4-677/3 | 4-677/3 |
11 FEBRUARI 2009
Nr. 1 VAN DE HEER COLLAS
Art. 2
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 2. — In artikel 259bis-9 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 7 april 2005 en bij de wet van 31 januari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende twee zinnen : « Wanneer evenwel de benoemingscommissie daartoe beslist, kan het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid of van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage door de Duitstalige kandidaten die hierom verzoeken in de Duitse taal worden afgelegd. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Duitstalige kandidaat iedere persoon verstaan die houder is van een diploma van het secundair onderwijs dat werd behaald in een onderwijsinstelling van het Duitse taalgebied of iedere persoon wiens hoofdverblijfplaats of werkplaats zich sinds ten minste vijf jaar in een gemeente van het Duitse taalgebied bevindt. »;
2º paragraaf 2, opgeheven bij de wet van 31 januari 2007, wordt hersteld als volgt : « § 2 — De Duitstalige geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage moeten de eerste keer solliciteren voor een ambt van magistraat waarvoor de kennis van het Duits is vereist en moeten dit ambt gedurende ten minste drie jaar uitoefenen. ».
Verantwoording
1º De Hoge Raad voor de Justitie heeft in zijn advies aangegeven dat het begrip « Duitstalige kandidaat » moest worden verduidelijkt. Het is immers absoluut noodzakelijk dat niet om het even wie zich Duitstalig noemt.
2º De Hoge Raad voor de Justitie acht het tevens opportuun om een minimumperiode van toewijzing aan het ambt van magistraat dat wordt uitgeoefend in een gerechtelijk arrondissement waar kennis van het Duits noodzakelijk is, in te voeren. Wij hebben beslist dat deze periode drie jaar bedraagt, om op één lijn te blijven met artikel 216bis, dat bepaalt dat men niet kan solliciteren vóór het verstrijken van een periode van drie jaar in geval van benoeming.
Nr. 2 VAN DE HEER COLLAS
Art. 3
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 3. — In artikel 259bis-10, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en laatst gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1, 2º, worden tussen de woorden « de organisatie » en het woord « van het examen », de woorden « van het schriftelijke en het mondelinge gedeelte » ingevoegd;
2º in § 2, eerste lid, tweede volzin worden de woorden « en de verbetering » ingevoegd tussen de woorden « bij de voorbereiding » en de woorden « van de in § 1, 2º, bedoelde examens »;
3º in § 2, eerste lid, tussen de tweede en de derde volzin, worden de volgende zinnen ingevoegd : « Deze deskundigen brengen verslag uit van hun werkzaamheden bij de benoemingscommissie die hen heeft aangewezen. De deskundigen die de subcommissies dienen bij te staan in de voorbereiding en de verbetering van de examens bedoeld in § 1, 2º, waarvan het schriftelijke gedeelte in het Duits werd afgenomen, worden aangewezen op grond van hun juridische en taalkundige bekwaamheid. Er zijn vier deskundigen : twee magistraten en twee niet-magistraten. Één van de niet-magistraten moet licenciaat in de Germaanse filologie zijn en Duits gestudeerd hebben. ».
Verantwoording
1º Met deze toevoeging wil het amendement alleen maar duidelijker aangeven welke de aard en de bevoegdheden zijn van de benoemingscommissie op het vlak van het organiseren van het beroepsbekwaamheidsexamen en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage. Elk van deze examens bestaat uit twee delen : een schriftelijk en een mondeling gedeelte.
2º Deze wijziging verleent de externe deskundigen de bevoegdheid om de commissieleden bij te staan bij het verbeteren van de examens.
3º Deze wijziging komt tegemoet aan een aanbeveling van de Hoge Raad voor de Justitie. Het advies van de Hoge Raad van 5 november 2008 over de vraag of het aangewezen is de toelatingsexamens tot de magistratuur in het Duits te organiseren, was gunstig voor het wetsvoorstel, op voorwaarde dat enkele wijzigingen worden aangebracht. Zo zouden de deskundigen verslag moeten uitbrengen aan de benoemingscommissie die op hen een beroep gedaan hebben. Bovendien beveelt de Hoge Raad voor de Justitie aan dat de deskundigen die instaan voor de voorbereiding en de verbetering van het schriftelijke gedeelte van de toelatingsexamens tot de magistratuur (de eerste en de tweede mogelijkheid) met vier zouden zijn. Er wordt ook voorgesteld dat hierbij de pariteit magistraten/niet-magistraten in acht wordt genomen. Het lijkt ons dan ook aangewezen dat één van deze twee niet-magistraten licenciaat is in de Germaanse filologie en Duits gestudeerd heeft. Deze deskundigen mogen echter in geen geval deelnemen aan de deliberaties over het al dan niet slagen van de kandidaten.
Nr. 3 VAN DE HEER COLLAS
Art. 4
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
De Hoge Raad voor de Justitie meent dat het Instituut voor gerechtelijke opleiding niet de aangewezen instelling is om als deskundige op te treden bij het corrigeren van de examens van de kandidaat-magistraten. De wet van 31 januari 2007 inzake het Instituut voor gerechtelijke opleiding geeft het immers geen enkele rol in verband met selectie. We stappen dus af van het idee om het die bevoegdheid te geven.
Nr. 4 VAN DE HEER COLLAS
Opschrift
Het opschrift vervangen als volgt :
« Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek om de Hoge Raad voor de Justitie de mogelijkheid te geven om de voorbereiding en de verbetering van het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op te dragen aan externe deskundigen ».
| Berni COLLAS. |