4-1247/1 | 4-1247/1 |
25 MAART 2009
Het begrip « corporate governance », ook wel « ondernemingsbestuur » of « vennootschapsbestuur » genaamd, doelt op de ordening van de macht binnen een onderneming om tot een beter evenwicht te komen tussen de bestuursinstanties, de controle-instanties en de aandeelhouders.
In alle ondernemingen zijn er tal van actoren (bestuurders, institutionele aandeelhouders, kleine aandeelhouders, schuldeisers, werknemers enzovoort). Dankzij het ondernemingsbestuur moeten controle- en evenwichtsmechanismen ingang kunnen vinden die er voor zorgen dat de door de onderneming genomen beslissingen de belangen van elk van die actoren in acht nemen. Het gaat erom mechanismen van tegenmacht in te stellen om te voorkomen dat bepaalde groepen van individuen hun eigen belangen boven dat van de onderneming stellen.
In een onderneming zijn er twee grote categorieën van betrokken partijen. De aandeelhouders (shareholders) hebben in de vorm van aandelen een fractie van de eigendom van de onderneming in handen. De belanghebbenden (stakeholders) hebben geen enkele eigendom van de onderneming in handen. Zij zijn individuele of collectieve actoren op wie de beslissingen van de onderneming rechtstreeks betrekking hebben (werknemers, leveranciers, crediteuren, lokale basisoverheden, overheid, enz.).
Dat systeem van bedrijfsbeheer, dat tot doel heeft te zorgen voor evenwicht in de uitoefening van zeggenschap binnen een onderneming, is van Amerikaanse origine. De financiële schandalen van de jaren '70 hebben het ontbreken van die evenwichts- en controlemechanismen tussen de verschillende bronnen van zeggenschap in de ondernemingen voor het voetlicht gebracht.
Aan het begin jaren '80 heeft corporate governance een nieuw elan gekregen. De grote Amerikaanse pensioenfondsen kregen meer belangstelling voor de ondernemingen waarin ze een deelneming hadden. Bedoeling was het doen en laten van de bestuurders van de ondernemingen waarin de fondsen hadden geïnvesteerd te volgen en in de gaten te houden.
Meer recent heeft het ondernemingsbestuur nieuwe ontwikkelingen gekend als gevolg van de grote schandalen die de bedrijfswereld de jongste decennia hebben dooreengeschud, zoals de zaak-Enron in de Verenigde Staten, waarvan de bestuurders zwaar hebben geknoeid met de vennootschapsrekeningen.
In België werden vanaf de jaren '80 in de wetgeving op de handelsondernemingen bepalingen opgenomen waarvoor de governance theorie model heeft gestaan (bijvoorbeeld de strafrechtelijke strafbaarstelling van het misbruik van vennootschapsgoederen).
Ze werden aangescherpt door de wet van 2 augustus 2002 houdende wijziging van het Wetboek van vennootschapsbelastingen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, de zogenaamde « corporate governance wet » (mogelijkheid om een directiecomité in te stellen, invoering van het begrip « onafhankelijk bestuurder », verruiming en opsomming van de taken die onverenigbaar worden geacht met de functie van commissaris, verplichting voor de ondernemingen met een beheersmandaat een permanente vertegenwoordiger aan te stellen voor wie dezelfde aansprakelijkheidsregels gelden als voor de ondernemingen enz.).
Onlangs werd het debat over het ondernemingsbestuur weer op gang gebracht door de affaire-Picanol, waarbij sprake was van een buitensporige bezoldiging van de gedelegeerd bestuurder van de onderneming in weinig transparante omstandigheden, en door het gesjoemel met de boekhouding in de zaak-Lernout&Hauspie.
Op Europees niveau heeft de Commissie op 21 mei 2003 in een Mededeling aan de Raad en aan het Parlement een Actieplan inzake corporate governance voorgesteld. In dat plan wordt aangegeven dat het elke EU-Lidstaat toekomt een referentiecode op te stellen waaraan de ondernemingen zich moeten conformeren, met dien verstande dat zij bij afwijkende praktijken moeten toelichten waarin precies de verschillen liggen en waarom ze verantwoord zijn.
Naast die wetsbepalingen beschikte België over drie meer algemene documenten met aanbevelingen voor goed bestuur voor de beursgenoteerde ondernemingen. Die aanbevelingen werden opgesteld in 1998, respectievelijk door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, de Beurs van Brussel (sindsdien Euronext Brussels geworden) en het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO).
In januari 2004 hebben de CBFA, Euronext Brussels en het VBO gezamenlijk het initiatief genomen een Commissie Corporate Governance (hierna CCG) in het leven te roepen, die ermee werd belast een unieke referentiecode van « best practice » uit te werken, de zogenaamde Code-Lippens.
Belangrijk is dat de Union des classes moyennes (UCM) en de Unie van de zelfstandige ondernemers (UNIZO) ook een commissie hebben opgericht die op haar beurt de « best pratice »-code heeft opgesteld die als de Code-Buyssens bekend staat. Die Code wordt sinds september 2005 geacht van toepassing te zijn op de niet-beursgenoteerde ondernemingen.
Voor de redactie van de Code-Lippens heeft de CCG haar voorstel in overeenstemming gebracht met de internationale normen, rekening houdend met het Belgische vennootschapsrecht en met de bijzondere kenmerken van de zakenwereld.
De Code is van toepassing op de vennootschappen naar Belgisch recht, waarvan de effecten verhandeld worden op een gereglementeerde markt (« beursgenoteerde vennootschappen »). Voorts wordt in de preambule van de Code aangegeven dat de stellers ervan hopen dat ze ook dienst zal kunnen doen als referentiekader voor alle andere vennootschappen.
De Code is op 1 januari 2005 in werking getreden. De meeste (zie infra) beursgenoteerde ondernemingen naar Belgisch recht hebben op 1 januari 2006 hun Corporate Governance Charter gepubliceerd en hebben in het jaarverslag over het werkjaar 2005 een hoofdstuk ingevoegd over het ondernemingsbestuur.
De CCG heeft sindsdien voorstellen van aanpassingen aan zijn « Code 2004 » gepubliceerd. Over die voorstellen werd een openbare raadpleging gehouden, die op 22 september 2008 werd afgerond.
De CCG heeft net een nieuwe versie van de Code uitgebracht. Daarin zullen de aanpassingsvoorstellen opgenomen zijn die voortvloeien uit de analyse van nieuwe (Europese of Belgische) reglementeringen, van de evolutie van de codes en de goede bestuurspraktijken in de andere landen van de Europese Unie en van de tijdens de openbare raadpleging geformuleerde commentaren.
De nieuwe versie, die de « Code 2009 » moet worden, had op 1 januari 2009 in werking moeten treden.
Om zichzelf te bestendigen heeft de CCG in 2007 beslist een meer permanent karakter aan te nemen door een privaatrechtelijke stichting te worden, met name het Belgian Governance Institute.
Om aan hun optreden een grotere legitimiteit te geven, hebben de initiatiefnemers van de Code ook beslist bepaalde belanghebbenden (stakeholders), zoals het Instituut der Bedrijfsrevisoren en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, bij de redactie te betrekken.
Zoals iedere gedragscode is de Code-Lippens gebaseerd op het concept « zelfregulering », dat wil zeggen de controle van een systeem zonder inmenging van buitenaf, met alle beperkingen van dien ...
In het algemeen opzet van de Code-Lippens komt die idee van zelfregulering eensdeels tot uiting in de hantering van het comply or explain-beginsel en anderdeels in de structurering van de Code in diverse soorten regels met een verschillende draagwijdte, met name : de « principes », de « bepalingen » en de « richtlijnen ».
Volgens het comply or explain-beginsel mogen de ondernemingen afwijken van de bepalingen van de Code, waarmee ze in principe hebben ingestemd, op voorwaarde dat ze uitleggen waarom ze dat doen. De initiatiefnemers van de Code vinden dat die aanpak het voordeel heeft soepel te zijn.
Volgens hen dreigt een strikte en onverbiddelijke toepassing van een gedetailleerd stelsel van regels het enthousiasme van de ondernemingen te doen tanen.
Achter het vaak door de initiatiefnemers van de Code aangevoerde argument dat hij heel soepel kan worden toegepast gaat echter een echt mechanisme van deresponsabilisering van de bedrijfsleiders schuil, aangezien ze op die manier de regels die hen niet goed uitkomen, gewoon kunnen negeren.
De door de initiatiefnemers van de Code gewenste transparantie wordt verkregen via de publicatie van twee verschillende documenten : het Corporate Governance Charter en het Hoofdstuk « Corporate Governance ».
De vennootschap beschrijft in haar Charter de belangrijkste aspecten van haar governance, met name haar structuur, het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur en van de ertoe behorende comités, alsmede andere belangrijke punten. Dat Charter wordt geregeld bij de tijd gebracht, en moet op de webstek van de vennootschap worden gepubliceerd.
Het hoofdstuk « corporate governance », dat wordt opgenomen in het jaarverslag van de vennootschap, bevat dan weer meer feitelijke informatie over het ondernemingsbestuur (de wijzigingen die zich hebben voorgedaan alsook de relevante gebeurtenissen tijdens het afgelopen boekjaar moeten in het verslag staan, alsook de benoeming van nieuwe bestuurders, de aanwijzing van leden van de comités dan wel de bezoldiging van de leden van de raad van bestuur).
Het Belgian Governance Institute en het VBO hebben de resultaten gepubliceerd van verscheidene studies over de toepassing van de Code-Lippens door de op Euronext Brussels genoteerde ondernemingen. De enige cijfers waarover wij beschikken, worden dus door het bedrijfsleven zelf bezorgd ...
Over het algemeen mag worden gesteld dat 79,7 % van de publiek controleerbare gegevens onverkort worden toegepast (comply); 5,1 % van de niet onverkort toegepaste bepalingen worden uitgelegd (explain); 15,2 % van de niet-toegepaste bepalingen wordt hoegenaamd niet uitgelegd; 84,8 % van de publiek controleerbare bepalingen wordt dus nageleefd.
Kijken we naar de inachtneming van de meest kiese in de Code vervatte bepalingen, dan moet die positieve algemene balans evenwel worden genuanceerd wegens de zwakke scores die daarvoor worden gehaald.
65 % van de vennootschappen heeft immers een auditcomité opgericht (dat ermee belast is de raad van bestuur voorstellen te doen over de integriteit van de door de vennootschap verstrekte informatie), en 54 % van de vennootschappen heeft een bezoldigingscomité opgericht (dat ermee belast is de raad van bestuur voorstellen te doen over de bezoldiging van de bestuurders).
53 % van de vennootschappen heeft een benoemingscomité opgericht (dat ermee belast is de raad van bestuur voorstellen te doen over de benoeming van bestuurders); 71 % van de vennootschappen past de bepalingen over de openbaarheid van de individuele bezoldigingen van de bestuurders toe; 8 % van de vennootschappen legt uit waarom die regels niet werden nageleefd; ten slotte past 20 % van de vennootschappen die regels niet toe en legt evenmin uit waarom.
Sedert 2005 hebben veel debatten en hoorzittingen plaatsgevonden over welk juridisch apparaat het meest geschikt en het meest legitiem is om de ondernemingen ertoe te brengen de beginselen van en aanbevelingen over ondernemingsbestuur in acht te nemen (legalistische aanpak dan wel een benadering via zelfregulering).
Na afloop van die debatten bleven de meningen verdeeld over de vraag of de wetgever inzake ondernemingsbestuur moest optreden, hetzij om bij wet bepaalde beginselen en aanbevelingen op het vlak van good governance te bekrachtigen, hetzij om te bepalen welke rechtsgevolgen verband houden met die beginselen en aanbevelingen (waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak tot « internationale standaarden » te komen om de rechtszekerheid van de operatoren te waarborgen).
Door de huidige financiële crisis is het vraagstuk van corporate governance onvermijdelijk opnieuw aan de orde : is dergelijk governance nuttig ? Welke vormen moet het aannemen ? In welke regels moet het voorzien, enzovoort. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) werpt immers niet alleen de vraag op hoe het staat met de controle op de financiële markten, maar ook wat nu de situatie is inzake Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO).
De Belgische regering is immers in naam van dat MVO opgetreden bij de redding van Dexia en Fortis.
Uit de jongste gebeurtenissen is gebleken dat de ondernemingen niet alleen aansprakelijk zijn jegens hun aandeelhouders (shareholders), maar ook ten aanzien van de andere belanghebbenden (stakeholders), in casu de werknemers, de leveranciers, de schuldeisers en de lokale gemeenschappen, kortom elke speler die rechtstreeks belang heeft bij de beslissingen van de onderneming.
Dankzij corporate governance kunnen compenserende regelingen worden ingesteld om te voorkomen dat sommige groepen mensen alleen hun bijzondere belangen dienen ten koste van het vennootschappelijk belang. De huidige crisis toont aan dat de betrokken ondernemingen die regelingen niet hebben toegepast.
Het gebrek aan good governance in het geval-Fortis is werkelijk tekenend en verontrustend, aangezien het rechtstreeks de « vader » van zelfregulering in België treft, met name Maurice Lippens, die de Belgische corporate governance code op de rails heeft gezet.
De aanpak via zelfregulering die de heer Lippens en de commissie corporate governance voorstaan, heeft thans duidelijk zijn beperkingen aangetoond. Zoals de PS al bij het verschijnen van de Code-Lippens had bepleit, is regulering te verkiezen boven zelfregulering. Men mag de zakenwereld niet langer laten voorwenden dat er niets aan de hand is.
De beschikking die de Brusselse rechtbank van koophandel op 18 december 2008 heeft gewezen over de zaak-Fortis, is glashelder over die aangelegenheid. Die beschikking is bijzonder aangezien ze betrekking heeft op de toepassing door Maurice Lippens van de regels good governance-regels in zijn eigen onderneming. Volgens rechter De Tandt is het volstrekt onbelangrijk dat de raad van bestuur de regels voor good governance die hij zichzelf had opgelegd, heeft overtreden, aangezien die regels in geen enkel opzicht dwingend zijn.
Die uitspraak herinnert er niet alleen aan dat zelfregulering niet langer volstaat, maar ook dat ze bovendien de belangen kan schaden van derden én aandeelhouders. De aanneming door Fortis van zijn eigen code voor good governance heeft bij veel mensen gewettigde verwachtingen gewekt. Zo hebben de aandeelhouders bijvoorbeeld terecht gedacht dat de bestuurders gebonden waren door de good governance-regels die zij zichzelf hadden opgelegd. Het staat buiten kijf dat het louter bestaan van die Code heel wat mensen heeft misleid omtrent hun rechten en plichten ten aanzien van Fortis.
Dat is trouwens de volstrekte paradox bij good governance codes : als alles goed gaat, hebben ze louter een cosmetisch belang; als de toestand gecompliceerder wordt, geven ze niet alleen blijk van hun nutteloosheid maar ook van hun schadelijkheid.
Wil men de manier waarop ondernemingen worden bestuurd, bijsturen, dan moet dat uiteraard onvermijdelijk bij wet gebeuren. Alleen een wet kan, ten voordele van alle belanghebbenden, de bevoegdheden binnen een vennootschap vastleggen met het oog op een beter evenwicht tussen de leidinggevende instanties, de controle-instanties en de aandeelhouders. De wetgever moet de compenserende regelingen versterken om te voorkomen dat sommige groepen mensen alleen hun bijzondere belangen dienen ten koste van het belang van de vennootschap.
Volgens de indieners van dit wetsvoorstel waarborgt alleen de wet direct of indirect de inachtneming van de regels voor good governance.
Direct : bepaalde good governance-regels zijn dusdanig belangrijk dat ze vanaf heden in de wet moeten worden opgenomen. In dit geval is dat in het Wetboek van vennootschappen.
Indirect : voor de andere regels inzake good governance kunnen de ondernemingen de gedragscodes blijven toepassen, maar moet krachtens de wet wel gelden dat op de inachtneming ervan wordt toegezien, met name enerzijds door de in gebreke blijvende bestuurders aansprakelijk te stellen, en anderzijds door een instantie op te richten die de follow-up op zich neemt.
Met betrekking tot de in de wet op te nemen regels voor good governance vragen wij :
— voor de topmanagers van de genoteerde vennootschappen te voorzien in een vast en een variabel salarisgedeelte; het vast gedeelte van de bezoldiging mag daarbij niet hoger liggen dan het door de toezichthoudende instanties vastgelegde maximumbedrag, en het variabel gedeelte is beperkt tot 30 % van het vast gedeelte;
— ervoor te zorgen dat de verrichtingen die de bedrijfsleiders hebben uitgevoerd met de effecten van de onderneming, beter bekend zijn;
— op te leggen dat de algemene vergadering van aandeelhouders moet stemmen over alle facetten van de bezoldiging alsook de directe en indirecte voordelen van de topmanagers;
— de voor salarissen vigerende fiscaliteit (100 % van het voordeel) toe te passen op aandelenoptieplannen (stock options), alsmede de op die aandelen geboekte meerwaarde te belasten;
— de onderneming te verplichten dat zij zich ervan vergewist dat alle middelen en gegevens beschikbaar zijn, meer bepaald op de webstek van de vennootschap, opdat de aandeelhouders hun rechten kunnen uitoefenen;
— na eensluidend advies van de ondernemingsraad onafhankelijke bestuurders aan te stellen;
— het begrip « vennootschappelijk belang van de onderneming », dat momenteel alleen slaat op de aandeelhouders, te verruimen tot de andere belanghebbenden.
Met betrekking tot de overige vigerende regels voor corporate governance die zijn opgenomen in de Code-Lippens (of, voor de kmo's, de Code-Buysse), doch die volgens de indieners niet in het Wetboek van vennootschappen moeten worden opgenomen, vragen wij :
— de voor de bestuurders geldende hoofdelijke aansprakelijkheid ook te doen gelden inzake de niet-naleving van de voorschriften die zijn vervat in de corporate governance code of in de gedragscode die de vennootschap verkiest goed te keuren en als bijlage aan haar statuten hecht;
— binnen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een onafhankelijke, paritaire, en representatieve begeleidingscommissie inzake de regels voor good governance op te richten.
Artikel 2
De heersende crisis doet niet alleen de roep naar controle op de financiële markten weerklinken, maar doet eveneens de vraag rijzen welke maatschappelijke verantwoordelijkheid de ondernemingen dragen.
Precies in naam van die maatschappelijke verantwoordelijkheid is de regering immers verschillende bankinstellingen ter hulp gesneld. In de beschikking van de rechtbank van koophandel in de zaak-Fortis stond overigens duidelijk te lezen dat het optreden van de Belgische Staat prima facie tot doel had het vertrouwen tussen de banken onderling te herstellen, alsook het vertrouwen in verschillende aspecten van het vennootschappelijk belang van Fortis.
Die crisis heeft aangetoond dat de ondernemingen niet alleen een verantwoordelijkheid dragen ten aanzien van hun aandeelhouders (shareholders), maar ook ten aanzien van de andere belanghebbenden (stakeholders), zoals de werknemers, de leveranciers, de schuldeisers en de lokale gemeenschappen. Kortom : al wie direct invloed ondervindt van de beslissingen van de onderneming.
Een beslissing in het belang van de aandeelhouders kan worden betwist, als ze de andere belanghebbenden een nadeel berokkent dat geenszins in verhouding staat met het door die aandeelhouders genoten voordeel.
Artikel 3
Dit artikel verplicht de vennootschap de aandeelhouders alle middelen en informatie ter beschikking te stellen (met name op de website van de vennootschap) die nodig zijn opdat zij hun rechten kunnen uitoefenen.
Voorts behelst dit artikel een strengere controle op en een strikter beheer van de informaticasystemen die voor de organisatie van de onderneming worden gebruikt, teneinde ze zo transparant mogelijk te maken (IT-governance).
IT-governance (of het beheer van de informatiesystemen of nog het informaticabeheer) is een term die verwijst naar de middelen voor het beheer en de regulatie van de informatiesystemen binnen een onderneming.
Dat geheel van « goede praktijken », dat ertoe strekt de informatica daadwerkelijk ten dienste te stellen van de bedrijfsstrategie en van de doelstellingen inzake waardecreatie, maakt integraal deel uit van het ondernemingsbestuur.
Artikel 4
De onafhankelijke bestuurder speelt een cruciale rol. Hij heeft een objectieve — want externe — kijk op de strategie en de ontwikkelingsperspectieven van de onderneming. Zijn professionalisme moet de onderneming geloofwaardig maken bij de banken en aantrekkelijk in de ogen van potentiële, kwaliteitsvolle medewerkers.
De onafhankelijke bestuurders worden door de algemene vergadering aangewezen, op voordracht van de raad van bestuur en zijn voorzitter. Zij worden geacht onafhankelijk te zijn ...
Dat is echter de theorie, want in de praktijk komt hun aanwijzing vaker neer op een soort « coöptatie onder vrienden ». Dergelijke praktijken doen het aanzien van de onafhankelijke bestuurders geen goed. Netwerken van onafhankelijke bestuurders die in de zakenwereld vaak tot controverse leiden, zijn bijvoorbeeld de « Club du Zoute » en de « Vlerick's Fraternity ».
Voorgesteld wordt dat de namen van de als onafhankelijke bestuurders voorgedragen personen aan de ondernemingsraad worden voorgelegd.
Artikel 5
De huidige gebeurtenissen tonen aan dat het « comply or explain »-beginsel ontoereikend is om een goed beheer binnen de zakenwereld te garanderen.
In het Wetboek van vennootschappen moet worden bepaald dat, als een vennootschap zich ertoe verbindt de regels van goed bestuur na te leven, zij dat niet vrijblijvend doet : een en ander moet namelijk impliceren dat de bestuurders daadwerkelijk verantwoordelijkheid dragen.
Daartoe is een aanvulling van artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen vereist, met de bedoeling de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders, die momenteel beperkt blijft tot de inbreuken op het Wetboek van vennootschappen of de statuten van de vennootschap, uit te breiden tot de niet-naleving van de corporate governance code of de gedragscode die de vennootschap beslist na te leven en die ze als bijlage bij haar statuten voegt.
Door de wet in die zin te wijzigen, verandert de juridische aard van de aangegane engagementen. Aldus is het mogelijk die engagementen, die momenteel gebaseerd zijn op gewone aanbevelingen en waarvan de niet-naleving niet wordt gestraft, te doen vallen onder de voorwaarden opgenomen in artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, wat in het belang van de gemeenschap en van derden is.
Artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen is gekoppeld aan artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. De klager moet dus het bewijs aandragen van de fout, de schade en het causaal verband tussen beide; voorts moet hij aangeven welke wettelijke of statutaire bepalingen de bestuurders hebben genegeerd.
Aldus kunnen de bedrijfsleiders aansprakelijk worden gesteld voor de niet-naleving van de corporate governance code, zoals dat al het geval is voor de andere overtredingen van het Wetboek van vennootschappen of de statuten. Zij moeten de regel(s) die ze zichzelf hebben opgelegd naleven, want ze hebben zich daar uit vrije wil en eenzijdig toe verbonden en hebben aldus een bepaalde schijn en gewettigde verwachtingen gewekt.
Als bepaalde regels voor een onderneming zo belangrijk worden dat ze beslist ze in een charter op te nemen of er in haar jaarverslag melding van te maken, dan kan men er redelijkerwijs van uitgaan dat die regels bij derden legitieme verwachtingen wekken. Zodra dergelijke verwachtingen zijn gewekt, moet de niet-naleving van die regels logischerwijs leiden tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders.
Artikel 6
Voorgesteld wordt dat de bestuurders van ondernemingen een bezoldiging krijgen die is samengesteld uit een vast en een variabel gedeelte. Het vaste gedeelte mag een door de controleoverheid vastgesteld maximaal salarisbedrag niet overschrijden. Fatsoenlijke grenzen vaststellen die niet mogen worden overschreden, is het beste middel om aan de eis inzake transparantie tegemoet te komen.
Het variabel gedeelte van de bezoldiging mag 30 % van het vast gedeelte van de bezoldiging niet overschrijden. Dat variabel gedeelte moet in de eerste plaats zijn gekoppeld aan de ondernemingsresultaten en niet aan de beurskoers. Dat variabel gedeelte zal stelselmatig a posteriori door de algemene vergadering van aandeelhouders moeten worden goedgekeurd.
Een dergelijk voorstel is tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne gelanceerd.
De idee is de salarissen van de Amerikaanse topmanagers af te stemmen op de bovengrens van de wedden van de Amerikaanse federale regeringsambtenaren.
Artikel 7
Die regels moeten door een onafhankelijk orgaan worden opgevolgd. Maar de commissie-Lippens, de enige structuur die over de opvolging van de good governance regels gaat, is thans echter niet of niet langer legitiem. Dat gebrek aan legitimiteit laat zich gevoelen in de samenstelling (weinig representatief, niet onafhankelijk) of in de werkingswijze (weinig democratisch).
De installatie binnen de Centrale Raad voor het bedrijfsleven van de Monitoringcommissie voor de toepassing en evaluatie van de beginselen en aanbevelingen inzake good governance, zou het mogelijk maken voor die zozeer ontbrekende legitimiteit te zorgen.
De Monitoringcommissie zal zijn samengesteld uit de sociale gesprekspartners die lid zijn van de Centrale Raad voor het bedrijfsleven, en van vertegenwoordigers van de CBFA, van de investeerders, van Euronext, van verenigingen die de consumenten verdedigen (bijvoorbeeld Deminor) en van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren.
Met het verslag dat de commissie zal overleggen, zal men de beginselen en aanbevelingen inzake good governance kunnen bepalen, die de ondernemingen bewust te weinig in nacht nemen, die bijgevolg in de wet moeten worden opgenomen.
Artikel 8
Dit artikel strekt ertoe de algemene vergadering van aandeelhouders stemgerechtigd te maken voor alle elementen in verband met de bezoldiging en andere directe of indirecte voordelen van topmanagers. De algemene vergadering moet zich immers kunnen uitspreken over de verschillende elementen van het salaris van de mensen die de vennootschap zullen besturen.
Artikel 9
De « stock option »-plannen worden bij ons aandelenoptieplannen genoemd. Aandelenopties zijn geen aandelen, maar een aankooprecht op aandelen (de onderliggende aandelen). Technisch spreekt men van een optie uitoefenen via een koop (calloptie) of een verkoop (putoptie).
Het gaat om een mechanisme van winstdeling voor de personeelsleden van de onderneming, alsook voor de bestuurders van de onderneming. Door die opties ter beschikking te stellen, verbindt de onderneming zich ertoe aandelen aan de bediende of de bestuurder te verkopen, gedurende een bepaalde periode, tegen vooraf bepaalde prijzen en voorwaarden.
Als een onderneming beursgenoteerd is, kan men de evolutie van de waarde van de aandelen dagelijks volgen. De koersen variëren onophoudelijk. Door op een koopoptie in te tekenen, heeft de bestuurder van de onderneming het recht de aandelen van de onderneming in een bepaalde periode tegen een vaste prijs terug te kopen. Die terugkopen bestaan in « het uitoefenen van een optie ».
De houder van het recht zal zijn opties uiteraard pas verkopen als de koers van het aandeel stijgt. In dat geval zal zijn optie hem een winst opleveren. Hij zal de aandelen dan kunnen terugkopen tegen een betere prijs. Maar als de koers daalt, zal zijn optie in waarde afnemen.
Dit soort van systeem maakt de bestuurders van de ondernemingen direct tot « belanghebbenden » en zij zijn dan ook geneigd de werking van de onderneming af te stemmen op het beursverloop. De beurslogica primeert dan op het jaarresultaat van de onderneming.
Met een ontradende fiscaliteit zou het mogelijk moeten zijn een einde te maken aan dit soort systeem dat meer oog heeft voor beurswinst op korte termijn dan voor het creëren van meerwaarde op middel/lange termijn.
Aangezien het gaat om een vorm van participatie in de resultaten van de onderneming, blijkt het logisch voor de meerwaarden die daadwerkelijk in het kader van de aandelenoptieplannen worden gerealiseerd, in een belasting te voorzien tegen een afzonderlijk tarief van 25 %, dat wil zeggen het equivalent van de roerende voorheffing betreffende de aan de aandeelhouders uitgekeerde dividenden.
Daartoe wordt artikel 42, § 2, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen opgeheven, omdat het bepaalt dat meerwaarden die naar aanleiding van de verkoop van een aandelenoptie worden gerealiseerd, niet belastbaar zijn.
Tot slot wordt voorgesteld artikel 43, § 1, van dezelfde wet volledig te wijzigen, teneinde de forfaitaire bepaling van het voordeel dat door de gerechtigde van een aandelenoptie wordt verworven, om te vormen in een bepaling van het reëel verworven voordeel.
Artikel 10
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de wet.
| Philippe MAHOUX. Joëlle KAPOMPOLÉ. Christiane VIENNE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 6 van het Wetboek van vennootschappen wordt aangevuld met een 3º, luidende :
« 3º onder « vennootschappelijk belang », het belang van de onderneming die georganiseerd is als rechtspersoon met eigen rechtsbevoegdheid en die op duurzame wijze de verwezenlijking van haar vennootschapsdoel nastreeft, in het gemeenschappelijk belang van haar aandeelhouders en haar andere belanghebbenden. ».
Art. 3
Artikel 522 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt aangevuld met een § 3, luidende :
« § 3. De raad van bestuur dient :
— een communicatiebeleid uit te bouwen teneinde een daadwerkelijke dialoog te bevorderen met de aandeelhouders en de investeerders;
— ervoor te zorgen dat alle middelen en inlichtingen beschikbaar zijn om de aandeelhouders in staat te stellen hun rechten uit te oefenen;
— ervoor te zorgen dat de nuttige informatie vóór de algemene vergaderingen beschikbaar is op de internetsite van de vennootschap;
— te zorgen voor een verhoogde controle op en beheersing van de computersystemen waarvan de organisatie van de ondernemingen afhangt, teneinde de transparantie ervan te optimaliseren. ».
Art. 4
Artikel 524, § 4, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt : « § 4. In de ondernemingen waar een ondernemingsraad werd ingesteld in uitvoering van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, moet de ondernemingsraad een eensluidend advies uitbrengen over de benoeming van de kandidaten tot onafhankelijk bestuurder voorafgaand aan de benoeming door de algemene vergadering.
Art. 5
In artikel 528, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, worden de woorden « dit wetboek of van de statuten van de vennootschap » vervangen door de woorden « dit wetboek, van de statuten van de vennootschap, dan wel van alle of een deel van de regels inzake corporate governance tot de naleving waarvan de vennootschap zich heeft verbonden. ».
Art. 6
In boek VIII, titel IV, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling V ingevoegd met als opschrift « Bezoldiging », die artikel 530/1 omvat en luidt :
« Afdeling V. Bezoldiging
Art. 530/1. — De bezoldiging van iedere persoon die, in rechte of in feite, de vennootschap bestuurt, is samengesteld uit een vast gedeelte en een variabel gedeelte. Het vast gedeelte mag niet hoger liggen dan een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaald maximum bezoldigingsbedrag.
Het variabel gedeelte van de bezoldiging mag niet hoger liggen dan 30 % van het vast gedeelte ervan. Dat variabel gedeelte moet systematisch naderhand worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de aandeelhouders, die nagaat of dit gedeelte vóór alles gekoppeld is aan de ondernemingsresultaten is en niet aan de beurskoers. Dit variabel gedeelte is alleen opeisbaar en betaalbaar als het wordt goedgekeurd tijdens de eerste jaarlijkse algemene vergadering die volgt op de beslissing inzake de toekenning ervan en de bepaling van het bedrag ervan. ».
Art. 7
In boek III, titel IV, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling VI ingevoegd, met als opshrift « Ondernemingsbestuur », die artikel 530/2 omvat en als volgt luidt :
« Afdeling VI. Ondernemingsbestuur
Art. 530/2. — Bij de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wordt een Monitoringcommissie voor de toepassing en evaluatie van de beginselen en aanbevelingen van good governance opgericht.
Deze Monitoringcommissie is samengesteld uit eensdeels sociale partners die lid zijn van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en een vertegenwoordiger van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, en anderdeels, als deskundigen, vertegenwoordigers van de investeerders, van Euronext en van het Instituut der Bedrijfsrevisoren.
Deze Commissie zendt elk jaar aan het Parlement een verslag in verband met de inachtneming van de beginselen en aanbevelingen van good governance. In voorkomend geval formuleert ze in verband met de beginselen en aanbevelingen voorstellen, die in de wet moeten worden opgenomen. ».
Art. 8
Artikel 554 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
« De algemene vergadering spreekt zich eveneens via een bijzondere stemming uit over de verschillende bestanddelen van de bezoldiging van de personen die in rechte of in feite de vennootschap besturen.
Onder bestanddelen van de bezoldiging worden verstaan :
— de basisbezoldiging;
— alle incentives met betrekking tot het jongste financieel jaar;
— de kosten van de pensioenen, met uitleg over de vigerende nadere regels inzake de intrekking;
— de overige bestanddelen van de bezoldiging. ».
Art. 9
In artikel 43, § 1, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
« § 1. Het krachtens artikel 42, § 1, belastbare bedrag van het voordeel stemt overeen met de meerwaarde uit het verschil tussen de waarde van het aandeel op het tijdstip van het aanbod en de verkoopwaarde ervan wanneer de optie wordt uitgeoefend. »;
2º paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 10
Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
11 februari 2009.
| Philippe MAHOUX. Joëlle KAPOMPOLÉ. Christiane VIENNE. |