4-1140/1

4-1140/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

22 JANUARI 2009


Voorstel van resolutie om door kwaliteitscontrole via drugstesten van verdovende middelen, inzonderheid van « partydrugs », de gebruiker te beschermen

(Ingediend door de heer Paul Wille c.s.)


TOELICHTING


1.1. Inleiding

De housescene, met overigens zijn roots via onder andere de new beat in Vlaanderen, kende sinds de jaren tachtig een sterke opgang. Samen met de ontwikkeling van deze synthestische clubmuziek, groeide heel de scene, met een enorme boom van discotheken en party's binnen de subcultuur tot gevolg. Door de jaren heen werden de bijhorende uitgaansrituelen meer en meer mainstream in Vlaanderen. Bovendien muteerde de housemuziek en kreeg het nieuwe wijdverspreide gedaantes. Het uitgaanspatroon gelinkt aan deze nieuwe elektronische muziekgenres zoals techno, tech-house, electro, trance, gabberen, techtonic bleef gekenmerkt door zijn sterke gelijkenis met de nieuwe uitgaanswijzen ontwikkeld tijdens de house-opkomst. Binnen deze uitgaanscultuur ontwikkelde zich naast een aantal nieuwe genres, ook een boom van partydrugs, die sinds de beginjaren, met de opkomst van XTC altijd nauw verweven zijn met deze uitgaanscultuur. Deze drugs werden/worden in de dancescene gebruikt omdat ze passen binnen een cultuur van langer doorgaan en plezier maken. Gezien het grote aantal clubs, eenmalige evenementen en festivals blijken de dancescene en het gebruik van partydrugs tegenwoordig uitgegroeid tot een vast gegeven als uitlaatklep voor jongeren. Door hun vaak centrale rol in het uitgaansleven, is de aanvaarding bij jongeren van deze partydrugs groter dan wat wettelijk getolereerd wordt (Devriendt, 2003).

Binnen de drugsvarianten kan men een onderscheid maken tussen legale en illegale drugs. Onder « illegale drugs » verstaat men drugs waarvan het (niet-medische) gebruik bij wet verboden is. « Legale drugs » zijn bijvoorbeeld alcohol, nicotine, cafeïne, .... Het onderscheid tussen legale (toegelaten) en illegale (verboden) drugs staat evenwel in geen enkele verhouding tot hun potentieel gevaar. Zo is alcohol een legale drug, maar in se een schadelijke toxine. Anderzijds is cannabis een illegale drug, maar is en kan dit product nooit de directe oorzaak zijn van in extremis een overlijden. Bovendien is het zo dat de illegaliteit van drugs elke controle op de kwaliteit — in tegenstelling tot de legale soorten — onmogelijk maakt, waardoor ze uiteraard veel meer een gevaar voor de volksgezondheid vormen. De controle op hun dosering van actieve bestanddelen en de analyse van hun samenstelling zijn zelden bekend. Gezien de groeiende, wijde verspreiding en het substantieel gebruik (cf. infra) van partydrugs, en gezien het mangele Belgische kader wil deze resolutie de aandacht vragen voor de gezondheidsrisico's hieraan verbonden, en het Belgische kader rond de controle op de kwaliteit van de zogenaamde partydrugs nieuw leven inblazen vanuit het standpunt van harm reduction. We concentreren ons vooral op het recreatieve gebruik bij jongeren. Partydrugs worden gedefinieerd als drugs gevonden in de sociale setting van jongeren die recreatief gebruiken voor, tijdens of na de verschillende uitgaansvormen, en waarmee we hoofdzakelijk XTC, speed, cocaïne, vloeibare XTC, andere MDMA-varianten (methyleendioxymethylamfetamine (de drug ecstasy)) en synthetische drugs bedoelen.

1.2. Partydrugs en jongeren, gebruik

Waar de jongste jaren steeds meer aandacht aan besteed wordt, is het in kaart brengen van het drugsgebruik in de sociale setting van jongeren. De VAD (Vereniging voor Alcohol en andere Drugproblemen), en tevens de Brusselse en Waalse variant, Fedito Wallonne en Fedito Bruxelloise, de twee andere verschillende koepelorganisaties die het drugs- en alcoholwerkveld in België vertegenwoordigen, verrichten enorm nuttig onderzoek; zij blijven de belangrijkste actoren qua drugspreventie. Zo kwam de VAD met bijzonder significante cijfers op de proppen. De cijfers, daterend uit 2007 uit hun tweejaarlijkse « Partywise uitgaansonderzoek » blijken meer dan stof tot nadenken. In deze meting, dankzij de antwoorden van 775 jongeren, met een gemiddelde leeftijd van 22,8 jaar, blijkt dat 17,1 % cocaïne gebruikt. De VAD gaf helaas nog geen cijfers vrij over het gebruik van andere partydrugs in 2007, maar als we teruggrijpen naar de VAD-resultaten van 2005, volgens een VAD-onderzoeker een « braaf » jaarresultaat, zien we dat 18,6 % van het aantal uitgaanders in dat jaar xtc, cocaïne of speed gebruikt hebben. In 2003 was dit 23,9 %, en volgens bronnen zijn de resultaten voor 2007 vrij gelijklopend met die van 2003.

Het begrip gebruiken dekt overigens vijf categorieën : één keer per maand of minder; meerdere malen per maand; één keer per week; meerdere malen per week en dagelijks. In het « Partywise uitgaansonderzoek » van 2005 zijn er volgende cijfers van gebruik : 15,8 % voor XTC, 12,3 % cocaïne en 7 % speed. De verschillende rapporten bevestigt hetgeen algemeen aangevoeld wordt : dat het gebruik van partydrugs bij jongeren bijzonder substantieel is. Los van de objectieve onderzoeksresultaten, voelt iedereen die ietwat de vinger aan de pols houdt, zoals preventie-VZW's, onderwijzers, leiders binnen de jeugdbeweging, e.a. dat deze drugs wijdverspreid zijn en hun aanwezigheid in de uitgaanscultuur ook de volgende jaren een maatschappelijke realiteit blijft.

1.3. « Harm reduction »

Gezien de hierboven geschetste vraag en het vrij intense gebruik, koppelen we terug naar het aanbod. De hoeveelheid partydrugs die circuleert is onmogelijk precies na te gaan, maar prijsdalingen van pillen en cocaïne doen vermoeden dat de intensiteit van productie en illegaal verkeer gestegen zijn. Het aanbod is hoogstwaarschijnlijk toegenomen en vooral cocaïne is wijder verspreid dan ooit en kent volgens experts duidelijk een dalende sociale drempel. Deze resolutie is uiteraard resoluut gekant tegen partydrugs, maar wil vanuit een bezorgdheid voor de volksgezondheid, vanuit « harm reduction » zich ook concentreren op een pragmatische aanpak om de kwaliteit van de wijdverspreide partydrugs nauwlettend te observeren. Drugs zijn in se gevaarlijke, toxische producten en kennen op korte, middellange en lange termijn nefaste gevolgen; als er dan nog andere toxische bestanddelen in terechtkomen, of bijzondere hoge doses, dan is het hek helemaal van de dam. Bij resultaten in Nederland zag men dankzij hun goed uitgebouwd testingnetwerk « DIMS » (Drugs Informatie en Monitoring Systeem), waar gebruikers zelf hun drugs laten testen, dat er een toename was van het aandeel pillen met twee- tot driemaal de normale gemiddelde dosering MDMA, het actieve bestanddeel in XTC-tabletten. Hoge doses MDMA leiden onder meer tot oververhitting, (een uitzonderlijk hoge lichaamstemperatuur) waardoor onder andere de nieren bijzonder overbelast geraken en blokages van andere organen kunnen optreden. Bovendien heeft onderzoek neurotoxiteit aangetoond bij het frequent gebruik van MDMA (Lambert, 2 december 2008). Daarnaast wordt in XTC-pillen volgens Nederlandse testcentra soms ook mCPP gevonden, een stof die weliswaar ook serotonine vrijmaakt, maar ook heel vervelende effecten kent, zoals misselijkheid, angst, duizeligheid en verwardheid. Bovendien bleek dat cocaïne bijzonder vaak versneden werd/wordt met fenacetine, een pijnstiller die uit de handel werd gehaald vanwege zijn kankerverwekkend karakter en nierschade bij chronisch gebruik (DIMS, 2006). In 2007 luidden de Nederlandse testcentra de alarmklok en startte de preventiesector een waarschuwingscampagne nadat er met het hypergiftige atropine vervuilde cocaïne gevonden was.

De opportuniteit van « harm reduction » via testing (onlosmakelijk verbonden aan preventie) wordt pas echt duidelijker als we kijken waar en wanneer jongeren hun drugs kopen. Volgens het VAD-onderzoek gaat men ervan uit dat kopen bij een vaste dealer of vóór het uitgaan een belangrijke voorzorgsmaatregel is om gezondheidsproblemen te vermijden. Het risico is beperkter doordat men op een bewuste manier zijn drugs koopt (jongeren konden in dit onderzoek meerdere antwoorden aankruisen en dus is de som van de percentages groter dan 100 %). 17,2 % geeft aan zijn drugs niet zelf te kopen (grafiek 5). 44,9 % van de laatstejaarsgebruikers koopt bij hun vrienden en 34,3 % in een coffeeshop. Een kleiner aandeel van de respondenten koopt bij een vaste dealer (32,2 %). Beduidend meer respondenten geven aan « enkel buiten het uitgaan » te kopen (65,6 %) dan « enkel tijdens het uitgaan » (21,0 %) (Partywise, 2005). Dit gebruikspatroon impliceert dat gezien het merendeel op voorhand aan zijn drugs geraakt, ze dus ook op voorhand zouden kunnen laten testen. Dit staat in contrast met impulsief aankoopgedrag tijdens het uitgaan zelf, waarbij de kwaliteit van partydrugs quasi onmogelijk te checken valt. Dit aankoopgedrag is een vast patroon waarbij de optie van preventieve kwalitatieve testing vergemakkelijkt wordt.

1.4. Het huidige kader

Het huidige Belgische testkader tot bescherming van de volksgezondheid tegen gevaarlijke drugs en nieuwe substanties is achterhaald. De afdeling Epidemiologie van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (WIV) ontvangt zijn informatie rond de samenstelling van drugs dankzij de analyses van een netwerk van laboratoria die hun drugsstalen ontvangen van de politiediensten na de inbeslagname. De politiediensten van het politiearrondissement Dendermonde sturen hun geconfisceerde stalen rechtstreeks naar het labo van het WIV. Dit systeem informeert het Early Warning System binnen het WIV en beschrijft de aard en samenstelling van de drugs in omloop. In België richt men zich niet enkel op nieuwe psychoactieve stoffen, maar op alle drugs die een ernstig gevaar (dood, coma, blijvende letsels) kunnen betekenen. Het systeem van informatieverzameling steunt op het EWS-netwerk. Behorende tot dit netwerk zijn : de Sub-Focal Points, toxicologische, forensische en klinische laboratoria, spoeddiensten en telefonische hulplijnen (Antigifcentrum, Druglijn, Infor-Drogues), de Dienst der Verdovende Middelen, het Directoraat-Generaal Geneesmiddelen en de kabinetten van de ministers van Volksgezondheid en Justitie. Op Europees niveau vormt het EWS aangaande nieuwe psychoactieve stoffen de eerste fase van de implementatie van de Joint Action, aangenomen door de Raad van de Europese Unie in 1997. Zodra een nieuwe psychoactieve stof op de Europese markt is ontdekt, worden gegevens over de productie, handel en gebruik ervan verstuurd door België naar het European Police Office (Europol) en naar het het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD), via de nationale Europol units and the national REITOX Focal Points. (WIV, 2008)

1.5. Kritiek op het huidige systeem

Ons systeem loopt mank. Niet alleen beslist in de meeste gevallen het parket welke stalen naar laboratoria gestuurd worden; vermits het om gerechtelijke dossiers gaat, kan er aanzienlijke tijd verlopen tussen de inbeslagname door de politie en het ontvangen van de resultaten door het WIV. Zoals het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving (EWDD) stelt over België : « All results mentioned in this table are results of analyses of seized drugs. Only a small percentage of seized drugs is analysed in Belgium. Most of the time, seized drugs are only analysed if there is some evidence of dealing, trafficking or producing. Each Public Prosecutor's Office decides on its own in what cases seized drugs must be analysed. There is no national rule. » (EMDD, 2006). Deze topdown-procedure staat garant voor de ondersteuning van het justitieel proces, maar zal zelden uitmonden in een datatransfer die via een snelle reactieve aanpak en een veelvoud aan betrouwbare analyses de volksgezondheid kan beschermen tegen slechte partydrugs. Er treedt hierbij bovendien een aanzienlijke bias op aangezien de stalen die het parket laat analyseren vaak afkomstig zijn van inbeslagname van grote hoeveelheden die in een eerste distributiefase gevonden werden. Zo is de concentratie van bepaalde partydrugs bij de inbeslagname in zee- of luchthavens opmerkelijk hoog, aangezien deze nog onversneden toekomen of zoals XTC vaak in de lage landen gemaakt worden. Daarnaast communiceren de meeste labo's slechts tweemaal per jaar hun resultaten, en heeft het WIV naar eigen zeggen geen systematische verzamelde cijfers rond de precieze samenstelling van de drugs. Het is dus koffiedik kijken welke verschillende producten gebruikt worden om deze partydrugs te versnijden. De kwaliteitsresultaten die het WIV binnenkrijgt zijn dus niet enkel allesbehalve actueel, maar ook hoogstwaarschijnlijk flink misleidend.

Conclusie

2.1. Naar een nieuw systeem

Als we weten hoe belangrijk deze cijfers zijn in de informatiestroom naar de VAD en het Early Warning System, dan moet het systeem herbekeken worden. Een eerste uitbreiding, waar zowel de preventie als gebruikers voorstander van zijn, is het scheppen van een wettelijke kader vanuit het perspectief van « harm reduction », waardoor niet enkel de hulpverlening als preventieve diensten alsook gebruikers stalen drugs straffeloos ter beschikking kunnen stellen van labo's. In deze resolutie willen we ons voornamelijk concentreren op het recreatief partydruggebruik dat voornamelijk in het uitgaansleven voorkomt, vaak een fenomeen van de experimenterende, occassionele gebruiker. Zoals reeds vermeld blijkt dat de meeste jongeren hun drugs op voorhand kopen. Het is tijdens deze « voorbereiding » van het uitgaan dat zowel preventie (met steeds dezelfde ondertoon : wie geen risico wil lopen, gebruikt beter niet) als « harm reduction » mogelijk moeten zijn. Een nieuw kader waarbij uitgaande jongeren op voorhand de kwaliteit van hun partydrugs kunnen testen gaat hand in hand met preventie.

Overigens moeten we nog maar eens benadrukken zoals Prof. Dr. Lambert vreest dat deze resolutie niet bedoelt « de muis uit de porseleinwinkel weg te jagen zonder oog te hebben voor de olifant die er in rondloopt ». We willen op geen enkel moment de acute toxiciteit en de langetermijneffecten van partydrugs minimaliseren of een eerste fase van straffeloosheid instellen. Integendeel. Deze resolutie wil de « alcohol- en drugsector » de mogelijkheid geven haar aanpak te differentiëren, afhankelijk van het kader waarin het intervenieert. De VAD kwam met een aantal onmiskenbare voordelen van een dergelijke kader naar buiten via de publicatie van het onderzoek « Pill Testing » (Schrooten ea, 2007). Door een dergelijk bottom-up kader te creëren wordt de gebruiker ingelicht over gevaarlijke stoffen maar ook uiteraard over de concentratie van de actieve stof. Hierbij gaat men ervan uit dat dergelijke informatie het gebruik beïnvloedt naargelang het inzicht dat gebruikers krijgen over de samenstelling. Primordiaal is dat dergelijke testmodaliteiten een rechtstreeks contact opleveren met gebruikers en als dusdanig bijzonder waardevolle preventie en sensibilisering mogelijk maken, hetgeen uiteraard een meerwaarde vormt ten aanzien van gebruikers die moeilijk bereikt worden. De samenstelling van een pil, met daarbij gerichte informatie over de gevolgen van de verschillende componenten, alsook belangrijke elementaire kennis, zal een pak meer indruk maken dan een zoveelste flyer of folder. Dergelijke faciliteiten spelen ook in op de behoefte van een pak gebruikers die door de (formele of informele) interactie met deze diensten informatie zullen geven rond gebruiksintensiteit, reden van gebruik, trends, effecten, enz. Deze informatie zal dan weer bijzonder waardevol zijn in wetenschappelijk onderzoek, waarschuwingscampagnes en als actuele info voor preventie en hulpverlening. Men dient wel op elk moment rekening te houden dat het merendeel van intoxicaties voornamelijk het gevolg zijn van overdoses en combigebruik. Daarenboven zouden dergelijke testen tot verkeerde conclusies kunnen leiden. De reactie « Deze pil is veilig » zou kunnen leiden tot een vals gevoel van zekerheid. Toch blijkt uit recente studies dat testing helemaal niet tot gebruik aanzet en gebruikers hun gebruik aanpassen aan de samenstelling van de drugs. Een ander vaak belicht nadeel is de mogelijke perversie van extra publiciteit die bepaalde dealers zouden kunnen krijgen. Testfaciliteiten impliceren nu eenmaal een kwaliteitslabel dat gemakkelijk misbruikt zou kunnen worden. Men mag echter niet vergeten dat juist door deze informatieverstrekking heel wat gebruikers hun gedrag kunnen afstellen op basis van deze gegevens die vooralsnog onbestaande zijn voor Belgische (recreatieve) druggebruikers. In de praktijk dient men wel aandacht te hebben voor degelijke analyses. Dit zijn chromatografische analyses die niet gebaseerd zijn op kleurreactie. Die analyses vergen tijd en geld.

De voordelen ten aanzien van het actuele systeem zijn legio en als gevolg is de bedreiging voor de volksgezondheid een stuk lager. Gezien er minstens wekelijks nieuwe stalen geleverd worden, op verschillende tijdstippen en op verschillende locaties, verhoogt de actuele waarde van de informatie die de analyses opbracht en verdwijnt de hierboven beschreven « bulkbias », aangezien het om versneden stalen gaat, voor de eindgebruiker. Dergelijke informatie is van goudwaarde voor het Early Warning System over gevaarlijke drugs en nieuwe substanties. Bovendien zullen naarmate het systeem groeit, meer en meer stalen uit eenzelfde regio, en dus uit eenzelfde distributiepunt of zelfde dealer tot meer significante resultaten leiden, en minder en minder tot momentopnames, zoals we die nu kennen.

2.2. Drugstesting : een wettelijk vacuüm

Preventie en onderzoek zijn een gedeelde verantwoordelijkheid van de gemeenschaps- en de federale regering. Wetenschappelijk onderzoek en testing wordt gedoogd door de federale overheidsdienst Volksgezondheid, zonder enige duidelijkheid welke feedback aan (potentiële) gebruikers mag worden gegeven. Het testen is dus nergens wettelijk opgenomen. Basis vormt de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingstoffen en antiseptica en het koninklijke besluit van 22 januari 1998 op de reglementering van psychotrope stoffen, waartoe XTC gerekend wordt. Deze wet verbiedt namelijk het importeren, exporteren, aanmaken, bewaren, bezitten, kopen of te koop aanbieden, leveren of verwerven van psychotrope stoffen, tegen betaling of gratis, behalve met de toestemming van de bevoegde minister van Volksgezondheid. De wet voorziet tevens in het verbod van vervoer van deze goederen. De inbreuken zijn onderhevig aan correctionele straffen. (Schrooten, 2007) Het « testen » impliceert uiteraard dat de verschillende schakels, binnen hun taak als « tester » drugsmonsters bezitten en instaan voor het transport. Alle initiatieven verbonden met hetzij « on scene » of indirect testen van partydrugs moeten gelet op het bezit, transport, enz. werken met legitimerende brieven van verschillende federale ministers. Een vast kader dringt zich op.

2.3. Belangrijkste projecten

A. DIMS (Drugs Informatie en Monitoring Systeem)

In het buitenland zijn er al een pak projecten welke uitgaande van een maatschappelijke realiteit en bezorgdheid meer inspanning leveren om pragmatisch de volksgezondheid te beschermen. De instellingen handelen in een wettelijk kader waardoor ze via monitoring en testing aangeleverde drugstalen op hun samenstelling en gezondheidsrisico's kunnen checken. Deze stalen komen dus niet enkel van officiële instanties, maar ook rechtstreeks van de gebruiker. Het best uitgebouwde (logistiek, qua subsidies en wettelijk) en meest mature systeem, is het Nederlandse Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS), opgericht in 1992.

DIMS verzamelt in opdracht van het ministerie van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) informatie rond illegale uitgaansdrugs en slaat alarm als er gevaarlijke drugsmonsters worden aangetroffen in Nederland. Particulieren worden dus ook gewaarschuwd zonder enige ruchtbaarheid. Uiteraard is DIMS een waardevolle bijdrage aan de onderbouwing van het landelijke en lokale drugs- en preventiebeleid en aan Europese registratie- en waarschuwingssystemen. DIMS bestaat uit een centraal coördinerend bureau, een laboratorium (ons Instituut voor Volksgezondheid heeft dezelfde diensten) met een netwerk van deelnemers verspreid over heel Nederland. Eenmaal per week worden de verzamelde drugsmonsters naar het centrale DIMS-bureau gestuurd voor analyse. Via vaste, uniforme procedures, krijgt de gebruiker via de Marquis-test in combinatie met een nauwgezette herkenningslijst (voor pillen) al ter plaatse een eerste indruk over de voornaamste farmacologische actieve stoffen en de hoeveelheid van deze stoffen. Bovendien wordt altijd informatie gegeven over de spreiding in deze uitslag. De gebruiker kan overigens altijd een monster laten doorsturen naar het centrale laboratorium, de enige daadwerkelijke methode om de inhoud van een drugsmonster te achterhalen. Ook inbeslagnames door beveiligingspersoneel (op uitgaanslocaties), de zogenaamde securitymonsters worden door de politie aan DIMS-deelnemers overhandigd. Daaruit maakt men een selectie (onbekende drugs, monsters met een opvallende zuurtest, e.a.) die in het centrale labo getest worden. Consumentenmonsters aangevuld met securitymonsters geven een bijzonder duidelijk beeld van wat er op de gebruikersmarkt aangeboden wordt en de kwaliteit hiervan. In augustus 2007 startte DIMS een landelijke waarschuwingscampagne nadat er in Amsterdam, in de buurt van een dodelijk slachtoffer, met atropine vervuilde cocaïne gevonden was. In 2007 werden er 5 866 drugsmonsters aangeboden. Bij 1 100 XTC-pillen konden men direct een eerste uitslag geven, 4 559 drugsmonsters werden naar het labo gestuurd.

B. Modus Fiesta — Modus Vivendi

Een te vermelden Belgisch initiatief is Modus Fiesta. Deze Brusselse VZW heeft projecten op preventieniveau en werkt in Wallonië en Brussel. Modus Fiesta heeft als verdienste om als eerste on scene, dus ter plekke, op festivals of grote dance events niet enkel aanwezig te zijn, maar vanuit de optiek van « harm reduction » de gebruikers nodige begeleiding aan te bieden. Zo krijgen deze in hun mobiel-accommodatie niet enkel de nodige informatie en raad, maar in hun relax-zone kunnen gestresseerde of angstige gebruikers, met begeleiding even bedaren. Bovendien zijn er basistestmogelijkheden voor pillen. Deze testen zijn een extra instrument tot « harm reduction », steeds gekoppeld aan de nodige informatie en advies rond partydrugs. Deze initiatieven, en dus ook de testing worden gesubsidieerd door het ministerie van Volksgezondheid en door gemeenschapsgeld via jeugdbescherming van de Franse Gemeenschap.

Modus Fiesta houdt er een realistische kijk op na :

« Le consommateur de drogues de synthèse est souvent jeune, en bonne santé, ne fréquente pas de structure de prise en charge et est généralement peu informé. Il est primordial de pouvoir entrer en contact avec ces jeunes consommateurs afin de les informer, de les responsabiliser sur leur consommation et de leur donner des moyens de prévenir les accidents ou usages abusifs tant qu'ils n'envisagent pas l'abstinence. Les stratégies de réduction des risques et plus particulièrement l'analyse de pilules répondent à cette nécessité de prévenir les dommages en lien avec cette consommation. Les problèmes de santé (déshydratation, hyperthermie, augmentation de la pression sanguine, nausées, etc.) sont liés au produit lui-même, au contexte de consommation, à l'absence de contrôle sur le contenu des pilules, aux modes d'usage et à des facteurs individuels. Nombre de ces accidents sont évitables, notamment par une information correcte de ces usagers, ce que permet, avec toutefois des limites, le testing. Les actions de réduction des risques avec analyse de pilules sont des stratégies de santé publique et de promotion de la santé. Celles-ci ne se limitent pas au testing mais proposent un ensemble d'activités : information, accueil, relais, etc. Le testing constitue une réelle plus-value : meilleurs contacts avec les usagers, meilleure qualité de l'information. En outre, à travers sa contribution au système d'alerte précoce (early warning system), il prévient la consommation de produits particulièrement dangereux. Enfin, ces actions permettent un monitoring des nouvelles substances et des nouveaux usages. » (Modus Fiesta, 2008).

Zoals reeds vermeld, dienen dergelijke initiatieven met bijzondere ministeriële toelatingen te werken voor het bezit en transport de partydrugs.

Paul WILLE
Richard FOURNAUX
Anne DELVAUX.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

1. Gelet op het gebruik van partydrugs dat tegenwoordig uitgegroeid is tot een vast gegeven voor vele jongeren;

2. Overwegende dat door hun vaak centrale rol in het uitgaansleven, de aanvaarding bij jongeren van partydrugs veralgemeent en dat aanwezigheid in de uitgaanscultuur ook in de toekomst een maatschappelijke realiteit blijft;

3. Overwegende dat de illegaliteit van drugs elke controle op de kwaliteit, in tegenstelling tot de legale soorten, onmogelijk maakt, waardoor deze veel meer gevaar inhouden voor de volksgezondheid. De controle op hun dosering van actieve bestanddelen en de analyse van hun samenstelling zijn zelden bekend;

4. Gelet op de volledige onbekendheid van de samenstelling van het aanbod partydrugs, en de daarmee verbonden gevaren van toxiteit, verslaving en overdosering;

5. Gelet op de nefaste gezondheidsgevolgen op korte, middellange en lange termijn van de actieve bestanddelen in partydrugs;

6. Gelet op de stijgende populariteit en dalende sociale drempel van cocaïne;

7. Gezien de niet te miskennen opportuniteit van « harm reduction » via testing en de impact van daaraan gekoppelde preventie;

8. Gelet op het feit dat een grote meerderheid van jongeren hun partydrugs op voorhand koopt en dus de mogelijkheid tot het preventief testen en informeren ontbreekt;

9. Gelet op de voordelen voor het Early Warning System en de bijdrage inzake kennisverruiming, preventie en sensibilisering voor het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving, de preventie- en hulpverleningssector en de onderzoekers;

10. Gelet op de bias, de verkeerde indruk door en het gebrek aan de verzamelde analysecijfers over de samenstelling van drugs, afkomstig van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid.

Vraagt de regering :

1. Een meer doorgedreven en actuele instroom van data over de samenstelling van gevaarlijke partydrugs die al jaren gevonden worden in de sociale setting van uitgaande jongeren, in discotheken en op festivals;

2. Een vlottere en snellere communicatie tussen gerechtelijke labo's en andere justitiële testfaciliteiten en het WIV, waarbij dit aanzienlijk vlugger zijn resultaten bekendmaakt en de samenstelling van de verschillende partydrugs gedetailleerd en systematisch op de voet volgt;

3. Een snellere rapportering en een meer open communicatie over de onderzoeksresultaten van de verschillende koepelorganisaties die het drugs- en alcoholwerkveld in België vertegenwoordigen : de VAD, Fedito Wallonne en Fedito Bruxelloise, naar zowel pers, beleid als preventiesector;

4. Het nodige wettelijke kader te vormen dat het bezit, de overdracht en transport in casu drugtesten voor de koepelorganisaties en hun leden legaal maakt; door de gecreëerde legaliteit en legitimiteit zullen VZW's en preventieorganen aanzienlijk meer slagkracht krijgen om via drugstesten geconcentreerd op de recreatieve, jonge gebruiker, deze aan te zetten de samenstelling en bijgevolg de risico's van de eigen partydrugs te laten analyseren;

5. Een testingnetwerk uit te bouwen via de leden van die verschillende koepelorganisaties, waarbij partydrugsgebruikers in een anoniem kader bij deze leden kosteloos hun partydrugs op samenstelling kunnen laten testen;

6. De nodige middelen uit te trekken opdat jongeren kosteloos hun partydrugs kunnen laten testen;

7. Een testingnetwerk uit te bouwen via de leden van die verschillende koepelorganisaties, om partydrugsgebruikers bovendien duidelijk te informeren over de verschillende componenten gevonden in hun partydrugs en bij hen uiteraard het gebruik sterk te ontraden;

8. In samenspraak met die koepelorganisaties het nodige wettelijke kader te vormen dat het bezit, de overdracht en transport in casu deze drugtesten legaal maakt en waardoor de contacten met jonge gebruikers waardevoller worden;

9. Ervoor te zorgen dat de informatie rond samenstelling, gebruik, nieuwe producten, nieuwe trends en de op basis daarvan opgemerkte gevaren vergaard via de testingmodaliteit zo snel mogelijk wordt bezorgd aan de koepelorganisaties, de preventiesector, bepaalde justitionele diensten, het WIV en de hulpverleningssector.

9 januari 2009.

Paul WILLE
Richard FOURNAUX
Anne DELVAUX.

Bronnen :

Lambert W., prof. Toxicologie, telefoongesprek, 9 december 2008.

J. Schrooten e.a., Pill Testing, december 2007, blz. 5-7 VAD Brussel.

Tina van Havere e.a., Partywise uitgaansonderzoek 2006-2007 : kwalitatief en kwantitatief, VAD Brussel 2007.

VAD, Partywise uitgaansonderzoek 2005-2006 : kwalitatief en kwantitatief, VAD Brussel 2006.

DIMS, Halfjaarrapportage 2008, Trimbos 2008.

http://www.iph.fgov.be/reitox/nl/activiteiten/ews.htm.

DIMS, Jaarrapport 2006, Trimbos 2008.

Belgisch Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, Early Warning System, http://www.iph.fgov.be/reitox/nl/activiteiten/ews.htm.

VAD, Partywise kwantitatief onderzoek naar trends in drugsgebruik in het uitgaansleven, VAD Brussel 2005.

Devriendt, W. (2003), Een lokaal alcohol- en drugbeleid : op elk vlak de juiste aanpak, het uitgaansleven, Brussel, VAD.

Modus Fiesta, http://www.modusvivendi-be.org/cms/testing.php, 2008.