4-1305/1

4-1305/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

30 APRIL 2009


Voorstel van resolutie betreffende de invoering van een standaardformulier voor kredietaanvragen, teneinde het risico op insolventie bij de kredietnemer tegen te gaan

(Ingediend door mevrouw Vanessa Matz)


TOELICHTING


Ons land maakt een zware economische crisis door, waarbij vooral de jongste maanden de werkloosheid fors is toegenomen. Verlies van werk betekent ook minder financiėle inkomsten, waardoor gezinnen in deze benarde tijden gemakkelijker geneigd zullen zijn kredietovereenkomsten te sluiten.

Uit de cijfers per 31 december 2008 blijkt dat het aantal kredietovereenkomsten in 2008 met 5,2 % is gestegen (7 903 687 overeenkomsten) en dat thans 4 807 023 mensen aan een of meer dergelijke overeenkomsten gebonden zijn, wat 2,6 % meer is dan het jaar voordien.

In ons land heeft bijna 80 % van de mensen tussen 35 en 54 jaar een kredietovereenkomst lopen, en van alle meerderjarigen heeft 56,2 % een lening moeten aangaan om zijn plannen te verwezenlijken. Het is dan ook van het grootste belang dat kopen op krediet mogelijk blijft, maar al te makkelijk mag dat niet gaan. Tegenwoordig is de kans op buitensporige schuldenlast groot : het aantal wanbetalingen stijgt — vooral in het laatste trimester van 2008 was er een forse toename.

Eind 2008 telde de Centrale voor Kredieten aan Particulieren 344 072 kredietnemers met een betalingsachterstand en 495 089 achterstallige kredieten, wat een stijging is van respectievelijk 1,5 % en 0,9 %. Het totale achterstallige bedrag is met 4,4 % toegenomen tot 1 856 miljoen euro. De meeste betalingsmoeilijkheden komen voor bij de kredietovereenkomsten en de leningen op afbetaling, die samen goed zijn voor 74,8 % van de in totaal 114 276 nieuwe wanbetalingen die in 2008 door de kredietgevers aan de Centrale voor Kredieten aan Particulieren werden gemeld.

De indieners van dit voorstel van resolutie vragen zich af hoe het toch mogelijk is dat er zoveel kredietovereenkomsten met betalingsachterstand zijn, als men weet dat de kredietgevers en andere kredietbemiddelaars bij wet verplicht zijn het soort overeenkomst en het kredietbedrag aan te raden en te kiezen die het beste beantwoorden aan de financiėle situatie van de consument en het doel van het gevraagde krediet.

De kredietgevers en kredietbemiddelaars moeten de aanvraag van de kredietnemer correct analyseren en mogen deze pas een krediet toestaan wanneer zij « redelijkerwijze [moeten] aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, na te komen », zoals artikel 15 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet bepaalt.

Wettelijk zijn zij verplicht daarover te beslissen na raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren en moeten zij « aan de consument die om een kredietovereenkomst verzoekt en, in voorkomend geval, de steller van een persoonlijke zekerheid, de juiste en volledige informatie vragen die zij noodzakelijk achten om hun financiėle toestand en hun terugbetalingsmogelijkheden te beoordelen en, in ieder geval, hun lopende financiėle verbintenissen. De consument en de steller van een persoonlijke zekerheid zijn ertoe gehouden daarop juist en volledig te antwoorden », zoals blijkt uit artikel 10 van de bovengenoemde wet van 12 juni 1991.

In de praktijk constateert men echter dat talrijke leners of kredietbemiddelaars zich in het algemeen beperken tot de (verplichte) raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren en tot een reeks « standaard »-vragen. In een groot aantal gevallen wordt het krediet bijna automatisch toegekend op grond van een systeem waarbij punten worden gegeven naargelang van de antwoorden op de vragen (de zogenaamde « credit scoring »-methode).

Zelfs al is de raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren een noodzakelijke voorwaarde voor de toekenning van een krediet, toch volstaat zulks niet, want talrijke schulden worden aan die centrale niet gemeld. Een professionele aanpak houdt de plicht in na te gaan of er geen andere schulden zijn (belastingen, schulden in verband met energieverbruik, huurachterstallen enzovoort).

Als een consument een winkel bezoekt, stellen de winkelbedienden hem vaak voor zijn aankoop in verschillende malen te betalen. De consument moet dan een kredietovereenkomst ondertekenen. Met de verkoper wordt een formulier ingevuld op basis van de verklaringen van de consument. Het krediet wordt onmiddellijk verstrekt en de consument kan met zijn aankoop vertrekken. Hoewel de kredietgever en de kredietbemiddelaar (dat wil zeggen de winkel) beide verplicht zijn na te gaan of de consument solvabel is, stelt men in het algemeen vast dat geen enkele informatie wordt nagetrokken en dat geen enkele loonfiche wordt gevraagd.

Bepaalde kredietgevers laten na de consument vragen te stellen over essentiėle elementen, zoals zijn financiėle middelen, zijn gezinstoestand, zijn lopende verplichtingen of zijn schulden. Al te vaak is er geen grondige analyse van het budget en van de lasten van de aanvrager.

Dit voorstel van resolutie strekt er precies toe de praktische naleving van de verplichting tot verificatie en advies van de kredietgevers en kredietbemiddelaars te waarborgen, door aan de regering te vragen een standaardformulier in te voeren dat het mogelijk zal maken om er redelijkerwijs van uit te gaan dat de consument in staat is de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te leven, en het aantal achterstallige overeenkomsten aldus te beperken.

Vanessa MATZ.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. gelet op feit dat het aantal achterstallige kredietovereenkomsten de jongste jaren toeneemt;

B. overwegende dat de artikelen 10 en 15 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet de kredietgevers en de kredietbemiddelaars ertoe verplichten de financiėle toestand van de kredietnemers correct te beoordelen teneinde hen met kennis van zaken van advies te dienen;

C. overwegende dat sommige kredietgevers en kredietbemiddelaars er zich in de praktijk toe beperken de Centrale voor Kredieten aan Particulieren te raadplegen, zoals artikel 10 van de voormelde wet van 12 juni 1991 hen ertoe verplicht;

Vraagt de regering :

1. aan de hand van een standaardformulier de omvang te preciseren van de adviesplicht van de kredietgever en van de kredietbemiddelaar;

2. dat standaardformulier zo op te maken dat aan de hand ervan :

a) wordt nagegaan of de professionele verkoper zijn plicht om informatie in te winnen, is nagekomen, alsmede of de verstrekte antwoorden kloppen en of de consument te goeder trouw is;

b) de professionele verkoper duidelijk de verplichting wordt opgelegd bij de consument ten minste te informeren naar diens constante en sporadische inkomsten, alsmede naar diens kosten zoals huur- of hypotheekkosten, diens onderhoudsverplichtingen en diens schulden;

c) de kredietgevers en kredietbemiddelaars verplicht worden de gezinssamenstelling van de betrokkene onder de loep te nemen, teneinde diens uitgaven te kunnen inschatten;

d) wordt nagegaan om welke redenen precies krediet wordt aangevraagd, want een krediet dat dient om een ander krediet af te lossen dan wel een krediet om een auto te kopen bijvoorbeeld, houden niet hetzelfde risico in dat de betrokkene in gebreke blijft;

3. de professionele verkoper, overeenkomstig de rol die hem krachtens de wet wordt toebedeeld, ertoe aan te zetten :

a) de informatie te verifiėren aan de hand van afdoende gegevens, zoals een kopie van het aanslagbiljet en loonstrookjes;

b) de door de kredietnemer verstrekte informatie te analyseren en de juistheid ervan na te gaan;

c) van de kredietnemer aanvullende informatie te eisen als dat nodig is, of indien kennelijk sprake is van tegenstrijdigheden (geen huurgeld bij de kosten) of vergetelheden.

23 april 2009.

Vanessa MATZ.