4-60

4-60

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 JANUARI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Justitie over ęde uitlevering van Veselin Vukotić aan ServiŽĽ (nr. 4-577)

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Op 17 december 2008 werd Veselin Vukotić uitgeleverd aan ServiŽ. Vukotić, zelf ServiŽr, wordt ervan verdacht de Kosovaarse mensenrechtenactivist, Enver Hadri, in ware commandostijl op 25 februari 1990 in de Brusselse gemeente Sint-Gillis te hebben neergeschoten. Twee kompanen van hem zouden betrokken zijn bij de schietpartij.

De naam van Vukotić werd dankzij een geanonimiseerde getuigenis in 2003 op het JoegoslaviŽ-Tribunaal in verband gebracht met de moord op Hadri. De anonieme getuige herhaalde later dezelfde getuigenis tegenover het Belgische gerecht.

Vukotić werd na die getuigenis in 2006 opgepakt in Barcelona en zat gedurende twee jaar en vier maanden in voorarrest in ons land. Eind november 2008 kwam hij in de zaak-Hadri vrij op borgtocht van 100 000 euro. Maar de ServiŽr moest in de cel blijven omdat er een uitleveringsverzoek van zijn thuisland tegen hem liep voor vermeende betrokkenheid bij de moord op een van de kompanen betrokken bij de schietpartij in Sint-Gillis.

Op 17 december 2008 werd Vukotić dan plots uitgeleverd aan ServiŽ. Die ontwikkeling lokt heel wat vragen uit. Ten eerste had het openbaar ministerie de vordering in de zaak-Hadri ingesteld waardoor Vukotić in principe voor assisen moest verschijnen. Bovendien beweren zijn advocaten niet van de uitlevering op de hoogte te zijn gesteld. Een van hen verklaarde zelfs dat alles in het grootste geheim is gebeurd en dat Vukotić in het holst van de nacht van zijn bed is gehaald waarbij hij in tien minuten tijd zijn spullen moest pakken.

De uiteindelijke goedkeuring voor die bizarre beslissing kwam van minister Vandeurzen.

Het spreekt voor zich dat die gang van zaken voor de nabestaanden van de heer Hadri onbegrijpelijk is en dat zij met tal van vragen achterblijven.

Waarom is men overgegaan tot die plotse uitlevering en waarom mocht Vukotić niet eerst in ons land voor assisen verschijnen voor de moord op Hadri?

Betekent de uitlevering het einde van de vervolging van Vukotić of wordt de procedure tegen hem in ons land gewoon voortgezet met als gevolg dat Vukotić, indien hij schuldig wordt bevonden, bij verstek veroordeeld kan worden?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik stel vast dat meerdere parlementsleden uit Kamer en Senaat de voorbije dagen zijn benaderd door de zus van Enver Hadri in verband met de uitlevering van de man die verdacht wordt van de moord op haar broer. Al die parlementsleden hebben mij een identiek relaas en chronologisch overzicht gegeven omtrent het onderzoek naar de moord op Enver Hadri, en de aanhouding en de uitlevering aan ServiŽ van zijn vermeende moordenaar. In haar brief aan de diverse parlementsleden vroeg de zus van Hadri of de minister van Justitie over de zaak kon worden geÔnterpelleerd.

Laat mij het verhaal in het kort even duiden. Veselin Vukotić werd in februari 2006 op basis van een Belgisch-Europees aanhoudingsmandaat gearresteerd in Barcelona. ServiŽ vroeg in dezelfde periode eveneens om zijn aanhouding.

Het Belgische gerecht heeft het onderzoek naar de moord op Enver Hadri begin oktober 2008 afgerond en heeft de verwijzing naar het hof van assisen gevraagd.

Vukotić werd in dat kader vrijgelaten tegen betaling van een borgsom. Gezien er op dat ogenblik ook nog een verzoek tot uitlevering vanwege ServiŽ liep, kwam hij evenwel voorlopig niet vrij.

Gelet op de beslissing tot vrijlating tegen betaling van een borgsom en het feit dat, indien die borgsom betaald wordt, hij niet langer in voorhechtenis gehouden kon worden, werd beslist om op het verzoek tot uitlevering aan ServiŽ in te gaan. Daarbij werd tevens rekening gehouden met het feit dat de procedure voor het hof van assisen niet vůůr 2010 ingeleid zou kunnen worden.

Het besluit om Vukotić aan ServiŽ uit te leveren werd al op 7 november 2007 genomen door de toenmalige minister van Justitie, mevrouw Onkelinx.

De uitlevering zelf werd maar tijdelijk opgeschort, aangezien Vukotić in voorhechtenis zat in het kader van het Belgische onderzoek naar de moord op Hadri.

Door de beslissing om hem tegen betaling van een borgsom vrij te laten, was het niet langer nodig of mogelijk om nog langer te wachten met de uitvoering van het ministerieel besluit van mevrouw Onkelinx. Er was met andere woorden geen enkele wettelijke of juridische mogelijkheid om de betrokkene nog langer in de cel te houden in BelgiŽ. De uitlevering aan ServiŽ moest dan ook worden uitgevoerd.

Dat belet evenwel niet dat de procedure voor het hof van assisen nog moet worden gevoerd en dat Vukotić kan worden veroordeeld voor de feiten die hem ten laste worden gelegd. Indien Vukotić finaal niet opdaagt voor het hof van assisen, kan hij dus bij verstek worden veroordeeld.

Dat staat evenwel los van zijn uitlevering aan ServiŽ. Zelfs indien dat verzoek er niet geweest was, dan nog bestond de mogelijkheid dat hij bij verstek zou worden veroordeeld. Zoals gezegd was hij immers door het gerecht vrijgelaten tegen de betaling van een borgsom. Na die betaling was er ook geen waterdichte garantie meer dat hij op zijn proces zou verschijnen. Wel weten we dat de betrokkene sinds 19 december 2008 in handen is van de Servische gerechtelijke autoriteiten, die hun eigen onderzoek nu kunnen voortzetten.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - De vraag blijft waarom iemand die van moord wordt beschuldigd, wordt vrijgelaten. Daarenboven werd hij door de Servische autoriteiten in verband met een andere moordzaak gezocht. Eigenlijk heeft Justitie zichzelf in een lastig parket gebracht door de persoon op borgtocht vrij te laten, waardoor hij dan kon worden uitgeleverd. Ik heb uit het antwoord van de minister niet kunnen opmaken op basis van welke criteria de betrokkene op borgtocht is vrijgelaten.