4-1419/1

4-1419/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

15 SEPTEMBER 2009


Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake clustermunitie, gedaan te Dublin op 30 mei 2008


INHOUD

  • Memorie van toelichting
  • Wetsontwerp
  • Verdrag inzake clustermunitie
  • Voorontwerp van wet
  • Advies van de Raad van State

  • MEMORIE VAN TOELICHTING


    I. Inleiding

    Aan de humanitaire bezorgdheid omtrent het gebruik van clustermunitie wordt al enkele jaren uiting gegeven in internationale fora, meer bepaald in het kader van het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens.

    Zich ervan bewust dat er dringend een antwoord moest worden gegeven op dit zwaarwegend humanitair probleem, nam een groep landen het voortouw en vergaderde op 22 en 23 februari 2007 in Oslo. Ze verbonden zich ertoe voor eind 2008 een wettelijk bindend internationaal instrument in het leven te roepen waarbij gebruik, productie, overdracht en opslag van clustermunitie die onaanvaardbare letsels en verlies aan mensenlevens onder de burgerbevolking veroorzaakt, worden verboden. Er werd ook overeengekomen dat dit instrument het kader vormt voor de samenwerking en de hulpverlening aan slachtoffers, hun familie en hun gemeenschap, de ruiming van besmette gebieden, de voorlichting op het gebied van risicobeperking en de vernietiging van de voorraden verboden clustermunitie.

    Het resultaat van dit werkproces is het Verdrag inzake clustermunitie (hierna « het Verdrag » genoemd) dat op 3 december 2008 voor ondertekening werd geopend. Dit Verdrag kwam door onderhandelingen tot stand op een diplomatieke conferentie die van 19 tot 30 mei 2008 in Dublin plaatsvond.

    België werkte in 2006, als eerste land, een wetgeving uit om clustermunitie te verbieden en speelde ook een belangrijke rol in de onderhandelingen en de goedkeuring van het Verdrag. In verschillende diplomatieke demarches riep het de andere Staten op zich bij het onderhandelingsproces aan te sluiten en ijverde het meer bepaald voor de totstandkoming van een Europese consensus over de doelen die op de vergadering van Oslo werden gesteld. In deze geest organiseerde België op 30 oktober 2007 een regionale Europese vergadering die toegespitst was op de uitwisseling van standpunten en ervaringen met betrekking tot de vernietiging van de voorraden en over de bepalingen inzake de hulpverlening aan slachtoffers.

    De indeling en de inhoud van het Verdrag zijn ruimschoots ingegeven door het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen dat in de loop der jaren de referentietekst geworden is. In het Verdrag inzake clustermunitie kon evenwel al de ervaring worden verwerkt die met name werd opgedaan op het stuk van de hulpverlening aan slachtoffers. Clustermunitie heeft dan weer bepaalde kenmerken die de onderhandelaars ertoe hebben aangezet enkele bepalingen duidelijker te stellen. Meer bepaald werd het punt van de betrekkingen met de Staten die geen Partij bij dit Verdrag zijn, in detail geregeld.

    Protocol V inzake ontplofbare oorlogsresten bij het Verdrag over bepaalde conventionele wapens werd onderhandeld, werd ook in aanmerking genomen bij de opstelling van het Verdrag inzake clustermunitie. Het protocol heeft echter een ander toepassingsgebied en de verplichtingen die eruit voortvloeien voor de Hoge Verdragsluitende Partijen, zijn veel beperkter.

    Het Verdrag valt onder de bevoegdheid van de federale Staat, behalve wat de bepalingen betreft in verband met de overdracht van clustermunitie, die onder de bevoegdheid van de gewesten vallen. Het gaat dus om een gemengd verdrag (federale Staat en Gewesten) in de zin van het Belgisch grondwettelijk recht.

    II. Commentaar bij de bepalingen van het Verdrag

    Preambule

    De preambule benadrukt de humanitaire bezorgdheid die de auteurs tot richtsnoer diende voor het Verdrag : de burgerbevolkingen en individuele burgers worden in een gewapend conflict het hardst getroffen; resten van clustermunitie doden of verminken burgers, ook vrouwen en kinderen, staan de economische en sociale ontwikkeling in de weg, belemmeren herstel en wederopbouw na conflicten, vertragen of verhinderen de terugkeer van vluchtelingen en in eigen land ontheemden, kunnen een negatieve invloed hebben op nationale en internationale vredesopbouw en humanitaire hulpverlening. Er wordt ook op gewezen dat resten van clustermunitie nog vele jaren ernstige gevolgen kunnen hebben.

    De preambule bevestigt dat de Verdragsluitende Partijen vastberaden zijn de nationale voorraden clustermunitie snel te vernietigen, vanwege de gevaren die deze inhouden.

    Er wordt met klem gewezen op de noodzaak de resten van clustermunitie op een gecoördineerde wijze te verwijderen en te vernietigen. De nadruk wordt gelegd op de rechten van de slachtoffers van clustermunitie, wier inherente waardigheid wordt erkend, op de noodzaak hen hulp te bieden, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, in het kader van hun maatschappelijke en economische re-integratie.

    De auteurs van het Verdrag hebben zich voor de omschrijving van de rechten van de slachtoffers van clustermunitie bewust beroepen op het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat voor ondertekening geopend werd op 30 maart 2007, en waarin onder andere wordt vereist dat de Staten die Partij zijn bij dat verdrag zich ertoe verbinden te waarborgen en te bevorderen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen.

    De beginselen van het internationale recht worden vermeld als referentie voor de gevallen waarin niet wordt voorzien in dit Verdrag of in andere internationale overeenkomsten.

    Gewapende groepen die zich onderscheiden van de strijdkrachten van een Staat is het onder geen enkele omstandigheid toegestaan deel te nemen aan enige activiteit die verboden is voor een Staat die Partij is bij dit Verdrag.

    Er wordt met nadruk gewezen op het belang van andere bronnen van het internationale humanitaire recht, meer bepaald de internationale norm houdende een verbod op antipersoonsmijnen zoals verankerd in het Verdrag van 1997 inzake het verbod van het gebruik, het aanleggen van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens.

    Er wordt gerefereerd aan resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inzake vrouwen, vrede en veiligheid en op voorstel van België aan resolutie 1612 inzake kinderen in gewapende conflicten.

    De preambule erkent de inspanningen van de verschillende actoren, onder meer van de Clustermunitiecoalitie en van tal van andere niet-gouvernementele organisaties.

    Er wordt benadrukt dat het wenselijk is de toetreding van alle Staten tot dit Verdrag te bewerkstelligen en zich in te zetten voor de universele tenuitvoerlegging van het Verdrag.

    Artikel 1

    Algemene verplichtingen en werkingssfeer

    De eerste paragraaf van dit artikel somt de verplichtingen op van de Staten die Partij zijn, om geen clustermunitie, zoals beschreven in artikel 2, te gebruiken, te ontwikkelen, te produceren, te verwerven, op te slaan, aan te houden of over te dragen. Het toepassingsgebied van het verbod wordt omschreven met de woorden « onder geen enkele omstandigheid ». Dit betekent dat het Verdrag van toepassing is op alle gewapende conflicten, los van het type conflict. Deze bepaling gelijkt heel sterk op de overeenkomstige bepalingen in het Verdrag inzake biologische wapens, het Verdrag inzake chemische wapens en het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen.

    Om te verhinderen dat het verbod op clustermunitie wordt omzeild door het gebruik van explosieve bommen die speciaal ontworpen zijn om verspreid of losgelaten te worden vanuit aan luchtvaartuigen bevestigde houders, werd op het einde van het onderhandelingsproces overeengekomen in lid 2 te vermelden dat dit soort wapens ook onderworpen is aan de rechtsregeling zoals bepaald in lid 1.

    Het derde lid van artikel 1 bepaalt dat het Verdrag niet van toepassing is op mijnen. Antipersoonsmijnen zijn namelijk verboden op basis van het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, het aanleggen van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens (hierna « het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen »), dat op 3 december 1997 voor ondertekening werd geopend, precies elf jaar voordat het Verdrag inzake clustermunitie voor ondertekening werd opengesteld. Het gewijzigde Protocol II bij het Verdrag over bepaalde conventionele wapens is trouwens ook van toepassing op de mijnen, die in artikel 2, punt 1, omschreven zijn als « een stuk munitie geplaatst onder, op of vlak boven de grond of ander oppervlak en ontworpen om te exploderen door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon of voertuig. België is Partij bij beide verdragen.

    Artikel 2

    Begripsomschrijvingen

    De begripsomschrijvingen vormen een kernelement van het Verdrag omdat ze het toepassingsgebied en de verplichtingen van de Staten die Partij zijn, bepalen.

    De omschrijving van de slachtoffers van clustermunitie is zeer ruim. Hiertoe behoren de personen die rechtstreeks de gevolgen van clustermunitie hebben ondervonden alsmede hun getroffen familie en gemeenschap. Voor het eerst worden in een soortgelijk internationaal instrument de slachtoffers omschreven en zijn er specifieke en gedetailleerde bepalingen die elke Staat die Partij is, verplichten adequate hulp te bieden.

    De omschrijving van clustermunitie en van verschillende aanverwante concepten is het resultaat van doorgedreven onderhandelingen. Het criterium dat aan de basis lag van het onderscheid dat wordt gemaakt tussen wapens die toegelaten blijven en wapens die als clustermunitie worden beschouwd en dus verboden zijn, zijn de onaanvaardbare humanitaire risico's die het gebruik van dergelijke wapens onder de burgerbevolking met zich brengt. Dit leidde tot een rechtsregeling die zeer nauw aansluit bij die waarin de Belgische wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens voorziet (hierna « de wet »)

    De onder de punten (a) en (b) aangehaalde munitie die niet onder de omschrijving van clustermunitie valt, stemt dan ook bijna helemaal overeen met de munitie die wordt beschreven in artikel 2, 4º, eerste streepje van de Belgische wet.

    De onder punt (c) aangehaalde munitie die niet onder de omschrijving van clustermunitie valt, is iets ruimer beschreven dan in de Belgische wet, al was die beschrijving ingegeven door gelijkaardige overwegingen. De Belgische wet sluit in artikel 2, 4º, tweede streepje enkel bepaalde mechanismen uit die alleen bedoeld zijn om pantservoertuigen te doorboren en te vernietigen, en die aan zeer strikte cumulatieve voorwaarden voldoen, met name dat ze niet kunnen exploderen louter door het contact met, de aanwezigheid of de nabijheid van een persoon. Wat het Verdrag betreft, wordt van de omschrijving als clustermunitie die munitie uitgesloten die vijf cumulatieve kenmerken vertoont. De bedoeling is te vermijden dat clustermunitie een heel gebied op non-discriminerende wijze besmet en aanleiding geeft tot onontplofte submunitie die humanitaire risico's met zich brengen.

    Ten slotte dient te worden vermeld dat in het Verdrag nucleaire munitie niet als clustermunitie wordt beschouwd, ook niet de munitie die ontworpen is om explosieve submunitie te verspreiden of los te laten die elk ten minste 20 kilogram weegt. Het achterliggende idee was dat dit soort munitie dat speciaal ontworpen is om militaire doeleinden te raken (met name start- en landingsbanen), niet de kenmerken vertoont die een verbod als clustermunitie noodzakelijk maken.

    De nuanceverschillen tussen de begripsomschrijvingen in de Belgische wetgeving en die in het Verdrag vereisen geen aanpassing van de Belgische wet. Desgevallend worden de bepalingen toegepast die de hoogste bescherming van de burgerbevolking bieden, ongeacht of ze in het Verdrag of in de Belgische wetgeving zijn vervat.

    Artikel 3

    Opslag en vernietiging van voorraden

    Dit artikel bevat in lid 1 de verplichting van elke Staat die Partij is, om alle clustermunitie af te scheiden van de voorraad gewone munitie, en ze te markeren voor vernietiging.

    In lid 2 van artikel 3 wordt de termijn voor de vernietiging van de voorraden vastgelegd op acht jaar vanaf het moment dat dit Verdrag voor de Staat die Partij is, in werking is getreden. Overeenkomstig lid 3 van dit artikel kan een Staat die Partij is bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie een verzoek indienen om de termijn voor het voltooien van de vernietiging van de clustermunitie met ten hoogste vier jaar te verlengen. In uitzonderlijke gevallen kan een Staat die Partij is een extra verlenging van ten hoogste vier jaar aanvragen. De gevraagde verlengingen mogen het aantal jaren niet overschrijden dat de Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen volgens lid 2 te voldoen.

    Voor deze regeling gelden strikte procedurebepalingen zoals beschreven in lid 4 : elk verzoek moet een gedetailleerde uitleg van de redenen voor de verlenging omvatten en de verlenging moet door de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie worden goedgekeurd. Deze goedkeuring wordt niet automatisch gegeven. Lid 5 bepaalt dat de goedkeuring afhangt van de beoordeling van de onder lid 4 aangehaalde elementen.

    Wat dit betreft werd bij de onderhandelingen getracht een evenwicht te vinden tussen de snelst mogelijke vernietiging van de voorraden clustermunitie en de technische, financiële en milieubeperkingen in verband met de vernietiging. Op de Conferentie van 30 oktober 2007 in Brussel werden de onderhandelingen voorbereid en werd duidelijk aangegeven wat er op het spel stond en wat de praktische beperkingen waren.

    België heeft de toegekende termijn in elk geval in acht genomen, rekening houdend met de vergelijkbare bepalingen al vervat in artikel 27, lid 2, streep 3 van de wet van 8 juni 2006.

    Lid 6 en lid 7 van artikel 3 van het Verdrag laten de mogelijkheid open dat een Staat die Partij is een beperkt aantal stuks clustermunitie en explosieve submunitie aanhoudt, verwerft of overdraagt ten behoeve van ontwikkeling en training op het gebied van technieken voor het opsporen, ruimen of vernietigen van clustermunitie of explosieve submunitie of voor het ontwikkelen van tegenmaatregelen met betrekking tot clustermunitie. Deze bepaling is rechtstreeks ingegeven door artikel 3 van het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen. Lid 8 bevat de verplichtingen inzake rapportage over de restvoorraad.

    Artikel 4

    Ruiming en vernietiging van resten van clustermunitie en voorlichting op het gebied van risicobeperking

    Overeenkomstig artikel 4 verbindt elke Staat die Partij is zich ertoe de resten van clustermunitie in de door soortgelijke munitie (vond : »door clustermunitie getroffen gebieden » veel duidelijker) getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, te ruimen en te vernietigen.

    In de 1e alinea worden twee situaties in overweging genomen.

    Wanneer resten van clustermunitie zich reeds bevinden op het grondgebied van een Staat of in gebieden die onder zijn zeggenschap vallen op de datum waarop het Verdrag voor de Staat die Partij is in werking treedt, moeten de ruiming en de vernietiging zo spoedig mogelijk worden voltooid, en uiterlijk tien jaar na deze datum.

    Wanneer, nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is in werking is getreden, op het grondgebied van die Staat of in gebieden die onder zijn zeggenschap vallen, clustermunitie wordt gebruikt, moeten de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk worden voltooid, en uiterlijk tien jaar na het beëindigen van de daadwerkelijke vijandigheden.

    Er is vastgelegd dat in elk van deze hypotheses de Staat die Partij is een verklaring van naleving aflegt ten overstaan van de eerste Vergadering van de Staten die Partij zijn, die zal toezien op de uitvoering door de betreffende Staat van zijn verplichtingen op grond van alinea 1.

    Alinea 2 bepaalt op welke wijze de in alinea 1 vermelde verplichting moet worden uitgevoerd. Daarnaast maakt lid 2, punt (b) melding van het ontwikkelen van een nationaal plan om de recente ervaring op het gebied van ruimingprogramma's weer te geven en met het oog op de coherentie met artikel 6. Zo verplicht punt (e) de Staten voorlichting te geven op het gebied van risicobeperking om de burgers die in of in de nabijheid van door clustermunitie getroffen gebieden wonen, bewust te maken van de gevaren van de resten van clustermunitie.

    De twee eerste alinea's van artikel 4 stemmen overeen met de twee eerste alinea's van artikel 5 van het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen. Er is ook sprake van een termijn van tien jaar voor de vernietiging van antipersoonsmijnen in de door clustermunitie getroffen gebieden, maar de manieren om deze verplichting na te leven worden minder uitvoerig besproken. Ze werden later nader toegelicht op de Top van Nairobi in 2004 middels een Actieplan dat evenwel niet juridisch bindend is.

    Artikel 3 van Protocol V bij het Conventionele Wapens Verdrag legt geen uiterste datum vast voor het « zo snel als haalbaar » ruimen, verwijderen of vernietigen van ontplofbare oorlogsresten door de Hoge Verdragsluitende Partij. Het is ook zo dat deze verplichting alleen geldt voor ontplofbare oorlogsresten die aanwezig blijken te zijn, zijn na de inwerkingtreding van het Protocol ten overstaan van de Hoge Verdragsluitende Partij.

    Artikel 4, 3e lid, verwijst naar de internationale normen inzake mijnenbestrijding waarmee elke Staat die Partij is wordt verzocht rekening te houden bij het uitvoeren van de ontmijningsactiviteiten.

    Artikel 4, 4e lid, vermeldt de gevallen waarin een Staat die Partij is clustermunitie heeft gebruikt of achtergelaten op het grondgebied van een andere Staat die Partij is, vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor de eerstgenoemde Staat die Partij is. In deze gevallen wordt de eerstgenoemde Staat die Partij is, nadat het Verdrag voor beide Staten die Partij zijn in werking is getreden, « ten zeerste aangemoedigd » bijstand te verlenen om het markeren, ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie die hij heeft achtergelaten op het grondgebied van de tweede Staat die Partij is, te faciliteren. Tijdens de onderhandelingen werd overwogen deze bepaling juridisch bindend te maken voor de Staat die clustermunitie heeft gebruikt of achtergelaten, vooraleer deze Staat partij wordt bij het Verdrag. Dit idee werd evenwel niet opgenomen in de slottekst. De reden hiervoor was dat een bindende bepaling met terugwerkende kracht sommige Staten die in het verleden clustermunitie hebben gebruikt, er zou kunnen doen van afzien partij te worden bij het Verdrag en het Verdrag zodoende de nodige slagkracht te verlenen met het oog op de toekomst.

    Artikel 4, leden 5, 6, 7 en 8 beschrijven uitvoerig de stappen die een Staat die Partij is moet doen wanneer hij meent niet in staat te zijn om alle resten van clustermunitie te ruimen en te vernietigen in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen. De termijn kan met maximum vijf jaar worden verlengd en mag het aantal jaren, die deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft, niet overschrijden. De inhoud van het verzoek wordt zeer duidelijk omschreven in lid 6. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie hebben een beoordelingsbevoegdheid aangezien de Staten die Partij zijn kunnen beslissen de verlenging al dan niet toe te staan of een kortere verlenging toe te staan dan die waarom werd verzocht. Ze kunnen ook criteria voor de verlenging voorstellen. In dit opzicht is het zeggenschap van de Staten die Partij zijn groter dan het zeggenschap waarin de overeenkomstige bepaling van het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen voorziet, zijnde artikel 5, punt 5.

    Artikel 5

    Slachtofferhulp

    Artikel 5 handelt volledig over slachtofferhulp. Dat is nieuw in vergelijking met de bestaande instrumenten van het internationaal humanitair recht.

    Dit punt werd besproken tijdens heel het voorbereidend proces : in Wenen, Brussel, Belgrado, Lima en Wellington. Deze bespreking maakte een consensus mogelijk over de noodzaak duidelijke en volledige bepalingen inzake slachtofferhulp in het Verdrag op te nemen. Daarbij werd aan het woord « slachtoffer » een ruime betekenis verleend (artikel 2) zodat de omschrijving ervan niet alleen de personen omvat die rechtstreeks de gevolgen van clustermunitie hebben ondervonden maar ook hun familie en gemeenschap, die eveneens worden getroffen door de gevolgen van het ongeluk. Slachtofferhulp wordt verschillende keren vermeld : in de preambule (lid 6 tot lid 8), en in de artikelen 2, 5, 6 (lid 7), en 7 (lid 1, punt k).

    De verplichting van elke Staat die Partij is aan slachtoffers van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen voldoende hulp te verlenen, is niet verbonden aan de voorwaarde dat hij « in staat moet zijn om dat te doen », zoals geformuleerd wordt in het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen en in Protocol V inzake ontplofbare oorlogsresten.

    Artikel 5, 2e lid, bepaalt wat de betrokken Staten die Partij zijn concreet moeten ondernemen : vaststellen van de behoeften, ontwikkelen, implementeren en handhaven van de nodige nationale wetten en beleidsmaatregelen, een nationaal plan en een nationaal budget uitwerken, stappen nemen om middelen vrij te maken, aanduiden van een aanspreekpunt binnen de overheid en streven naar het opnemen van relevante richtlijnen en goede praktijken.

    Moet worden voorkomen, elke discriminatie jegens slachtoffers van clustermunitie of tussen slachtoffers van clustermunitie, tussen slachtoffers van clustermunitie en personen die door andere oorzaken gewond of gehandicapt zijn geraakt.

    Ten slotte is er de verplichting nauw overleg te voeren met slachtoffers van clustermunitie en hen en de hen vertegenwoordigende organisaties actief te betrekken.

    Artikel 6

    Internationale samenwerking en bijstand

    Deze bepaling is gedeeltelijk ingegeven door artikel 6 van het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen, dat werd aangepast, uitgediept en versterkt. De bepaling stelt voornamelijk dat elke Staat die Partij is die daartoe in staat is, hulp moet verlenen aan Staten die getroffen zijn door clustermunitie. Deze hulp heeft betrekking op alle doelstellingen van het Verdrag : vernietiging van voorraden, ruimen van gebieden die getroffen zijn door clustermunitie en slachtofferhulp alsmede alle daarmee verband houdende aspecten (uitwisseling van informatie, technologie voor het ruimen van gebieden die getroffen zijn door clustermunitie, voorlichting op het gebied van risicobeperking, enz.). Elke Staat die Partij is en die bijstand vraagt en ontvangt, dient alle passende maatregelen te nemen om de tenuitvoerlegging van het Verdrag te vergemakkelijken, met inbegrip van het vergemakkelijken van de binnenkomst en het vertrek van personeel, materieel en uitrusting (lid 10).

    Artikel 6, lid 6 houdt rekening met het geval dat na de inwerkingtreding van het Verdrag « clustermunitie resten van clustermunitie is geworden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een Staat die Partij is », oftewel dat na de inwerkingtreding van het Verdrag clustermunitie wordt gebruikt in een gebied dat onder de rechtsmacht valt van een Staat die Partij is. Elke Staat die Partij is en die daartoe in staat is, dient onmiddellijk noodhulp te verlenen aan de getroffen Staat die Partij is.

    Artikel 6, lid 8, heeft geen overeenkomstig artikel in het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen. In dit punt wordt een verband gelegd tussen het gebruik van clustermunitie en maatregelen van economisch en maatschappelijk herstel die moeten worden genomen in de getroffen Staten die Partij zijn. De Staten die Partij zijn die daartoe in staat zijn, dienen bij te dragen aan het economisch en maatschappelijk herstel.

    België levert nu reeds een bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen zoals vermeld in artikel 6.

    Artikel 7

    Maatregelen ten behoeve van transparantie

    Elke Staat die Partij is moet eerst verslag uitbrengen aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties uiterlijk 180 dagen na de inwerkingtreding van het Verdrag voor de betreffende Staat die Partij is. Het verslag wordt nadien jaarlijks bijgewerkt tegen 30 april. De inhoud van het verslag wordt uitvoerig toegelicht in artikel 7, 1e lid, onder de punten (a) tot (n). De verplichting om verslag uit te brengen geldt voor alle aspecten van de tenuitvoerlegging van het Verdrag, met name de omvang van de nationale financiële en materiële middelen en van de middelen in natura die worden aangewend voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 3, 4 en 5 van het Verdrag en de omvang, soorten en bestemmingen van de internationale samenwerking en bijstand die uit hoofde van artikel 6 van het Verdrag worden geleverd.

    Het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen voorziet eveneens in een rapportageplicht, maar in een meer beknopte en minder uitvoerige vorm.

    Artikel 8

    Vergemakkelijking en opheldering met betrekking tot de naleving van het Verdrag

    Een of meerdere Staten die ¨Partij zijn kunnen via de secretaris-generaal van de Verenigde Naties een verzoek om opheldering voorleggen aan een andere Staat die Partij is. Wanneer de verzoekende Staat die Partij is geen antwoord ontvangt of oordeelt dat het antwoord op het verzoek om opheldering onbevredigend is, kan hij de zaak voorleggen aan de eerstvolgende Vergadering van de Staten die Partij zijn. In afwachting van de bijeenroeping van de Vergadering van de Staten die Partij zijn, kan elke betrokken Staat die Partij is de secretaris-generaal van de Verenigde Naties verzoeken zijn goede diensten uit te oefenen ter vergemakkelijking van de gevraagde opheldering.

    In tegenstelling tot het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen, is niet voorzien in de mogelijkheid een missie ter plaatse te sturen om de feiten vast te stellen.

    De Vergadering van de Staten die Partij zijn kan de betrokken Staten die Partij zijn wel maatregelen en middelen voorstellen om de zaak in kwestie verder te verhelderen of op te lossen, met inbegrip van het initiëren van passende procedures in overeenstemming met het internationaal recht. De Vergadering van de Staten die Partij zijn kan ook voorstellen de in artikel 6 van het Verdrag vermelde samenwerkingsmaatregelen te hanteren. Ze kan ten slotte ook alle andere algemene procedures of specifieke mechanismen die ze nodig acht, goedkeuren.

    Artikel 10 bevat een aantal specifieke bepalingen met het oog op de regeling van geschillen.

    Artikel 9

    Nationale uitvoeringsmaatregelen

    Deze bepaling is op identiek dezelfde wijze geformuleerd als de desbetreffende bepaling in het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen. Elke Staat die Partij is moet alle passende wettelijke, administratieve en andere maatregelen nemen om uitvoering te geven aan het Verdrag, ook strafrechtelijke sancties opleggen om verboden activiteiten te voorkomen en tegen te gaan door personen of op een grondgebied dat onder zijn rechtsmacht of zeggenschap valt.

    Er werd een apart artikel 21 in het Verdrag opgenomen om de betrekkingen met Staten die geen Partij zijn bij het Verdrag te regelen.

    Artikel 10

    Beslechting van geschillen

    Artikel 10 bepaalt dat indien er een geschil rijst met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van het Verdrag, de betrokken Staten die Partij zijn met het oog op een snelle beslechting van het geschil met elkaar overleg plegen door middel van onderhandelingen of op een andere door hen te kiezen vreedzame wijze. Er wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de mogelijkheid een beroep te doen op de Vergadering van de Staten die Partij zijn en het geschil voor te leggen aan het Internationale Gerechtshof overeenkomstig het statuut van het Hof. Het akkoord van de Partijen is evenwel vereist.

    Het tweede lid is identiek hetzelfde als de overeenkomstige bepaling van het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen.

    Artikel 11

    Artikel 11 legt meer bepaald de bevoegdheden vast van de Vergaderingen van de Staten die Partij zijn. Deze worden jaarlijks bijeengeroepen overeenkomstig de praktijk die doorgaans in de internationale ontwapeningsovereenkomsten wordt gehanteerd. De Vergadering van de Staten die Partij zijn moet alle kwesties met betrekking tot de toepassing of de uitvoering van het Verdrag onderzoeken.

    De Staten die geen Partij zijn, de relevante internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd deze vergaderingen als waarnemers bij te wonen.

    Artikel 12

    Vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag wordt een Toetsingsconferentie bijeengeroepen. De volgende Toetsingsconferenties worden door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties bijeengeroepen op verzoek van een of meerdere Staten die Partij zijn, voor zover het tijdvak tussen de Toetsingsconferenties niet korter is dan vijf jaar.

    Soortgelijke bepalingen zijn vaak terug te vinden in internationale ontwapeningsovereenkomsten.

    Artikel 13

    Artikel 13 beschrijft de procedure die moet worden gevolgd om het Verdrag te wijzigen. Deze procedure is gelijklopend met de procedure die is vastgelegd in artikel 13 van het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen, op één punt na. De termijn waarover de Staten die Partij zijn beschikken om te kennen te geven dat ze een verdere behandeling van het voorstel tot wijziging wensen is 90 dagen in plaats van 30 dagen, te rekenen vanaf het tijdstip dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties het voorstel tot wijziging aan alle Staten die Partij zijn heeft toegezonden en hun mening heeft gevaagd ten aanzien van de noodzaak een Wijzigingsconferentie bijeen te roepen.

    Artikel 14

    De administratieve kosten die verband houden met de werking van het Verdrag worden verdeeld in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties. De kosten van de Vergaderingen van de Staten die Partij zijn, de Toetsingsconferenties en de Wijzigingsconferenties worden ook gedragen door de Staten die geen Partij zijn, maar daaraan deelnemen.

    Artikel 15

    Het Verdrag staat op 3 december 2008 open voor ondertekening te Oslo en vervolgens op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York.

    België is een van de oorspronkelijke ondertekenaars van het Verdrag.

    Artikel 16

    Deze bepaling betreft de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring door de ondertekenaars en de toetreding van de Staten die het Verdrag nog niet hebben ondertekend.

    Artikel 17

    Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand waarin de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is neergelegd.

    Tijdens de onderhandelingen hadden enkele Staten voorgesteld uit te gaan van veertig verdragsluitende partijen, zoals bij het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen, anderen wilden het aantal beperken tot twintig staten.

    Artikel 18

    Een Staat kan ten tijde van de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of van toetreding tot het Verdrag verklaren dat hij voorlopig de algemene verplichtingen zoals bedoeld in artikel 1 zal toepassen in afwachting van de inwerkingtreding van het Verdrag voor deze Staat.

    Het Verdrag inzake het verbod op antipersoonsmijnen bevat een soortgelijke bepaling die op initiatief van België werd opgenomen.

    Zoals hoger vermeld voldoet België reeds in de feiten aan de algemene verplichtingen van artikel 1.

    Artikel 19

    Er kunnen geen voorbehouden worden gemaakt.

    Artikel 20

    Het Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Elke Staat die Partij is heeft het recht het Verdrag op te zeggen. De akte van opzegging moet evenwel een volledige uiteenzetting van de redenen voor de opzegging bevatten. De opzegging wordt van kracht zes maanden nadat de Depositaris de akte van opzegging heeft ontvangen. Indien na afloop van deze termijn de opzeggende Staat die Partij is, betrokken is bij een gewapend conflict, wordt de opzegging opgeschort tot het einde van het conflict.

    Artikel 21

    Tijdens de onderhandelingen uitten enkele staten de vrees dat de formulering van artikel 9 van het Verdrag samen gelezen met artikel 1, lid 1 (c) tot gevolg zou hebben, dat een Staat die Partij is onmogelijk nog zou kunnen samenwerken met Staten die geen Partij zijn en die mogelijk deelnemen aan activiteiten die verboden zijn voor een Staat die Partij is, met name in het kader van militaire operaties. Daarbij is gebleken dat de Verdragtekst een antwoord op dit vraagstuk moest geven om de rechtszekerheid te waarborgen.

    Voor België was het van groot belang een formulering te vinden die de verplichtingen van de Staten die Partij zijn niet zou wijzigen en die geen lacune zou creëren. Een dergelijke clausule mocht evenwel niet het vooropgestelde universele karakter van het Verdrag aantasten. In de komende jaren moet namelijk een beslissend aantal Staten Partij bij het Verdrag worden, ook de producerende landen en de gebruikers, teneinde de staten die nog niet tot het Verdrag zijn toegetreden, te ontmoedigen dergelijke wapens te gebruiken.

    In de eindversie wordt daarom de klemtoon gelegd op de verbintenis van elke Staat die Partij is, de Staten die geen Partij zijn aan te moedigen dit Verdrag te bekrachtigen of ertoe toe te treden. Indien een Staat die Partij is een samenwerking of militaire operaties aanvat met Staten die geen Partij zijn, worden een reeks waarborgen vooropgesteld : de samenwerking of de militaire operatie moet in overeenstemming zijn met het internationale recht; elke Staat die Partij is moet zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag meedelen aan de Staten die geen Partij zijn; hij moet de normen die in het Verdrag zijn vastgelegd bevorderen en de Staten die geen Partij zijn ervan weerhouden clustermunitie te gebruiken. Lid 4 bevestigt de voorrang van de essentiële verplichtingen die in het Verdrag zijn vastgelegd en waarvan niet kan worden afgeweken, zelfs niet in het kader van samenwerkingsactiviteiten of militaire operaties met Staten die geen Partij zijn.

    Artikel 22

    De Secretaris-generaal van de Verenigde Naties is de depositaris van dit Verdrag.

    Artikel 23

    De Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.

    De minister van Buitenlandse Zaken,

    Yves LETERME.

    De minister van Justitie,

    Stefaan DE CLERCK.

    De minister van Landsverdediging,

    Pieter DE CREM.


    WETSONTWERP


    ALBERT II,

    Koning der Belgen,

    Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,

    Onze Groet.

    Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken, van Onze minister van Justitie en van Onze minister van Landsverdediging,

    Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

    Onze minister van Buitenlandse Zaken, Onze minister van Justitie en Onze minister van Landsverdediging zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :

    Artikel 1

    Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

    Art. 2

    Het Verdrag inzake clustermunitie, gedaan te Dublin op 30 mei 2008, zal volkomen gevolg hebben.

    Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 10 september 2009.

    ALBERT

    Van Koningswege :

    De minister van Buitenlandse Zaken,

    Yves LETERME.

    De minister van Justitie,

    Stefaan DE CLERCK.

    De minister van Landsverdediging,

    Pieter DE CREM.


    VERTALING VERDRAG


    Verdrag inzake clustermunitie

    De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

    Uiterst bezorgd over het feit dat de burgerbevolking en individuele burgers de voornaamste slachtoffers blijven van gewapende conflicten,

    Vastbesloten voorgoed een einde te maken aan het lijden en verlies van mensenlevens dat veroorzaakt wordt door clustermunitie op het moment van het gebruik ervan, wanneer zij niet werkt zoals bedoeld of wanneer zij wordt achtergelaten,

    Bezorgd dat resten van clustermunitie burgers, waaronder vrouwen en kinderen, doden of verminken, de economische en sociale ontwikkeling in de weg staan, onder andere door het verlies van middelen van bestaan, herstel en wederopbouw na conflicten belemmeren, de terugkeer van vluchtelingen en in eigen land ontheemden vertragen of beletten, van negatieve invloed kunnen zijn op nationale en internationale vredesopbouw en humanitaire hulpverlening en andere ernstige gevolgen hebben die vele jaren na het gebruik van de clustermunitie kunnen aanhouden,

    Tevens uiterst bezorgd over de gevaren van de omvangrijke nationale voorraden clustermunitie die voor operationeel gebruik worden aangehouden en vastbesloten de snelle vernietiging ervan te waarborgen,

    Van mening dat het noodzakelijk is op doeltreffende, gecoördineerde wijze een effectieve bijdrage te leveren aan de opgave de resten van clustermunitie overal ter wereld te verwijderen en de vernietiging ervan te waarborgen,

    Tevens vastbesloten de volledige verwezenlijking van de rechten van alle slachtoffers van clustermunitie te waarborgen en hun inherente waardigheid erkennend,

    Vastberaden zich tot het uiterste in te spannen om slachtoffers van clustermunitie hulp te bieden, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en te zorgen voor hun maatschappelijke en economische integratie,

    Erkennend de noodzaak slachtoffers van clustermunitie hulp te bieden die toegesneden is op hun leeftijd en geslacht en daarbij rekening te houden met de bijzondere behoeften van kwetsbare groepen,

    Indachtig het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap waarin onder andere wordt vereist dat de Staten die Partij zijn bij dat Verdrag zich ertoe verbinden de volledige verwezenlijking van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te waarborgen en te bevorderen voor alle personen met een handicap zonder enige discriminatie op grond van de handicap,

    Indachtig de noodzaak op adequate wijze de inspanningen te coördineren die in diverse fora worden verricht op het gebied van de rechten en behoeften van slachtoffers van verschillende soorten wapens, en vastbesloten discriminatie onder slachtoffers van verschillende soorten wapens te vermijden,

    Opnieuw bevestigend dat in gevallen waarin niet wordt voorzien door dit Verdrag of door andere internationale overeenkomsten burgers en strijdkrachten beschermd blijven door en onderworpen blijven aan de beginselen van het internationale recht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn,

    Vastbesloten dat het gewapende groepen die zich onderscheiden van de strijdkrachten van een Staat onder geen enkele omstandigheid is toegestaan deel te nemen aan enige activiteit die verboden is voor een Staat die Partij is bij dit Verdrag,

    Verwelkomend de zeer brede internationale steun voor de internationale norm houdende een verbod op antipersoneelmijnen, als vervat in het Verdrag van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van anti-personeelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens,

    Tevens verwelkomend de aanneming van het Protocol inzake ontplofbare oorlogsresten, als bijlage bij het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben, en de inwerkingtreding ervan op 12 november 2006, en de wens uitsprekend de bescherming van burgers tegen de gevolgen van resten van clustermunitie in post-conflictsituaties uit te breiden,

    Tevens indachtig Resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inzake vrouwen, vrede en veiligheid en Resolutie 1612 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inzake kinderen in gewapende conflicten,

    Voorts verwelkomend de stappen die de afgelopen jaren in nationaal, regionaal en mondiaal verband zijn genomen met het oog op het verbieden, beperken of opschorten van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van clustermunitie,

    Benadrukkend de rol van het openbare rechtsbewustzijn bij de bevordering van de beginselen van menselijkheid zoals dat blijkt uit de wereldwijde oproep een einde te maken aan het door clustermunitie veroorzaakte lijden van burgers en erkennend de inspanningen daartoe verricht door de Verenigde Naties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Clustermunitiecoalitie en tal van andere niet-gouvernementele organisaties wereldwijd,

    Opnieuw bevestigend de Verklaring van de Conferentie van Oslo over clustermunitie waarin de Staten onder andere de ernstige gevolgen van het gebruik van clustermunitie onderkenden en zich ertoe verbonden in 2008 een juridisch bindende overeenkomst te sluiten waarin het gebruik, de productie, de overdracht en de aanleg van voorraden van clustermunitie die burgers onaanvaardbaar letsel toebrengt verboden zouden worden en waarin een kader voor samenwerking en bijstand zou worden vastgesteld ter waarborging van adequate zorg voor en revalidatie van slachtoffers, het ruimen van getroffen gebieden, voorlichting op het gebied van risicobeperking en de vernietiging van voorraden,

    Benadrukkend dat het wenselijk is de participatie van alle Staten bij dit Verdrag te bewerkstelligen en vastbesloten zich niet-aflatend in te zetten voor de universele en volledige tenuitvoerlegging ervan,

    Zich baserend op de beginselen en regels van het internationaal humanitair recht, met name het beginsel dat het recht van de partijen bij een gewapend conflict ten aanzien van de keuze van de methoden en middelen van oorlogvoering niet onbegrensd is, en de regel dat de partijen bij een conflict te allen tijde onderscheid dienen te maken tussen de burgerbevolking en de strijdkrachten en tussen burgerobjecten en militaire doelen en hun operaties dientengevolge uitsluitend tegen militaire doelen dienen te richten, de regel dat bij het uitvoeren van militaire operaties voortdurend zal worden getracht de burgerbevolking, burgers en burgerobjecten te sparen en de regel dat de burgerbevolking en individuele burgers algemene bescherming genieten tegen de gevaren die voortvloeien uit militaire operaties,

    Zijn het volgende overeengekomen :

    Artikel 1

    Algemene verplichtingen en werkingssfeer

    1. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe onder geen enkele omstandigheid :

    a) clustermunitie te gebruiken;

    b) rechtstreeks of onrechtstreeks clustermunitie te ontwikkelen, te produceren, anderszins te verwerven, op te slaan, aan te houden of aan derden over te dragen;

    c) enige activiteit die op grond van dit Verdrag verboden is voor een Staat die Partij is te steunen, aan te moedigen of derden ertoe aan te zetten.

    2. Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op explosieve kleine bommen die specifiek ontworpen zijn om vanuit aan luchtvaartuigen bevestigde houders te worden verspreid of te worden losgelaten.

    3. Dit Verdrag is niet van toepassing op mijnen.

    Artikel 2

    Begripsomschrijvingen

    Voor de toepassing van dit Verdrag :

    1. wordt verstaan onder « slachtoffers van clustermunitie » alle personen die als gevolg van het gebruik van clustermunitie zijn gedood of fysiek of psychisch letsel hebben opgelopen, economische verliezen hebben geleden, maatschappelijk zijn uitgesloten of die bij de verwezenlijking van hun rechten ernstig zijn belemmerd. Tot deze slachtoffers behoren de personen die rechtstreeks de gevolgen van clustermunitie hebben ondervonden alsmede hun getroffen familie en gemeenschap;

    2. wordt verstaan onder « clustermunitie » conventionele munitie die ontworpen is om explosieve submunities die elk minder wegen dan 20 kilogram te verspreiden of los te laten en omvat mede deze explosieve submunities. Het volgende wordt er niet onder verstaan :

    a) munitie of submunitie die is ontwikkeld om vuursignalen, rook, pyrotechnische effecten of antiradarsneeuw af te geven of munitie die uitsluitend voor luchtafweer is ontworpen;

    b) munitie of submunitie die is ontworpen om elektrische of elektronische effecten te bereiken;

    c) munitie die, teneinde niet-onderscheidende effecten binnen het gebied en de risico's van onontplofte submunities te vermijden, alle onderstaande kenmerken bezit :

    i) elk stuk munitie bevat minder dan tien explosieve submunities;

    ii) elke explosieve submunitie weegt meer dan vier kilogram;

    iii) elke explosieve submunitie is ontworpen om een enkel object (het doel) te detecteren en aan te vallen;

    iv) elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfvernietigingsmechanisme;

    v) elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfdeactivatiemechanisme;

    3. wordt verstaan onder « explosieve submunitie » conventionele munitie die teneinde haar taak uit te voeren wordt verspreid of losgelaten door een stuk clustermunitie en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te doen ontploffen voorafgaande aan, op het moment van, of na de inslag;

    4. wordt verstaan onder « gefaalde clustermunitie » clustermunitie die is afgevuurd, afgeworpen, gelanceerd, afgeschoten of anderszins is gelost en die haar explosieve submunities had moeten verspreiden of loslaten maar dat niet heeft gedaan;

    5. wordt verstaan onder « onontplofte submunitie » explosieve submunitie die is verspreid of losgelaten door, of anderszins is losgekomen van, clustermunitie en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan;

    6. wordt verstaan onder « achtergelaten clustermunitie » clustermunitie of explosieve submunitie die niet is gebruikt en die is achtergelaten of gedumpt en niet meer onder de zeggenschap valt van de partij die deze heeft achtergelaten of gedumpt. Deze achtergelaten clustermunitie of explosieve submunitie kan al dan niet voor gebruik zijn voorbereid;

    7. wordt verstaan onder « resten van clustermunitie » gefaalde clustermunitie, achtergelaten clustermunitie, onontplofte submunitie en onontplofte kleine bommen;

    8. wordt verstaan onder « overdracht » naast de fysieke verplaatsing van clustermunitie naar of van het grondgebied van een staat, de overdracht van het eigendomsrecht en van de zeggenschap over de clustermunitie, maar niet de overdracht van een grondgebied waarop de resten van clustermunitie zich bevinden;

    9. wordt verstaan onder « zelfvernietigingsmechanisme » een automatisch-werkend mechanisme dat naast het primaire ontstekingsmechanisme in de munitie is opgenomen en zorgt voor de vernietiging van de munitie waarin het is opgenomen;

    10. wordt verstaan onder « zelfdeactivering » het automatisch buiten werking stellen van munitie door middel van onomkeerbare uitputting van een onderdeel, bijvoorbeeld een batterij, dat essentieel is voor het functioneren van de munitie;

    11. wordt verstaan onder « een door clustermunitie getroffen gebied » een gebied waarvan bekend is of ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de resten van clustermunitie zich er bevinden;

    12. wordt verstaan onder « mijn » een stuk munitie ontworpen om te worden geplaatst onder, op of vlak boven de grond of ander oppervlak en te exploderen door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon of voertuig;

    13. wordt verstaan onder « explosieve kleine bom » een stuk conventionele munitie, dat minder dan 20 kilogram weegt, geen eigen aandrijving heeft en dat, teneinde zijn taak uit te voeren, wordt verspreid of losgelaten vanuit een houder en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te laten ontploffen voorafgaand aan, op het moment van, of na de inslag;

    14. wordt verstaan onder « houder » een container die ontworpen is om explosieve kleine bommen te verspreiden of los te laten en die op het moment van verspreiding of loslaten aan een luchtvaartuig bevestigd is;

    15. wordt verstaan onder « onontplofte kleine bom » een explosieve kleine bom die is verspreid, losgelaten of anderszins is gelost uit een houder en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan.

    Artikel 3

    Opslag en vernietiging van voorraden

    1. Elke Staat die Partij is draagt, in overeenstemming met de nationale regelgeving, zorg voor het scheiden van alle clustermunitie die onder zijn rechtsmacht en zeggenschap valt van de munitie voor operationele inzet en voor het markeren ervan voor vernietiging.

    2. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie zo snel als mogelijk is, evenwel uiterlijk acht jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe te waarborgen dat de vernietigingsmethoden voldoen aan de toepasselijke internationale normen voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu.

    3. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen binnen acht jaar nadat het Verdrag voor die Partij in werking is getreden, kan hij bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie een verzoek indienen om de termijn voor het voltooien van de vernietiging van dergelijke clustermunitie met ten hoogste vier jaar te verlengen. In uitzonderlijke omstandigheden mag een Staat die Partij is om aanvullende verlengingen van ten hoogste vier jaar verzoeken. De gevraagde verlengingen mogen het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge het tweede lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.

    4. Elk verzoek om verlenging dient het volgende te omvatten :

    a) de duur van de voorgestelde verlenging;

    b) een gedetailleerde uitleg van de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken of die hij nodig heeft voor de vernietiging van alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie en, wanneer van toepassing, de uitzonderlijke omstandigheden die deze verlenging rechtvaardigen;

    c) een plan waarin wordt aangegeven hoe de vernietiging van de voorraden zal plaatsvinden en wanneer deze zal zijn voltooid;

    d) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve sub-munitie die worden aangehouden op het moment waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt en alle andere clustermunitie of explosieve submunitie die na de inwerkingtreding wordt ontdekt;

    e) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die tijdens de in het tweede lid van dit artikel bedoelde termijn zijn vernietigd; en

    f) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die nog vernietigd dienen te worden tijdens de voorgestelde verlenging en de hoeveelheid die naar verwachting jaarlijks vernietigd zal worden.

    5. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie beoordeelt, rekening houdend met de in het vierde lid van dit artikel bedoelde factoren, het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of het verzoek om verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naar gelang van toepassing. Een verzoek om verlenging wordt ten minste negen maanden voor de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waar het verzoek zal worden behandeld ingediend.

    6. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan een beperkt aantal stuks clustermunitie en explosieve submunitie aan te houden of te verwerven ten behoeve van ontwikkeling en training op het gebied van technieken voor het opsporen, ruimen of vernietigen van clustermunitie en explosieve submunitie, of voor het ontwikkelen van tegenmaatregelen met betrekking tot clustermunitie. De hoeveelheid explosieve submunitie die wordt aangehouden of verworven mag niet groter zijn dan hetgeen voor deze doeleinden strikt noodzakelijk is.

    7. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan clustermunitie aan een andere Staat die Partij is over te dragen ten behoeve van vernietiging of ten behoeve van de in het zesde lid van dit artikel omschreven doeleinden.

    8. Staten die Partij zijn die clustermunitie of explosieve submunitie aanhouden, verwerven of overdragen ten behoeve van de in het zesde en zevende lid van dit artikel omschreven doeleinden dienen een gedetailleerd rapport in van het geplande en feitelijke gebruik van deze clustermunitie en explosieve submunitie alsmede hun type, hoeveelheid en partijnummers. Indien clustermunitie of explosieve submunitie ten behoeve van deze doeleinden aan een andere Staat die Partij is wordt overgedragen dient het rapport een verwijzing naar de ontvangende partij te omvatten. Een dergelijk rapport wordt opgesteld voor ieder jaar waarin een Staat die Partij is clustermunitie of explosieve submunitie aanhoudt, verwerft of overdraagt en dient uiterlijk 30 april van het daaropvolgende jaar bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te worden ingediend.

    Artikel 4

    Ruiming en vernietiging van resten van clustermunitie en voorlichting op het gebied van risicobeperking

    1. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe resten van clustermunitie in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen op de navolgende wijze :

    a) Wanneer resten van clustermunitie zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen op de datum waarop het Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na deze datum;

    b) Wanneer, nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na het beëindigen van de daadwerkelijke vijandigheden gedurende welke dergelijke clustermunitie resten van clustermunitie werd; en

    c) Na het nakomen van een van de in de onderdelen a en b van dit lid vervatte verplichtingen, legt de Staat die Partij is een verklaring van naleving af aan de volgende Vergadering van de Staten die Partij zijn.

    2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel, neemt elke Staat die Partij is zo spoedig mogelijk de volgende maatregelen en houdt daarbij rekening met de bepalingen van artikel 6 van dit Verdrag inzake internationale samenwerking en bijstand :

    a) het onderzoeken, vaststellen en vastleggen van het gevaar dat gevormd wordt door resten van clustermunitie, waarbij al het mogelijke wordt gedaan om alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te identificeren;

    b) het vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften in termen van markering, burgerbescherming, ruiming en vernietiging en het nemen van stappen om middelen vrij te maken en een nationaal plan te ontwikkelen om deze activiteiten uit te voeren, daarbij gebruikmakend, wanneer van toepassing, van bestaande structuren, ervaringen en methoden;

    c) het nemen van alle mogelijke stappen om te waarborgen dat alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen worden gemarkeerd, gemonitord en met hekken of andere middelen worden afgezet teneinde ervoor te zorgen dat deze gebieden onmogelijk door burgers kunnen worden betreden. Bij het markeren van gebieden ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat zij gevaarlijk zijn dienen waarschuwingsborden te worden gebruikt op basis van markeringsmethoden die voor de getroffen gemeenschap gemakkelijk herkenbaar zijn. Borden en andere markeringen van de omtrek van gevaarlijke gebieden dienen voor zover mogelijk zichtbaar, leesbaar, duurzaam en tegen omgevingsinvloeden bestand te zijn en dienen duidelijk te maken aan welke zijde van de gemarkeerde grens het door clustermunitie getroffen gebied ligt en welke zijde als veilig wordt beschouwd;

    d) het ruimen en vernietigen van alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen; en

    e) het geven van voorlichting op het gebied van risicobeperking om de burgers die in of in de nabijheid van door clustermunitie getroffen gebieden wonen bewust te maken van de gevaren van dergelijke resten.

    3. Bij het uitvoeren van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde activiteiten, houdt elke Staat die Partij is rekening met de internationale normen, met inbegrip van de International Mine Action Standards (internationale normen met betrekking tot mijnen).

    4. Dit lid is van toepassing in gevallen waarin clustermunitie door een Staat die Partij is is gebruikt of is achtergelaten voordat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad en resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een andere Staat die Partij is op het moment waarop dit Verdrag voor laatstgenoemde Staat in werking trad.

    a) In dergelijke gevallen wordt de eerstgenoemde Staat die Partij is, nadat dit Verdrag voor beide Staten die Partij zijn in werking is getreden, ten zeerste aangemoedigd de laatstgenoemde Staat die Partij is onder andere technische, financiële, materiële en personele ondersteuning te bieden, hetzij bilateraal, hetzij door een door beide partijen overeengekomen derde partij, waaronder via de organen van de Verenigde Naties of andere relevante organisaties, teneinde het markeren, ruimen en vernietigen van dergelijke resten van clustermunitie te vergemakkelijken.

    b) Dergelijke ondersteuning omvat, wanneer beschikbaar, informatie over de typen en hoeveelheden clustermunitie die zijn gebruikt, nauwkeurige locaties van clustermunitie-inslagen en gebieden waarvan bekend is dat er zich resten van clustermunitie bevinden.

    5. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn binnen tien jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden de in het eerste lid van dit artikel bedoelde resten van clustermunitie te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen, kan hij een verzoek indienen bij de Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voor een verlenging van de uiterste termijn voor het voltooien van de ruiming en vernietiging van dergelijke resten van clustermunitie met een tijdvak van ten hoogste vijf jaar. De gevraagde verlenging mag het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge van het eerste lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.

    6. Een verzoek om verlenging dient te worden ingediend bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voordat het in het eerste lid van dit artikel genoemde tijdvak voor die Staat die Partij is verstrijkt. Elk verzoek dient ten minste negen maanden voor aanvang van de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waarop het verzoek wordt besproken te worden ingediend. Elk verzoek dient het volgende te omvatten :

    a) de duur van de voorgestelde verlenging;

    b) een gedetailleerde uitleg van de redenen voor de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken en die hij nodig heeft voor de ruiming en vernietiging van alle resten van clustermunitie gedurende de voorgestelde verlenging;

    c) de voorbereiding van toekomstige werkzaamheden en de stand van de reeds uitgevoerde werkzaamheden in het kader van nationale (mijn) ruimingsprogramma's gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en eventuele verlengingen daarna;

    d) het totale gebied waar zich op het tijdstip waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad resten van clustermunitie bevonden en eventuele aanvullende gebieden met resten van clustermunitie die na de inwerkingtreding zijn ontdekt;

    e) het totale gebied met resten van clustermunitie dat sinds de inwerkingtreding van dit Verdrag is geruimd;

    f) het totale gebied met resten van clustermunitie dat gedurende de voorgestelde verlenging nog dient te worden geruimd;

    g) de omstandigheden die de Staat die Partij is hebben belet alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te vernietigen gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en de omstandigheden die mogelijk een beletsel vormen tijdens de voorgestelde verlenging;

    h) de humanitaire, sociale, economische en milieugevolgen van de voorgestelde verlenging; en

    i) alle overige informatie die voor de aanvraag van de voorgestelde verlenging relevant is.

    7. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie, rekening houdend met de in het zesde lid van dit artikel bedoelde factoren,waaronder de gerapporteerde hoeveelheden resten van clustermunitie, beoordeelt het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of de verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan die waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naar gelang van toepassing.

    8. Na indiening van een nieuw verzoek, in overeenstemming met het vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel, kan nogmaals een verlenging worden toegestaan van ten hoogste vijf jaar. Het door een Staat die Partij is ingediende verzoek om aanvullende verlenging dient te worden vergezeld van relevante aanvullende informatie over hetgeen is ondernomen tijdens de vorige verlenging die ingevolge dit artikel werd toegestaan.

    Artikel 5

    Slachtofferhulp

    1. Elke Staat die Partij is verleent slachtoffers van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, in overeenstemming met het van toepassing zijnde internationale humanitaire recht en het internationale recht inzake de mensenrechten, op adequate wijze hulp die toegesneden is op de leeftijd en het geslacht van de slachtoffers, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en draagt zorg voor hun maatschappelijke en economische integratie. Elke Staat die Partij is, stelt alles in het werk om betrouwbare relevante gegevens te verzamelen met betrekking tot slachtoffers van clustermunitie.

    2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel onderneemt elke Staat die Partij is het volgende :

    a) vaststellen van de behoeften van slachtoffers van clustermunitie;

    b) ontwikkelen, ten uitvoer brengen en handhaven van de nodige nationale wetten en beleidsmaatregelen;

    c) uitwerken van een nationaal plan en budget, met inbegrip van tijdpaden om deze activiteiten uit te voeren, met het oog op de opname ervan in bestaande nationale kaders en mechanismen met betrekking tot handicaps, ontwikkeling en mensenrechten, waarbij de specifieke rol en bijdrage van de relevante actoren worden gerespecteerd;

    d) nemen van stappen om nationale en internationale middelen vrij te maken;

    e) voorkomen van discriminatie jegens of tussen slachtoffers van clustermunitie of onderscheid tussen slachtoffers van clustermunitie en personen die door andere oorzaken gewond of gehandicapt zijn geraakt; verschillen in behandeling dienen uitsluitend gebaseerd te zijn op medische, psychologische of sociaaleconomische behoeften of behoeften op het gebied van revalidatie;

    f) nauw overleg voeren met slachtoffers van clustermunitie en hen en hun vertegenwoordigende organisaties actief betrekken;

    g) aanwijzen van een aanspreekpunt binnen de overheid voor het coördineren van de zaken die verband houden met de uitvoering van dit artikel; en

    h) streven naar het opnemen van relevante richtlijnen en goede praktijken in onder meer gebieden als medische zorg, revalidatie en psychologische ondersteuning alsmede maatschappelijke en economische integratie.

    Artikel 6

    Internationale samenwerking en bijstand

    1. Bij de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is het recht bijstand te vragen en te ontvangen.

    2. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent technische, materiële en financiële bijstand aan de Staten die Partij zijn die zijn getroffen door clustermunitie, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, niet-gouvernementele organisaties of instellingen, of op bilaterale basis.

    3. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe een zo ruim mogelijke uitwisseling van uitrusting en wetenschappelijke en technologische informatie inzake de toepassing van dit Verdrag te bevorderen en heeft het recht te participeren in een dergelijke uitwisseling. De Staten die Partij zijn leggen geen onredelijke beperkingen op inzake het leveren en ontvangen van uitrusting voor het ruimen en andere soortgelijke uitrusting en daarmee verband houdende technologische informatie voor humanitaire doeleinden.

    4. In aanvulling op de mogelijke verplichtingen uit hoofde van het vierde lid van artikel 4 van dit Verdrag, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is bijstand bij het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en informatie inzake diverse middelen en technieken voor het ruimen van clustermunitie, alsmede lijsten van deskundigen, gespecialiseerde organisaties of nationale contactpunten inzake het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en daarmee verband houdende activiteiten.

    5. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van de vernietiging van voorraden clustermunitie en verleent tevens bijstand bij het identificeren en vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften en praktische maatregelen op het gebied van markering, voorlichting op het gebied van risicobeperking, burgerbescherming en ruiming en vernietiging als voorzien in artikel 4 van dit Verdrag.

    6. Wanneer, na de inwerkingtreding van dit Verdrag, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een Staat die Partij is, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is onmiddellijk noodhulp aan de getroffen Staat die Partij is.

    7. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 5 van dit Verdrag bedoelde verplichtingen inzake het op adequate wijze verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en het zorg dragen voor de maatschappelijke en economische integratie van slachtoffers van clustermunitie. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan of de internationale federatie van deze organisaties, niet-gouvernementele organisaties, of op bilaterale basis.

    8. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand teneinde bij te dragen aan het economisch en maatschappelijk herstel dat nodig is als gevolg van het gebruik van clustermunitie in de getroffen Staten die Partij zijn.

    9. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, kan bijdragen aan relevante trustfondsen teneinde het verlenen van bijstand uit hoofde van dit artikel te vergemakkelijken.

    10. Elke Staat die Partij is en bijstand vraagt en ontvangt, neemt alle passende maatregelen om de tijdige en doeltreffende uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, met inbegrip van het vergemakkelijken van de binnenkomst en het vertrek van personeel, materieel en uitrusting, op een wijze die in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving, rekening houdend met internationale best practices.

    11. Elke Staat die Partij is kan, met het oog op het uitwerken van een nationaal actieplan, een verzoek richten tot de organen van de Verenigde Naties, regionale organisaties, andere Staten die Partij zijn of andere deskundige intergouvernementele of niet-gouvernementele instellingen om zijn autoriteiten bij te staan bij het vaststellen van onder andere :

    a) de aard en de omvang van de resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen;

    b) de financiële en technologische middelen en mankracht die nodig zijn voor de uitvoering van het plan;

    c) de geschatte tijd die nodig is om alle resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen;

    d) voorlichtingsprogramma's op het gebied van risicobeperking en bewustwordingsactiviteiten om het aantal door resten van clustermunitie veroorzaakte gewonden en doden terug te dringen;

    e) hulp aan slachtoffers van clustermunitie; en

    f) de betrekkingen op het gebied van coördinatie tussen de regering van de desbetreffende Staat die Partij is en de betrokken gouvernementele, intergouvernementele of niet-gouvernementele instanties die meewerken aan de uitvoering van het plan.

    12. Staten die Partij zijn en bijstand verlenen en ontvangen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel werken samen teneinde zorg te dragen voor de volledige en onverwijlde uitvoering van de overeengekomen bijstandprogramma's.

    Artikel 7

    Maatregelen ten behoeve van transparantie

    1. Elke Staat die Partij is brengt verslag uit aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zodra dit praktisch uitvoerbaar is en in elk geval niet later dan 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, inzake :

    a) de in artikel 9 van dit Verdrag bedoelde nationale uitvoeringsmaatregelen;

    b) het totale aantal van alle clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van dit Verdrag, met inbegrip van een uitsplitsing naar type, hoeveelheid en, indien mogelijk, partijnummers van elk type;

    c) de technische kenmerken van elk type clustermunitie dat, voor zover bekend, geproduceerd is door die Staat die Partij is voordat dit Verdrag voor hem in werking trad en van elk type clustermunitie dat momenteel eigendom of in bezit is van die Staat die Partij is, waarbij, indien redelijkerwijs mogelijk, de nodige informatie wordt verstrekt ter vergemakkelijking van de identificatie en ruiming van clustermunitie; deze informatie dient minimaal te bestaan uit de afmetingen, ontstekingsmechanismen, explosieve inhoud, inhoud aan metalen, kleurenfoto's en andere gegevens die het ruimen van resten van clustermunitie kunnen vergemakkelijken;

    d) de stand en voortgang van de programma's voor de conversie of buitengebruikstelling van productiefaciliteiten voor clustermunitie;

    e) de stand en voortgang van programma's voor de vernietiging, in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag, van clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, met nauwkeurige informatie over de te gebruiken vernietigingsmethoden, de ligging van alle vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht dienen te worden genomen;

    f) de typen en hoeveelheden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, die in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag zijn vernietigd, met inbegrip van nauwkeurige informatie over de gebruikte vernietigingsmethoden, de ligging van de vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht zijn genomen;

    g) de voorraden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, ontdekt na melding van de voltooiing van het in onderdeel e van dit lid bedoelde programma, alsmede plannen voor de vernietiging daarvan in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag;

    h) voor zover mogelijk, de omvang en locatie van alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, met inbegrip van zo nauwkeurig mogelijke informatie betreffende het type en aantal van elk type restant van clustermunitie in elk getroffen gebied en het tijdstip waarop zij zijn gebruikt;

    i) de stand en voortgang van programma's voor het ruimen en vernietigen van alle typen en hoeveelheden resten van clustermunitie die zijn geruimd en vernietigd in overeenstemming met artikel 4 van dit Verdrag, met inbegrip van de omvang en locatie van het door clustermunitie getroffen gebied dat is geruimd en een uitsplitsing naar de hoeveelheid van elk type restant van clustermunitie dat is geruimd en vernietigd;

    j) de maatregelen die genomen zijn om voorlichting over risicobeperking te geven en in het bijzonder om de burgers die wonen in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen onverwijld en op doeltreffende wijze te waarschuwen;

    k) de stand en voortgang van de uitvoering van zijn verplichtingen ingevolge artikel 5 van dit Verdrag inzake het verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp aan slachtoffers van clustermunitie, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, het zorg dragen voor hun maatschappelijke en economische integratie en het verzamelen van betrouwbare relevante gegevens over slachtoffers van clustermunitie;

    l) de naam en contactgegevens van de instellingen die bevoegd zijn informatie te verstrekken en de in dit lid beschreven maatregelen uit te voeren;

    m) de omvang van de nationale middelen, financieel, materieel of in natura, die zijn bestemd voor de uitvoering van de artikelen 3, 4 en 5 van dit Verdrag; en

    n) de omvang, soorten en bestemmingen van de internationale samenwerking en bijstand die uit hoofde van artikel 6 van dit Verdrag worden geleverd.

    2. De overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verstrekte informatie wordt jaarlijks bijgewerkt door de Staten die Partij zijn en heeft betrekking op het voorgaande kalenderjaar; de informatie wordt uiterlijk op 30 april van elk jaar ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

    3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet alle ontvangen rapporten toekomen aan de Staten die Partij zijn.

    Artikel 8

    Vergemakkelijking en opheldering met betrekking tot de naleving

    1. De Staten die Partij zijn komen overeen met elkaar overleg te plegen en samen te werken met betrekking tot de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag en zich gezamenlijk in een geest van samenwerking in te spannen voor de vergemakkelijking van de naleving van de verplichtingen die uit hoofde van dit Verdrag rusten op de Staten die Partij zijn.

    2. Indien een of meer Staten die Partij zijn kwesties met betrekking tot de naleving van de bepalingen van dit Verdrag door een andere Staat die Partij is, wensen op te helderen en op te lossen, kunnen zij via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bij die Staat die Partij is, een verzoek om opheldering daarvan indienen. Een dergelijk verzoek dient vergezeld te gaan van alle relevante informatie. Elke Staat die Partij is, onthoudt zich van het indienen van ongegronde verzoeken om opheldering en zorgt ervoor dat er geen misbruik gemaakt wordt. Een Staat die Partij is en een verzoek om opheldering ontvangt, levert, via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, binnen 28 dagen aan de verzoekende Staat die Partij is alle informatie die kan bijdragen aan de opheldering van de zaak.

    3. Indien de verzoekende Staat die Partij is niet binnen die termijn een antwoord heeft ontvangen via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, of oordeelt dat het antwoord op het verzoek om opheldering onbevredigend is, kan hij de zaak via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorleggen aan de eerstvolgende Vergadering van de Staten die Partij zijn. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet dit verzoek tot voorlegging tezamen met alle op het verzoek om opheldering betrekking hebbende relevante informatie toekomen aan alle Staten die Partij zijn. Al deze informatie wordt aan de aangezochte Staat die Partij is voorgelegd, die het recht heeft hierop te antwoorden.

    4. Hangende de bijeenroeping van een Vergadering van de Staten die Partij zijn, kan elk van de betrokken Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken zijn of haar goede diensten te verlenen ter vergemakkelijking van de gevraagde opheldering.

    5. Wanneer een zaak uit hoofde van het derde lid van dit artikel aan haar is voorgelegd, stelt de Vergadering van de Staten die Partij zijn eerst vast of deze zaak verder zal worden bestudeerd, rekening houdend met alle informatie die is voorgelegd door de betrokken Staten die Partij zijn. Indien de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluit dat verdere bestudering noodzakelijk is, kan zij de betrokken Staten die Partij zijn maatregelen en middelen voorstellen om de zaak in kwestie verder te verhelderen of op te lossen, met inbegrip van het initiëren van passende procedures in overeenstemming met het internationale recht. Wanneer wordt vastgesteld dat het probleem in kwestie te wijten is aan omstandigheden buiten de macht van de aangezochte Staat die Partij is, kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn passende maatregelen aanbevelen, met inbegrip van de in artikel 6 van dit Verdrag bedoelde samenwerkingsmaatregelen.

    6. Naast de in het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel voorziene procedures kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluiten tot het aannemen van door haar passend geachte andere algemene procedures of specifieke mechanismen voor opheldering met betrekking tot de naleving, met inbegrip van feiten, en oplossing van zaken van niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag.

    Artikel 9

    Nationale uitvoeringsmaatregelen

    Elke Staat die Partij is neemt alle passende wettelijke, administratieve en andere maatregelen om dit Verdrag uit te voeren, met inbegrip van het opleggen van strafrechtelijke sancties, teneinde het ondernemen van ingevolge dit Verdrag voor een Staat die Partij is verboden activiteiten door personen die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen of op grondgebied dat onder zijn rechtsmacht of zeggenschap valt, te voorkomen en tegen te gaan.

    Artikel 10

    Beslechting van geschillen

    1. Indien tussen twee of meer Staten die Partij zijn een geschil rijst met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag plegen de betrokken Staten die Partij zijn met elkaar overleg teneinde het geschil snel te beslechten door middel van onderhandeling of op een andere door hen te kiezen vreedzame wijze, met inbegrip van een beroep op de Vergadering van de Staten die Partij zijn en aanhangigmaking bij het Internationaal Gerechtshof overeenkomstig het Statuut van het Hof.

    2. De Vergadering van de Staten die Partij zijn kan met alle door haar nodig geachte middelen een bijdrage leveren aan de beslechting van het geschil, met inbegrip van het aanbod tot het verlenen van goede diensten, het oproepen van de desbetreffende Staten die Partij zijn aan te vangen met de procedure van hun keuze voor de beslechting en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.

    Artikel 11

    Vergaderingen van de Staten die Partij zijn

    1. De Staten die Partij zijn komen regelmatig in vergadering bijeen teneinde zaken te bestuderen en, waar noodzakelijk, besluiten te nemen die betrekking hebben op de toepassing of uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van :

    a) het functioneren en de stand van dit Verdrag;

    b) zaken die voortkomen uit de rapporten die ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden ingediend;

    c) internationale samenwerking en bijstand in overeenstemming met artikel 6 van dit Verdrag;

    d) de ontwikkeling van technologieën voor het ruimen van resten van clustermunitie;

    e) de door de Staten die Partij zijn ingediende verzoeken ingevolge de artikelen 8 en 10 van dit Verdrag; en

    f) verzoeken van de Staten die Partij zijn zoals voorzien in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag.

    2. De eerste Vergadering van Staten die Partij zijn wordt binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De volgende vergaderingen worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties jaarlijks bijeengeroepen, tot aan de eerste Toetsingsconferentie.

    3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd deze vergaderingen als waarnemers bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen Reglement van Orde.

    Artikel 12

    Toetsingsconferenties

    1. Vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Toetsingsconferentie bijeen. Volgende Toetsingsconferenties worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bijeengeroepen op verzoek daartoe door een of meer Staten die Partij zijn, met dien verstande dat het tijdvak tussen de toetsingsconferenties in geen geval korter mag zijn dan vijf jaar. Alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden uitgenodigd voor elke Toetsingsconferentie.

    2. Het doel van de Toetsingsconferentie is :

    a) het toetsen van het functioneren en de stand van dit Verdrag;

    b) het bespreken van de behoefte aan en het tijdvak tussen de in artikel 11, tweede lid, van dit Verdrag bedoelde volgende Vergaderingen van de Staten die Partij zijn; en

    c) het nemen van beslissingen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag bedoelde ingediende verzoeken door Staten die Partij zijn.

    3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Toetsingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen Reglement van Orde.

    Artikel 13

    Wijzigingen

    1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan iedere Staat die Partij is te allen tijde voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. Elk voorstel tot wijziging wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die het toezendt aan alle Staten die Partij zijn en die hun mening vraagt ten aanzien van de noodzaak een Wijzigingsconferentie bijeen te roepen teneinde het voorstel in behandeling te nemen. Indien een meerderheid van de Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties uiterlijk 90 dagen na de toezending van het voorstel meedeelt dat zij verdere behandeling steunt, roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Wijzigingsconferentie bijeen, waarvoor alle Staten die Partij zijn worden uitgenodigd.

    2. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Wijzigingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen Reglement van Orde.

    3. De Wijzigingsconferentie wordt gehouden onmiddellijk na een Vergadering van de Staten die Partij zijn of na een Toetsingsconferentie, tenzij een meerderheid van de Staten die Partij zijn verzoekt dat zij eerder wordt gehouden.

    4. Elke wijziging van dit Verdrag wordt aangenomen met een twee-derdemeerderheid van de op de Wijzigingsconferentie aanwezige en hun stem uitbrengende Staten die Partij zijn. De Depositaris doet van elke aldus aangenomen wijziging mededeling aan de Staten die Partij zijn.

    5. Een wijziging van dit Verdrag treedt ten aanzien van alle Staten die Partij zijn die deze wijziging hebben aanvaard in werking op de datum van nederlegging van de akte van aanvaarding door een meerderheid van de Staten die Partij zijn op de datum van aanneming van de wijziging. Vervolgens treedt zij ten aanzien van elke andere Staat die Partij is in werking op de datum van nederlegging van zijn akte van aanvaarding.

    Artikel 14

    Kosten en administratieve taken

    1. De kosten van de Vergaderingen van Staten die Partij zijn, de Toetsingsconferenties en de Wijzigingsconferenties worden gedragen door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en door de daaraan deelnemende Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.

    2. De door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ingevolge de artikelen 7 en 8 van dit Verdrag gemaakte kosten worden gedragen door de Staten die Partij zijn, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.

    3. Het uitvoeren door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de aan hem of haar ingevolge dit Verdrag toegewezen administratieve taken is onder voorbehoud van een passend mandaat van de Verenigde Naties.

    Artikel 15

    Ondertekening

    Dit Verdrag, gedaan te Dublin op 30 mei 2008, staat voor alle Staten op 3 december 2008 open ter ondertekening te Oslo en vervolgens op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York tot de inwerkingtreding ervan.

    Artikel 16

    Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding

    1. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Ondertekenaars.

    2. Dit Verdrag staat open voor toetreding door elke Staat die het Verdrag niet heeft ondertekend.

    3. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Depositaris.

    Artikel 17

    Inwerkingtreding

    1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand waarin de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.

    2. Voor elke Staat die zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt na de datum van de nederlegging van de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de zesde maand na de datum waarop die Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft nedergelegd.

    Artikel 18

    Voorlopige toepassing

    Elke Staat kan ten tijde van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat hij, hangende de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van die Staat, artikel 1 van dit Verdrag voorlopig toepast.

    Artikel 19

    Voorbehouden

    Er kunnen ten aanzien van de artikelen van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt.

    Artikel 20

    Duur en opzegging

    1. Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

    2. Elke Staat die Partij is heeft bij de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit het recht dit Verdrag op te zeggen. Hij geeft kennis van een dergelijke opzegging aan alle andere Staten die Partij zijn, de Depositaris en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze akte van opzegging dient een volledige uiteenzetting te bevatten van de redenen voor de opzegging.

    3. Een dergelijke opzegging wordt niet eerder van kracht dan zes maanden na de ontvangst van de akte van opzegging door de Depositaris. Indien evenwel na afloop van dat tijdvak van zes maanden de opzeggende Staat die Partij is betrokken is bij een gewapend conflict, wordt de opzegging niet van kracht voordat het gewapend conflict beëindigd is.

    Artikel 21

    Betrekkingen met Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag

    1. Elke Staat die Partij is moedigt Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag aan dit Verdrag te bekrachtigen, te aanvaarden, goed te keuren of ertoe toe te treden, met als doel de participatie van alle Staten bij dit Verdrag te verkrijgen.

    2. Elke Staat die Partij is stelt de regeringen van alle in het derde lid van dit artikel bedoelde Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag, bevordert de normen die erin zijn vastgelegd en spant zich tot het uiterste in Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag te weerhouden van het gebruik van clustermunitie.

    3. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag en in overeenstemming met het internationale recht, kunnen de Staten die Partij zijn hun militair personeel of hun onderdanen, op militair gebied samenwerken en militaire operaties uitvoeren met Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag die mogelijk deelnemen aan activiteiten die verboden zijn voor een Staat die Partij is.

    4. Niets in het derde lid van dit artikel geeft een Staat die Partij is het recht :

    a) clustermunitie te ontwikkelen, te produceren of anderszins te verwerven;

    b) zelf voorraden clustermunitie aan te leggen of clustermunitie over te dragen;

    c) zelf clustermunitie te gebruiken; of

    d) uitdrukkelijk om het gebruik van clustermunitie te verzoeken in gevallen waarin de keuze van de te gebruiken munitie uitsluitend bij hem ligt.

    Artikel 22

    Depositaris

    De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt hierbij aangewezen als Depositaris van dit Verdrag.

    Artikel 23

    Authentieke teksten

    De Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.


    VOORONTWERP VAN WET VOOR ADVIES VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE


    Voorontwerp van wet houdende instemming met het Verdrag inzake clustermunitie, gedaan te Dublin op 30 mei 2008

    Artikel 1

    Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

    Art. 2

    Het Verdrag inzake clustermunitie, gedaan te Dublin op 30 mei 2008, zal volkomen gevolg hebben.

    De Wijzigingen van het Verdrag, die overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag aangenomen zullen worden zonder dat België zich tegen hun aanneming verzet, zullen volkomen gevolg hebben.


    ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE Nr. 46.662/1 VAN 19 MEI 2009


    De Raad van State, afdeling Wetgeving, eerste kamer, op 12 mei 2009 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met het Verdrag inzake clustermunitie, gedaan te Dublin op 30 mei 2008 », heeft het volgende advies gegeven :

    Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten in voldaan.

    Dit onderzoek noopt slechts tot het maken van de volgende opmerking.

    Naar het zeggen van de gemachtigde is het niet de bedoeling om het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van het ontwerp te handhaven. Het betrokken lid dient derhalve te worden geschrapt.

    De kamer was samengesteld uit

    De heer M. Van Damme, kamervoorzitter,

    De heren J. Baert en W. Van Vaerenbergh, staatsraden,

    De heren M. Rigaux en M. Tison, assessoren van de afdeling Wetgeving,

    Mevrouw A. Beckers, griffier.

    Het verslag werd uitgebracht door de heer D. Van Eeckhoutte, adjunct-auditeur.

    De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer M. Van Damme.

    De griffier, De voorzitter,
    A. BECKERS. M. VAN DAMME.