk wetgevend initiatief betreffende een aangelegenheid die de beide federale Kamers aanbelangt, volgens de in artikel 77 van de Grondwet bepaalde wetsprocedure moet worden behandeld. Spreker verheugt zich erover dat de Kamer zich aan die afspraak heeft gehouden, maar wenst toch dat men zich in de schoot van de Senaat zou beraden over de problematiek van de kwalificatie van wetsontwerpen en wetsvoorstellen aan de hand van een omstandige nota van de diensten waarin een overzicht wordt gegeven van alle gevallen waarin die kwestie te berde is gebracht en de oplossingen die eraan zijn gegeven. Een dergelijk overzicht zal de debatten in de parlementaire overlegcommissie kunnen voeden en de verhoudingen tussen Kamer en Senaat beter aflijnen.
Daarop voortgaand werpt de heer Hugo Vandenberghe de vraag op of Kamer en Senaat, in navolging van het pleidooi van de eerste minister voor een samenwerkingsfederalisme, dat voorbeeld niet zouden kunnen volgen. Spreker stelt vast dat de relaties tussen de twee assemblees over de jaren heen zijn verslechterd. De Kamer heeft weliswaar de government making power en de politieke prioriteit inzake begroting. Maar in andere aangelegenheden zijn de bevoegdheden van de beide assemblees op veel punten gelijklopend. Nochtans wordt vanuit de Kamer sinds 1995 een systematische guerilla gevoerd in de parlementaire overlegcommissie over de kwalificatie van wetsontwerpen en wetsvoorstellen. Die guerilla wordt in zekere mate gevoed door nota's van de diensten van de Kamer waarin systematisch wordt gepleit voor de toepassing van de wetsprocedure bepaald in artikel 78 van de Grondwet. Het feit dat de goedkeuring van de naamswijziging van het Grondwettelijk Hof in de Kamer anderhalf jaar in beslag heeft genomen, illustreert overduidelijk dat de kwalificatie van verplicht bicamerale wetgevingsinitiatieven steeds opnieuw in vraag wordt gesteld. Een ander voorbeeld van de gedegradeerde relaties tussen Kamer en Senaat is het in de Senaat aanhangige ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof (stuk Senaat, nr. 4-1344/1). De Kamer wenst zich met dat ontwerp exclusieve bevoegdheden toe te eigenen, hoewel ze daar geen juridisch aanknopingspunt voor heeft.
Spreker kan zich terugvinden in het voorstel van de heer Mahoux dat de diensten van de Senaat een nota opstellen over de kwalificatieproblematiek. Maar het ontwerp daarvan moet eerst binnen de Senaat worden besproken. De heer Vandenberghe behoort tot degenen die nauw betrokken waren bij de parlementaire voorbereiding van de artikelen 77 en 78 van de Grondwet, en kent derhalve hun draagwijdte.
Die nota kan de uiting zijn van de bereidheid van de Senaat om constructief met de Kamer samen te werken.
Op grond hiervan besluit de commissie dat de nota van de diensten eerst aan het Bureau van de Senaat moet worden voorgelegd.
B. Specifiek
De dienst Wetsvaluatie van de Senaat heeft een nota opgesteld waarin nader wordt ingegaan op de opportuniteit van artikel 21 van het wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (nr. 4-513/3) (zie bijlage).
In het licht daarvan wenst de heer Joris Van Hauthem te weten of het niet raadzaam is om artikel 21 te doen vervallen.
De vice-eersteminister antwoordt dat de dienst Wetsevaluatie terecht heeft opgemerkt dat « de wijziging van artikel 8 (door artikel 21 van het ontwerp) weliswaar niet aangewezen is, maar anderzijds ook niet schadelijk is. Aangezien het artikel geen concrete uitwerking meer heeft, heeft de wijziging ervan geen rechtsgevolgen. Het lijkt derhalve ook niet noodzakelijk om, enkel met het oog op de opheffing van artikel 21 (dat artikel 8 wijzigt), het voorliggende wetsontwerp te amenderen. ».
Gelet op de peripetieën die de drie ontwerpen hebben meegemaakt, rijst de vraag of het wel opportuun is om één van die ontwerpen te amenderen met als gevolg dat de Kamer zich daar opnieuw over zal moeten buigen, louter en alleen om het genoegen te mogen smaken dat op intellectueel vlak de perfectie is bereikt, terwijl die amendering politiek geen enkel verschil uitmaakt. Het moedigt de regering aan de Senaat te suggereren de door de Kamer overgezonden ontwerpen ne varietur goed te keuren, in de wetenschap dat de dienst Wetsevaluatie van de Senaat in één van die teksten een fout heeft blootgelegd, waarvan de goedkeuring echter geen nadelige effecten heeft.
De heer Delpérée sluit zich aan bij het standpunt van de regering.
III. STEMMINGEN
A. Ontwerp van bijzondere wet tot aanpassing van verschillende bepalingen aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (nr. 4-514/5)
De artikelen 1 tot 52 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.
Het ontwerp van bijzondere wet in zijn geheel, zoals geamendeerd door de Kamer, wordt eveneens aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.
B. Wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (nr. 4-513/3)
De artikelen 1 tot 28 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.
Het wetsontwerp in zijn geheel, zoals geamendeerd door de Kamer, wordt eveneens aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.
C. Wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (nr. 4-515/6)
Het wetsontwerp in zijn geheel, zoals geamendeerd door de Kamer, wordt aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Berni COLLAS. | Armand DE DECKER. |
De door de commissie aangenomen teksten zijn dezelfde als die geamendeerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers en teruggezonden naar de Senaat (zie stukken Kamer, nrs. 52-1112/012, 52-1113/011 en 52-1114/011).
Wetsevaluatie
2010/2-GVdb
Wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof »
(Stuk Senaat, nr. 4-513)
Advies
De wijzigingen die door de Kamer van volksvertegenwoordigers aan het voorliggende wetsontwerp en de beide verwante wetsontwerpen werden aangebracht, lijken ons correct.
Er rijst evenwel een vraag bij artikel 21 van het voorliggende ontwerp. Dat artikel werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers ingevoegd en vervangt in artikel 8 van de gewone wet van 6 januari 1989 betreffende de wedden en pensioenen van de rechters, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, het woord « Arbitragehof » door de woorden « Grondwettelijk Hof ».
Artikel 8 van de gewone wet van 6 januari 1989 betreffende de wedden en pensioenen van de rechters, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, luidt als volgt :
« Art. 8. De Koning kan het emeritaat verlenen aan de rechters van het Arbitragehof in functie op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien zij niet in de bij artikel 4 van deze wet vastgestelde voorwaarden mochten verkeren, zonder evenwel hieraan geldelijke gevolgen te verbinden. »
De bedoeling van artikel 8 was om aan de leden van het Arbitragehof die in functie waren op de datum van de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 1989 (dit wil zeggen 17 januari 1989), het emeritaat te kunnen verlenen, ook indien zij geen vijftien jaar dienstanciënniteit in de magistratuur hadden op het ogenblik waarop zij de leeftijd van 70 jaar bereikten. Het artikel was een erkenning van de verdienste van de toenmalige rechters om op korte tijd aan de nieuwe instelling een hoog prestige te hebben gegeven door de kwaliteit van de gewezen arresten (Stuk, Senaat, 1988-1989, 484/1, blz. 3).
Het lijkt weinig opportuun om het woord « Arbitragehof » in dat artikel te vervangen door de woorden « Grondwettelijk Hof », aangezien dat artikel reeds zijn volledige uitwerking heeft gehad. Er is heden slechts één rechter in het Grondwettelijk Hof die in functie was op 17 januari 1989, maar hij heeft meer dan vijftien jaar dienstanciënniteit.
Kennelijk was ook de Kamer de mening toegedaan dat artikel 8 van de wet van 6 januari 1989 best ongewijzigd blijft. Oorspronkelijk verving zij weliswaar de exhaustieve opsomming van wijzigingen door één enkele algemene bepaling (1) , maar naderhand opteerde ze toch terug voor de exhaustieve opsomming, wegens
« het feit dat krachtens het wettelijk statuut van rechters in het Arbitragehof, de rechters die nu al met emeritaat zijn, dat zijn als rechters in het Arbitragehof. Het is derhalve beter de in de wet aan te brengen wijzigingen een na een te vermelden. Op die manier wordt de wet betreffende het Arbitragehof, en inzonderheid inzake het wettelijk statuut van de rechters en emeriti van het Arbitragehof, niet gewijzigd door een alomvattend amendement. » (Stuk, Kamer, 52-1112/009, blz. 4).
De verdere behandeling in de Kamer staat evenwel haaks op dit uitgangspunt : zij keerde weliswaar terug naar de exhaustieve opsomming, doch voegde daaraan ook artikel 8 van de wet van 6 januari 1989 toe. Dit lijkt een technische vergissing.
De wijziging van artikel 8 is weliswaar niet aangewezen, maar is anderzijds ook niet schadelijk. Aangezien het artikel geen concrete uitwerking meer heeft, heeft de wijziging ervan geen rechtsgevolgen. Het lijkt derhalve ook niet noodzakelijk om, enkel met het oog op de opheffing van artikel 21 (dat artikel 8 wijzigt), het voorliggende wetsontwerp te amenderen.
(1) In tegenstelling tot hetgeen de afdeling wetgeving van de Raad van State voorhoudt in haar advies van 16 september 2009 (stuk Kamer, nr. 52-1112/004), stuit de techniek van de wijziging bij één algemene bepaling wel degelijk op juridische bezwaren. Er zijn immers verschillende wettelijke bepalingen waarin het woord « Arbitragehof » niet mag worden vervangen door de woorden « Grondwettelijk Hof » (zie onder meer de artikelen 125, 127 en 128 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof en artikel 10 van de gewone wet van 6 januari 1989 betreffende de wedden en pensioenen van de rechters, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof).