4-1064/1 | 4-1064/1 |
16 DECEMBER 2008
Het wetsvoorstel dat in de Senaat wordt ingediend, ligt in het verlengde van het wetsvoorstel dat er op 14 februari 2005 werd ingediend onder het nummer 3-1020/1.
Het uitgangspunt ervan is een postulaat. In zijn artikelen 64 en 69 bepaalt de Grondwet de verkiesbaarheidsvoorwaarden waaraan volksvertegenwoordigers en senatoren moeten voldoen. Hij eist met name dat ze het genot hebben van hun burgerlijke en politieke rechten, meer bepaald van het recht zich bij verkiezingen kandidaat te stellen.
Tevens bepaalt hij dat er voor de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers « geen andere voorwaarde tot verkiesbaarheid kan worden vereist » (artikel 64, tweede lid).
Indien die voorwaarden niet of niet meer vervuld zijn, kan de persoon die verkozen of aangewezen werd als vertegenwoordiger van de Natie het mandaat dat hij verkregen heeft niet uitoefenen, noch de uitoefening ervan voortzetten.
De Grondwet voorziet evenwel niet in een ontslag- of afzettingsprocedure voor iemand die als volksvertegenwoordiger is verkozen of als senator is verkozen of aangewezen, en een misdrijf heeft begaan dat door de strafwet wordt bestraft, ook niet indien het om een ernstig misdrijf gaat.
Het Grondwettelijk Hof stelt in zijn arrest nr. 187/2005 van 14 december 2005 : « De wetgever put uit de voormelde bepalingen de bevoegdheid om vast te stellen welke burgers worden uitgesloten van het recht op deelname aan de verkiezingen », als kiezer of als kandidaat.
De wetgever heeft in het bijzonder het recht personen die door hun woorden, hun gedrag of hun daden hebben bewezen dat ze de regels en waarden die in een democratische samenleving gelden, niet delen en daarvoor een strafrechtelijke sanctie hebben opgelopen, uit een parlementaire assemblee te verwijderen.
Hij heeft de bevoegdheid in het Kieswetboek te bepalen dat iemand die veroordeeld is voor de misdrijven die hij bepaalt, niet verkiesbaar is.
Het gaat om de misdrijven die worden vermeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenophobie ingegeven daden en om de misdrijven die worden vermeld in de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd.
Die misdrijven kunnen begaan zijn door personen die individueel of als bestuurder van een vereniging handelen. Het hof van beroep van Gent in een arrest van 21 april 2004, en het Hof van Cassatie in een arrest van 9 november 2004, hebben er immers op gewezen dat verenigingen waarden kunnen verdedigen van intolerantie, die zijn ingegeven door racisme en xenofobie en die niet compatibel zijn met de waarden van een democratische, vrije en pluralistische samenleving.
Een recht dat het Grondwettelijk Hof terecht fundamenteel « voor de democratie en de Rechtsstaat » noemt, kan niemand voor onbeperkte tijd worden ontzegd. Een maximumperiode van vijf jaar is wellicht aan te bevelen, waarbij een nieuwe veroordeling vanzelfsprekend dezelfde gevolgen inzake niet-verkiesbaarheid met zich kan brengen.
Dit wetsvoorstel wordt aan het bestaande wetgevend arsenaal toegevoegd. Het gaat om een juridisch instrument dat de huidige wetgeving aanvult. De bedoeling ervan is diegenen die de democratische principes van de Grondwet, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten met voeten treden terwijl ze een politiek mandaat uitoefenen en daarvoor bij een gerechtelijke beslissing zijn veroordeeld, hard aan te pakken (1) .
Artikel 2
Deze bepaling verplicht elke kandidaat bij de parlementsverkiezingen zich ertoe te verbinden de democratische beginselen van de Grondwet, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten in acht te nemen. De formulering van deze bepaling is gebaseerd op artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de financiering van de politieke partijen.
Artikel 3
Deze bepaling voegt twee gronden van niet-verkiesbaarheid toe voor de parlementsverkiezingen. Ze heeft betrekking op :
1º hen die werden veroordeeld voor de misdrijven bedoeld in de wet van 30 juli 1981 of in de wet van 23 maart 1995;
2º hen die bestuurder zijn of geweest zijn van een vereniging die, zelfs met uitstel, veroordeeld is voor een van de misdrijven bedoeld in de wet van 30 juli 1981 of in de wet van 23 maart 1995.
| Francis DELPÉRÉE. Armand DE DECKER. Philippe MOUREAUX. José DARAS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 116 van het Kieswetboek wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
« § 7. In hun akte van bewilliging verbinden de kandidaten zich ertoe tijdens de verkiezingen en gedurende hun mandaat, de democratische beginselen van een rechtsstaat en de rechten en vrijheden die zijn ingeschreven in de Grondwet, in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 en in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, te eerbiedigen. ».
Art. 3
Artikel 227 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 4º en een 5º, luidende :
« 4º zij die veroordeeld zijn wegens misdrijven bedoeld in de wet 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden of op grond van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd;
5º zij die onverminderd de toepassing van de bepalingen in het 1º en het 2º, bestuurder zijn of geweest zijn van een vereniging die, zelfs met uitstel, veroordeeld is voor een van de misdrijven bedoeld in de wet van 30 juli 1981 of in de wet van 23 maart 1995. ».
19 november 2008.
| Francis DELPÉRÉE. Armand DE DECKER. Philippe MOUREAUX. José DARAS. |
(1) Het is belangrijk erop te wijzen dat het Waals Gewest en het Brussels Gewest die bepaalde vorm van onverkiesbaarheid reeds in hun wetgeving hebben opgenomen (Code wallon de la démocratie locale, artikel L-4155-1 en Gemeentekieswet, artikelen 23, § 2, en 65).