4-1329/1 | 4-1329/1 |
14 MEI 2009
Inleiding
Dit voorstel van resolutie is het uitvloeisel van een reeks hoorzittingen die gehouden werden in de bijzondere commissie « globalisering » van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Die hoorzittingen hadden onder meer tot doel de parlementaire controle op de internationale instellingen te versterken (1) en impulsen te geven voor een globalisering die gelijkheid nastreeft en meer afgestemd is op de sociale noden en het milieu.
Uit de hoorzittingen is aldus gebleken dat globalisering onvoldoende rekening houdt met de sociale rechten van de werknemers en de gevolgen voor het milieu.
Globalisering mag dan wel nieuwe kansen bieden, ze creëert ook ongelijkheden. Het helse tempo waarmee deze nieuwe kansen zich aandienen en het feit dat ze ook bedreigingen vormen voor de meest kwetsbaren, maakt dat er duidelijk nood is aan een nieuw mondiaal model, ook op gebied van sociale rechtvaardigheid en milieubescherming. Globalisering volgt immers een eigen logica en heeft juist daarom nood aan een globaal controlesysteem dat nationale grenzen kan overschrijden.
We stellen immers vast dat ondanks de wereldwijde economische ontwikkeling er tegelijkertijd diepgewortelde en hardnekkige onevenwichtigheden blijven bestaan welke ethisch onaanvaardbaar en politiek onhoudbaar zijn en die op globaal niveau moeten worden aangepakt.
In onze geglobaliseerde wereld functioneert het economische stelsel te vaak op zichzelf, te los van de sociaal-politieke systemen. Bijgevolg moet men vandaag op zoek gaan naar een manier om die economie beter te sturen en haar om te vormen tot een duurzame economie, met respect voor de sociale normen en de mensenrechten. Deze economie mag evenmin de armoede vergroten of de biodiversiteit negatief beïnvloeden. Hoewel dit vraagstuk een wereldwijde aanpak vergt, ontslaat het de Belgische en de andere regeringen in Europa niet van hun plicht een economisch systeem te helpen uittekenen dat afgestemd is op de uitdagingen op ecologisch, sociaal, voedsel en financieel vlak. De regeringen moeten opnieuw een sterkere regulerende rol spelen en ruimere bevoegdheden krijgen om te investeren in infrastructuur, gezondheidszorg en onderwijs, alsook in een billijkere herverdeling van de welvaart.
Waardig werk
Globalisering betekent economische groei, en voor velen is dit nog steeds een basisvoorwaarde voor het scheppen van banen. Toch houdt die groei niet noodzakelijk in dat er nieuwe arbeidsplaatsen komen of dat de bestaande jobs beter worden en meer mensen inkomsten uit arbeid kunnen genieten. Zo stellen we vast dat de globalisering de inkomensongelijkheid eerder doet toenemen dan verkleinen. Ondanks de tot voor kort gestadige groei van de wereldeconomie verdient de helft van de werknemers in de wereld nog steeds minder dan 2 dollar per dag; ongeveer 200 miljoen kinderen jonger dan 15 jaar worden dagelijks ingeschakeld als voltijds werknemer in het economische proces in plaats van naar school te gaan. Daarnaast sterven jaarlijks nog eens circa 2,2 miljoen mensen ten gevolge van arbeidsongevallen en beroepsziekten. Ten slotte hebben veel ontwikkelingslanden een economie waarin de informele sector en goedkope arbeidsplaatsen een cruciale rol spelen, maar waar sociale bescherming nog steeds zeer beperkt of zelfs onbestaande is.
Werk is een fundamenteel middel in de strijd tegen armoede, op voorwaarde dat het gaat om waardig werk. Hiermee bedoelen we een vrij gekozen werk dat de persoon waardigheid en zelfontwikkeling schenkt door een volwaardig inkomen te garanderen, door sociale bescherming te bieden, door de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen, en door het respect voor de fundamentele arbeidsrechten — zoals het recht op organisatie en collectieve arbeidsonderhandelingen — te versterken. Waardig werk en waardig inkomen mogen niet beperkt blijven tot de loontrekkenden. Deze principes moeten immers ook gelden voor de kleine landbouwers, de migranten, de kleine ondernemers en de vele vrouwen en kinderen in het Zuiden die werkzaam zijn in de informele sector. Dat betekent dus dat de Conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), in het bijzonder de fundamentele normen alsook de mensenrechten, strikt moeten worden gerespecteerd op elk niveau.
Het milieu
Nu als gevolg van de globalisering de kloof tussen de rijke en de arme landen toeneemt en ook de verschillen binnen de samenlevingen groter worden, gaat ook het milieu er almaar op achteruit. Lucht- en bodemverontreiniging, verlies van biodiversiteit, uitputting van natuurlijke rijkdommen en klimaatverandering zijn stuk voor stuk het gevolg van een beleid dat duurzaam noch rechtvaardig is. De handel in natuurlijke rijkdommen en de deregulering van de markt versterken de effecten van die verschijnselen nog. Binnen de Wereldhandelsorganisatie zou dan ook niet langer onderhandeld mogen worden over natuurlijke rijkdommen en openbare nutsvoorzieningen (zoals de drinkwatervoorziening). Tegelijkertijd zullen bestaande internationale spanningen — die verband houden met de toegang tot de natuurlijke rijkdommen — niet op de spits worden gedreven, indien duurzame milieunormen in acht worden genomen.
Voorrang van de economische belangen
Globalisering wordt vaak verengd tot economische ontwikkeling en het sluiten van handelsakkoorden.
Tijdens de hoorzittingen hebben sommigen erop gewezen dat de Europese Unie, in de bilaterale of multilaterale akkoorden die zij sluit, hoe langer hoe meer de nadruk legt op de vrije mededinging, de toegang tot markten en de ontginning van natuurlijke rijkdommen, en weinig of geen aandacht heeft voor de mate waarin een akkoord strookt met duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding en de eerbiediging van sociale normen. De bevolking is almaar ongeruster en kritischer over de afkalving van de sociale en milieunormen, de achteruitgang van de productkwaliteit en de verminderde beschikbaarheid van de natuurlijke rijkdommen. Het handels- en het investeringsbeleid van een land zou dan dan ook veel meer moeten beantwoorden aan alle sociale normen en milieuwetten; deze zouden afdwingbaar moeten worden gemaakt voor alle internationale bedrijven en hun dochterondernemingen.
Over de eerbiediging van die normen is echter niet iedereen het roerend eens. Verschillende ontwikkelingslanden aanvaarden het bijvoorbeeld niet dat het Noorden, onder andere de Europese Unie, dergelijke normen heeft willen opleggen bij de onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WHO). Zolang de Europese Unie niet bereid is zich minder agressief en meer rechtvaardig op te stellen bij de onderhandeling over de vrijhandelsakkoorden, zal het nog lang duren vooraleer dergelijke normen in deze akkoorden een plaats zullen krijgen.
Naast de integratie van deze normen, is ook de eerbiediging van de mensenrechten een essentieel aspect dat al te vaak wordt veronachtzaamd. Die clausules zouden evenwel in de eerste plaats door de Europese Unie zelf moeten worden nageleefd en aan de Europese economische actoren worden opgelegd. Voorlopig komt daar echter weinig van in huis; op overtredingen staan niet eens straffen. De overeenkomsten inzake de rechten van de mens, het milieu en de sociale rechten, waaronder het recht op werk, zouden dan ook zwaarder moeten doorwegen bij het sluiten van bilaterale en multilaterale handels- en investeringsakkoorden.
Globalisering die rekening houdt met de effecten op menselijk vlak, op de sociale omstandigheden en op het milieu, is alleen mogelijk als er wereldwijde solidariteit en samenwerking is. Aangelegenheden zoals het recht op waardig werk, sociale bescherming, vrijheid van vereniging, vakbondsrechten en milieubescherming vergen een wereldwijde en multilaterale oplossing. Een oplossing die de landen en hun regeringen tegelijkertijd echter geenszins ontslaat van hun verplichting tot verantwoordelijkheid. In dat opzicht komen door de globalisering ook de meeste van de voor 2015 vastgelegde Millenniumdoelstellingen in het gedrang. In het raam van het Millenniumproject werden een aantal doelen vastgelegd, in een bepaalde orde van belangrijkheid. Andere essentiële knelpunten maakten tot voor kort evenwel geen deel uit van de Millenniumdoelstellingen. Zo was het recht op fatsoenlijk werk een van de schakels die ontbraken om ten volle bij te dragen tot de verzelfstandiging en de ontwikkeling van de bevolkingsgroepen aan wie de ontwikkelingssamenwerking ten goede moet komen. In 2005 werd het dan ook in de doelstellingen opgenomen (2) .
In elk geval is het vandaag de bedoeling om aan de doelstelling van waardig werk een belangrijke plaats toe te kennen. Gezien de aard van het doel, moeten we er vooral over waken dat er werkelijke evaluaties en rapporteringen plaatsvinden, zowel op internationaal, Europees en Belgisch niveau.
| Sabine de BETHUNE Els SCHELFHOUT. |
De Senaat,
A. gelet op de heersende energie-, financiële en voedselscrisis;
B. gelet op de resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2007 over handel en klimaatverandering;
C. gelet op de resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2007 over maatschappelijk verantwoord ondernemen : een nieuw partnerschap;
D. overwegende dat de Kamer aan de regering in een vorige motie (DOC 50 2330/004) vroeg jaarlijks in de Kamer verslag uit te brengen over de terzake bereikte resultaten;
E. gelet op de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor multinationale ondernemingen, die zowel betrekking hebben op het milieu, arbeidsnormen, wetenschap en technologie, als op de bestrijding van corruptie en transparantie, welke door de bij de OESO aangesloten en niet-aangesloten landen aanbevolen worden aan hun multinationals en andere ondernemingen die in het buitenland werkzaam zijn;
F. gelet op de internationale arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de rol van die organisatie binnen het multilaterale systeem;
G. gelet op de verdragen van de Verenigde Naties (VN) in verband met de bescherming van het milieu en de sociale rechten, waaronder het Internationaal Verdrag over de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinnen;
H. gelet op de internationale milieuverdragen;
I. gelet op het Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;
J. gelet op de in 2000 op de Millenniumtop aangenomen Millenniumdoelstellingen inzake ontwikkeling en de toevoeging van arbeid als een van de prioritaire doelen in de eerste Millenniumdoelstelling (MDG 1);
K. overwegende dat de regeringen van de landen uit het Zuiden vaak onder druk worden gezet om buitenlandse investeringen aan te trekken en bijgevolg de neiging hebben zoveel mogelijk restricties te voorkomen, ongeacht of deze van sociale, milieu- of fiscale aard zijn;
L. overwegende dat de globalisering van de sociale normen, waaronder waardig werk en de milieunormen, een voorafgaande voorwaarde zijn voor een rechtvaardige en duurzame globalisering;
M. de rol erkennend die de sociale gesprekspartners uit het Zuiden bij de internationale instellingen spelen om verdere stappen mogelijk te maken in de strijd voor de sociale rechten;
N. zich bewust van het feit dat het toegenomen vrij verkeer het niet mogelijk maakt problemen zoals de voedselcrisis te regelen, en dat bijgevolg de lokale markten en productie zich moeten kunnen ontwikkelen, zodat de voedselsoevereiniteit van elk land wordt gegarandeerd;
O. erkennend dat een algemene en samenhangende naleving van de sociale en de milieunormen — zowel op lokaal als op internationaal vlak — de voorwaarde vormt voor een rechtvaardige en billijke mondialisering,
Vraagt de federale regering :
1. sociale normen in het algemeen, en waardig werk in het bijzonder, een centrale plaats te geven binnen het Belgisch buitenlands beleid en deze problematiek te blijven aankaarten op het niveau van de Europese Unie, de Verenigde Naties, de Wereldhandelsorganisatie (WHO), het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB), alsook bij het sluiten van bilaterale en multilaterale akkoorden, om zo te komen tot een coherent beleid op internationaal vlak;
2. waardig werk ook een plaats te geven binnen het Belgische ontwikkelingsbeleid, niet alleen door te blijven streven naar het internationale engagement om 0,7 % van het BNP te besteden aan ontwikkelingshulp, maar hieraan ook de basisdoelstelling te koppelen om waardig werk te realiseren voor iedereen;
3. binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking daarom bijzondere aandacht te besteden aan fundamentele arbeidsrechten en dit in samenspraak met de partnerlanden. België moet deze landen aanmoedigen om de fundamentele arbeidsnormen in te passen in hun wetgeving en hen de nodige steun te bieden om deze normen toe te passen en af te dwingen, zowel binnen de overheid als de privésector;
4. op het internationale toneel de naleving te blijven eisen van de internationale arbeidsnormen, waaronder de vakbondsvrijheid en het verbod op kinderarbeid, alsook de ratificering van alle IAO-verdragen;
5. er in het raam van duurzaam internationaal ondernemen op toe te zien dat bedrijven in al hun betrekkingen met werknemers, afnemers, leveranciers en andere partners oog hebben voor het evenwicht tussen economische prestaties, enerzijds, en de sociale en ecologische effecten ervan anderzijds;
6. de OESO-richtlijnen bindend te laten verklaren zowel voor de Europese partners en de partnerlanden in het Zuiden als voor de nationale en internationale bedrijven. Ons land heeft immers de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen onderschreven en heeft zich derhalve ertoe verbonden die ondernemingen ertoe aan te zetten hun activiteiten op een maatschappelijk verantwoorde manier vorm te geven en toe te zien op de toepassing ervan. De uitvoering van deze richtlijnen moet meer aandacht krijgen van het Parlement;
7. binnen ditzelfde kader het Nationaal Contactpunt (NCP) beter te benutten, dat onder meer alle mogelijke vragen behandelt betreffende mogelijke niet-naleving van de richtlijnen door de ondernemingen;
8. de Nationale Delcrederedienst en FINEXPO te verplichten in de hun voorgelegde dossiers rekening te houden met de naleving van de ethische en sociale criteria en met de bereidheid van de onderneming om inzake duurzame ontwikkeling en de mensenrechten een verantwoordelijke houding aan te nemen. De Raad van de Nationale Delcrederedienst en het Comité van Finexpo zouden bijvoorbeeld de ondernemingen waaraan ze een waarborg verlenen, een monitorings- en rapporteringsplicht kunnen opleggen;
9. in dezelfde zin, de milieuvraagstukken een wezenlijk onderdeel te maken van het Belgisch, Europees en internationaal beleid (WHO, IMF, Wereldbank, VN, enz.) zodat ze een transversale dimensie van dit beleid worden, onder meer bij het onderhandelen over of het sluiten van bilaterale of multilaterale investerings- of handelsakkoorden;
10. er aan de hand van een systematische beleidsevaluatie voor te zorgen dat zowel in het Belgische binnenlandse, buitenlandse en ontwikkelingsbeleid de economische, sociale en milieubeleidslijnen beter aansluiten op elkaar, alsmede op de internationale overeenkomsten die ons land binden en te zorgen voor meer samenhang tussen het Belgische, Europese en internationale beleid;
11. niet langer te aanvaarden dat fundamentele arbeids- en milieunormen wel aan bod komen in de sociale agenda, maar van ondergeschikt belang blijven in het handelsbeleid van de Europese Unie. België moet ernaar streven dat deze normen een dwingend onderdeel worden van het economische beleid op alle beleidsniveaus door schendingen strafbaar te stellen;
12. de Europese partners ervan te overtuigen dat de Europese Unie bij iedere fase van de onderhandelingen over handels- en investeringsverdragen een effectieve naleving van de fundamentele arbeids- en milieunormen moeten bewerkstelligen, ex ante impactevaluatie te voeren tijdens en na de onderhandelingen en alle partners (zoals vakbonden en ngo's) bij de onderhandelingen te betrekken;
13. ervoor te zorgen dat in het kader van het toezicht op de onderhandelingen en de handelsovereenkomsten, de prerogatieven van de democratische instanties — waaronder het Belgisch federaal Parlement en het Europees Parlement — ten volle worden geëerbiedigd. Op grond hiervan moet men ervoor zorgen dat die onderhandelingen en overeenkomsten transparant zijn en moet men in overleg treden met alle actoren (waaronder de vakbonden en ontwikkelings-ngo's);
14. op Europees niveau samenhang tussen de interne en de externe normen van de Europese Unie te bevorderen om sociale of milieudumping te voorkomen. Tegelijkertijd moet men derde landen ondersteunen om hun normen aan te scherpen;
15. van de Europese Unie, van de Europese ondernemingen en hun dochterondernemingen, van de distributiemaatschappijen en de onderaannemers, als absolute voorwaarde voor het sluiten van een overeenkomst te eisen dat ze :
— de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (waarvan de toepassing dwingend moet worden alsmede de Tripartite Beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de IAO) in acht nemen;
— de internationale arbeidsnormen, in het bijzonder de fundamentele arbeidsnormen, naleven;
— de sociale- en milieunormen naleven;
— de rechten van de mens eerbiedigen, waaronder de vrijheid van vereniging, de gendergelijkheid en de non-discriminatie, onder meer die welke aan het geslacht gerelateerd is;
16. van de in deze resolutie vervatte actiepunten een van de hoofdprioriteiten van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie tijdens de tweede helft van 2010 te maken en ze te integreren in de hernieuwde strategie van Lissabon;
17. de naleving en de toepassing van fundamentele arbeidsnormen te versterken door het bestaande klachtenmechanismen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) bindende uitspraken te laten doen en het de mogelijkheid te geven om sancties op te leggen ingeval van schendingen;
18. erop toe te zien dat deze arbeidsnormen gelden voor alle werkende mensen — en dus ook van toepassing zijn op zij die in de informele economie werken of huisarbeid verrichten, alsook op arbeidsmigranten — en dit zowel in het Noorden als in het Zuiden;
19. niet langer te aanvaarden dat sociale normen, milieubescherming en mensenrechten ondergeschikt worden gemaakt aan economisch beleid, handelsverdragen en internationale akkoorden en dit door daadwerkelijke en dwingende bevoegdheden te verlenen aan de instellingen die er in principe mee belast zijn, zoals de IAO, UNCTAD, het UNEP en het UNDP;
20. waardig werk ten volle te integreren in de Milleniumdoelstellingen (MODs) en de analyse van de vooruitgang inzake waardig werk op te nemen in de jaarverslagen;
21. in afwachting van een bindende regelgeving, bedrijven er toe aan te zetten zich te houden aan « The Global Compact » van de Verenigde Naties. Het gaat hier om het onderschrijven en het in acht nemen van Tien Principes bij elke bedrijfsactiviteit. Deze principes slaan op mensenrechten, werkvoorwaarden, het milieu en anticorruptie;
22. de VN-Conventie ter bescherming van migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren en de partnerlanden ertoe aan te zetten dat ook te doen, teneinde alle rechten van deze personen in één tekst bijeen te brengen;
23. de organisaties die opkomen voor de eerbiediging van de sociale rechten en die ijveren voor een fatsoenlijk loon en een eigen sociale bescherming, een helpende hand te reiken via logistieke en financiële steun;
24. ervoor te zorgen dat er bindende regels komen voor nationale en multinationale ondernemingen inzake mensenrechten, arbeidsnormen, milieuregels en anticorruptie. Bij niet-naleving van deze regels willen we dat deze ondernemingen rechtstreeks aansprakelijk kunnen worden gesteld en dat er sanctiemechanismen worden ontwikkeld.
Dit kan door :
— een geschillenbeslechtingsmechanisme op te richten dat op gang wordt gebracht bij niet-naleving van sociale normen en/of milieunormen. Men zou de slachtoffers de mogelijkheid kunnen bieden een vordering in te stellen bij een ad-hocrechtbank of een arbitragecollege, waarvan de bemiddelingsopdracht de verstrekking van bindende adviezen kan omvatten;
— daartoe de oprichting te overwegen van een Internationaal Milieutribunaal, dat bevoegd zou zijn voor de gevallen van niet-naleving van de milieunormen;
— de controle op de naleving van de sociale en de milieunormen aan te scherpen door het versterken van de IAO binnen de Verenigde naties en door de oprichting van een « Wereldmilieuorganisatie » en door het inzetten van waarnemers, zoals de vakbonden, de ngo's enzovoort;
— de nodige middelen vrij te maken om de controle op de naleving van de arbeidswetgeving, de sociale normen en de milieunormen te verbeteren, alsook om de rol van de internationale arbeidsorganisaties in de vorming en de begeleiding van de overheidsambtenaren van de sociale inspectie te versterken;
25. ervoor te pleiten dat multinationale ondernemingen, er in het kader van hun activiteiten in het buitenland worden toe verplicht om — naast de jaarlijkse financiële rapportering over de bedrijfsresultaten — ook te rapporteren over de milieu- en sociale effecten van hun activiteiten;
26. de veralgemening van de eerlijke handelspraktijken te promoten en te helpen bevorderen, waarbij voorrang moet worden gegeven aan de ontwikkeling van de lokale productiecapaciteit, met name door vrouwen en jongeren, alsook te eisen dat de eindprijs van elk product en van elke dienst de « reële » prijs weerspiegelt, dat wil zeggen een prijs die rekening houdt met de échte kostprijs (van fabricage tot levering) en de ecologische kostprijs;
27. te eisen dat de grondstoffen en de openbare diensten uit de binnen de WHO gevoerde onderhandelingen worden gelicht;
28. wat het internationale financiële systeem betreft, moet België samen met de Europese partners streven naar een grondige hervorming en een vernieuwd institutioneel kader door :
— actief samen te werken aan een harmonisering van de Europese fiscale en sociale voorschriften, waarbij arbeidsvriendelijkheid en fatsoenlijke lonen centraal moeten staan, alsook ervoor te ijveren dat een dergelijke harmonisering ook in de andere wereldregio's plaatsvindt;
— de invoering van een heffing op de internationale financiële transacties te bepleiten;
— te ijveren voor de ontmanteling van de belastingparadijzen en concrete maatregelen voor te stellen op grond van de in het parlement gehouden hoorzittingen;
— actief te ijveren voor een wijziging van het Europese investeringsraamwerk, teneinde de rechten en de plichten van de investeerders en de landen waar wordt geïnvesteerd in balans te brengen;
— een eerlijke verdeling van de inkomsten uit arbeid en uit kapitaal te bewerkstelligen.
4 maart 2009.
| Sabine de BETHUNE Els SCHELFHOUT. |
(1) Stuk Kamer, nr. 50-2330/004.
(2) Doel IB van de MDG 1.