4-1412/2

4-1412/2

Belgische Senaat

ZITTING 2009-2010

18 NOVEMBER 2009


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, en het Wetboek van Vennootschappen


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER CROMBEZ

Art. 4

Letter c) doen vervallen.

Verantwoording

Zie de toelichting van de heer Jo Stevens van de Orde van de Vlaamse Balies tijdens de hoorzitting betreffende het wetsontwerp in de commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie Stuk Kamer, nr. 52 1988/4).

Nr. 2 VAN DE HEER CROMBEZ

Art. 4/1(nieuw)

Een artikel 4/1 invoegen luidende :

« Art. 4/1. — Artikel 2ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 januari 2004, wordt artikel 3bis van die wet en luidt als volgt :

« Art. 3bis. — Voor zover zij daarin uitdrukkelijk voorzien, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de advocaten :

a) wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van verrichtingen in verband met :

1º de aan- of verkoop van onroerend goed of bedrijven;

2º het beheren van diens geld, effecten of andere activa;

3º de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;

4º het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de uitbating of het beheer van vennootschappen;

5º de oprichting, uitbating of het beheer van vennootschappen, trusts, fiducieën of soortgelijke juridische constructies;

b) of wanneer zij optreden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële verrichtingen of verrichtingen in onroerend goed. »

Verantwoording

Zie de toelichting van de heer Jo Stevens van de Orde van de Vlaamse Balies tijdens de hoorzitting betreffende het wetsontwerp in de commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie Stuk Kamer, nr. 52 1988/4).

Nr. 3 VAN DE HEER CROMBEZ

Art. 5

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 5. — In dezelfde wet wordt een artikel 4 ingevoegd, luidende :

« Art. 4. — Waar uitdrukkelijk vermeld, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de natuurlijke personen of rechtspersonen die één of meer kansspelen van klasse I exploiteren, bedoeld in de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. » »

Verantwoording

Zie de toelichting van de heer Jo Stevens van de Orde van de Vlaamse Balies tijdens de hoorzitting betreffende het wetsontwerp in de commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie Stuk Kamer, nr. 52 1988/4).

Nr. 4 VAN DE HEER CROMBEZ

Art. 6

De bepaling onder 2º vervangen door wat volgt :

« 2º in paragraaf 2, dat paragraaf 3 wordt, worden in de Franse tekst van de bepaling onder 1º, zesde streepje, de woorden « au trafic d'êtres humains » vervangen door de woorden « à la traite des êtres humains », wordt in de Nederlandse tekst van de bepaling onder 1º, twaalfde streepje, het woord « omkoping » vervangen door het woord « corruptie », worden in de bepaling onder 3º, de woorden « met geweld of bedreiging » opgeheven, en wordt een 4º toegevoegd luidende « 4º alle andere misdrijven die hoge opbrengsten genereren en die strafbaar zijn gesteld met een maximale gevangenisstraf van meer dan één jaar. » »

Verantwoording

Dit amendement strekt ertoe de herkomst van geld voortkomende uit misdrijven die hoge opbrengsten genereren en die strafbaar zijn gesteld met een gevangenisstraf van meer dan één jaar als illegaal te beschouwen.

Nr. 5 VAN DE HEER CROMBEZ

Art. 30

De bepaling onder het 2º doen vervallen.

Verantwoording

Zie de toelichting van de heer Jo Stevens van de Orde van de Vlaamse Balies tijdens de hoorzitting betreffende het wetsontwerp in de commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie Stuk Kamer, nr. 52 1988/4).

Nr. 6 VAN DE HEER CROMBEZ

Art. 34

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 34. — Artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 1998 en 12 januari 2004, wordt artikel 29 van die wet, met dien verstande dat in dat artikel de volgende wijzigingen worden aangebracht :

1º in lid 1 worden de woorden « in de artikelen 12 tot 14quater » vervangen door de woorden « in de artikelen 20, 23 tot 28 », en de woorden « die binnen de in de artikelen 2 en 2bis, 5º bedoelde ondernemingen overeenkomstig artikel 10 van deze wet is aangesteld, of door de personen bedoeld in de artikelen 2bis, 1º tot 4º en 2ter » vervangen door de woorden « die binnen de in de artikelen 2,§ 1, 3 en 4 bedoelde ondernemingen en personen overeenkomstig artikel 18 van deze wet is aangesteld, of bij gebreke daaraan wat betreft de personen bedoeld in artikel 3, 5º, door deze personen zelf »;

2º in lid 2 van dit artikel worden de woorden « in de artikelen 2, 2bis en 2ter vervangen door de woorden « in de artikelen 2, § 1, en 4 ». »

Verantwoording

Zie de toelichting van de heer Jo Stevens van de Orde van de Vlaamse Balies tijdens de hoorzitting betreffende het wetsontwerp in de commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie Stuk Kamer, nr. 52 1988/4).

John CROMBEZ.

Nr. 7 VAN DE HEREN VANDENBERGHE EN BEKE

Art. 38

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 38. — In het ontworpen artikel 33, tweede lid, worden de woorden « De in artikel 3, 1º, en 3º tot 5º, bedoelde personen en de in artikel 26, § 3, bedoelde stafhouder delen die informatie niet mee als de in artikel 3, 1º, en 3º tot 5º, bedoelde personen deze van één van hun cliënten ... » vervangen door de woorden « De in artikel 3, 5º, bedoelde personen en de in artikel 26, § 3, bedoelde stafhouder delen die informatie niet mee als de in artikel 3, 5º, bedoelde personen deze van één van hun cliënten ... ». »

Verantwoording

De advocatuur is de enige beroepscategorie die zijn cliënteel in rechte kan vertegenwoordigen. Het beroepsgeheim is dermate nauw verbonden met het recht op verdediging voorzien in artikel 6 EVRM, dat enkel voor de advocaten in een bescherming van het beroepsgeheim moet worden voorzien. Bovendien zal een uitbreiding van de bescherming van het beroepsgeheim tot bepaalde cijferberoepen de meldingsplicht voorzien in de witwaswetgeving onnodig uithollen. De Orde van Vlaamse balies steunt deze visie (zie Commissieverslag Financiën, Parl. St. Kamer nr. 52 1988/004, blz. 13 e.v.).

Hugo VANDENBERGHE
Wouter BEKE.

Nr. 8 VAN DE HEER CROMBEZ

Art. 40

In dit artikel een 7º toevoegen luidend als volgt :

« 7º lid 6 van § 2 wordt opgeheven en vervangen door :

« Wanneer deze mededeling inlichtingen bevat betreffende het witwassen van geld dat afkomstig is van een strafbaar feit dat verband houdt met fiscale fraude, brengt de Cel de minister van Financiën op de hoogte van die mededeling. » »

Verantwoording

Dit amendement strekt ertoe dat wanneer een mededeling van de CFI aan de procureur des Konings of aan de federale procureur inlichtingen bevat betreffende het witwassen van geld dat afkomstig is van een strafbaar feit dat verband houdt met fiscale fraude, de minister van Financiën op de hoogte wordt gebracht van die mededeling.

John CROMBEZ.

Nr. 9 VAN DE HEREN VANDENBERGHE EN BEKE

Art. 40/1 (nieuw)

Een artikel 40/1 invoegen, luidende :

« Art. 40/1. — In dezelfde wet wordt een artikel 35/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 35/1. — In het geval dat de Cel voor financiële informatieverwerking een mededeling doet aan de procureur des Konings of aan de federale procureur of aan de bij artikel 35, § 2, bedoelde overheden maken de bij de artikelen 20, 23 tot 28 en 31 bedoelde kennisgevingen en de bij artikel 33 bedoelde bijkomende informatie geen deel uit van het dossier, teneinde de anonimiteit van zijn auteurs te beschermen.

In het geval de in artikel 35, § 1, vermelde personen opgeroepen worden om in rechte te getuigen, mogen zij de identiteit van de in het vorige lid bedoelde auteurs evenmin bekendmaken. » »

Verantwoording

Een bediende die onder de naam van zijn bank- of verzekeringsinstelling een melding doet aan de CFI kan zich in zekere zin achter de façade van zijn instelling verschuilen. Notarissen, gerechtsdeurwaarders, advocaten, accountants, belastingconsulenten, boekhouders en boekhouders-fiscalisten, diamantairs en handelaren staan daarentegen oog in oog met hun cliënt. Wanneer zij weten of vermoeden dat hun cliënt geld witwassen voortkomend uit terrorisme, georganiseerde misdaad, mensenhandel, illegale drughandel of wapenhandel en andere zware vormen van criminaliteit is het geen aanlokkelijk idee om wettelijk verplicht te worden de identiteit en de activiteiten van hun cliënt te verklikken zonder garantie te hebben dat naderhand hun identiteit wordt onthuld in een strafrechtelijk of administratief onderzoek tegen hun cliënt. Represailles zijn bij deze zware vormen van criminaliteit niet ondenkbaar.

Slechts één geval waarbij represailles genomen worden door een cliënt ten aanzien van een meldingsplichtige is voldoende om het ganse meldingssysteem op de helling te zetten. Wie zal er immers nog melden als hij moet kiezen tussen het naleven van de wet of het behoud van zijn leven.

Momenteel wordt de anonimiteit van de meldingsplichtige gewaarborgd door een informatieve nota van de CFI waarmee het college van procureurs-generaal zich akkoord heeft verklaard. Het parket ontvangt van de CFI een verslag van haar onderzoek, waarin de identiteit van de meldingsplichtige wordt geweerd. Wettelijk worden de procureur des Konings of de onderzoeksrechters niet verhinderd om alsnog de originele mededelingen of bijkomende informaties of identiteit van de auteurs van deze stukken van de CFI te bekomen.

In Frankrijk wordt bij artikel L561-24 van de Code monétaire et financier de bescherming van de anonimiteit in de wet zelf ingeschreven. Dit amendement vertaalt deze tekst naar onze Belgische wetgeving. Daarbij wordt rekening gehouden dat de bij de artikelen 20, 23 tot 28 en 31 bedoelde kennisgevingen en de bij artikel 33 bedoelde bijkomende informatie door de Cel voor financiële informatieverwerking niet alleen wordt meegedeeld aan het parket maar ook kan worden meegedeeld aan de buitenlandse tegenhangers van de CFI, OLAF, de arbeidsauditeur, de SIOD, de minister van Financiën, de Staatsveiligheid of de Krijgsmacht.

Nr. 10 VAN DE HEREN VANDENBERGHE EN BEKE

Art. 55

In dit artikel het derde lid doen vervallen.

Verantwoording

In artikel 55 van het wetsontwerp, bepaalt het laatste lid van het ontworpen artikel 515bis W.Venn. dat « de artikelen 516, 534 en 545, W. Venn. van toepassing zijn ». In feite is het ontworpen artikel 515bis W.Venn. een kopie van het huidige artikel 515 W.Venn.

In de artikelen 56 tot 58 van het wetsontwerp, worden deze laatste artikelen gewijzigd door een verwijzing naar artikel 515bis, eerste lid, W.Venn. op te nemen. De bepaling in artikel 515 W.Venn. en het ontworpen artikel 515bis, derde lid W.Venn., met name dat « de artikelen 516, 534 en 545 [...] van toepassing [zijn] » is overbodig aangezien deze laatste gewijzigde artikelen op zich naar artikel 514, 515 en 515bis, eerste lid, W.Venn. verwijzen.

Het behoud van het ontworpen artikel 515bis, derde lid, W.Venn. zou bovendien tot discussie aanleiding kunnen geven.

Immers, volgens het ontworpen artikel 515bis W.Venn. zijn de sancties zoals voorzien in artikel 516, 534 en 545 W.Venn. zowel van toepassing in het geval een persoon 25 % of meer stemgerechtigde effecten verwerft als wanneer hij door overdracht onder deze drempel zakt.

Volgens de bij artikel 56 tot 58 van het wetsontwerp gewijzigde artikelen 516, 534 en 545 W.Venn. zijn door de verwijzing naar artikel 515bis, eerste lid ,W.Venn. de sancties enkel van toepassing in het geval een persoon 25 % of meer stemgerechtigde aandelen verwerft (art. 515bis, eerste lid W.Venn.) en niet wanneer hij door overdracht onder deze drempel zakt (art. 515bis, tweede lid W.Venn.).

De kennisgeving die de personen moeten doen aan de vennootschap waarvan zij stemgerechtigde effecten van vennootschappen bezitten, is alleen gericht op de identificatie van de uiteindelijke begunstigde, die de in artikel 2 van de Wet van 11 januari 1993 opgenomen meldigingsplichtige ondernemingen en personen moeten identificeren.

De sancties voorzien in artikel 516, 534 en 545 W.Venn. zijn onevenredig wanneer deze personen reeds geïdentificeerd zijn door de vennootschap maar door een overdracht van stemgerechtigde effecten onder de drempel van 25 % zakken. Dat was ook niet de bedoeling van de steller van het ontwerp. Het amendement streeft er dan ook naar deze onduidelijkheid op te heffen.

Nr. 11 VAN DE HEREN VANDENBERGHE EN BEKE

Art. 59 (nieuw)

Een artikel 59 invoegen luidende :

« Art. 59. — Overgangsbepaling

De natuurlijke persoon of rechtspersoon die op het moment van de inwerkingtreding van deze wet eigenaar is van meer dan 25 % van de aandelen of stemrechten, of die dit percentage rechtstreeks of onrechtstreeks houden, geven hiervan binnen de 6 maanden na deze datum kennis aan de betrokken vennootschap. »

Verantwoording

Het artikel 55 van het wetsontwerp voegt een nieuw artikel 515bis in in het Wetboek van Vennootschappen. Het artikel bepaalt, in het kader van het identificeren van de uiteindelijk begunstigde, dat er een kennisgeving moet gebeuren binnen de 5 werkdagen volgende op de verwerving door elke natuurlijke persoon of rechtspersoon van 25 % of meer stemrechtverlenende effecten. Deze kennisgeving geldt ook indien binnen dezelfde termijn deze participatie in stemrechtverlenende effecten terug daalt onder deze drempel.

Met betrekking tot de personen die reeds over effecten beschikken die meer dan 25 % van de aandelen of stemrechten vertegenwoordigen op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe artikel legt het wetsontwerp geen verplichting op tot kennisgeving aan de vennootschap. De vennootschap zelf zal daarentegen binnen een termijn van twee jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet (ontworpen art. 43 opgenomen in artikel 52 van het wetsontwerp) de identificatie van de uiteindelijke begunstigde bekend moeten maken aan de meldingsplichtige personen waarmee zij een zakelijke relatie onderhoudt. Het ontworpen artikel 8 opgenomen in artikel 10 van het wetsontwerp heeft het immers over de verplichting tot identificatie van de uiteindelijke begunstigden natuurlijke persoon of personen die de uiteindelijke eigenaar zijn van meer dan 25 % van de aandelen of stemrechten van die vennootschap.

Het kan niet de bedoeling zijn van dit wetsontwerp dat enkel de natuurlijke personen of personen die na de inwerkingtreding van deze wet 25 % aandelen of stemrechten verwerven van een vennootschap hun identiteit moeten meedelen aan de betrokken vennootschap. Deze interpretatie zou ons tot geen correcte omzetting van de richtlijn 2005/60/EG leiden. Immers, dit zou er toe besluiten dat de meldingsplichtige ondernemingen en personen ten einde dagen niet kunnen voldoen aan hun identificatieplicht omdat de vennootschap zelf de uiteindelijk begunstigde niet kunnen identificeren. Om tot een correcte omzetting van de richtlijn 2005/60/EG te voorzien, is het noodzakelijk in een redelijke overgangsperiode te voorzien waarbinnen de eigenaars die reeds over meer dan 25 % van de aandelen of stemrechten bezitten zich kenbaar moeten maken aan de vennootschap.

Hugo VANDENBERGHE
Wouter BEKE.

Nr. 12 VAN DE HEER BEKE

(Subamendement op amendement nr. 10)

Art. 59 (nieuw)

In het voorgestelde artikel 59 de woorden « binnen de 6 maanden na deze datum kennis aan de betrokken vennootschap » vervangen door de woorden « binnen ten hoogste 6 maanden na deze datum kennis aan de betrokken vennootschap en in functie van het risico ».

Verantwoording

Dit amendement vloeit voort uit de discussie in commissie en komt tegemoet aan een door de vertegenwoordiger van het CFI geformuleerde opmerking.

Wouter BEKE.

Nr. 13 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH

Art. 10

Paragraaf 6 van het voorgestelde artikel 8 doen vervallen.

Verantwoording

De verplichting die in deze paragraaf wordt opgelegd is zeer vergaand en wordt als dusdanig door geen enkele internationale vereiste opgelegd. Zij bestaat in geen enkel land ter wereld en hypothekeert derhalve ernstig de handel in België, te meer omdat de markt zeer verplaatsbaar is. Bovendien lijkt zij niet echt nodig te zijn in het licht van de reeds bestaande overheidscontroles op de diamantsector.

Nr. 14 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH

Art. 43

In het voorgestelde artikel 36 aan § 2, eerste lid, een 8º toevoegen, luidende :

« 8º binnen de grenzen van de voorwaarden gesteld door de voornoemde richtlijn 2006/70/EG, de producten en verrichtingen die een laag risico inhouden voor witwassen van geld of financiering van terrorisme zoals vastgesteld in door België mee goedgekeurde aanbevelingen of richtlijnen van de Financial Action Task Force. ».

Verantwoording

In juni 2008 werd door de Financial Action Task Force een bijzondere richtlijn goedgekeurd. Ook België stemde in met deze richtlijn. Zij bevat een aantal indicatoren voor een verhoogd risico. Dat zijn onder meer transacties met cash betalingen en verrichtingen die onder commercieel onredelijke voorwaarden plaatsgrijpen. In deze richtlijn worden echter ook risicoverminderende elementen aangeduid. Dat geldt onder andere voor diamantverrichtingen wanneer :

1º het beroep van diamanthandelaar gereguleerd is, de transacties door deze handelaren plaatsgrijpen en zij lid zijn van gereguleerde diamantbeurzen;

2º de handel op een markt gebeurt en de overheid de diamanten aan doorgedreven controles onderwerpt;

3º de handel kadert binnen de afspraken omtrent het Kimberley Process;

4º er via bankoverschrijvingen wordt gewerkt.

In België is dat doorgaans het geval voor wat de diamantsector betreft en is er dus weinig of geen reden om hierin een verhoogd risico te zien. Bovendien is deze sector ertoe bereid met de Cel voor Financiële Informatieverwerking samen te werken om mee verhoogde risico's op te sporen. Om deze sector te besparen van zware administratieve en financiële lasten is het dan ook aanbevolen de tekst in die zin aan te passen dat, onder de gestelde voorwaarden, een aantal verfijningen aan het voorstel worden doorgevoerd, waartoe dit amendement strekt.