4-1046/1

4-1046/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

4 DECEMBER 2008


Voorstel van resolutie betreffende de opvolging van de Internationale Conferentie over de financiering voor ontwikkeling te Doha van 29 november tot 2 december 2008

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune c.s.)


TOELICHTING


Met dit voorstel van resolutie wensen de indieners de aandacht van de regering te vestigen op de Internationale opvolgingsconferentie over de financiering voor ontwikkeling van 29 november tot 2 december 2008 te Doha.

Sabine de BETHUNE
Els SCHELFHOUT
Elke TINDEMANS
Els VAN HOOF.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. Gelet op de opvolgingsconferentie inzake financiering voor ontwikkeling die van 29 november tot 2 december 2008 te Doha georganiseerd werd;

B. Verwijzende naar de engagementen die de deelnemers, waaronder België, hebben aangegaan op de internationale conferentie over ontwikkelingsfinanciering te Monterrey in maart 2002;

C. Rekening houdende met de financiële crisis en de negatieve gevolgen ervan voor de globale economie en meer in het bijzonder de negatieve impact ervan op de ontwikkelingslanden die afhankelijk zijn van externe financiering;

D. Overwegende dat de huidige financiële crisis, voedselcrisis, energiecrisis, de klimaatopwarming en de mogelijke economische recessie extra druk zal zetten op de te besteden middelen in de strijd tegen de armoede en op het investeringsgedrag van het bedrijfsleven in de ontwikkelingslanden. Bovendien hebben de ontwikkelingslanden noch de capaciteit noch de financiële middelen om de gevolgen van de klimaatopwarming tegen te gaan;

E. Erkennende dat de landen in het noorden de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen om de financiële crisis aan te pakken en tegelijk de armoede in de wereld uit te roeien en de Millenniumdoelstellingen te bereiken;

F. Verwijzende naar de finale tekst van de Internationale Conferentie over financiering voor ontwikkeling te Monterrey in maart 2002, die in het bijzonder stelt dat een financiële internationale stabiliteit noodzakelijk is voor een mondiale economische groei;

G. Verwijzende naar de VN-top MDG+5 in september 2005 waarin duidelijk werd gesteld dat de besteding van 0,7 % van het BNI van de landen in het Noorden aan ontwikkelingssamenwerking niet voldoende zal zijn om tegen 2015 de Millenniumdoelstellingen te halen en er bijgevolg nood is aan bijkomende middelen onder andere via innovatieve financieringsvormen waarvan het nut reeds bewezen werd met UNITAID en GAVI;

H. Verwijzende naar de verklaring over « innovatieve bronnen ter financiering van ontwikkeling » die 79 landen op 14 september 2005 hebben ondertekend en die teruggaat op een top in New York van 20 september 2004 op initiatief van president Lula da Silva van Brazilië over hoe de strijd aan te gaan met honger, armoede en het verhogen van de financiële hulp voor ontwikkeling;

I. Gelet op het feit dat sinds de Millenniumverklaring de belangstelling voor alternatieve financiering van ontwikkelingssamenwerking gegroeid is onder andere via een Tobintaks, een taks op vliegtuigtickets, een heffing op vliegtuigbrandstof, maar ook voor de strijd tegen corruptie en illegale financiële stromen die door een Noorse werkgroep geraamd wordt op 700 miljard dollar, en voor het vergemakkelijken van de remittances die volgens de Wereldbank ongeveer 300 miljard dollar vertegenwoordigen;

J. Vaststellende dat zowel de in Monterrey gemaakte afspraken over de omvang van de officiële ontwikkelingshulp als de afspraken die de G8 in Gleneagles maakten door veel donorlanden nog niet volledig zijn nagekomen;

K. Gelet op het feit dat de strijd tegen armoede reeds in de Belgische wet op de internationale samenwerking van 1999 als algemene doelstelling vooropgesteld wordt;

L. Verwijzende naar de programmawet van 31 december 2002 waardoor België zich geëngageerd heeft om 0,7 % van het BNI aan de officiële ontwikkelingssamenwerking bij te dragen tegen 2010;

M. Gelet op de beleidsverklaring van 14 oktober 2008 waarbij de Belgische regering aangekondigd heeft voor de begroting 2009 bijkomende middelen voor het budget ontwikkelingssamenwerking te voorzien zodat het groeipad naar de 0,7 % norm tegen 2010 gerespecteerd wordt;

N. Verwijzende naar het engagement dat ook ons land heeft aangegaan met betrekking tot de realisatie van de Millenniumdoelstellingen;

O. Gelet op de wet van 19 november 2004 tot invoering van een heffing op omwisselingen van deviezen, bankbiljetten en munten, waarvan de toepassing afhankelijk is van de inwerkingtreding op Europees niveau;

P. Vaststellende dat België onvoldoende partij is bij de vele internationale initiatieven en nationale programma's inzake gezondheidszorg in de ontwikkelingslanden, en bij milieufondsen zoals het Special Climate Change Fund en ook tot op heden geen beleid inzake innovatieve financiering heeft ontwikkeld;

Q. Gelet op de conclusies van de 2 903de Raad van Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 10 en 11 november 2008 waarin de krachtlijnen voor de deelname van de EU aan de Internationale Conferentie over de financiering voor ontwikkeling te Doha van 29 november tot 2 december 2008 werden uitgestippeld;

vraagt de federale regering :

1. het proces van Monterrey aan te houden en verder in te zetten op meer ontwikkelingssamenwerking, meer coherentie en meer efficiëntie en bijgevolg het aangegane engagement van België op de Monterrey conferentie om tegen 2010 minimaal 0,7 % van het BNI aan ontwikkelingssamenwerking te besteden, ook effectief te honoreren;

2. ervoor te pleiten dat via zeer concrete afspraken elk hoog inkomensland minimaal 0,7 % van het BNI aan ODA besteedt tegen uiterlijk 2015. Een tijdspad daar naartoe moet zo concreet mogelijk worden vastgelegd;

3. in het verlengde van de Internationale Conferentie over de financiering voor ontwikkeling te Doha van 29 november tot 2 december 2008 een Belgische beleidsvisie inzake innovatieve financiering uit te werken, teneinde nieuwe mechanismen en samenwerkingsverbanden tot stand te brengen die een verhoogde financiering van ontwikkelingssamenwerking mogelijk maken, of op het vlak van gezondheidszorg aan te sluiten bij bestaande initiatieven die reeds bewezen hebben over duurzame financiële inkomsten via innovatieve financiering te beschikken. Zo moet ons land op korte termijn partij worden bij UNITAID;

4. bijzondere aandacht te hebben voor de mobilisatie van middelen binnen de ontwikkelingslanden zelf via goed bestuur, capaciteitsversterking op het vlak van een efficiëntere inning van de belastingen teneinde de belastingopbrengsten te verhogen, het creëren van een gunstig investeringsklimaat, een eerlijker verdeling van de welvaart, het tegengaan van kapitaalvlucht en de strijd tegen corruptie;

5. private middelen en internationale handel aan te wenden als een motor voor ontwikkeling in de landen van het Zuiden. Daarom moeten de armste landen meer ondersteund worden in een betere participatie in het wereldhandelsstelsel, in een verbeterde markttoegang, in een beleidsruimte om in een beginperiode bepaalde sectoren (bijvoorbeeld landbouw) te beschermen, met speciale vrijwaringsmaatregelen, subsidies of tarieven, in het streven naar een vergroting van een versterkt regionaal handelsbeleid en in de uitbouw van de benodigde productieve capaciteit, infrastructuur en handelsbeleid;

6. in het licht van de binnen de OESO gemaakte afspraken over « sustainable lending » de ontwikkelingslanden te steunen bij hun inspanningen om hun schulden op een aanvaardbaar niveau te houden. Concreet kan ons land bijdragen tot initiatieven die gericht zijn op schuldhoudbaarheid onder andere via het actief bevorderen van de kwaliteit van schuldmanagement in de MOL-landen, uitwisseling van de schuldgegevens door alle kredietverstrekkers met het IMF en de bestrijding van de aasgierfondsen op internationaal niveau;

7. steun te geven aan een rechtvaardiger en meer coherent internationaal monetair, financieel en handelssysteem zodat de ontwikkelingslanden ook zelf in staat worden gesteld hun belangen te verdedigen in de internationale arena (Wereldbank, IMF,...) en volwaardig onderdeel zijn van het mondiale systeem;

8. bijzondere steun te geven aan initiatieven waarbij het belang van gelijke rechten voor vrouwen en mannen centraal staat. Vrouwen spelen immers een essentiële rol in groei en armoedevermindering in de ontwikkelingslanden. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar eigendoms- en landrechten voor vrouwen en microkredieten voor startende ondernemers.

21 november 2008.

Sabine de BETHUNE
Els SCHELFHOUT
Elke TINDEMANS
Els VAN HOOF.