4-1250/4

4-1250/4

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

22 APRIL 2009


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW LIJNEN


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 52-1786/1).

Het werd op 26 maart 2009 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 81 tegen 17 stemmen bij 28 onthoudingen. Het werd op 27 maart 2009 overgezonden aan de Senaat en op 3 april 2009 geëvoceerd.

De commissie voor de Sociale Aangelegenheden, die werd gevat door de artikelen 52 tot 111 en 121 tot 123 van dit wetsontwerp, heeft het besproken tijdens haar vergadering van 21 april 2009 in aanwezigheid van mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, mevrouw Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, mevrouw Sabine Laruelle, minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid, en mevrouw Arena, minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Inleidende uiteenzetting van de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen

Hoofdstuk 1 — Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (art. 52)

Deze maatregel strekt ertoe de werknemers een betere bescherming te bieden op de bouwplaatsen en komaf te maken met een belangrijke discriminatie naar gelang die werknemers aan de slag zijn op een bouwplaats waarop de wet op de overheidsopdrachten al dan niet van toepassing is.

Het van kracht zijnde artikel 30 van de wet van 1996 dat men wil schrappen, bepaalt dat bepaalde artikelen van de wet van 1996 betreffende het welzijn van de werknemers, niet gelden voor de bouwplaatsen waarop de wet op de overheidsopdrachten van toepassing is.

Dat leidt ertoe dat, indien sommige maatregelen ter bescherming van de werknemers niet in acht worden genomen, de strafbepalingen van de wet van 1996 die zulks strafbaar stellen, geen uitvoering kunnen krijgen. De ervaring leert dat strafrechtelijke sancties nodig zijn om een goede bescherming van werknemers te waarborgen.

Hoofdstuk 2 — Moederschapsbescherming (art. 53 tot 55)

Krachtens de wet mag een werkneemster geen arbeid verrichten vanaf de zevende dag die de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaat tot het verstrijken van een periode van negen weken die begint te lopen op de dag van de bevalling.

Op grond van die bepaling verliest een werkneemster, die haar prenataal verlof nog niet heeft aangevat en bevalt op een dag waarop zij arbeidsprestaties heeft gepresteerd en ze voor de arbeidsmarkt beschikbaar is, één dag van haar bevallingsrust.

De voorgestelde artikelen willen een oplossing voor die situatie aanreiken.

Hoofdstuk 3 — Arbeidsongevallen

Afdeling 1. — Adoptie (art. 56 en 57)

Dit hoofdstuk wijzigt de teksten betreffende de arbeidsongevallenwetgeving in de privésector.

Die wijzigingen zijn eerst en vooral technische aanpassingen, zoals het aanpassen van de verwijzingen naar de gewijzigde artikelen van het Burgerlijk Wetboek.

Ten gronde is het de bedoeling enkel te eisen dat de adoptieprocedure is aangevat vóór het overlijden van het slachtoffer van een arbeidsongeval en niet dat ze is afgerond, opdat het geadopteerde kind zou worden beschouwd als rechthebbende.

Afdeling 2. — Telewerk (art. 58)

Naar aanleiding van een advies van de Nationale Arbeidsraad over telewerk, gaven de sociale partners binnen het Fonds voor Arbeidsongevallen aan dat er in de arbeidsongevallenwet een vermoeden van uitvoering van de arbeidsovereenkomst, weliswaar beperkt in tijd en ruimte, moet worden opgenomen in verband met het vraagstuk van de bewijslast ingeval van een arbeidsongeval in het kader van telewerk. Zij stelden ook voor dat die nieuwe krijtlijnen een aanpassing van cao nr. 85 vereisen.

Sindsdien werd de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 85bis van 27 februari 2008 tot wijziging van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 85 van 9 november 2005 betreffende het telewerk aangepast en wordt er voorzien in twee bepalingen, waardoor de beperking in de ruimte en de tijd mogelijk gemaakt wordt.

In een advies van februari 2008 (nr. 1631) verzoekt de Nationale Arbeidsraad de wetgever op te treden teneinde artikel 7 van de arbeidsongevallenwet aan te passen, om aldus de toepassing van het voormelde vermoeden in tijd en ruimte mogelijk te maken.

De voorgestelde bepalingen strekken ertoe in te gaan op die vraag van de sociale partners.

Hoofdstuk 4 — Alcohol- en drugbeleid in de onderneming (art. 59)

Deze bepaling strekt ertoe artikel 14, 2º, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen te wijzigen. Dit punt 2º omvat de lijst met wijzigingen aan de bepalingen van het reglement waarvoor de overlegprocedure om het arbeidsreglement op te stellen en te wijzigen niet moet worden gevolgd.

In oktober 2008 sloten de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad een collectieve arbeidsovereenkomst betreffende het voeren van een preventief alcohol- en drugbeleid in de onderneming.

De overlegprocedure in artikel 6 van die collectieve arbeidsovereenkomst kan immers volstaan als voorafgaande procedure om te bepalen wat de algemene uitgangspunten zijn en wat de beleids- of intentieverklaring is in verband met het alcohol- en drugsbeleid.

Hoofdstuk 5 — Uitbreiding van het toepassingsgebied van het Ervaringsfonds (art. 60)

Teneinde proactief op te treden met het oog op de economische crisis, past het om onder meer het toepassingsgebied van het Ervaringsfonds uit te breiden tot toelagen die de verbetering tot doel hebben van de tewerkstellingsmogelijkheden van oudere werknemers die ontslagen zijn in het kader van een herstructurering.

Dit is de bedoeling van het voorstel tot wijziging van artikel 27 van de wet van 5 september 2001ter verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers. De tussenkomst kan dan onder meer betrekking hebben op vormingen of begeleidingsprogramma's met het oog op de wedertewerkstelling.

B. Inleidende uiteenzetting van de minister van KMO, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid

In verband met de veiligheid van de voedselketen zijn er twee onderdelen. Ten eerste wordt de definitie van een « operator » eenvormig gemaakt (artikel 121), vervolgens wordt de opvolgingsprocedure voor achterstallige betaling van retributies en heffingen gewijzigd in het kader van de administratieve vereenvoudiging en de billijke behandeling van de operatoren. Artikel 122 van het ontwerp wijzigt daartoe artikel 11 van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

C. Uiteenzetting van de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden

Hoofdstuk 1 — Aanvullende pensioenen

Hoofdstuk 1 van Titel VIII van het wetsontwerp wijzigt de wet van 27 oktober 2006. Deze wet vormt de basis van de prudentiële controle van de pensioenfondsen, die tegenwoordig instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening heten, of afgekort, IBP.

Deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten streven verschillende doelen na. Het eerste is de creatie van een eenheidsmarkt voor pensioenfondsen zoals die bestaat voor het verzekeringswezen. De wet is de omzetting van richtlijn 2003/41/EG. De voornaamste innovatie is dat de Belgische IBP's actief mogen zijn in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en vice versa.

De wet streefde evenwel een ambitieuzere doelstelling na, namelijk de volledige herziening van de prudentiële controle van de IBP's. Hierdoor vervolledigde ze twee belangrijke wetten die werden gestemd in 2002 en 2003 op het gebied van aanvullende pensioenen van werknemers (de WAP) en zelfstandigen (de WAPZ).

De nagestreefde doelstelling was om een coherent en modern kader te scheppen voor de prudentiële controle en meer soepelheid in de controlemaatregelen terwijl ook de prudentiële regels die op de IBP's van toepassing zijn worden versterkt. Één van de belangrijke innovaties is de creatie van een nieuwe rechtspersoon : het OFP of het organisme voor de financiering van pensioenen.

De wet en zijn uitvoeringsbesluiten zijn recent. De nieuwe controleregels worden geleidelijk ingevoerd. Er bleek echter dat er enkele wijzigingen in moesten worden aangebracht. Deze wijzigingen veranderen niets aan de beginselen van de wet.

Deze wijzigingen kunnen worden onderverdeeld in vier themagroepen.

Ten eerste, zijn er enkele bepalingen van de richtlijn 2003/41/EG niet correct of onvolledig omgezet. Dit moet opnieuw in orde worden gebracht.

De artikelen 92, 93 en 100 van het ontwerp wijzigen dit.

De artikelen 92 en 93 wijzigen de artikelen 67 en 68 van de wet. Het doel is de termijn te corrigeren in de notificatieprocedure bij grensoverschrijdende activiteiten. De termijn waarin de wet voorziet is te lang ten opzichte van wat in de richtlijn wordt vooropgesteld. De wijziging zal tot gevolg hebben dat de Belgische IBP's hun grensoverschrijdende activiteiten sneller kunnen aanvatten.

Artikel 100 introduceert een nieuw artikel 148bis in de wet. Het doel hiervan is de CBFA in staat te stellen om in België de activa te blokkeren van een IBP die in een andere lidstaat van de EER is gevestigd, zelfs wanneer die geen activiteiten in België heeft. Het gaat hier om een internationale samenwerkingsregel waarin door de richtlijn wordt voorzien.

Ten tweede, zijn de huidige regels betreffende de samenstelling van de algemene vergadering van een OFP niet altijd aangepast aan bepaalde situaties in de praktijk. Het gaat vooral om groepen ondernemingen en OFP's voor dewelke een paritaire samenstelling van de algemene vergadering wenselijk is.

In feite zijn er twee belangrijke wijzigingen.

De eerste staat toe dat andere personen dan de bijdragende ondernemingen (de ondernemingen die het pensioenstelsel hebben ingevoerd), de aangeslotenen en de begunstigden in de algemene vergadering van een OFP zetelen. Dit laat bijvoorbeeld toe dat de moederonderneming lid is van de algemene vergadering van het IBP van haar dochteronderneming. Om alle misbruik te vermijden, wordt er echter in voorzien dat zulke leden niet meer dan één derde vertegenwoordigen van de stemgerechtigden in de AV.

Behalve deze wijziging preciseert het nieuwe artikel 14 van de wet (vervangen door artikel 83 van het ontwerp) dat alle leden, gewone en buitengewone, deel uitmaken van de algemene vergadering. Er wordt ook bepaald dat, indien er sinds meer dan zes maanden geen gewoon lid meer is, een buitengewoon lid of de raad van bestuur het faillissement van het OFP kan aanvragen.

Deze regel wordt eveneens ingevoerd, door artikel 88 van het ontwerp, in artikel 36 van de wet. Dit laatste betreft de gevallen waarbij het faillissement van een OFP kan worden uitgesproken.

De tweede wijziging is dat een rechtspersoon die zetelt in de AV, vooral bij bijdragende ondernemingen, zich mag laten vertegenwoordigen door meerdere personen. Dit vergemakkelijkt de oprichting van een paritaire AV.

In dat verband mag niet worden vergeten dat, wanneer artikel 41 van de WAP een paritair beheer vereist, dit alleen betrekking heeft op de raad van bestuur. De beslissing of er een paritaire AV dient te worden gecreëerd, valt onder de bevoegdheid van de sociale partners. De voorgestelde wijziging laat echter wel toe om gemakkelijker tot een paritaire samenstelling te komen.

Dit doel wordt tot stand gebracht door artikel 84 van het ontwerp, dat artikel 15 van de wet wijzigt. Deze wijziging brengt de wijziging van artikel 23 van de wet (artikel 86 van het ontwerp) met zich mee. Voor de raad van bestuur is het inderdaad wenselijk om het principe van één vertegenwoordiger per rechtspersoon te behouden, aangezien dat de regel is in het vennootschapsrecht.

In de derde reeks bepalingen wordt voorgesteld om enkele regels te wijzigen die dateren uit de vorige wetgeving en die niet meer aangepast zijn aan de huidige context. Deze administratieve vereenvoudiging heeft betrekking op de artikelen 85, 89, 90, 91, 98 en 101 van het ontwerp.

Een eerste vereenvoudiging betreft het neerleggen van bepaalde akten bij de griffie van de handelsrechtbank.

Behalve de raad van bestuur kan een OFP ook andere operationele organen hebben. De wet bepaalt op dit ogenblik dat deze organen een vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben. Dit is echter niet noodzakelijk het geval. De vertegenwoordigingsbevoegdheid behoort, zoals alle andere beheersbevoegdheden, toe aan de raad van bestuur die deze bevoegdheden kan delegeren aan andere operationele organen.

Als een operationeel orgaan geen vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft, dan zijn bepaalde formaliteiten overbodig. Het gaat hier bijvoorbeeld om het neerleggen bij de griffie van de akten van benoeming, ontslagneming, enz. van de leden van de operationele organen.

Met dit doel wijzigen de artikelen 85 en 89 van het ontwerp respectievelijk de artikelen 21 en 49 van de wet.

In het eerste geval wordt de vermelding geschrapt dat een operationeel orgaan ander dan de raad van bestuur noodzakelijkerwijs een vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft.

In het tweede geval wordt de verplichting om bij de griffie van de handelsrechtbank de akten betreffende de leden van de operationele organen neer te leggen beperkt tot de raad van bestuur en tot de andere organen die beschikken over een vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Een tweede vereenvoudiging betreft de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de lijst met toegelaten IBP's.

Deze bekendmaking heeft weinig toegevoegde waarde in de huidige context. Enerzijds zijn de voornaamste belanghebbenden de werknemers van de bijdragende onderneming, die door de organen voor sociaal overleg of de arbeidsovereenkomst over andere informatiemiddelen beschikken. Anderzijds biedt de bekendmaking, doordat zij jaarlijks plaatsvindt, geen enkele informatie over de wijzigingen (goedkeuringen, verzakingen ...) die tussen twee bekendmakingen plaats vonden.

Bovendien past de wijziging de wetgeving aan op het gebied van IBP's voor wat wordt gedaan of moet worden gedaan op het gebied van banken en verzekeringswezen.

Concreet betreft deze vereenvoudiging de artikelen 59, 61 en 158 van de wet, die worden gewijzigd door de artikelen 90, 91 et 101 van het ontwerp. Dit betreft respectievelijk de bekendmaking van de lijst met goedkeuringen, verzakingen en de lijst met toegelaten IBP's.

Een derde vereenvoudiging heeft als doelstelling beter het onderscheid te maken tussen de herroeping van een vergunning en het verstrijken van rechtswege van de vergunning. In het eerste geval gaat het om een sanctie vanwege de CBFA. In het tweede geval gaat het om de vaststelling van een feit : de ontbinding van het OFP.

Van deze gelegenheid wordt eveneens gebruik gemaakt om de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de herroepingen en vervaltermijnen te schrappen, zoals dat ook het geval was voor de goedkeuringen en de verzakingen.

Deze vereenvoudiging betreft artikel 130 van de wet, dat wordt gewijzigd door artikel 98 van het ontwerp.

Ten slotte, en met het oog op een betere rechtszekerheid, brengt een vierde reeks bepalingen enkele preciseringen aan op verschillende plaatsen van de wet via de artikelen 87, 94, 95, 96, 97, 99, 102 en 103 van het ontwerp.

Artikel 87 van het ontwerp voegt aan artikel 29 van de wet een regel toe die op dit ogenblik in het uitvoeringsbesluit van 12 januari 2007 is opgenomen. Het gaat om het principe volgens hetwelke de bijdragende ondernemingen of de aangeslotenen en de begunstigden de meerderheid moeten uitmaken van de raad van bestuur.

Artikel 95 van het ontwerp wijzigt artikel 98 van de wet op twee punten. Enerzijds laat het de CBFA toe om de jaarrekeningen van de IBP's vroeger te ontvangen dan wat nu bepaald is. Dit is een waarborg voor een grotere doeltreffendheid van de prudentiële controle. Anderzijds wordt een terminologische fout rechtgezet.

Artikel 96 van het ontwerp wijzigt artikel 103 van de wet, betreffende de erkende commissarissen. Het preciseert dat de commissaris, behalve zijn specifieke taken in het kader van de prudentiële controle, ook de taak van revisor uitoefent waarin door het wetboek van vennootschappen wordt voorzien.

Artikel 97 verduidelijkt artikel 122 van de wet. Wanneer een IBP geen bijdragende onderneming meer heeft, wordt het systeem van de vaste prestaties omgezet in een systeem van vastgestelde lasten. De activa van de aangeslotenen evolueren nog slechts op basis van het rendement van de activa van het IBP. Voortaan wordt wel, voor zover dat nodig is, verduidelijkt dat het om nettorendement gaat.

Artikel 99 wijzigt artikel 143 van de wet en verplicht de CBFA om op zijn internetsite een lijst te publiceren met de IBP's die activiteiten uitoefenen in België vanuit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Artikel 102 wijzigt artikel 167 van de wet. Het betreft de IBP's van de openbare sector die kunnen worden vrijgesteld van elke controle op voorwaarde dat het stelsel wordt ondersteund door de overheid. De wijziging schrapt een termijn die ervoor zorgde dat deze bepaling dode letter bleef.

Ten slotte, wijzigt artikel 103 artikel 173, § 2, van de wet, betreffende enkele gevallen waarbij de ondernemingen vrijgesteld zijn om een IBP te creëren. Deze ondernemingen moeten de CBFA een rapport toesturen. De huidige bepaling vergeet de publieksrechtelijke rechtspersonen en entiteiten te vermelden.

Artikel 104 van het ontwerp regelt wanneer de nieuwe bepalingen van kracht worden. In de meeste gevallen is er geen overgangsmaatregel nodig. Daarom wordt bepaald dat de wijzigingen van kracht worden op de datum dat ze in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.

Twee bepalingen kunnen terugwerkende kracht hebben met betrekking tot de datum waarop de wet van kracht werd (1 januari 2007). Het gaat hier om de rechtzetting van de materiële fout van artikel 75, 1º (artikel 88 van het ontwerp) en om het versturen van het rapport van de ondernemingen die vrijgesteld zijn van controle bepaald in artikel 173, § 2, van de wet (artikel 103 van het ontwerp).

Ten slotte kan de nieuwe regel betreffende het versturen van de jaarrekeningen naar de CBFA (wijziging van artikel 98 van de wet door artikel 95, 1º et 2º van het ontwerp) worden toegepast vanaf het boekjaar 2008, dat wil zeggen voor het versturen van de jaarrekeningen in 2009.

Hoofdstuk 2 — Opheffing van de artikelen 66 tot en met 68 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen

Artikelen 105 tot 107

De artikelen 66 tot en met 68 van de wet van 30 december 1992, hebben betrekking op de werving van een financieel intendant en de instelling van een Bijzondere Commissie van belegging bij de Rijksdienst voor pensioenen, inzake het beheer van de fondsen.

Deze maatregelen werden nooit uitgevoerd.

De beleggingen van de Rijksdienst voor pensioenen werden later immers overgedragen naar het Globaal Beheer van de sociale zekerheid om de reserves ervan aan te leggen. Dus de artikelen 66 tot 68 zijn niet meer verantwoord.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen van de werknemers

Artikelen 108 en 109

Momenteel is de Raad voor uitbetaling van de voordelen bevoegd om te beslissen of men afziet van de terugvordering van de prestaties die ten onrechte werden uitbetaald door de Rijksdienst voor pensioenen. Maar de Raad kan de bevoegdheid om af te zien van de terugvordering van de prestaties die ten onrechte werden betaald, onder de door de Raad zelf bepaalde beperkingen, delegeren aan de Administrateur-generaal van de Rijksdienst. Evenwel laat de huidige procedure de sociaal verzekerde te lang in het ongewisse nadat de beslissing om de ten onrechte betaalde sommen terug te vorderen hem werd meegedeeld of, in voorkomend geval, de manier waarop de schuld zal worden teruggevorderd.

Bijgevolg is de voorgestelde wijziging erop gericht om de Administrateur-generaal toe te laten om, onder de door de Raad zelf bepaalde beperkingen, bepaalde bevoegdheden die hem werden toegekend te delegeren aan de dienstverantwoordelijken die door hem werden aangeduid. Zo kunnen de terugvorderingsdossiers, de kwijtschelding van bepaalde schulden inbegrepen, gestaag worden behandeld zonder dat daar vooraf goedkeuring van de Raad voor nodig is.

Hoofdstuk 4 — Wijziging van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van de inkomensgarantie voor ouderen

Afdeling 1. — Uitbreiding van het persoonlijke toepassingsgebied van de wet van 22 maart 2001ter instelling van de inkomensgarantie voor ouderen

Artikelen 110 en 111

Momenteel wordt de inkomensgarantie voor ouderen niet toegekend aan onderdanen van Staten die partij zijn bij het Europees Sociaal Handvest die niet gedekt worden door de gemeenschapsregelgeving of die geen wederkerigheidsakkoord met België hebben gesloten. Derhalve stemt de situatie in België op het gebied van maatschappelijke en medische bijstand niet overeen met artikel 13, § 1, van het Europees Sociaal Handvest. Immers elke vreemdeling die onderdaan is van een Staat die partij is bij het Handvest en die legaal in België verblijft, moet op voet van gelijkheid worden behandeld met de nationale onderdanen en bijgevolg genieten van de inkomensgarantie voor ouderen wanneer hij aan de andere voorwaarden voldoet.

Dus moet het persoonlijk toepassingsgebied van de voornoemde wet van 22 maart 2001 worden uitgebreid door er een nieuwe categorie van begunstigden aan toe te voegen, de onderdanen van de Staten die partij zijn bij het Handvest, dit wil zeggen de Staten waar het Handvest van kracht is. De datum van inwerkingtreding van dit artikel moet bij koninklijk besluit worden bepaald. Het is de bedoeling deze bepaling in werking te laten treden op 1 januari 2009 maar daarover zijn momenteel onderhandelingen gaande met het kabinet begroting.

Afdeling 2. — Afschaffing van de toelage betaald door de Rijksdienst voor pensioenen aan de hoofdinspecteurs van een fiscale administratie

Artikelen 112 en 113

Momenteel kent de Rijksdienst voor pensioenen de hoofdinspecteurs van een fiscale administratie een toelage toe voor de prestaties die zij leveren in het kader van de controle van de aangegeven bestaansmiddelen tijdens het onderzoek van een aanvraag voor de inkomensgarantie voor ouderen. De wettelijke basis hiervoor is artikel 13, § 2, derde lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen.

Welnu artikel 13, § 2, derde lid, van de wet van 22 maart 2001 verwijst naar bepalingen die niet meer van kracht zijn, met name de reglementaire bepalingen die een toelage toekennen aan de controleurs van de bijdragen in het rust- en overlevingspensioenstelsel ten behoeve van de vrijwillig verzekerden. Vandaar een juridische onzekerheid.

Dus om deze juridische onzekerheid op te heffen, wordt voorgesteld om de toelage die de hoofdinspecteurs ontvangen, af te schaffen vanaf 1 januari 2009.

Afdeling 3. — Kennisgeving van de beslissingen per gewone brief

Artikelen 114 en 115

Momenteel worden de beslissingen op het gebied van de inkomensgarantie voor ouderen bekendgemaakt per aangetekende brief. De voorgestelde wijziging heeft als doel om kennis te geven van zulke beslissingen per gewone brief. Kennisgeving van de beslissing waaruit een onverschuldigd bedrag voortvloeit en de beslissing tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen blijven echter gebeuren per aangetekende zending via de post.

Ter herinnering : sinds 1 januari 2008 verloopt de kennisgeving van de pensioenrechten vastgelegd volgens de reglementering van werknemers en zelfstandigen per gewone brief.

Bijgevolg vervolledigt het huidige wetsartikel tot wijziging van de wet van 22 maart 2001ter instelling van de inkomensgarantie voor ouderen het proces dat reeds in gang werd gezet door, op het gebied van de inkomensgarantie voor ouderen, de kennisgeving van de rechten per aangetekende brief te vervangen door de huidige gewone brief.

Bovendien wordt de kennisgeving van een beslissing per gewone brief voorgeschreven door « het handvest » van de sociaal verzekerde.

Hoofdstuk 5 — Solidariteitsbijdrage op de pensioenen

Artikelen 116 en 117

Ter herinnering : een progressieve maandelijkse solidariteitsbijdrage werd ingesteld door artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen :

— om de solidariteit tussen de gepensioneerden te versterken;

— om het financiële evenwicht van de sociale zekerheid te waarborgen, en van de pensioensector in het bijzonder.

Evenwel kan de solidariteitsbijdrage billijkerwijs slechts tijdsgebonden en momentaan zijn. Derhalve is de Koning door artikel 22 van de programmawet van 8 juni 2008 bevoegd verklaard om de inhouding te verminderen en af te schaffen met ingang van 1 juli 2008, per besluit na overleg in de Ministerraad en volgens de modaliteiten die door Hem moeten worden bepaald.

Per koninklijk besluit van 1 juli 2008 heeft de Koning gebruik gemaakt van deze bevoegdheidsverklaring, die afloopt op 31 december 2008, om de solidariteitsbijdrage te verminderen en om ze af te schaffen voor de laagste pensioenen. Het koninklijk besluit van 1 juli 2008, rekening houdende met deze bevoegdheidsverklaring, vervalt als het niet bekrachtigd wordt door de wet binnen de 12 maanden na de datum waarop het van kracht werd.

Bijgevolg dient dit voorstel om het koninklijk besluit van 1 juli 2008 te bevestigen.

III. BESPREKING

De heer Claes verwijst naar de inwerkingtreding van Hoofdstuk 2 van Titel 5 op 1 maart 2009 (artikel 55 van het ontwerp), dit wil zeggen met retroactieve werking. Gelet op de publicatiedatum van de huidige wet in het Belgisch Staatsblad, is het risico niet te onderschatten dat deze bepaling toepasbaar zou zijn op volledig verstreken toestanden, wat juridische onzekerheid zou scheppen. Dit risico is des te groter nu de Koning de wet nog dient uit te voeren voor de gelijkstellingsperioden. Het zou dus mogelijk zijn dat een nabevallingsrust, die al volledig verstreken is op de datum van de publicatie van de wet, wordt verlengd als de verlenging zou terugwerken tot 1 maart 2009 !

De heer Claes suggereert om, uit voorzichtigheid, een inwerkingtreding te bepalen na de vermoedelijke datum van de publicatie van de wet of zou de wetgever de Koning de mogelijkheid moeten verlenen om zelf de inwerkingtreding te bepalen. Hij erkent weliswaar dat het slechts zal gaan om enkele gevallen.

Mevrouw Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, meent dat er normaal gesproken geen probleem kan rijzen. Zij meent dat de opmerking eerder theoretisch van aard is.

Mevrouw Lanjri verwijst naar de verklaring van de minister in de Kamer van volksvertegenwoordigers, als zou er jaarlijks 7 miljoen euro worden ter beschikking gesteld van het Ervaringsfonds, waarvan er echter slechts 4 miljoen zouden worden uitgegeven. Er zou aldus een reserve zijn opgebouwd van 30 miljoen euro. Wat wordt er met deze middelen gedaan ? In deze tijd van economische crisis lijkt het wenselijk om de reserves op een goede manier te besteden.

Mevrouw Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, antwoordt dat dit bedrag voornamelijk wordt aangewend voor outplacement en begeleiding, vooral van oudere werknemers die worden ontslagen. Daarmee volgt zij een voorstel van de sociale gesprekspartners. Ook de nieuwe maatregelen die werden genomen in het kader van de herstructurering van de bedrijven wordt gefinancierd met deze middelen. Het is dus niet zo dat deze middelen niet worden aangewend.

IV. STEMMINGEN

Het geheel van de artikelen 52 tot 111 en 121 tot 123, die aan de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zijn toewezen, wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Nele LIJNEN. Nahima LANJRI.

De teksten van de door de commissie aangenomen artikelen zijn dezelfde als die overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie stuk Kamer, nr. 52-1786/24 - 2008/2009)


De commissie beslist evenwel de volgende tekstverbetering aan te brengen aan het wetsontwerp houdende de diverse bepalingen : in artikel 59 worden tussen de woorden « 27 december 2006 » en « en 3 juni 2007 » de woorden « , 10 januari 2007 » ingevoegd.