4-1091/3

4-1091/3

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

13 JANUARI 2009


Wetsvoorstel tot aanvulling van de artikelen 189ter en 235ter van het Wetboek van strafvordering


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER MAHOUX


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsvoorstel werd op 8 januari 2009 in de Senaat ingediend.

De commissie voor de Justitie heeft het in aanwezigheid van de minister van Justitie besproken tijdens haar vergadering van 13 januari 2009.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER VANDENBERGHE

De heer Vandenberghe stipt aan dat voorliggend wetsvoorstel verduidelijking wil bieden op het vlak van de te volgen procedure bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden.

Spreker verwijst terzake naar het arrest van het Hof van Cassatie van 28 oktober 2008, dat duidelijk stelt dat de rechter in alle strafgerechten, onderzoeksgerechten zowel als vonnisgerechten, en in alle strafzaken zonder onderscheid zetelt in aanwezigheid van het openbaar ministerie. Dit betekent dat artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, niet met zich brengen dat de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde door de kamer van inbeschuldigingstelling, in het kader van voornoemde wettigheidscontrole, zouden kunnen worden gehoord buiten aanwezigheid van de procureur-generaal.

Een kamer van inbeschuldigingstelling te Gent hield er echter een andere interpretatie op na en oordeelde dat de procureur-generaal niet aanwezig zou mogen zijn bij het horen van de andere partijen.

Het Hof van Cassatie heeft deze methode nietig verklaard met het gevolg dat er geen wettigheidscontrole is gebeurd van de bijzondere opsporingsmethode bepaald in artikel 235ter, § 2.

Een arrest van het hof van beroep te Gent van januari 2009 oordeelde vervolgens dat de inbreuk op artikel 235ter tot gevolg heeft dat de strafvordering die steunt op het bewijsmateriaal voortvloeiend uit de bijzondere opsporingsmethoden volstrekt nietig is en dat derhalve geen rechtsgevolgen aan het strafdossier meer kunnen worden gegeven. Dit leidde alus tot de gekende actuele problemen.

Spreker stipt wel aan dat intussen de correctionele rechtbank te Gent op 12 januari 2009een vonnis zou hebben geveld waarbij wordt gesteld dat de absolute nietigheid van de vordering in dat geval niet dient te worden uitgesproken en dat men tot een andere afweging kan komen.

Men wordt hier geconfronteerd met een belangrijke uitdaging die te maken heeft met de regeling van sancties bij het niet naleven van vormvoorschriften. De vraag rijst op het vlak van de nietigheden en of er absolute dan wel relatieve nietigheid is wanneer een verdedigingsbelang is aangetast. Een degelijke wettelijke regeling zou in de toekomst moeten worden uitgewerkt.

Gegeven de bestaande onzekerheid, en het door het hof van beroep te Gent aangehaalde interpretatieprobleem van het Wetboek van strafvordering, dringt een oplossing zich op.

Spreker verbaast zich over de verwijzing in het arrest van het hof van beroep te Gent naar artikel 441 van het Wetboek van strafvordering, op basis waarvan volgende oplossing wordt voorgesteld. De minister van Justitie zou het Hof van Cassatie kunnen vatten voor de talrijke arresten geveld met de verkeerde toepassing van artikel 235ter, om de betreffende arresten aldus uit de rechtsorde te doen verwijderen. Spreker meent vooreerst dat artikel 441 niet van toepassing is op de voorliggende hypothese en geen rechtsgevolg kan hebben op het terrein. Daarenboven rijzen er vragen bij dit verouderd artikel dat strijdig is met artikel 6 van het EVRM. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht is immers niet alleen een persoonlijke eis van integriteit maar ook een structurele vereiste. Ervan uitgaan dat de uitvoerende macht buiten elke termijn en elke andere voorwaarde de vernietiging zou kunnen vorderen voor het Hof van Cassatie is strijdig met artikel 6 EVRM. Deze piste leidt dus niet tot een oplossing.

Een mogelijke piste wordt daarentegen wel geboden door het wetsvoorstel en de amendementen. De voorgestelde analoge toepassing van artikel 189ter van het Wetboek van strafvordering biedt immers een eenvoudige oplossing. Artikel 189ter van het Wetboek van strafvordering laat toe dat, wanneer nieuwe elementen in feite zich aanbieden die een invloed kunnen hebben op de wettigheidscontrole van de bijzondere opsporingsmethoden, de feitenrechter dan de zaak kan terugsturen naar de Kamer van inbeschuldigingstelling. De politieke optie ten tijde van de reparatiewet van 27 december 2005 was immers ook dat de wettigheidscontrole werd gevoerd voor de kamer van inbeschuldigingstelling, en niet voor de feitenrechter. De wetgever koos dus duidelijk voor een ad hoc controle exclusief voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De oplossing kan er dus niet in bestaan dat de feitenrechter plots over de wettigheidsincidenten een uitspraak doet, maar wel in het opnieuw brengen van de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

Het is de verantwoordelijkheid van de wetgever om hier een onmiddellijke oplossing te bieden voor een acuut probleem. Wat impliciet wordt bedoeld in artikel 189ter, namelijk dat wanneer zich nieuwe feiten voordoen, in casu een nieuwe wet, men de zaak opnieuw naar de Kamer van inbeschuldigingstelling stuurt, moet hier worden toegepast. De nieuwe wet is van procedurele aard en bijgevolg van onmiddellijke toepassing. Dit betekent dat wanneer zaken die aangetast zijn door een vormfout, omwille van het feit dat het openbaar ministerie de toetsing niet heeft voorgelegd aan de kamer van inbeschuldigingstelling of omdat de volgorde van het horen van partijen niet werd gerespecteerd, voorkomen bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent, of voor het hof van beroep te Gent, of voor het hof van assisen te Gent, de vraag over de toepassing van deze nieuwe wet door de feitenrechter moet worden voor de kamer van inbeschuldigingstelling gebracht. Dit geldt net zoals bij nieuwe feiten waarbij de feitenrechter de zaak aanbrengt bij de kamer van inbeschuldigingstelling.

Wat betreft het cassatieberoep, verwijst spreker naar de reparatiewet van 2005 die het cassatieberoep uitsloot. Het Grondwettelijk Hof stelde in 2007 dat deze bepaling werd opgeheven, waardoor de mogelijkheid van cassatie ontstond. De vraag rijst op welk ogenblik deze mogelijkheid ontstaat, hetzij onmiddellijk na de beslissing van de kamer van inbeschuldingstelling, hetzij op het einde van de behandeling ten gronde. Een tweede arrest van het Grondwettelijk Hof van 2008 stelde duidelijk dat het cassatieberoep onmiddellijk mogelijk is, na de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling.

De in het wetsvoorstel geviseerde incidenten betreffen enkel de toepassing van de wet bij de controle op de bijzondere opsporingsmethoden. De wetgever heeft bepaald dat deze controle gebeurt door de kamer van inbeschuldigingstelling. De nieuwe wettekst is van onmiddellijke toepassing en de feitenrechter, die met de nieuwe wet wordt geconfronteerd, kan derhalve vaststellen dat de toepassing ervan niet onder ogen werd genomen door de vorige beslissing van de kamer van inbeschuldigingstellingen. Het gezag van gewijsde van de vorige beslissing is niet tegenwerpelijk aan de nieuwe wet. De kamer van inbeschuldigingstelling dient te oordelen volgens de nieuwe procedure en onmiddellijk cassatieberoep is mogelijk.

III. ALGEMENE BESPREKING

Standpunt van de minister

De minister verheugt zich over de bereidheid van de Senaat om voorliggend acuut probleem onmiddellijk te willen aanpakken.

Met het oog op de huidige toestand denkt de minister dat de wetgever snel moet reageren. Hij moet er zich wel bewust van zijn dat een wijziging van de bijzondere opsporingsmethoden voorzichtig moet worden aangepakt.

Als gevolg van de arresten van het hof van beroep van Gent, werden vorige week tien mensen in vrijheid gesteld.

In totaal heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent 264 arresten uitgesproken met toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering. Op grond van informatie van het parket-generaal van Gent blijkt dat er bij het hof van beroep van Gent 34 dossiers in behandeling zijn. Bij de correctionele rechtbanken zijn er 12 dossiers in behandeling in Dendermonde, 6 in Ieper, 1 in Veurne, 13 in Gent, 6 in Brugge, 3 in Oudenaarde en 17 in Kortrijk. Men weet niet welk standpunt de geadieerde rechtscolleges met betrekking tot die dossiers innemen. Er moet met spoed worden gehandeld, want de hoven en rechtbanken behandelen wekelijks dergelijke dossiers.

Het gaat tegen elk rechtsgevoel in te moeten vaststellen dat mensen in dergelijke zware dossiers op vrije voeten komen. Er is een noodsituatie en een dringende tussenkomst is nodig.

Deze problematiek werd reeds aangekaart binnen de regering, ook naar aanleiding van de in de Kamer van volksvertegenwoordigers gestelde vragen, en er bestaat een consensus binnen de regering om in twee stappen te werk te gaan.

Een eerste stap is de onmiddellijke en dringende correctie. Spreker verwijst ter zake naar voorliggend wetsvoorstel, dat zich beperkt een oplossing te bieden voor de bestaande wettigheidsincidenten. Een tweede stap bestaat in een formeel engagement om de globale procedure te bekijken en de nodige verdere correcties verder aan te brengen. Een fragmentaire aanpak is niet aangewezen en het voorontwerp om de wetgeving in zijn globaliteit aan te passen is quasi klaar.

De minister besluit te kunnen instemmen met de voorliggende tekst en de erop ingediende amendementen.

Hij onderstreept het belang van een analoge aanpassing van artikel 335bis met betrekking tot de procedure voor het hof van assisen. Tevens moet de wet onmiddellijk ingang kunnen vinden en dringt een onmiddellijke publicatie zich dus op. Ten slotte is het belangrijk zich hier te beperken tot de zich aandienende problematiek met betrekking tot de wettigheidscontrole en de aanwezigheid van het openbaar ministerie.

De minister vraagt een spoedige behandeling met het oog op een stemming in de plenaire vergadering op 15 januari, zodat ook de Kamer nog deze week de overgezonden tekst kan goedkeuren.


Vanuit politiek oogpunt meent de heer Mahoux dat voorliggende tekst moet worden onderzocht met een tweeledig doel : een dringende oplossing bieden voor de gerezen problemen en er tegelijk voor zorgen dat de voorgestelde oplossing de nauwgezette democratische controle op de tenuitvoerlegging van de bijzondere opsporingsmethoden niet afzwakt.

Vervolgens verwijst spreker naar artikel 189ter van het Wetboek van strafvordering. Dat artikel bepaalt dat nieuwe gegevens kunnen verantwoorden dat de rechtbank de kamer van inbeschuldigingstelling gelast de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden te controleren. Men moet er zich van vergewissen dat de voorgestelde tekst, die de draagwijdte van de bestaande teksten over de aanwezigheid van het openbaar ministerie nader bepaalt, die mogelijkheid, die aan die nieuwe gegevens gebonden is, niet opheft.

De minister bevestigt dat. De draagwijdte van voorliggend wetsvoorstel is beperkt : het strekt om de rechtsonzekerheid te verhelpen die voortvloeit uit bepaalde interpretaties in de rechtspraak, maar verandert niets aan inhoudelijke regels inzake het gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden.

De heer Coveliers verwijst naar het spreekwoord « haast en spoed is zelden goed ». Anderzijds moet men ook rekening houden met het feit dat de decalage tussen recht en rechtvaardigheid niet al te groot mag zijn. Het past niet dat personen van wie minstens één rechtbank aanneemt dat zij een gevangenisstraf verdienen plots vrijkomen op basis van een argument dat steunt op de manier waarop bewijs werd vergaard.

Spreker vraagt zich af hoe het komt dat er slechts één kamer van inbeschuldigingstelling een afwijkende interpretatie geeft van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering. Misschien kan de Hoge Raad voor de Justitie dit nagaan. Uiteraard hebben de magistraten het recht een eigen mening te hebben, maar wat zal er gebeuren met de burgerlijke partijen die in eerste aanleg een vergoeding kregen. Zullen zij zich kunnen keren tegen de Belgische Staat, of de aansprakelijkheid van de wetgever inroepen ?

Wat de grond van de zaak betreft, verwijst spreker naar de origine van de BOM en de reden waarom een aparte controle werd toevertrouwd aan een andere rechter dan de rechter ten gronde. Waarom is een verschillende controle noodzakelijk ? De BOM-wetgeving is in heel Europa ingevoerd omwille van het feit dat de politiemensen die de opsporingen deden moesten gebruik kunnen maken van listen, « oneerlijke » methoden, fictieve vennootschappen, enz. omdat werd vastgesteld dat de misdrijven dusdanig werden georganiseerd in functie van de eventuele reactie van de politie. Vandaar de stapsgewijze invoering van de BOM. Speciale controle is dan ook aangewezen aangezien men aan politiemensen het recht geeft zich op een weinig « correcte » manier te gedragen. Bij de eerste bespreking van de BOM-wetgeving werd de controle bij de onderzoeksrechter gelegd. Hier kwam de reactie op dat de onderzoeksrechter het onderzoek niet meer kon leiden aangezien de forensische wetenschap dermate ver is gevorderd dat het onderzoek dient te worden geleid door specialisten binnen de opsporing. De onderzoeksrechter krijgt dan als het ware een coördinerende titel. Spreker verwijst op dat vlak ook naar de discussies over de eventuele invoering van een rechter van het onderzoek en naar de reorganisatie in Frankrijk waar men gaat opteren voor de juge de l'instruction in plaats van de juge d'instruction. Zoals een Franse advocaat stelt : « il faut couper le cordon ombilical entre le siège et le parquet. »

Spreker is van oordeel dat ten allen prijze moet worden vermeden dat de nieuwe regeling zou leiden tot procedures waarbij men discriminatie inroept. Aldus moet men de precieze positie van de verschillende partijen goed afwegen, en als er een discriminatie is, moet deze kunnen worden gemotiveerd in functie van het te bereiken doel. Het risico op nieuwe incidenten lijkt zeer groot.

De controle op de wettigheid van de BOM wordt toevertrouwd aan de kamer van inbeschuldigingstelling. Ook dat is geen wet van Meden en Perzen. In het Nederlandse systeem bijvoorbeeld doet de rechter ten gronde deze controle. Misschien is dit een gezonder systeem, waarbij de rechter ten gronde een uitspraak doet op grond van zijn innerlijke overtuiging. Een globaal debat dringt zich op, over de plaats van het openbaar ministerie, de figuur van de onderzoeksrechter, de loyale bewijsvoering en de fictie van het onderscheid tussen het bewijs à charge en à decharge.

De heer Dubié herinnert eraan dat zijn fractie tijdens de bespreking van het wetsontwerp tot invoering van bijzondere opsporingsmethodes een amendement heeft ingediend dat ertoe strekte de controle op het aanwenden van die methodes op te dragen aan de onderzoeksrechter. Dat amendement werd verworpen.

Spreker schaart zich vervolgens achter het betoog van de heer Mahoux. Zijn fractie is bereid het voorliggend wetsvoorstel te steunen op voorwaarde dat er garanties worden gegeven dat de voorgestelde wijziging de controlemogelijkheden op het gebruik van de bijzondere opsporingsmethodes niet aantast.

Hij herinnert eraan dat het parlement binnenkort de antiterreurwetten zal evalueren. Het zou nuttig zijn een algemeen debat te houden en het geheel van de bijzondere opsporingsmethodes te herzien om efficiënter controle te kunnen uitoefenen en om dergelijke procedureproblemen te voorkomen.

Mevrouw Taelman stipt aan dat men vandaag opnieuw wordt geconfronteerd met een discussie die reeds verschillende malen in het Parlement is gevoerd.

Spreekster verwijst naar een uiteenzetting van procureur-generaal De Swaef in het kader van de bespreking van de hervorming van het strafprocesrecht : « een stelsel van nietigheden dat te strak is opgevat kan tot schrijnende onrechtvaardigheden leiden en de veiligheid van de samenleving en van personen in het gedrang brengen ... ».

Een afweging tussen de beveiliging van de samenleving en het beginsel van de rechtstaat is noodzakelijk. Ook hier zitten we op dat raakvlak en het vinden van een oplossing dringt zich op.

Spreekster vraagt zich af om hoeveel dossiers het gaat. Er zijn enerzijds een vijftal zaken die begin januari 2009 in graad van beroep zijn voorgekomen, en waar er reeds een uitspraak is. Hiertegen is cassatieberoep aangetekend door het parket. Anderzijds heeft de minister verwezen naar nog hangende zaken, waar er dus nog geen uitspraak is.

Spreekster meent te begrijpen dat voorliggende wet ook tegemoetkomt aan het probleem gerezen in de zaken waar er reeds een uitspraak is. Of betreft zij enkel de zaken waarin er nog geen uitspraak is gedaan ?

De bedoeling is de zaken die door een vormfout zijn aangetast opnieuw voor de kamer van inbeschuldigingstelling te brengen. Is men zeker dat dit doel wordt bereikt door voorliggende tekst ? Spreekster wenst te vermijden dat de nieuwe regeling als een boemerang bij de wetgever terugkomt en dat hem een verkeerde aanpak en enkel het vinden van een lapmiddel wordt verweten. Is de voorgestelde oplossing de enige manier ? Spreekster verwijst ter zake ook naar artikel 189ter van het Wetboek van strafvordering. Blijkbaar zouden, op grond van een arrest van 28.02 2008 van het Grondwettelijk Hof, ook dossiers van vóór de wet van 6 januari 2003 opnieuw aan de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen worden voorgelegd.

Verder verbaast het spreekster dat een afwijkende interpretatie wordt gegeven door een enkele kamer van inbeschuldigingstelling. Zijn er geen instrumenten of richtlijnen van het college van procureurs-generaal om dit vast te stellen of bij te sturen ?

Wat de timing betreft, dringt spreekster aan op een behandeling op korte termijn van de hervorming van de wet op de BOM.

Mevrouw Crombé-Berton stelt vast dat één kamer van inbeschuldigingstelling een andere interpretatie heeft gevolgd, een interpretatie die trouwens niet in het verlengde ligt van de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Is er geen middel dat voor meer eenvormigheid kan zorgen bij het interpreteren van de wetten en dergelijke interpretatiefouten voorkomt ?

Antwoorden

De heer Vandenberghe dankt de commissieleden voor de verduidelijking die zij aanbrengen door hun respectievelijke vraagstelling.

De belangrijkste opmerking van de heer Mahoux, en ook van de heer Dubié, betreft het feit dat de toevoeging in artikel 189ter uiteraard geen afbreuk kan doen aan de bestaande toetsingsbevoegdheden. Spreker preciseert dat voorliggende tekst een verruiming aanbrengt. Er wordt niets gewijzigd aan het feit dat de nieuwe elementen zoals bedoeld in artikel 189ter van feitelijke aard zijn en desgevallend een andere evaluatie en een nieuwe beraadslaging door de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen verantwoorden. Men stelt enkel voor de toetsingsmogelijkheden te verruimen tot vier bijkomende mogelijkheden (namelijk in eerste aanleg, in beroep, en tweemaal in cassatie).

Aldus wil men een maximale zekerheid bieden en niet stoten op hindernissen van procedurele aard. Uiteraard komt het aan de rechterlijke macht toe om juridische problemen die ontstaan bij de werking van de rechterlijke macht op te lossen.

Verder laat de hier ingevoegde regel op het vlak van de procedure van behandeling bij de kamer van inbeschuldigingstelling geen enkele twijfel bestaan. Eerst wordt het openbaar ministerie gehoord en daarna de andere partijen in aanwezigheid van het openbaar ministerie. Cassatieberoep is mogelijk.

De opmerking met betrekking tot de bewijsvoering en het toetsen van bewijsmateriaal met vertrouwelijke elementen is geen nieuwe discussie. Zij werd immers reeds gevoerd bij de invoering van het gebruik van de anonieme getuigen. Spreker wil geen polemiek voeren over de wetgeving die onder een andere meerderheid is tot stand gekomen, maar verwijst wel naar de bespreking van de grote reparatiewet van 2007, waarbij hij had gewezen naar de mogelijke problemen in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens. Dit zal opnieuw moeten worden onderzocht bij de aangekondigde hervorming van de BOM-wetgeving.

Wat betreft de onzekerheid, zoals opgemerkt door mevrouw Taelman, antwoordt de heer Vandenberghe dat het recht enkel juridische zekerheid kan brengen. Geen enkele jurist kan de toekomst voorspellen, en daarom moet de regel zo abstract mogelijk worden geformuleerd. In de voorgestelde formule worden alle hypothesen ingesloten, ook de mogelijkheid om in oudere zaken waartegen nog cassatieberoep kan worden aangetekend, een nieuwe toetsing door de kamer van inbeschuldigingstelling te laten doorvoeren.

Op de opmerking van mevrouw Crombé-Berton, antwoordt spreker dat het duidelijk aan de wetgever toekomt de wet te interpreteren : « in iure cuius est condere, ipsius est interpretare ».

België past de Angelsaksische regel van het precedent niet toe. Een arrest van het Hof van Cassatie is gezaghebbend, maar niet bindend. Het is alleen bindend wanneer het Hof van Cassatie twee arresten over eenzelfde zaak uitspreekt. Het is trouwens mogelijk dat het Hof van Cassatie in de toekomst zijn rechtspraak verandert of dat een andere kamer van het Hof een andere redenering volgt.

Mevrouw Crombé-Berton merkt op dat het hof van beroep weet dat indien het een arrest uitspreekt dat strijdig is met de rechtspraak van het Hof van Cassatie, het een voorziening en de verbreking van zijn arrest riskeert. In zekere zin bevordert het Hof van Cassatie de eenvormigheid van de rechtspraak.

De heer Vandenberghe beaamt dit, maar voegt eraan toe dat in dit geval de juridische oplossing te laat komt.

De minister besluit uit de bespreking dat alle leden het eens zijn over de noodzaak om te handelen en om een oplossing voor het juridische probleem te vinden. Tijdens de bespreking van de artikelen en van de amendementen zal men kunnen nagaan of de voorgestelde oplossing geen andere problemen oplevert.

Hij herinnert eraan dat het wetsvoorstel het bestaande stelsel van de aanwending van bijzondere opsporingsmethoden niet verandert. Het voegt er alleen maar een controlemogelijkheid aan toe. Dit stelsel bestaat reeds voor nieuwe gegevens. Het voorstel zal deze controle nu ook mogelijk maken voor het toetsen van de wettelijkheid van de toepassing van bijzondere methoden. De feitenrechter krijgt hierdoor een bijkomende mogelijkheid zodat hij zich ervan kan vergewissen dat er geen problemen zijn opgetreden bij het aanwenden van bijzondere onderzoeksmethoden. De kamer van inbeschuldigingstelling zal deze controle uitvoeren. Het wetsvoorstel past dus volledig in het raam van het bestaande stelsel en voegt er een controlemogelijkheid aan toe.

Er bestaat steeds een risico bij nieuwe wetgeving, maar de wetgever dient hier zijn verantwoordelijkheid te nemen. Het is juist dat haast en spoed zelden goed zijn, maar anderzijds kunnen opeenvolgende vrijlatingen in dossiers met zware feiten niet door de beugel. Finaal is de politiek verantwoordelijk voor het ordenen van dergelijke situaties. Spreker herhaalt zijn engagement om zo snel mogelijk een globaal debat te voeren over de bijzondere opsporingsmethoden.

Mevrouw Taelman verwijst naar haar tussenkomst met betrekking tot het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 februari 2008 dat handelt over personen die te maken hebben gehad met bijzondere methoden vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003. Het Grondwettelijk Hof stelt dat de rechter voor alle geschillen die nog niet definitief zijn beslecht de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden kan controleren ongeacht of deze aanwending voor of na de inwerkingtreding van de voormelde wet van heeft plaatsgehad. Er is dan geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hoewel spreekster meent dat het Hof hier een interpretatie geeft van artikel 189ter in de zin van een verruiming, is de veiligheid van de samenleving in het gedrang gekomen en moet de wetgever handelen.

De minister sluit hierbij aan. Er zijn ook diverse elementen van beoordeling en tussenkomst van de zijde van de procureurs-generaal en van het College van procureurs-generaal. Men wordt echter geconfronteerd met het arrest van een onafhankelijke magistratuur en het enige middel is dan de interventie van de wetgever.

De heer Mahoux vraagt of de voorgestelde oplossing niet in strijd is met het beginsel van het gezag van gewijsde, aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling zich reeds over het dossier heeft uitgesproken. Nu zal zij zich opnieuw moeten uitspreken ten gevolge van de verwijzing door de feitenrechter.

Spreker stelt overigens vast dat er een reeks amendementen zijn ingediend. Amendement nr. 3 van de heer Vandenberghe c.s. regelt alleen de termijnen van de cassatievoorzieningen die in overeenstemming worden gebracht met de termijnen van hoger beroep. Het amendement heeft een beperktere strekking dan artikel 3 van het oorspronkelijke voorstel.

Wat betreft het aangehaalde arrest van Grondwettelijk Hof, antwoordt dat de heer Vandenberghe dat het hof van beroep te Gent hiermee geen enkele rekening heeft gehouden en aldus een andere interpretatie gaf van artikel 189ter. De voorgestelde tekst is een verruiming van de interpretatie en er kan uiteraard geen gezag van gewijsde zijn ten aanzien van een nieuwe wet.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Opschrift

Amendement nr. 7

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2) dat ertoe strekt het opschrift van het wetsvoorstel te vervangen als volgt :

« Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 189ter, 235ter, 335bis en 416 van het Wetboek van strafvordering ».

Artikel 1

De heer Coveliers vraagt zich af of het voorliggend wetsvoorstel niet een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

De heer Vandenberghe wijst erop dat het wetsvoorstel niet slaat op de rechterlijke organisatie. Een wijziging aan het Wetboek van strafvordering is een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. De voorgestelde kwalificatie is juist.

Artikel 2

Amendement nr. 1

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2) dat ertoe strekt de woorden « de aanwending van » te vervangen door de woorden « de controle op ».

De heer Vandenberghe wijst erop dat het wetsvoorstel als doelstelling heeft de feitenrechter of het Hof van Cassatie de mogelijkheid te geven de zaak te verzenden naar de kamer van inbeschuldigingstelling in geval dat er zich een wettigheidsincident voordoet. Het amendement verduidelijkt dat voorliggend wetsvoorstel de mogelijkheid opent voor de feitenrechter of het Hof van Cassatie om, naast het bestaande systeem in artikel 189ter van verwijzing naar de kamer van inbeschuldigingstelling omwille van concrete gegevens, die pas aan het licht zijn gekomen na de controle krachtens artikel 235ter, in geval van wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op zich, de zaak te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling, zodat deze de mogelijkheid krijgt de controle uit te oefenen zoals bepaald in artikel 235ter.

Amendement nr. 10

De heer Vankrunkelsven c.s. dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 1-1091/2) om de woorden « verzenden naar de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling » te vervangen door de woorden « aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen ».

De heer Mahoux stelt vast dat het amendement wil dat het dossier overgezonden wordt naar het openbaar ministerie opdat het de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling brengt. Hij veronderstelt dat het openbaar ministerie geen beoordelingsbevoegdheid heeft. Het moet enkel het dossier automatisch naar de kamer van inbeschuldigingstelling verzenden.

De minister bevestigt dit.

Amendement nr. 11

De heer Vankrunkelsven c.s. dienen amendement nr. 11 in (St. Senaat, nr. 1-1091/2) dat ertoe strekt de woorden « de gevallen voorzien in dit artikel » te vervangen door de woorden « het geval bedoeld in het eerste lid ».

Amendement nr. 12

De heer Vankrunkelsven c.s. dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 1-1091/2) dat beoogt om in de Franse tekst de volgende wijzigingen aan te brengen :

1º het woord « hormis » vervangen door het woord « outre »;

2º de woorden « cas d'incident » vervangen door de woorden « cas d'incidents ».

De heer Vandenberghe stemt in met de voorgestelde tekstverbeteringen.

Artikel 2/1 (art. 3 van de aangenomen tekst)

Amendement nr. 2

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 2 in (St. Senaat, nr. 4-1091/2), luidende :

« In artikel 235ter, § 2, derde lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, worden de woorden « op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde » vervangen door de woorden « in aanwezigheid van de procureur-generaal, afzonderlijk de burgerlijke partijen en de inverdenkinggestelden, ».

De heer Vandenberghe verwijst naar zijn schriftelijke toelichting.

De heer Mahoux vraagt of in het algemeen niet beter is te bepalen dat het openbaar ministerie aanwezig is in plaats van de procureur-generaal.

De minister antwoordt dat voor de kamer van inbeschuldigingstelling de procureur-generaal het openbaar ministerie vertegenwoordigt.

De heer Coveliers leidt uit het amendement af dat de inverdenkinggestelde wordt gehoord zonder dat de burgerlijke partij aanwezig is.

De heer Vandenberghe bevestigt dat. De inverdenkinggestelden en de burgerlijke partij worden afzonderlijk gehoord. De huidige tekst van artikel 235ter, § 2, tweede lid, bepaalt : « De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal. ».

Het derde lid bepaalt : « Zij hoort, op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde ... ». De kamer van inbeschuldigingstelling van Gent heeft de woorden « op dezelfde wijze » begrepen als zouden procureur-generaal, de burgerlijke partijen en de inverdenkinggestelde apart gehoord moeten worden.

Het Hof van Cassatie meent dat het mogelijk is de partijen en de inverdenkinggestelde apart te horen, maar dat daarbij wel telkens de procureur-generaal aanwezig moet zijn. Het wetsvoorstel wenst die interpretatie te verankeren in de teksten.

De heer Coveliers vraagt of deze oplossing geen discriminatie teweegbrengt tussen het openbaar ministerie, dat aanwezig is wanneer de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde worden gehoord, en de andere partijen. Waarom mag de burgerlijke partij niet aanwezig zijn bij de debatten wanneer de inverdenkinggestelde de nietigheid van bepaalde onderzoeksdaden aanvoert ? Als de kamer van inbeschuldigingstelling het verzoek van de inverdenkinggestelde honoreert, zal de burgerlijke partij haar argumenten niet hebben kunnen uiteenzetten aangezien zij niet aanwezig was.

De minister verduidelijkt dat het wetsvoorstel op dat punt niets verandert aan de bestaande procedure. Het brengt een aantal precieze veranderingen aan om een aantal praktische moeilijkheden op te lossen die voortvloeien uit de verschillende interpretatie van de teksten door de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent. Hij stelt voor de bespreking te beperken tot dit precieze punt van de procedure. Achteraf kan dan een breder debat over de bijzondere opsporingsmethoden worden gevoerd.

De heer Vankrunkelsven vraagt zich af of de kamer van inbeschuldigingstelling niet eerst de procureur-generaal apart hoort en vervolgens de partijen en de inverdenkinggestelde in aanwezigheid van de procureur-generaal.

De heer Vandenberghe wijst erop dat de woorden « op dezelfde wijze » in het derde lid van de huidige tekst betekenen dat de burgerlijke partijen en de inverdenkinggestelde apart worden gehoord.

De heer Mahoux wijst erop dat het wetsvoorstel ertoe strekt de systematische aanwezigheid van het openbaar ministerie bij de wettelijkheidscontrole te garanderen. Als het amendement de woorden « afzonderlijk de burgerlijke partijen en de inverdenkinggestelden » gebruikt, kan dat enkel betrekking hebben op de partijen — en niet het openbaar ministerie — aangezien precies een einde wordt gemaakt aan de interpretatie van de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent.

De heer Vandenberghe verduidelijkt dat het amendement ertoe strekt de interpretatie van het Hof van Cassatie in te voeren in het Wetboek van strafvordering. De raadkamer van Gent meende dat de woorden « op dezelfde wijze » betekenden dat de procureur-generaal, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partijen ieder apart werden gehoord. Het Hof van Cassatie meende dat de procureur-generaal apart kon worden gehoord maar wel aanwezig moest zijn wanneer de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partijen — apart — werden gehoord. Dat is logisch, aangezien de burgerlijke partijen en de inverdenkinggestelde andere belangen hebben.

De heer Mahoux vraagt verduidelijking over het feit of meerdere burgerlijke partijen elk apart worden gehoord.

De heer Vandenberghe antwoordt dat zij samen worden gehoord.

De heer Dubié vraagt of de andere vier kamers van inbeschuldigingsstelling van het land de tekst hebben geïnterpreteerd zoals het Hof van Cassatie.

De minister bevestigt dat.

Mevrouw Van dermeersch vraagt bevestiging dat de woorden « op dezelfde wijze » niet langer in artikel 235ter, § 2, derde lid, zullen staan.

De minister bevestigt dat. De essentiële toevoeging van amendement nr. 2 is de vermelding van de procureur-generaal. De tekst wordt trouwens veel duidelijker door het woord « afzonderlijk », dat veel explicieter is dan « op dezelfde wijze ».

De heer Coveliers besluit daaruit dat na de uiteenzetting van de procureur-generaal de burgelijke partij(en) en nadien de inverdenkinggestelde(n) zullen worden gehoord, maar dat er geen replieken mogelijk zijn.

De minister antwoordt dat replieken wel mogelijk zijn voor de burgerlijke partijen of de inverdenkinggestelden afzonderlijk, maar dat beide categorieën partijen niet samen aanwezig zullen zijn.

Het openbaar ministerie zal echter telkens aanwezig zijn.

De heer Coveliers meent dat op die manier discriminatie ontstaat die wellicht zal worden bestraft door het Grondwettelijk Hof. Het beginsel van de wapengelijkheid wordt geschonden.

De minister wijst erop dat het wetsvoorstel op dit punt noch de procedure noch de praktijk van de kamers van inbeschuldigingstelling wijzigt.

Artikel 3 (art. 4 van de aangenomen tekst)

Amendement nr. 3

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2), teneinde het artikel te vervangen als volgt :

« Artikel 235ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en vernietigd door het arrest nr. 105/2007 van het Grondwettelijk Hof, wordt hersteld in de volgende lezing :

« § 6. Beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen door een verklaring ter griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze termijn gaat in op de dag waarop het arrest is uitgesproken.

Wanneer echter een van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid is beroofd, dan wordt het beroep in cassatie ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren, die ten aanzien van het openbaar ministerie en elk van de partijen, begint te lopen vanaf de dag waarop het arrest is uitgesproken ». »

Dit amendement wordt ingetrokken ten voordele van amendement nr. 9.

Amendement nr. 9 (subamendement op amendement nr. 3)

De heer Vandenberge c.s. dienen amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2), dat ertoe strekt het artikel te vervangen als volgt :

« Artikel 235ter, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 27 december 2005 en vernietigd door het arrest nr. 105/2007 van het Grondwettelijk Hof, wordt hersteld in de volgende lezing :

« § 6. Beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen door een verklaring ter griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze termijn gaat in op de dag waarop het arrest is uitgesproken.

Wanneer echter een van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid is beroofd, dan moet het beroep in cassatie worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren, die ten aanzien van het openbaar ministerie en elk van de partijen, begint te lopen vanaf de dag waarop het arrest is uitgesproken ». »

De heer Vandenberghe verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording.

Artikel 4 (nieuw) (art. 5 van de aangenomen tekst)

Amendement nr. 4

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2), luidende :

« Een artikel 4 toevoegen, luidende :

« Artikel 335bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd door de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :

« Buiten de gevallen bepaald in het eerste lid, kan de voorzitter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak verwijzen naar de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling voor de controle zoals vermeld in artikel 235ter ». »

Dit amendement wordt ingetrokken ten voordele van amendement nr. 8.

Amendement nr. 8

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2), luidende :

« Een artikel 4 toevoegen, luidende :

« Artikel 335bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd door de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :

« Buiten het geval bepaald in het eerste lid, kan de voorzitter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de controle zoals vermeld in artikel 235ter ». »

Artikel 5 (nieuw) (art. 6 van de aangenomen tekst)

Amendement nr. 5

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2), tot invoeging van een artikel 5, luidende :

« In artikel 416, tweede lid van het Wetboek van strafvordering worden de woorden : « de artikelen 135 en 235bis, » vervangen door de woorden « de artikelen 135, 235bis en 235ter ». »

Artikel 6 (nieuw) (art. 7 van de aangenomen tekst)

Amendement nr. 6

De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 4-1091/2), tot invoeging van een artikel 6, dat ertoe strekt de wet in werking te laten treden de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.


V. STEMMINGEN

Amendement nr. 7 wordt aangenomen met 14 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 1 wordt aangenomen met 14 stemmen bij 1 onthouding.

De amendementen nrs. 1, 11, 12 en 10, en het aldus geamendeerde artikel 2 worden aangenomen met 14 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 2 wordt aangenomen met 14 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 9 en het aldus geamendeerde artikel 3 wordt aangenomen met 14 stemmen bij 1 onthouding.

De amendementen nrs. 8, 5 en 6 worden aangenomen met 14 stemmen bij 1 onthouding.

VI. EINDSTEMMING

Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel is aangenomen met 13 stemmen bij 2 onthoudingen.


Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Philippe MAHOUX. Patrik VANKRUNKELSVEN.