4-1057/2

4-1057/2

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

16 DECEMBER 2008


Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de tijdelijke personeelsformaties bij de hoven van beroep en van de parketten-generaal


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER MAHOUX


I. INLEIDING

Dit verplicht bicameraal wetsontwerp is oorspronkelijk in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend op 16 oktober 2008.

Het werd er geamendeerd en op 11 december 2008 aangenomen met 106 tegen 14 stemmen, bij 17 onthoudingen.

Het werd op 12 december 2008 verzonden naar de Senaat.

Op haar vergadering van 16 december 2008 heeft de commissie het ontwerp in aanwezigheid van de minister van Justitie besproken.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

Het wetsontwerp heeft tot doel de tijdelijke kaders van raadsheren en substituten-procureur generaal in de hoven van beroep en parketten-generaal die vervallen in 2008 en 2009 te verlengen tot 31 december 2010. Er wordt hierbij rekening gehouden met het protocolakkoord van 4 juni 2008, afgesloten met het gerechtelijk werkveld, dat bepaalt dat eind 2009 de eerste werklastmetingsresultaten verwacht kunnen worden voor de hoven van beroep.

Voor het overige verwijst de minister naar zijn inleidende uiteenzetting voor de commissie voor de Justitie van de Kamer, en naar de bijlagen bij het verslag (stuk Kamer, nr. 52-1495/3).

III. BESPREKING

De heer Vandenberghe heeft vragen bij de gehanteerde parlementaire wetgevende procedure. Het staat spreker immers voor dat vroegere verlengingen van tijdelijke kamers aanleiding gaven tot een bespreking in verenigde commissies Kamer en Senaat, waarbij de eerste voorzitter de aanvraag tot verlenging motiveert.

De minister antwoordt dat het verzoek tot verlenging van aanvullende kamers inderdaad wordt besproken in verenigde commissies. Hier gaat het echter om een andere procedure, namelijk om een verlenging van tijdelijke kaders van magistraten.

Mevrouw Taelman stipt aan dat het beschikken over een werklastmetingsinstrument voor hoven en rechtbanken ongetwijfeld een objectief zicht zou kunnen geven op de werklast van rechtbanken en parketten. Dit is een cruciaal element, dat al jaren het onderwerp van discussie vormt en wordt aangekondigd als een mogelijk instrument om de gerechtelijke achterstand weg te werken. Spreekster verwijst naar een studiedag terzake van de KU Leuven in december 2007 over de haalbaarheid van een instrument voor werklastmeting.

Spreekster verwijst ook naar de uiteenzetting van de minister die verklaart een protocolakkoord te hebben gesloten waarin de eerste werklastmetingsresultaten voor de hoven van beroep worden aangekondigd voor eind 2009. In de beleidsnota wordt eveneens bepaald dat er eind 2009 een concreet uitgewerkt voorstel moet zijn van een orgaan dat dienst doet als vertegenwoordiger van de korpschefs van alle hoven en rechtbanken en als aanspreekpunt voor de minister. De vraag rijst wie of wat dat orgaan zal zijn. Zou dit de uitgebreide vaste vergadering van korpschefs van de zetel kunnen zijn ? Wat de timing betreft, vraagt spreekster wat het concreet uit te werken voorstel tegen eind 2009 juist zal inhouden. Gaat het eens te meer om een studie of is het de bedoeling een effectieve implementatie voorop te stellen ? In de beleidsnota wordt ook vermeld dat de voortgang van het proces van de werklastmetingen bij parketten, hoven en rechtbanken permanent zal worden opgevolgd door deel te nemen aan begeleidingscomité's en de resultaten van de werklastmeting te evalueren en door eventuele maatregelen te nemen om de resultaten van de werklastmeting impact te geven. Wat is de concrete timing hiervan ?

Als men de resultaten heeft van een objectieve werklastmeting eind 2009, zal de minister daar dan ook effectief rekening mee houden en de maatregelen nemen die eruit voortvloeien ?

De heer Swennen kan niet ontkennen dat voorliggend wetsontwerp duidelijkheid creëert, maar anderzijds stelt hij ook een aantal minpunten vast.

Zo worden in de memorie van toelichting slechts zeer weinig gegevens ter beschikking gesteld. Men geeft de cijfers van 2006 weer. Is er geen recenter overzicht beschikbaar ?

De termijnen worden steeds met terugwerkende kracht verlengd aangezien men nog steeds niet tot de invoering is gekomen van een, langverwacht, door de raadsheren en procureurs ontwikkeld instrument van werklastmeting. Aldus dient men vast te stellen dat blijkbaar niet iedereen in de gerechtelijke wereld bereid is om, in het belang van de democratie, de nodige stappen voorwaarts te zetten. Wat de terugwerkende kracht betreft, verwijst spreker naar het vervallen kader in de hoven van beroep van Antwerpen en Brussel sedert augustus 2008.

De Raad van State stelde in dat verband dat het, overeenkomstig de grondwet, aan de wetgevende macht toekomt de rechterlijke organisatie te regelen. Artikel 352bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt echter dat de minister van Justitie bij koninklijk besluit, na advies van de Hoge Raad voor de Justitie, de wijze vastlegt waarop de werklast van de rechter en van het openbaar ministerie geregistreerd wordt. De Raad van State stelt dat, aangezien de rechterlijke organisatie een verantwoordelijkheid is van de wetgevende macht, het zonder meer geven van een blanco volmacht aan de uitvoerende macht uit den boze is. Hiervan zal ongetwijfeld gebruik worden gemaakt door de personen die zich geschaad zullen voelen door de werklastmeting.

Spreker verklaart om deze redenen tegen voorliggend ontwerp te zullen stemmen.

De minister stipt aan dat het protocolakkoord bepaalt dat de werklastmetingsresultaten worden verwacht eind 2009, althans voor de hoven. Voor de openbaar ministerie is dit immers reeds in voege. Sedert 1 september is er een vast bureau werklastmeting bij de uitgebreide vaste vergadering van korpschefs bij de zetel geïnstalleerd, wat aangeeft dat de magistratuur zelf bereid is daaraan te werken. De minister is duidelijk bereid impact te geven aan de resultaten.

In de memorie van toelichting worden inderdaad cijfers gegeven van 2006, aangezien voorliggend wetsontwerp reeds een tijdje in voorbereiding is. Spreker verwijst echter naar bijlage 3 bij het verslag van de Kamer dat een relaas geeft van de gerechtelijke achterstand in alle hoven van beroep en van de vorderingen gemaakt op basis van de tijdelijke kaders.

Enkel in het hof van beroep van Antwerpen is het tijdelijk kader reeds in augustus vervallen en geldt voorliggend wetsontwerp met terugwerkende kracht. Wat betreft het tijdelijk kader van het hof van beroep te Antwerpen zijn er geen vacatures.

Wat betreft de kritische opmerking van de Raad van State, bevestigt de minister dat inderdaad was voorzien dat de wetgevende macht een instrument van werklastmeting zou uitwerken en de criteria bepalen. Artikel 352bis van het Gerechtelijk Wetboek werd daartoe destijds ingevoegd, op voorstel van de minister zelf als parlementslid. Het is dan ook de bedoeling, na de creatie van dit instrument tegen eind 2009, ook een advies te vragen aan de Hoge Raad voor de Justitie en wetgevende initiatieven te ontwikkelen om de methodologie en de criteria vast te leggen.

Mevrouw Taelman leidt hieruit af dat er geen echte resultaten en concrete instrumenten bekend zullen zijn tegen eind 2009.

De minister antwoordt dat de algemene methodologie zal vastliggen voor alle hoven en rechtbanken. Specifiek voor de hoven van beroep, waar zich het grootste probleem op het vlak van gerechtelijke achterstand voordoet, zullen concrete resultaten beschikbaar zijn.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1 tot 8 worden aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding en het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem.


Vertrouwen is geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Philippe MAHOUX. Patrik VANKRUNKELSVEN.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (zie stuk Kamer, nr. 52-1495/4).