4-1398/1

4-1398/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

9 JULI 2009


Wetsvoorstel tot regeling van het gebruik van politieke opiniepeilingen gedurende en buiten de kritieke periode van veertig dagen voor elke verkiezing

(Ingediend door de heer Philippe Mahoux)


TOELICHTING


Sinds enkele jaren zien we een belangrijke toename van het aantal politieke opiniepeilingen in de periode voor elke verkiezing. Die opiniepeilingen hebben geen enkele betekenis voor waarnemers van het politieke leven, ze kunnen hoogstens een momentopname zijn van een trend.

Voor het grote publiek, dat er zich niet altijd bewust van is dat dergelijke onderzoeken relatief en benaderend zijn, is de verleiding groot om ze als de exacte weergave van de werkelijkheid te beschouwen.

Om die klip te omzeilen beperkte de wet van 18 juli 1985 betreffende de bekendmaking van de opiniepeilingen en de toekenning van de titel « opiniepeilingsinstituut » het gebruik van politieke opiniepeilingen in verkiezingsperiodes.

Die wet bevatte in zijn artikel 5 het verbod politieke opiniepeilingen door welk middel ook bekend te maken, te verspreiden of toe te lichten vanaf de dertigste kalenderdag die voorafging aan de dag van de verkiezingen.

Die bepaling werd echter bij de wet van 21 juni 1991 opgeheven. Eens ze waren toegestaan, stegen de verkiezingspeilingen helaas meer in aantal dan in kwaliteit.

Met dit voorstel willen we gedeeltelijk terugkeren naar de vroegere toestand : het is immers de bedoeling politieke opiniepeilingen in de « kritieke periode » te verbieden. Als kritieke periode wordt de periode van veertig dagen beschouwd die voorafgaat aan alle verkiezingen, zowel de Europese als de federale verkiezingen, de gemeenschaps- en gewestverkiezingen en de gemeenteraadsverkiezingen.

Uit de jongste verkiezingen is enerzijds gebleken dat de verkiezingspeilingen niet betrouwbaar zijn en anderzijds dat de verspreiding van die peilingen kort voor de verkiezingen het resultaat ervan significant heeft beïnvloed.

Met dit initiatief willen we het nut van opiniepeilingen bij verkiezingen buiten die « kritieke periode » niet betwisten, maar wel de representativiteit ervan.

We vragen de opiniepeilers immers meer waarborgen inzake representativiteit en relativiteit. We stellen daarom twee belangrijke wijzigingen voor die buiten de « kritieke periode » moeten gelden.

Het doel van de eerste wijziging is het kwalitatieve aspect van de opiniepeilingen te verbeteren. Hoewel de peiling een kwantitatief meetinstrument is, dat dient om een maatschappelijk verschijnsel dat door eenvoudige waarneming niet toegankelijk is, correct weer te geven, gaat die neiging om de gehele werkelijkheid weer te geven ongelukkigerwijze gepaard met een omgekeerde neiging er inhoudelijk op achteruit te gaan.

Verkiezingspeilingen zijn heel bijzonder : ze hebben zowel belangstelling voor opinies als voor het kiesgedrag. Hoewel de peiling alleen de kiesintenties op een welbepaald tijdstip voor de verkiezingen meet, wordt ze systematisch als een voorspelling begrepen.

Een tweede essentiële bijzonderheid van de verkiezingspeiling is dat ze de weergave is van een verschijnsel dat zelf een statistisch rekenstelsel is. De relatieve nauwkeurigheid van de peiling blijkt uit het werkelijke resultaat van de verkiezingen. De verkiezingspeiling is overigens de enige opiniepeiling waarvan de geldigheid kan worden getest. De doelstelling van deze tekst is ervoor te zorgen dat de previsionele peiling zo dicht mogelijk aansluit bij het werkelijke resultaat van de verkiezingen waarvan die peiling een prognose moet geven.

Verkiezingspeilingen maken gebruik van kansrekening. Ze worden berekend met de Gauss-curve. Bij dergelijke peilingen hangt de foutenmarge van een onderzoek vooral af van het aantal ondervraagde personen. Bij een betrouwbaarheidsniveau van 95 % bedraagt ze bijvoorbeeld maximaal plus of min 3,2 % per 1 000 gepeilden.

Concreet betekent dit dat wanneer 50 % van een steekproef van 1 000 personen A heeft geantwoord op een vraag, er 95 kansen op 100 zijn dat ditzelfde antwoord A in de hele populatie door een percentage tussen 46,8 % en 53,2 % werkelijk wordt gegeven. Het meest waarschijnlijke is echter dat dit antwoord heel dicht bij 50 % ligt.

De foutenmarge neemt ten slotte niet verhoudingsgewijs af met het aantal ondervraagde personen : voor een steekproef van 500 bedraagt ze maximum plus of min 4,5 %, 3,2 % voor 1 000, 2,2 % voor 2 000, 1,6 % voor 4 000, maar nog steeds 1 % voor 10 000.

Naar aanleiding van de verkiezingen van 8 oktober 2006 werden heel wat peilingen gedaan in de periode voor de verkiezingen (3 maanden), om een beeld te krijgen van de grote stromingen in het kiezerskorps en van het gewicht van de plaatselijke kandidaten. Men stelt vast dat in al die peilingen, op basis van een betrouwbaarheidsniveau van 95 %, de foutenmarge hoger was dan 3 % en tot 6 % kon bedragen.

De dag na de verkiezingen gingen heel wat stemmen op om het verbod op peilingen voor de verkiezingen opnieuw in te stellen, omdat de peilingen weinig betrouwbaar zijn, dus een invloed kunnen hebben op de verkiezingsresultaten en omdat ze door hun hoge aantal niet controleerbaar zijn.

Het is niet de bedoeling met dit voorstel een totaalverbod op te leggen voor politieke opiniepeilingen buiten de « kritieke periode ». Peilingen kunnen immers nuttig zijn omdat ze een significante toelichting kunnen zijn van de keuze van de kiezer, zonder erop vooruit te lopen. Daarom moeten kwaliteitseisen worden gesteld voor die peilingen.

Om aan die kwaliteitsvereiste te voldoen, stelt onderhavige tekst voor om buiten de « kritieke periode » slechts verkiezingspeilingen toe te staan met een foutenmarge van minder dan 2 %.

Het doel van de tweede wijziging is het publiek ervan te informeren dat verkiezingspeilingen louter indicatief zijn en geen voorspellingen. Hiertoe wordt voorgesteld dat elke peiling welke in die periode wordt gehouden, gepaard gaat met de volgende mededeling : « Peilingen maken geen opinie, ze brengen ze aan het licht ! ».

Tot slot bevat de tekst een strafbepaling, die de overtreders een geldboete oplegt en een verbod om nog politieke opiniepeilingen te verrichten.

Philippe MAHOUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Het is verboden een politieke opiniepeiling, door welk middel ook, uit te voeren, bekend te maken, te verspreiden of toe te lichten in de kritieke periode van veertig dagen voorafgaand aan de dag van een Europese verkiezing, een federale verkiezing, een gemeenschaps- of gewestverkiezing of een gemeenteraadsverkiezing.

Art. 3

Buiten die kritieke periode is het toegestaan politieke opiniepeilingen, door welk middel ook, uit te voeren, bekend te maken, te verspreiden of toe te lichten op voorwaarde dat de foutenmarge lager is dan 2 % bij een betrouwbaarheidsniveau van 95 %.

Art. 4

De opiniepeilingen die overeenkomstig artikel 3 worden uitgevoerd, moeten vergezeld gaan van de volgende mededeling : « Peilingen maken geen opinie, ze brengen ze aan het licht ! ».

Art. 5

Elke overtreding van de bepalingen van bovenstaande artikelen wordt bestraft met een geldboete van 1 000 euro tot 13 000 euro en met het verbod op het uitvoeren van politieke opiniepeilingen in België voor een periode van dertien maanden tot drie jaar.

Art. 6

Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

8 juni 2009.

Philippe MAHOUX.