4-533/5

4-533/5

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

21 APRIL 2009


Voorstel van resolutie ter bestrijding van vrouwelijke genitale verminking


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW SCHELFHOUT


Dit voorstel van resolutie werd ingediend in de Senaat op 29 januari 2008. De commissie heeft het voorstel besproken tijdens haar vergadering van 19 februari 2008 en toen beslist om het advies van het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen in te winnen. Het Adviescomité heeft verslag uitgebracht op 18 juli 2008. De commissie heeft op 21 april 2009 de bespreking van het voorstel van resolutie verder gezet.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR MEVROUW ZRIHEN, HOOFDINDIENSTER VAN HET VOORSTEL VAN RESOLUTIE

De Wereldgezondheidsorganisatie heeft zich het probleem van de vrouwelijke genitale verminking (VGV) aangetrokken, een zware bedreiging voor het welzijn van de vrouw en wel op verscheidene niveaus.

VGV veroorzaakt niet alleen lichamelijke problemen, maar tast ook de psychische gezondheid aan. De praktijk is wijdverbreid over het Afrikaanse continent, zonder aan een specifieke religie gerelateerd te zijn, en treft meer dan 135 miljoen vrouwen en meisjes in de wereld. Elk jaar komen er 3 miljoen nieuwe gevallen bij.

VGV vindt ook plaats in Europa. Dit is een uiterst zorgwekkende vaststelling, want in de hele Europese Unie is de lichamelijke en geestelijke integriteit van de mens een grondwettelijk recht. De lichamelijke en geestelijke integriteit van de vrouwen, 52 % van de mensheid, moet geëerbiedigd worden.

Het aantal gevallen van vrouwelijke genitale verminking in ons land is moeilijk vast te stellen. Het totale aantal buitenlandse vrouwen afkomstig uit Afrikaanse landen met VGV-risico, bedraagt 12 415. Een totaal van 534 meisjes zijn afkomstig uit Afrikaanse landen waar VGV plaatsvindt en behoren tot de leeftijdscategorie waarvoor het risico op VGV bestaat (van 0 tot 14 jaar). Het aantal meisjes dat jaarlijks in een risicogezin geboren wordt, dat wil zeggen in een gezin afkomstig uit een land waar besnijdenis wordt toegepast, wordt op 200 geraamd.

Bepaalde landen, zoals bijvoorbeeld Egypte, geloven boven alle kritiek te staan omdat ze VGV toepassen in ziekenhuizen, wat evengoed verwerpelijk en onaanvaardbaar is. Verenigingen zoals GAMS-België klagen de medicalisering van de verminkingspraktijken aan, omdat ze hierdoor een officieel aanschijn krijgen. De medicalisering dreigt met andere woorden de praktijk te legitimeren en is een geducht middel om de instandhouding ervan te verzekeren.

Dit voorstel van resolutie strekt om het voorstel van resolutie betreffende seksuele verminking van 4 maart 2004 (stuk Senaat nr. 3-523/2) aan te vullen en sluit aan bij het Nationaal Plan ter bestrijding van VGV. Om effect te sorteren, moeten er in overleg met de deelgebieden juridische instrumenten worden ingezet om de actoren die bij de problematiek betrokken zijn bewust te maken van het probleem. Bovendien moeten de medische kosten worden gedragen.

II. ALGEMENE BESPREKING

De heer Destexhe vraagt zich af wat de toegevoegde waarde van dit voorstel van resolutie is. Men moet de regering vragen de omvang van het verschijnsel VGV te onderzoeken.

Mevrouw Temmerman antwoordt dat men niet over statische gegevens inzake VGV beschikt.

De heer Destexhe meent dat de regering alle Belgische gynaecologen moet ondervragen om statistische gegevens over VGV te verkrijgen.

De heer Wille stipt aan dat vrouwen in de betrokken landen vragende partij zijn voor een operatie van besnijdenis. Is het derhalve aangewezen om het statuut van vluchteling aan deze vrouwen toe te kennen om deze reden ? In punt 6 van het voorstel van resolutie moet verduidelijkt worden aan welke voorwaarden vrouwen, slachtoffer van VGV, moeten voldoen om de status van vluchteling te krijgen in ons land.

De heer Destexhe meent dat het aangewezen is de verklaringen te controleren van personen die zeggen het slachtoffer te zijn van seksuele verminking om het vluchtelingenstatuut te krijgen.

De heer Dubié wijst erop dat men tegenover vrouwen die het slachtoffer zijn van VGV coherent moet zijn en hun het vluchtelingenstatuut moet toekennen.

De heer Wille had graag de problematiek van de VGV in verband gebracht met de seksuele reproductieve rechten en de strijd tegen HIV-AIDS.

Verder merkt de heer Wille op dat in de Nederlandse tekst van het tweede gedachtestreeptje van punt 1 er wordt verwezen naar de notie van extra-territorialiteit, wat niet in overeenstemming is met de wet.

In het derde gedachtestreepje van punt 2 is er sprake van een medisch onderzoek naar de fysieke ongeschondenheid van jongens en meisjes. Mag het onderzoek bij jongens en meisjes wel worden gelijkgesteld ?

In punt 4 is er sprake van medische kosten die de Belgische Staat ten laste zou nemen. Hier moet de notie van noodzakelijkheid worden toegevoegd om misbruik te voorkomen.

Spreker vindt het niet opportuun om in het derde gedachtestreepje van punt 5 te verwijzen naar de statistieken van VGV in sommige landen.

Volgens mevrouw Temmerman zijn er vier typen van seksuele verminking van vrouwen, zoals beschreven in het voorstel van resolutie (stuk Senaat, nr. 4-533/1, blz. 1). Het derde type, waarbij de uitwendige genitaliën gedeeltelijk of geheel worden weggenomen, komt zeer veel voor en heeft verregaande gevolgen voor de seksuele gezondheid.

VGV behoort, net als eremoorden, uithuwelijken en de problematiek van herstel van maagdenvlies, tot de categorie van Harmful Traditional Practices and Inequalities of genderbased Violence. Spreekster verwijst hierbij naar de strategienota van de minister van Ontwikkelingssamenwerking inzake seksuele en reproductieve gezondheid, die ook erkenning geniet op Europees niveau.

Mevrouw de Bethune is verheugd dat deze resolutie, de resolutie betreffende seksuele verminkingen van 4 maart 2004 (stuk Senaat, nr. 3-523/2) wil vervolledigen. Spreekster wenst te weten of de beleidsnota inzake reproductieve rechten van vrouwen, die op het eind van vorige legislatuur in de Kamer van volksvertegenwoordigers is besproken, reeds uitgevoerd werd.

Kan de minister meer informatie geven over de financiering door de FOD Ontwikkelingssamenwerking van de gelijkheid van kansen tussen mannen en vrouwen naar aanleiding van de 52e zitting van de UNO Commission on the Status of Women ?

Wordt er binnen de bilaterale ontwikkelingssamenwerking aandacht besteed aan de problematiek van de genitale mutilatie en aan de gendergelijkheid ?

De vertegenwoordiger van de minister van Ontwikkelingssamenwerking antwoordt dat vooral punt 5 van het voorstel van resolutie, het aanmoedigen van een verbod van VGV in de concentratielanden van de Belgische ontwikkelingslanden, het departement Ontwikkelingssamenwerking betreft.

De Belgische Ontwikkelingssamenwerking is vooral gericht op het toepassen van de principes van ownership en specialisatie in het betrokken partnerland. Er wordt getracht zo veel mogelijk aan te sluiten op reeds bestaande projecten en de plaatselijke autoriteiten aan te moedigen zich deze projecten zoveel mogelijk toe te eigenen door hun verantwoordelijkheid hierin te nemen.

De beleidsnota inzake reproductieve en seksuele gezondheid wordt op internationaal vlak toegepast via de onderhandelingen die ons land voert in het kader van de VN-Commissie van de Statuut van de Vrouw en de beheerraden van UNICEF en United Nations Population Fund (UNFPA).

Het budget van ontwikkelingssamenwerking voor de toepassing van de seksuele reproductieve rechten gaat in stijgende lijn, te weten 29,2 miljoen euro in 2005 naar 32,9 miljoen euro in 2006.

De FOD Ontwikkelingssamenwerking heeft gezorgd voor sensibilisering door artikels in het tijdschrift « Dimensie Drie » en door de medewerking aan een aantal conferentie gewijd aan het thema.

Er is een gender-expert op het kabinet van de minister van Ontwikkelingssamenwerking. Het is echter bijzonder moeilijk de genderdimensie van het geheel van de programma's van Ontwikkelingssamenwerking in relevante statistische cijfers uit te drukken.

In de partnerlanden wordt er over dit thema zowel op bilateraal als op multilateraal vlak gewerkt met de grote internationale organisaties zoals UNFPA, UNICEF, UNIFEM en WHO.

Mevrouw Zrihen meent dat men deze problematiek niet mag herleiden tot enkele regels in een algemeen plan betreffende geweld tegen vrouwen. Ons land moet in zijn bilaterale en multilaterale ontwikkelingssamenwerking een humanistisch waardeconcept promoten dat verder gaat dan alleen maar voeden en opvoeden. Het gaat geenszins om een cultuurverschijnsel, maar om machtsmisbruik dat bestreden moet worden met een transversale aanpak van de problematiek.

Zelfs in België zijn er heel weinig statistische gegevens over geweld tegen vrouwen, omdat het om een delicate materie gaat die met het privéleven te maken heeft.


Alvorens de bespreking verder te zetten, beslist de commissie om het advies in te winnen van het Adviescomité voor gelijke kansen van vrouwen en mannen.

Dit advies werd uitgebracht op 18 juli 2008 (zie : verslag namens het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen, uitgebracht door de dames Temmerman en Durant, stuk Senaat, nr. 4-533/3).


Voortzetting van de bespreking na het advies

Mevrouw Zrihen herhaalt dat genitale verminking de fysieke en mentale integriteit van vrouwen raakt en heel ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid. Vele verenigingen verzetten zich tegen dit soort praktijken : de Wereldgezondheidsorganisatie, UNICEF en verenigingen als GAMS-België veroordelen deze praktijken en stellen de kwestie ter discussie.

Het is hierbij van belang te onderstrepen dat vrouwelijke genitale verminking in vele landen plaats vindt en niet gebonden is aan een bepaalde religie of cultuur. Vrouwelijke genitale verminking bestaat ook in België. Daarom moet het Nationaal Actieplan tegen partnergeweld 2004-2009 worden uitgebreid tot alle geweld tegen vrouwen, dus ook vrouwelijke genitale verminking.

Dit voorstel van resolutie wil in de eerste plaats sensibiliseren, maar ook pleiten voor behandeling van de nefaste gevolgen van vrouwelijke genitale verminking.

Mevrouw Zrihen onderstreept dat sensibilisering werkt en verwijst daarbij naar Senegal en Burkina Fasso waar er echte vooruitgang is bereikt in de strijd tegen genitale verminking.

De tekst voorziet ook concrete voorstellen voor bewustmaking en vorming in België voor beroepsmensen uit het onderwijs, zowel lager als middelbaar onderwijs, en de gezondheidszorg. Uiteraard blijft hierbij het respect voor de persoon en het individu steeds voorop staan, doch het is fundamenteel om het medisch en pedagogisch korps te sensibiliseren in deze problematiek.

Het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen was unaniem van mening dat de tekst van de resolutie ook in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen diende te besproken worden want alles wat vrouwen aangaat, gaat in sé ook mannen en dus de democratie aan.

De heer Mahoux heeft een vraag over de aanbeveling in verband met een methode van opsporing, namelijk het medisch onderzoek om de fysieke ongeschondenheid na te gaan. Het is wel belangrijk om dergelijk onderzoek systematisch te doen om stimatisatie van een deel van de bevolking te vermijden. Het voorstel verwijst naar bewustmaking van het personeel van de ONE en Kind en Gezin, maar deze diensten volgen kinderen slechts tot 6 jaar terwijl besnijdenis over het algemeen eerder later wordt gedaan. Spreker had graag de mening van de commissieleden hierover gekend.

De heer Mahoux onderstreept verder dat genitale verminking nooit kan gerechtvaardigd worden, ook niet door argumenten van culturele of godsdienstige aard. Kortom, voor genitale verminking geldt een nultolerantie.

III. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN.

A. Dispositief

a) Punt 2

Mevrouw Temmerman dient het amendement nr. 1 in dat ertoe strekt om het eerste gedachtestreepje van punt 2 te doen voorafgaan door een nieuw gedachtestreepje, luidende : « — het opstellen en uitwerken van een protocol met betrekking tot de bescherming van meisjes die het risico op VGV lopen zodat duidelijke richtlijnen worden opgesteld voor professionelen die in contact komen met deze meisjes. Een werkgroep moet het protocol ontwikkelen dat ook alle volgende aanbevelingen van punt 2 belicht; ».

Volgens mevrouw Temmerman heeft onderzoek van het ICRH aangetoond dat er nood is aan duidelijke richtlijnen voor professionelen die in contact komen met meisjes die het risico op VGV lopen (bijvoorbeeld schoolartsen, vertrouwensartsen, politie) : waar moeten ze naartoe verwijzen ? Welke acties kunnen ze ondernemen. Hoe zit het met het beroepsgeheim ? Wanneer moet melding worden gemaakt aan de politie ? Dit amendement sluit aan bij de vraag naar de tenuitvoerlegging van de Belgische wet die genitale verminking strafbaar stelt (zie punt 1, tweede gedachtestreepje).

Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Mevrouw Temmerman dient vervolgens het amendement nr. 2 in dat ertoe strekt het eerste gedachtestreepje van punt 2 aan te vullen als volgt : « en meer bepaald de directe problematiek uitklaren waarmee gynaecologen worden geconfronteerd, te weten de ethisch-legale discussie rond reïnfibulatie, symbolische incisie, cosmetische chirurgie ».

Mevrouw Temmerman onderstreept dat vorming voor gezondheidspersoneel nodig is, maar de specifieke problemen waarmee van gynaecologen worden geconfronteerd, moeten ook vermeld worden in de resolutie. Zo heerst er nogal wat verwarring bij gynaecologen wanneer een vrouw met VGV bevalt en na de episiotomie vraagt terug hersteld te worden. Is dit toelaatbaar ?

Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Mevrouw Temmerman dient het amendement nr. 3 in dat ertoe strekt om het derde gedachtestreepje van punt 2 te schrappen.

Genitaal screenen van meisjes wordt voorgesteld als middel om de wet op VGV te doen naleven, en met name om gevallen te kunnen rapporteren. Daaromtrent rijzen nogal wat juridische, medische en ethische bezwaren. Mevrouw Temmerman vindt het onverantwoord om jonge kinderen te forceren zich te onderwerpen aan een genitaal onderzoek naar de eventuele ondergane mutilatie. De schade zal dan groter zijn dan het nut van het onderzoek. In ieder geval moet er eerst een verregaande consultatie van experten plaatsvinden ten einde het wettelijke, ethische en medische kader van dit voorstel op te stellen.

Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

b) Punt 4

Mevrouw Temmerman dient het amendement nr. 4 in dat ertoe strekt om het gedachtestreepje in punt 4 aan te vullen met de woorden : « en de medische expertise inzake deze herstelingrepen uit te dragen naar de landen waar VGV veelvuldig voorkomt ».

Er is nood aan meer informatie en discussie om de verschillende ingrepen te verspreiden (naar Afrika, maar ook in Europa) en te evalueren. Specialisten uit verschillende Europese landen kunnen ervaringen uitwisselen en adviseren om dit te concretiseren. Zo is er reeds netwerk opgericht op vraag van Afrikaanse dokters om hen te trainen in het verrichten van hersteloperaties na de infibulatie.

Mevrouw de Bethune meent dat dit amendement eerder thuis hoort in punt 5 van de resolutie.

De commissie beslist om het amendement in te voegen in punt 5 van de resolutie.

Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

c) Punt 5

Mevrouw Temmerman dient het amendement nr. 5 in dat ertoe strekt om tussen het derde en het vierde gedachtestreepje van punt 5, een nieuw gedachtestreepje invoegen, luidende : « — ook in niet-partnerlanden waaraan België geen ontwikkelingshulp biedt maar waar VGV zeer courant is, afspraken maken inzake bestrijding ervan. Het gaat dan meer bepaald om Soedan (89 %), Somalië (98 %, infibulatie), Guinée (99 %) en Ethiopië (85 %) ».

Van de partnerlanden waar de Belgische ontwikkelingssamenwerking actief is, heeft alleen Mali een hoog percentage VGV, te weten 98 %. De Belgische ontwikkelingssamenwerking moet zich ook focussen op andere landen waar VGV zeer courant is en waar infibulatie het meest voorkomende type is, hetgeen zo is in voornoemde landen.

Mevrouw Temmerman dient het amendement nr. 6 in dat ertoe strekt in het vierde gedachtestreepje van punt 5, de woorden « om de « besnijders » en « besnijdsters » om te scholen », te vervangen door de woorden « ter bescherming van meisjes die op vakantie gaan naar de thuislanden, of initiatieven ontwikkelen voor meisjes en vrouwen die in landen van herkomst hulp zoeken als ze niet willen besneden worden. Daarenboven lopen in de meeste Afrikaanse landen succesvolle « community-based » projecten, die gedragsveranderingen beogen en die wachten op verdere verspreiding; bijvoorbeeld de alternatieve « rite de passage », dialoog tussen de generaties, Tostan-benadering; enz. ».

Volgens mevrouw Temmerman is de strategie om besnijdsters/besnijders om te scholen voorwerp van discussie. Een reconversie van een besnijdster (het geven van een ander inkomen) biedt geen garantie dat ze de lucratieve besnijdenissen afzweert. Het is duurzamer bovengenoemde lokale initiatieven te steunen en te promoten.

Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

d) Punt 7 (nieuw)

De heer Destexhe dient het amendement nr. 7 in een nieuw punt 7 wil toevoegen aan het dispositief, luidende :

« 7. Op nationaal gebied :

— een onderzoek te voeren om de omvang van de genitale verminking in België beter te kennen en de resultaten uiterlijk op 1 januari 2009 aan de Senaat te bezorgen. ».

De heer Roelants du Vivier stelt voor om in dit amendement de woorden « 1 januari 2009 » te vervangen door « 1 januari 2010 ».

De commissie stemt in met deze tekstverbetering.

Het amendement, aldus verbeterd, wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Ten slotte dient de heer Dubié het amendement nr. 8 in dat er eveneens toe strekt een nieuw punt in te voegen, luidende :

« 7. — op Europees niveau : een initiatief te nemen om van de landen waar genitale verminking plaatsvindt en die nog geen wetgeving hebben welke die praktijk veroordeelt, te verkrijgen dat ze de veroordeling van die praktijk in hun strafwet opnemen. ».

De heer Dubié waarschuwt voor het risico op « verminkend toerisme » wanneer de wetgeving in het ene land strenger zou zijn dan in het andere land. Er moet voor gezorgd worden dat alle daders van VGV voor de rechter kunnen gedaag worden. Men moet erop toezien dat minstens in Europa dergelijke praktijken niet kunnen bestaan.

Mevrouw de Bethune stelt voor om hiervan een punt te maken in het kader van het Belgisch voorzitterschap van de EU.

Mevrouw de Bethune en de heer Dubié dienen het amendement nr. 9 in, dat een subamendement op amendement nr. 8 in en dat het voorgestelde punt 7 als volgt wil aanvullen :

« en deze problematiek, in het kader van het Belgisch voorzitterschap van de EU in 2010, op de Europese agenda te brengen en aan te sturen op een gezamenlijk beleidsplan om een einde te maken aan de genitale verminking in Europa en in de wereld ».

De heer Mahoux meent dat het goed is om actie te ondernemen op internationaal vlak, ook al betwijfelt hij of de bepalingen van het Strafwetboek een communautaire aangelegenheid zijn. Dat wil niet zeggen dat we het probleem niet op de Europese agenda kunnen plaatsten.

Mevrouw Zrihen merkt op dat de strijd tegen VGV reeds op het Europees niveau is gebracht, maar de huidige voorzitter van de EU-commissie voor de Rechten van de Vrouw acht het niet nuttig om het voorstel in overweging te nemen. Spreekster hoopt dat na de verkiezingen van 7 juni 2009 onze verkozenen het nodige zouden doen om deze voorstellen terug op de dagorde te brengen.

Daarnaast verwijst mevrouw Zrihen naar de nieuwe vereniging « INTACT » die als doelstelling heeft op juridisch gebied te handelen, door gebruik te maken van alle middelen die de internationale verdragen en de wetten bieden, om de verminkte vrouwen en meisjes en vooral zij die dreigen verminkt te worden, te proberen helpen. De vereniging staat klaar om in rechte op te treden indien daar reden toe is, zowel in België als in het buitenland.

Het subamendement nr. 9 en het aldus gesubamendeerde amendement nr. 8 worden eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.


Het geamendeerde voorstel van resolutie wordt in zijn geheel eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Els SCHELFHOUT. Marleen TEMMERMAN.

Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat nr. 4-533/6 - 2008/2009)