4-62

4-62

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 5 FEBRUARI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Helga Stevens aan de minister van Justitie, aan de minister van Migratie- en Asielbeleid en aan de minister van Binnenlandse Zaken over źde gebrekkige communicatie tussen de parketten en de Dienst Vreemdelingenzaken╗ (nr. 4-610)

Mondelinge vraag van de heer Tony Van Parys aan de minister van Justitie over źhet verlaten van het grondgebied van de daders van de steekpartij die te Gent plaatsvond op 4 september 2007╗ (nr. 4-611)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - De afgelopen week waren we allen getuige van de spaak lopende communicatie tussen het Gentse parket en de dienst Vreemdelingenzaken, de DVZ. Twee Oekra´ense minderjarigen waartegen een gerechtelijk onderzoek loopt wegens het neersteken van een medeleerling, konden onlangs ongestoord het land verlaten. Het Oekra´ense gezin ging hiermee vrijwillig in op het uitwijzingsbevel van de DVZ, nadat zijn asielaanvraag was afgewezen. De beide jongens dreigen aan elke vorm van vervolging voor de hen ten laste gelegde feiten te ontsnappen.

Blijkbaar heeft het Gentse parket de DVZ er niet van op de hoogte gebracht dat tegen de twee Oekra´ense minderjarigen een gerechtelijk onderzoek loopt en dat ze bijgevolg op Belgisch grondgebied moesten blijven. De DVZ zelf heeft het parket niet ge´nformeerd over het feit dat het Oekra´ense gezin het land werd uitgezet. Hoewel de steekpartij veel media-aandacht heeft gekregen en het afgelopen jaar geregeld in de media aan bod kwam, ging bij niemand van de dienst een alarmbelletje rinkelen bij het opstellen van de uitwijzingsbevelen.

De reactie van het Gentse parket getuigt van weinig verantwoordelijkheidszin. Volgens de woordvoerster vergt het te veel werk om de DVZ op de hoogte te brengen van alle onderzoeken naar vreemdelingen. Dat is ergens nog begrijpbaar. Ook de DVZ zegt geen tijd te hebben om de parketten op de hoogte te brengen van de genomen uitwijzingsbeslissingen. Dat boefjes en criminelen aan vervolging ontsnappen, neemt men dan maar voor lief.

Deze situatie is hemeltergend. We leven toch in de eenentwintigste eeuw! Het zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn dat de parketten en de DVZ dergelijke gegevens via een ge´nformatiseerde databank uitwisselen.

De zaak is de zoveelste smet op het blazoen van justitie in korte tijd. De DVZ komt er evenmin goed uit. Daarom wil ik beide bevoegde ministers dringend vragen welke oplossingen zij voor ogen hebben voor een betere samenwerking tussen de parketten en de DVZ? Zien de ministers iets in mijn suggestie om systematisch aan gegevensuitwisseling te doen via een ge´nformatiseerde databank, ten minste voor zware misdrijven zoals moord, zedenfeiten en mensenhandel? Zullen de ministers ten slotte ook laten onderzoeken wie voor het aangehaalde falen verantwoordelijk is, zodat dergelijke feiten zich in de toekomst niet herhalen?

De heer Tony Van Parys (CD&V). - Simon Wijffels zei gisteren dat hij weer zonder angst de straat op kan. Dat is helaas niet het gevolg van het doortastende optreden van justitie, dat maatregelen zou hebben genomen om elk mogelijk contact tussen de daders en het slachtoffer te voorkomen. Neen, het is net door het falen van het Gentse parket en van de dienst Vreemdelingenzaken dat het slachtoffer weer zonder angst de straat op durft. Deze diensten hebben het immers mogelijk gemaakt dat de daders legaal het grondgebied konden verlaten en zich aldus aan een berechting konden onttrekken.

Het grote probleem is dat de diensten in dit dossier hun kernopdracht niet hebben uitgeoefend, namelijk daders opsporen, daders berechten, daders bestraffen en straffen ten uitvoer leggen.

Zoals de minister in de pers heeft aangehaald, vertoont dit dossier alle kwalen die we in diverse onderzoekscommissies hebben vastgesteld. Niet alleen was er geen informatie-uitwisseling, er was ook geen management noch enige assertiviteit, waardoor het slachtoffer nogmaals het slachtoffer is geworden.

Ik heb mij geŰrgerd aan de communicatie van het parket en de dienst Vreemdelingenzaken. Ze hebben niet in eigen boezem gekeken, maar enkel gewezen op de fout van de andere en uiteindelijk ook geen empathie getoond voor het slachtoffer en zijn familie.

Justitie en de rechterlijke orde hebben nood aan management. Dat begint bij de meting van de werklast en van de kwaliteit van het werk. Voorts hebben ze ook nood aan zorgvuldigheid, wilskracht, motivatie, gedrevenheid en bezieling om hun diensten aan de burger te verlenen.

Iedereen is het erover eens dat er in bepaalde dossiers absoluut niets mag mislopen. Dit dossier is er zo een. Desalniettemin heeft men steken laten vallen en fundamentele fouten gemaakt.

We zullen nu wetgevend moeten optreden. Er zal een circulaire moeten worden opgesteld omtrent de uitwisseling van informatie en de verhouding tussen de diensten. Gegevensuitwisseling zou evenwel in de genen moeten zitten van degenen die met dergelijke dossiers bezig zijn; gegevensuitwisseling is basic en zou automatisch moeten gebeuren. Ik reken en vertrouw op de minister van Justitie om die mentaliteit bij Justitie aan te moedigen. Dat was tien jaar geleden overigens reeds zijn leidmotief.

Ik zou dan ook graag vernemen hoe de opdracht kon worden gegeven aan de daders van de steekpartij in Gent om het grondgebied te verlaten, terwijl ze onder toezicht stonden van de jeugdrechter en het proces nog moest volgen.

Hoe verliep de informatie-uitwisseling tussen het parket en de dienst Vreemdelingenzaken? Had het parket de dienst Vreemdelingenzaken gewezen op de procedure en verzocht de daders in BelgiŰ te houden? Bestaan hieromtrent richtlijnen aan de parketten?

Hoe gebeurde het toezicht van de sociale dienst van de jeugdrechtbank? Waren er contacten tussen de sociale dienst en de dienst Vreemdelingenzaken?

Hoe verliep de informatie-uitwisseling met de familie van het slachtoffer? Werden het slachtoffer en zijn familie ingelicht over de uitgaanspermissies van de dader? Werd het slachtoffer ingelicht over het bevel om het grondgebied te verlaten?

Wat is het verdere verloop van de procedure? Welke maatregelen zal de minister nemen?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Met dit dossier hebben we op een pijnlijke manier vastgesteld dat anno 2009 twee overheidsinstanties, namelijk het Openbaar Ministerie en de dienst Vreemdelingenzaken, op cruciale momenten niet met elkaar communiceren.

Sta me toe eerst dieper in te gaan op het dossier zelf, in het bijzonder op de behandeling van de minderjarige daders.

De jongste van de twee broers, die op het ogenblik van de feiten, zijnde 4 september 2007, nog geen zestien jaar was, werd door de jeugdrechter eerst in Everberg en daarna in Ruiselede geplaatst. Op 27 juni 2008 werd hij voor een periode van zes maanden in zijn thuismilieu onder toezicht van de sociale dienst gesteld. Voorwaarden daarbij waren contactverbod met het slachtoffer, een zinvolle tijdsbesteding, voldoen aan de leerplichtwet en geen gevechtssporten beoefenen.

Door een maatregel van de jeugdrechter verbleef hij dus bijna tien maanden in een instelling, van 5 september 2007 tot 27 juni 2008.

De oudste broer werd na de feiten eveneens in Everberg en vervolgens in Ruiselede geplaatst. Hij werd op 19 december 2008 in zijn thuismilieu onder toezicht van de sociale dienst gesteld onder gelijkaardige voorwaarden als zijn broer. Hij verbleef dus tussen 6 september 2007 en 19 december 2008, een periode van ongeveer vijftien maanden, in een instelling.

Aan geen van beide minderjarigen legde de jeugdrechter het verbod op het land te verlaten. Het strafdossier was midden september van vorig jaar klaar, maar op basis van enkele persartikelen gaf het parket op 7 oktober 2008 de politiediensten nog drie bijkomende opdrachten: een herverhoor van het slachtoffer, Simon Wijffels, een herverhoor van beide daders en een confrontatie met het nieuwe verhoor van het slachtoffer, en nazicht van het verblijfsstatuut van het gezin bij de dienst Vreemdelingenzaken. De uitgevoerde opdrachten kwamen midden november 2008 bij het parket in Gent aan. Uit de laatste opdracht werd vernomen dat het gezin waarvan beide broers deel uitmaken, op 4 oktober 2005 asiel aanvroeg, dat negatief werd beoordeeld. Na de hele beroepsprocedure werd het gezin op 16 juli door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de hoogte gebracht van het feit dat hen het statuut van vluchteling niet werd toegekend. Hierop werd op 11 augustus 2008 de aanvraag tot machtiging tot verblijf geweigerd en werd op 19 augustus contact opgenomen met de gemeente om een bevel tot het verlaten van het grondgebied te betekenen, samen met de intrekking van de verblijfkaarten. Hiertegen werd op 2 oktober beroep aangetekend.

Het onderzoek zelf kon door de bijkomende opdrachten pas eind 2008 worden afgesloten en het was de bedoeling de zaak zo spoedig mogelijk te laten voorkomen, eind februari of begin maart van dit jaar. Omdat beide daders intussen het land hebben verlaten, zal men dit schema vermoedelijk niet meer kunnen halen. Toch blijft het de bedoeling de zaak zo snel mogelijk te laten voorkomen.

Dit betekent inderdaad niet dat de zaak niet meer kan voorkomen. Het is hypothetisch, maar beide daders kunnen nog steeds opdagen voor de rechtbank en kunnen hiervoor een visum aanvragen. Bovendien is het een algemene regel dat een verdachte niet verplicht is voor de rechter te verschijnen. Hij kan steeds beslissen verstek te laten gaan. Dat geldt voor iedereen, of men nu in het buitenland verblijft of niet. Met andere woorden, zelfs als de betrokkenen nog in het land verbleven, was er geen zekerheid dat ze bij de behandeling van het dossier door de rechter aanwezig zouden zijn geweest.

Dit neemt evenwel niet weg dat er over de huidige manier van werken veel onbegrip bestaat, ook bij mezelf en niet het minst bij het slachtoffer en zijn naaste omgeving. Simon en zijn familie werden tijdens de hele procedure door de dienst Slachtofferonthaal van het parket nauwgezet begeleid. In het totaal waren er niet minder dan 31 contacten. Op alle cruciale momenten van de procedure werd de familie op de hoogte gehouden van de beslissingen, ook al was het soms niet evident om de pers voor te blijven. Uiteraard kon de dienst Slachtofferonthaal het feit dat de daders het land verlaten hadden, alleen maar meedelen toen deze dienst daar zelf kennis van had gekregen, dus post factum.

Er bestaat geen wetsbepaling of richtlijn die de parketten verplicht in elk dossier waarin een niet-Belg betrokken is contact op te nemen met de dienst Vreemdelingenzaken. Omgekeerd wordt het parket door de dienst Vreemdelingenzaken evenmin gepolst over de opportuniteit van elke uitwijzing. Dat zou wellicht ook niet haalbaar zijn.

Het parket van Gent werd in casu ook niet op de hoogte gebracht van de uitwijziging. Pas eind vorige week kreeg het hiervan kennis, via het verslag van de sociale dienst, die de beide broers in het thuismilieu moest opvolgen. Tussen het moment van de vrijlating half december en het moment van de verdwijning verliepen maar een paar dagen. De sociale dienst had dus geen vat meer op de gebeurtenissen.

Nochtans nemen de diensten van de gevangenissen wel contact op met de dienst Vreemdelingenzaken wanneer een buitenlandse onderdaan vrijgelaten wordt uit de gevangenis, als deze niet langer in voorlopige hechtenis moet gehouden worden of vrijkomt nadat hij een gevangenisstraf geheel of gedeeltelijk ondergaan heeft. Vanuit de gevangeniswereld is er een systematische informatiedoorstroming, vanuit de instellingen waar jongeren verblijven is er geen enkele.

Ook bij een politiearrestatie wordt veelal contact opgenomen met de dienst Vreemdelingenzaken teneinde het statuut van de niet-Belg te kennen.

Het is dus niet zo dat het parket of justitiŰle diensten altijd los van elkaar werken. Vaak zijn die diensten goed op elkaar afgestemd en wisselen ze informatie uit. Volgens de huidige regels hebben alle diensten in dit geval formeel gedaan wat ze moesten doen, maar worden we nu geconfronteerd met een gebrek aan synchronisatie, aan anticipatie en aan spontane actie, die uiteraard altijd bovenop de wettelijke regels mogelijk moeten zijn. Het gezin, met inbegrip van beide minderjarige daders, heeft gebruik gemaakt van de lacune in de regelgeving en heeft het land verlaten, in uitvoering van een bevel dat opgelegd werd door de dienst Vreemdelingenzaken.

Het voorval toont aan dat er een probleem bestaat in de regelgeving omtrent de contacten en informatie-uitwisselingen tussen het parket en de dienst Vreemdelingenzaken tijdens lopende onderzoeken, met andere woorden nadat de daders ge´dentificeerd zijn en vˇˇr de behandeling ten gronde voor de feitenrechter.

Toen ik in een vorige legislatuur eveneens minister van Justitie was, heb ik samen met de minister van Binnenlandse Zaken een werkgroep ad hoc opgericht om voor deze lacune een oplossing te zoeken. Het lag in de bedoeling een nieuwe circulaire op te stellen die de samenwerking tussen parketten, politiediensten en de dienst Vreemdelingenzaken zou regelen. Dit overleg is evenwel stilgevallen, ondanks het feit dat de procureur-generaal te Gent eind 1999 het bestaan van deze werkgroep ad hoc onder de aandacht gebracht heeft van de toenmalige minister van Justitie. Spijtig genoeg is er van dit initiatief na 2000 niets meer gehoord.

Het heeft evenwel geen zin om bij de pakken te blijven zitten. We moeten nu op korte termijn opnieuw afspraken maken zodat zulke onrechtvaardigheden niet meer kunnen voorvallen. Het parket zou op een meer systematische manier moeten signaleren aan de DVZ dat er gerechtelijke onderzoeken of opsporingsonderzoeken lopen tegen asielzoekers die uitgewezen worden. Ook de DVZ zou systematisch inlichtingen moeten vragen bij de parketten, bij voorkeur via een vereenvoudigde procedure. Elk proces-verbaal of feit signaleren is evenwel onbegonnen werk. Er zullen daarom welomlijnde categorieŰn of gevallen moeten worden vastgelegd.

Ik heb gisteren al contact opgenomen met het hoofd van de dienst Vreemdelingenzaken om mij in te lichten over de huidige stand van zaken en de werkwijzen bij de DVZ. Ik zal tevens een onderhoud hebben met de andere ministers die in deze problematiek betrokken zijn, meer bepaald de ministers De Padt, Arena en Turtelboom.

Op zeer korte termijn wil ik de werkgroep ad hoc opnieuw bijeenroepen. Alle betrokken partners, zoals het Openbaar Ministerie, de dienst Vreemdelingenzaken, de politie, Binnenlandse Zaken en Justitie, zullen gevraagd worden om zo spoedig mogelijk een regeling uit te werken, opdat voorvallen zoals het voorval dat deze week aan het licht kwam, kunnen worden voorkomen.

De vraag moet worden gesteld of de diensten, ook al ontbreken formele richtlijnen over informatie-uitwisseling, in gevoelige dossiers niet anticiperend moeten optreden. De betrokken diensten van het Openbaar Ministerie te Gent moet worden gewezen op het feit dat dit niet gebeurd is. Ik zal dat verder onderzoeken en ten gepaste tijde initiatieven nemen. Proactief optreden moet immers even vanzelfsprekend zijn als het naleven van richtlijnen of wetgeving.

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - Ik ben blij dat de minister ons onbegrip over de houding van de dienst Vreemdelingenzaken en het parket van Gent deelt. Er is inderdaad geen wettelijke verplichting voor beide diensten om informatie uit te wisselen, maar we mogen toch verwachten dat die diensten proactief optreden, zeker in gevoelige dossiers, zoals moordpoging, zedenfeiten of andere ernstige misdrijven. Ik begrijp dat niet voor elk feit het dossier van de betrokken persoon bij de dienst Vreemdelingenzaken kan worden gevraagd, maar bij ernstige feiten moet er een vorm van structurele informatie-uitwisseling zijn. Zeker in deze tijden van informatie- en communicatietechnologie kan het toch niet moeilijk zijn informatie-uitwisseling structureel in te bedden.

Ik ben blij te vernemen dat de minister het overleg, dat is stilgevallen onder de vorige paarse regering, terug zal opnemen. Dat had al lang moeten gebeuren.

De heer Tony Van Parys (CD&V). - Ik sluit me aan bij mevrouw Stevens.

De politiediensten moeten systematisch worden ingelicht over de voorwaarden die minderjarigen Ún meerderjarigen worden opgelegd bij een voorwaardelijke invrijheidsstelling. In het Nationaal Veiligheidsplan moet worden bepaald dat de politie moet kunnen optreden en ge´nformeerd moet worden over het feit dat in een bepaalde zone iemand onder voorwaarden is vrijgelaten. Die maatregel kan de efficiŰntie van het toezicht verhogen.

Voorts is het raadzaam dat de minister de betrokken diensten erop wijst dat in de communicatie enige empathie voor de slachtoffers nodig is. Gisteren werd enkel gezegd dat de andere diensten een fout begingen. Het ware beter geweest in de eerste plaats de gebeurtenissen te betreuren. Die gebeurtenissen hebben immers grote gevolgen voor het slachtoffer en zijn familie. Eerst en vooral moet men in eigen boezem kijken.