4-887/5

4-887/5

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

7 MEI 2009


Voorstel van resolutie met betrekking tot de problematiek van de huishoudelijke economie


TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN


De Senaat,

A. Gezien de resolutie van het Europees Parlement inzake huishoudelijk werk in de informele economie van 30 november 2000 (A5-0301/2000);

B. Gezien de Conventie C177 van de IAO over huishoudelijk werk;

C. Gezien de definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie die het werk van « huishoudelijke hulpen en schoonmakers » als volgt definieert : « zij vegen, stofzuigen, wassen en wrijven de vloer, zorgen voor de was, doen inkopen en schaffen voor het huishouden noodzakelijke producten aan, bereiden het eten, dienen de maaltijden op en verrichten allerlei huishoudelijke functies »;

D. Overwegende dat het begrip « huishoudelijk werk » niet duidelijk omschreven is;

E. Overwegende dat er weinig correct en volledig cijfermateriaal over de huishoudelijke economie bestaat en het aandeel van zwartwerk erin;

F. Overwegende dat huishoudelijk werk zich gemakkelijk leent voor flexibele, verbrokkelde werktijden voor verscheidene werkgevers tegen een minimumloon, meestal zwartwerk; dit huishoudelijk werk wordt overwegend door vrouwen uitgevoerd;

G. Overwegende dat de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt nog steeds toeneemt en dat bijgevolg verwacht wordt dat de vraag naar hulp voor huishoudelijk werk nog zal stijgen;

H. Overwegende dat ondanks een stijging van de participatie van de man de huishoudelijke taken voornamelijk een werk van vrouwen blijft;

I. Gelet op de negatieve gevolgen van zwartwerk voor zowel werknemers als voor de overheid;

J. Overwegende het succes van initiatieven zoals de PWA-cheque en het dienstenchequestelsel die in een belangrijke mate bijdragen tot de achteruitgang van het zwartwerk in de sector;

K. Overwegende dat er tot mei 2009 een verlenging van de overgangsperiode met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers loopt, en gelet op het feit dat huishoudelijke economie niet erkend is als knelpuntberoep, kunnen burgers van acht lidstaten van de Europese Unie die op 1 mei 2004 zijn toegetreden niet aan de slag in België met de vereiste arbeidsvergunning in het kader van de dienstencheques,

Verzoekt de federale regering om, in samenspraak met de deelstaten :

1. statistieken over het verschijnsel van huishoudelijke economie te verzamelen en verder onderzoek naar het onderwerp te verrichten;

2. een diepgaand onderzoek in te stellen naar de zwarte huishoudelijke arbeid, inclusief gegevens over het aantal inwoners van enkele nieuwe Europese lidstaten actief in deze sector, alsook naar de kosten en gevolgen voor de inkomsten van de Staat, de arbeidsmarkt en de particulieren;

3. een definitie van huishoudelijk werk uit te werken;

4. een duidelijk en volledig beeld over de kostprijs van dienstencheques te krijgen. Daarom moet werk gemaakt worden van een verfijning van de berekening van de terugverdieneffecten, waarbij ook rekening wordt gehouden met criteria als de vermindering van de uitkeringen en meerontvangsten in de personenbelasting als gevolg van indirecte jobcreatie en met de meeropbrengsten in de vennootschapsbelasting als gevolg van investeringen van dienstenchequeondernemingen;

5. huishoudelijk werk te erkennen als een volwaardig beroep en een omvattend statuut hiervoor uit te werken;

6. de sociale gesprekspartners uit de sector hierbij te betrekken, en de sociale partners op te roepen de nodige aandacht aan de problematiek van de huishoudelijke arbeid te besteden;

7. de sociale partners uit de sector hierbij te betrekken;

8. het ondernemerschap van vrouwen te ondersteunen in het verlenen van diensten aan gezinnen, waaronder de dienstenchequeondernemingen, evenals de instroom van mannelijke werknemers in het stelsel van dienstencheques te bevorderen;

9. de bestaande opleidingsmogelijkheden voor de huishoudelijke arbeidsters te evalueren en waar nodig bij te sturen en uit te breiden;

10. in overleg met de sociale partners dienstenchequeondernemingen aan te moedigen jobkansen te creëren voor kansarme groepen, inititatieven te nemen voor de competentieontwikkeling van hun medewerkers en te investeren in vorming en opleiding van hun personeel. Tevens wordt de regering gevraagd via controles en jaarlijkse evaluaties toe te zien op de naleving van de politieke intenties.