4-992/1

4-992/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

6 NOVEMBER 2008


Voorstel van resolutie betreffende het krachtdadig ondersteunen door België en de EU van de VN-vredesmacht in Oost-Congo


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW SCHELFHOUT


I. PROCEDURE

Op 5 november 2008 heeft de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging een gedachtewisseling gehouden met de minister van Ontwikkelingssamenwerking over de toestand in Oost-Congo. Naar aanleiding van deze gedachtewisseling besliste de commissie om een voorstel van resolutie op te stellen betreffende het krachtdadig ondersteunen door België en de EU van de VN-vremdesmacht in Oost-Congo.

De voorwaarden waaronder zij van deze bijzondere procedure gebruik kon maken, worden in het artikel 22, 3, van het reglement van de Senaat als volgt omschreven :

« Wanneer de commissies naar aanleiding van een bespreking beslissen dat een wetgevend initiatief nodig is of dat de Senaat zijn standpunt te kennen moeten geven, kunnen ze zelf een voorstel van wet of van resolutie opstellen, het bespreken, erover stemmen en hierover verslag uitbrengen, zonder dat de Senaat het vooraf in overweging neemt.

Deze procedure kan alleen worden aangevat als twee derden van de leden van de commissie zich schriftelijk akkoord verklaren en de voorzitter van de Senaat vooraf zijn toestemming heeft gegeven. In geval van twijfel over de ontvankelijkheid of over de bevoegdheid van de commissie, raadpleegt de voorzitter het bureau. »

Per brief van 4 november 2008 werd aan de voorzitter van de Senaat toestemming voor deze procedure gevraagd waarna de voorzitter zijn akkoord betuigd heeft. Tevens hebben ook twaalf leden van de commissie zich akkoord verklaard.

De gedachtewisseling met de minister van Ontwikkelingssamenwerking is opgenomen als bijlage bij dit verslag.

II. VOORSTEL VAN RESOLUTIE

De Senaat,

A. Gelet op de trieste balans na 14 jaar geweld in Oost-Congo, met name meer dan 5 miljoen doden en 2 miljoen vluchtelingen;

B. Overwegende dat het conflict nog steeds rechtstreeks of onrechtstreeks leidt tot de dood van 1 500 mensen per dag;

C. Verwijzende naar de verslagen van de UNCHR die aantonen dat de hernieuwde gevechten in Noord-Kivu, sinds augustus 2008, alleen al hebben geleid tot een vluchtelingenstroom, tussen 100 000 en 200 000 mensen;

D. Overwegende dat sinds januari 2008, zowel door de rebellen van de ontslagen generaal Laurent Nkunda als door de soldaten van de Forces Démocratiques pour la Libération du Rwanda (FDLR) en het Congolese leger zelf, in de oostelijke delen van de DRC slachtingen werden aangericht, jonge meisjes en vrouwen werden verkracht, en burgers en kinderen gedwongen werden geronseld, naast een hele reeks andere gewelddaden en ernstige schendingen van de mensenrechten en dit ondanks het Amani-vredesakkoord dat op 23 januari 2008 door 22 gewapende organisaties werd ondertekend;

E. Overwegende dat de gevechten tussen het Congolese leger, de rebellen van Nkunda en de soldaten van de FDLR, alsook de troepen van het Oegandese Verzetsleger van de Heer (LRA), al maandenlang leiden tot onnoemelijk leed onder de burgerbevolking van de oostelijke provincies van de DRC;

F. Overwegende dat de rebellen van Nkunda dreigen de stad Goma met geweld in te nemen;

G. Overwegende dat de VN-missie in de DRC (MONUC) onder hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties een mandaat heeft om alle nodige middelen in te zetten om een halt toe te roepen aan elke poging tot geweldpleging die het politieke proces zou bedreigen, van de kant van welke buitenlandse of Congolese gewapende groep dan ook en met name de voormalige FAR en de Interhamwes, en om de voortdurend onder bedreiging van lichamelijk geweld levende burgerbevolking te beschermen;

H. Gezien de toezeggingen die tijdens de Goma-conferentie zijn gedaan ten aanzien van een geleidelijke demobilisatie en uitvoering van het staakt-het-vuren, met inbegrip van het neerleggen van de wapens door alle strijdende partijen, de ontwapening van alle niet-regeringstroepen, de terugkeer en hernieuwde vestiging van alle ontheemden in de oostelijke delen van de DRC en de instelling van een tijdelijk mechanisme voor toezicht op het staakt-het-vuren;

I. Overwegende dat het absoluut noodzakelijk is een politieke oplossing voor de crisis in de oostelijke provincies van de DRC te vinden, om de vrede en de democratie te consolideren en de stabiliteit en de ontwikkeling in de regio te bevorderen ten behoeve van het welzijn van alle volkeren in het Gebied van de Grote Meren;

J. Overwegende dat het Congolese leger niet over de nodige personele, technische en financiële middelen beschikt om zijn taken in de oostelijke provincies van de DRC te kunnen vervullen, wat de beschermende rol die het vervult ten aanzien van de bevolking in gevaar brengt, alsook zijn opdracht om te zorgen voor herstel van vrede en stabiliteit;

K. Overwegende dat tal van humanitaire organisaties als gevolg van de vijandelijkheden gedwongen worden hun activiteiten te staken hoewel de lokale en ontheemde bevolking dringend nood heeft aan voedselhulp en medische verzorging;

L. Overwegende dat de combinatie van VN-blauwhelmen met een beperkte en tijdelijke EU-versterking onder VN-mandaat in 2003 in het noordoostelijke Ituri-district (operatie Artemis) en in Kinshasa tijdens de verkiezingen in 2006 reeds haar nut bewees;

M. Gezien de herhaalde vraag van Alan Doss, de speciale gezant van de VN voor Congo, voor een versterking van de MONUC troepenmacht met twee bataljons lichte infanterie extra, evenals enkele eenheden speciale troepen en politietroepen;

N. Overwegende dat de burgerbevolking nood heeft aan een geloofwaardige politiemacht die kan toezien op een normaliseringsproces waarbij de bevolkingsgroepen in Oost-Congo terug leren samenleven;

O. Gelet op de speciale band tussen België en de Democratische Republiek Congo;

P. Gelet op het Belgisch lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad tot eind 2008;

Q. Verwijzende naar de resoluties van het Europees parlement van 21 februari 2008 en van 23 oktober 2008;

R. Verwijzende naar de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 22 november 2007 over de toestand in de DRC, met name in het oosten van het land, en de gevolgen daarvan voor de regio;

S. Gelet op de verklaring van de Raad van de Europese Unie van 10 oktober 2008 over de toestand in het oostelijke deel van de DRC;

verzoekt de federale regering :

1. de huidige inspanningen op te drijven om de Congolese problematiek hoog op de Europese en internationale agenda te plaatsen;

2. in de VN-Veiligheidsraad te pleiten om met spoed alle nodige maatregelen te nemen die kunnen verhinderen dat wie dan ook de burgerbevolking van Noord-Kivu en van de stad Goma in het bijzonder aanvalt;

3. binnen het kader van de VN-veiligheidsraad aan te dringen op een efficiënter en krachtdadiger optreden van de MONUC-vredesmacht in de Democratische Republiek Congo onder andere door de internationale gemeenschap op te roepen meer geschikt materiaal en personeel te leveren, teneinde de Congolese autoriteiten te kunnen ondersteunen in hun streven naar de territoriale integriteit, de ontwapening van de milities en hun integratie in de reguliere strijdkrachten, de bescherming van de burgerbevolking en het afdwingen van de gemaakte afspraken binnen de vredesakkoorden;

4. te pleiten voor een beperkte en tijdelijke EU-versterking onder VN-mandaat, waarbij een EU-politiemacht, ondersteund door een mobiele interventiemacht, nauw zal samenwerken met de Congolese regering om als belangrijkste taken in te staan voor de effectieve bescherming van de Congolese burgers, de staats- en openbare instellingen en het toezicht op de installatie van de staatsstructuren;

5. aan te dringen op de aanwerving en vorming van lokale politie, georganiseerd per taalgroep en per regio. Deze politiekaders kunnen « on the job » worden opgeleid door de Europese politiemacht, EUPOL, die reeds aanwezig is en hiertoe de nodige ervaring heeft;

6. alle partijen op te roepen hun toezeggingen na te komen om de burgerbevolking te beschermen en de mensenrechten te eerbiedigen, zoals vastgelegd in het Amani-vredesakkoord en het Nairobi-proces, en om deze zo spoedig mogelijk toe te passen;

7. de regeringen van de landen in de regio van de Grote Meren aan te moedigen om een dialoog te starten met als doel hun inspanningen te bundelen om zo de spanningen te verminderen en het geweld een halt toe te roepen in het oosten van de DRC vóór het conflict zich verspreidt over heel de regio;

8. er bij de Congolese regering op aan te dringen om samen met de MONUC en de regering van Rwanda een plan te ontwikkelen om leiders van de rebellenbewegingen die zich schuldig maken aan mensenrechtenschendingen, gevangen te nemen en voor het Internationaal Strafhof te brengen, en om diegenen die niet betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen en die bereid zijn te demobiliseren, de kans te geven zich in de DRC te vestigen of opnieuw in Rwanda te integreren;

9. onmiddellijk noodhulp vrij te maken om een antwoord te bieden op de zeer ernstige humanitaire situatie waarin de bevolking van het oosten van de DRC verkeert en ervoor te zorgen dat de hulpverleners in de best mogelijke omstandigheden hun werk kunnen doen;

10. er bij de Europese partners op aan te dringen om een grootschalige humanitaire hulpoperatie op de been te brengen teneinde de lokale bevolking en de ontheemden in het oosten van de DRC de nodige voedselhulp en medische verzorging te geven;

11. te investeren in een internationale monitoring nopens de manier waarop grondstoffen in Oost-Congo worden ontgonnen en illegaal uit het land worden geëxporteerd;

12. deze resolutie te doen toekomen aan de instellingen van de Europese Unie en de Afrikaanse Unie, aan de VN-Veiligheidsraad en aan de regeringen en parlementen van de landen in de regio van de Grote Meren.

III. BESPREKING

Mevrouw Schelfhout schetst de historiek van de problematiek. Het aantal vluchtelingen dat eind 2007 in Noord-Kivu op 350 000 werd geschat is nu reeds gestegen tot 1,4 à 2 miljoen, waarvan 60 % kinderen. In de eerste plaats moet een diplomatieke oplossing worden gezocht, maar dit lijkt op korte termijn uitgesloten, ondanks het feit dat er zeer veel hooggeplaatste politici van de Europese Unie (EU) een belangrijke inspanning op dit vlak hebben geleverd. Daarom wordt gepleit voor het sturen van een EU-troepenmacht van de MONUC en een politiemacht ter ondersteuning van het staatsapparaat. Ook wordt aandacht besteed aan het verlenen van noodhulp en de internationale monitoring van de grondstoffenontginning. Spreekster stelt dat dit voorstel van resolutie zo snel mogelijk moet worden aangenomen.

Verschillende commissieleden stemmen hiermee in.

Considerans

Punt D

Mevrouw Temmerman stelt voor om in dit punt de woorden « Amani vredesakkoord » te vervangen door « Goma-vredesakkoord ».

In januari 2008 ondertekenden een twintigtal strijdende partijen in Oost-Congo een vredesakkoord, gekend als het akkoord van Goma. Daaraan verbonden werd een alomvattend programma uitgewerkt voor vredesopbouw in de regio, het Amani-programma (Amani betekent « vrede » in het Swahili). Het Amani-programma bestaat uit militaire, humanitaire en sociale pijlers.

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

Punt T (nieuw)

Mevrouw Temmerman stelt voor een nieuw punt T toe te voegen luidend als volgt :

« T. Overwegende de veroordeling van het geweld in Oost-Congo door de « Peace and Security Council » van de Afrikaanse Unie en hun oproep om meer internationale vredestroepen naar de regio te brengen; »

Volgens mevrouw Temmerman mag de rol van de Afrikaanse Unie meer benadrukt worden in het voorstel van resolutie.

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

Punt U (nieuw)

Mevrouw Durant stelt voor om een nieuw punt U in te voegen in het voorstel van resolutie, luidende als volgt :

« U. De Senaat trekt de aanbevelingen uit 1997 in die bepalen dat België niet mag deelnemen aan militaire operaties in zijn oud-kolonies, voor zover die operaties echter worden uitgevoerd in strikte naleving van het VN-Handvest; ».

Mevrouw Durant onderstreept dat door die bepaling uit 1997 België immers niet zou kunnen deelnemen aan een Europese militaire operatie indien dat nodig zou zijn.

De heer Monfils is ook van oordeel dat de aanbevelingen uit 1997 moeten worden gewijzigd maar niet binnen het kader van het huidige voorstel van resolutie.

Mevrouw de Bethune verwijst naar het Senaatsverslag van 18 mei 2004 betreffende de betrekkingen van België met Centraal-Afrika : Rwanda (stuk Senaat, nr. 3-255/1, blz. 34) waarin de aanbevelingen van 1997 worden gewijzigd. Er werd geconcludeerd dat België eventueel zou kunnen tussenkomen in oud-kolonies, maar dat kon niet gebeuren in een kader van een bilaterale militaire samenwerking met het betrokken land.

Mevrouw Durant stelt de volgende formulering voor : « rekening houdend met de beslissing van de Senaat van 18 mei 2004 tot wijziging van de aanbevelingen van 1997, zal de Senaat die aanbevelingen opnieuw onderzoeken; ».

De heer Monfils stelt voor dit te beperken tot het volgende : « dat de Senaat een eventuele wijziging van de aanbevelingen van 1997 opnieuw zal onderzoeken; ».

Mevrouw Zrihen stelt voor om dat punt als volgt te formuleren : « de Senaat zal opnieuw onderzoeken of de aanbevelingen van 1997, die bepalen dat België niet mag deelnemen aan militaire operaties in zijn oud-kolonies, eventueel gewijzigd kunnen worden voor zover die operaties worden uitgevoerd in strikte naleving van het VN-Handvest; ».

Mevrouw de Bethune, van haar kant, stelt voor om het als volgt te formuleren :

« Gezien de aanbevelingen inzake de deelname van Belgische strijdkrachten aan internationale vredesmissies, zoals geformuleerd op 6 december 1997 in de Parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda (stuk Senaat, nr. 1-611/7) en nadien geherformuleerd door de Senaat op 18 mei 2004 (stuk Senaat, nr. 3-255/1, blz. 34); ».

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging, zoals voorgesteld door mevrouw de Bethune, in.

Dispositief

Mevrouw de Bethune stelt voor om het punt 1 te doen voorafgaan door een nieuw punt, luidende :

« Alles in het werk te stellen om de diplomatieke banden met de DRC te normaliseren zodat ons land ten volle haar rol kan spelen in de stabilisering van de regio en de totstandkoming van een duurzame vrede; ».

Mevrouw Hermans plaatst kanttekeningen bij dit voorstel van tekstwijziging omdat het de nadruk legt op een eerder ongelukkig incident.

Volgens mevrouw Durant zijn er toch signalen waar te nemen die wijzen op een verbetering.

Mevrouw Zrihen stelt voor het nieuwe punt als volgt te doen luiden :

« te ijveren voor het spoedige herstel van duurzame diplomatieke betrekkingen tussen de Belgische en de Congolese regering en voor een hervatting van een openhartige, hartelijke en constructieve dialoog tussen de Congolese en de Rwandese overheden; ».

Mevrouw de Bethune wenst aan het voorstel van mevrouw Zrihen de woorden « zodat ons land ten volle kan bijdragen tot de stabilisering van de regio en de totstandkoming van een duurzame vrede », toe te voegen. Het commissielid onderstreept dat België eerst zelf moet ijveren voor betere, duurzamere relaties, alvorens hiervoor bij de EU te pleiten.

Volgens mevrouw Hermans lijkt het alsof de bevoegde ministers nog geen poging hebben gedaan om de diplomatieke relaties te normaliseren, terwijl dit wel het geval is. Het commissielid stelt bijgevolg voor om de woorden « te ijveren voor het spoedige herstel van duurzame diplomatieke betrekkingen » te vervangen door de woorden « de inspanningen verder te zetten om de diplomatieke betrekkingen te herstellen ».

Mevrouw de Bethune is het niet eens met deze formulering omdat op die manier de resultaatsverbintenis met betrekking tot de diplomatieke relaties wordt omgevormd tot een inspanningsverbintenis.

Mevrouw Zrihen stelt voor om het punt als volgt te formuleren : « de inspanningen verder te zetten om duurzame diplomatieke betrekkingen tussen de Belgische en de Congolese regering te herstellen, en voor een hervatting van een openhartige, hartelijke en constructieve dialoog tussen de Congolese en de Rwandese overheden, zodat ons land ten volle kan bijdragen tot de stabililisering van de regio en de totstandkoming van duurzame vrede; ».

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging, zoals voorgesteld door mevrouw Zrihen, in.

Mevrouw de Bethune stelt vervolgens voor om nog een punt in te voegen voor het bestaande punt 1, luidende als volgt :

« te streven naar een globale aanpak, dat wil zeggen met oog voor het militaire, diplomatieke en humanitaire aspect, om een duurzame vrede in de regio van de Grote Meren en meer in het bijzonder Oost-Congo te bewerkstellingen; ».

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

Punt 3

De dames Zrihen en Schelfhout stellen voor punt 3 als volgt te wijzigen :

« binnen het kader van de VN-veiligheidsraad aan te dringen op een verduidelijking en een versterking van het mandaat van MONUC en op een versterking van de samenstelling van en het bevel over MONUC, met het oog op een doeltreffender en krachtdadiger optreden, het waarborgen van de veiligheid in de vluchtelingenkampen en de dorpen, het uitoefenen van de controle over de plaatsen waar natuurlijke rijkdommen voor militaire doeleinden ontgonnen worden, en het steunen van de Congolese overheid in de oprichting van een rechtsstaat binnen de erkende landsgrenzen; »

Mevrouw Durant dringt erop aan dat expliciet wordt verwezen naar de rules of engagement voor het mandaat van de MONUC.

Mevrouw Zrihen stelt daarom de volgende tekst voor : « er bij de VN-veiligheidsraad voor te pleiten dat hij het mandaat van MONUC verduidelijkt en versterkt, overeenkomstig de inzetregels die goedgekeurd zijn op 15 mei 2007, alsook de samenstelling van en het bevel over MONUC, met het oog op een doeltreffender en krachtdadiger optreden, het waarborgen van de veiligheid in de vluchtelingenkampen en de dorpen, het uitoefenen van de controle over de plaatsen waar natuurlijke rijkdommen voor militaire doeleinden ontgonnen worden, en het steunen van de Congolese overheid in de oprichting van een rechtsstaat binnen de erkende landsgrenzen; ».

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

Punt 5

De heer Elsen stelt voor punt 5 te wijzigen als volgt :

« aan te dringen op de oprichting en de opleiding van een lokale politiemacht. De verantwoordelijken van deze politiemacht zouden opgeleid moeten worden door de Europese politiemissie EUPOL, die reeds aanwezig is in de DRC en daar ervaring heeft opgedaan; ».

De heer Elsen verduidelijkt dat het niet raadzaam is te verwijzen naar de organisatie van de lokale politie per taalgroep en per regio. De heer Monfils is het daarmee eens maar benadrukt het belang van de vermenging van de troepen.

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

Punt 6

Mevrouw Temmerman stelt voor in dit punt de woorden « Amani vredesakkoord » te vervangen door de woorden « Goma-vredesakkoord »

Het gaat om een loutere technische aanpassing van de tekst.

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

Punt 7

Mevrouw de Bethune stelt voor dit punt als volgt te wijzigen :

« alle diplomatieke initiatieven maximaal te ondersteunen zoals deze die moet leiden tot het Nairobi II proces. Opdat een diplomatiek vredesakkoord echt kans op succes zou hebben, moet de regering de mogelijkheid van de afdwingbaarheid van het akkoord bepleiten waarbij ook niet-militaire opties gebruikt moet worden zoals onder andere het inbouwen van ijkpunten in de hulpverlening, voorwaardelijke hulp,..; ».

Mevrouw Hermans is voorstander van het behoud van de oorspronkelijke versie van punt 7 omdat zij vreest dat het opnemen van de mogelijkheid van afdwingbaarheid van een vredesakkoord niet zal leiden tot een oplossing op korte termijn.

Volgens mevrouw de Bethune moeten er toch op een bepaald moment sancties kunnen genomen worden indien een diplomatieke oplossing niet meer haalbaar is.

Mevrouw Hermans heeft ook twijfels bij het gebruiken van niet-militaire opties, zoals het inbouwen van ijkpunten in de hulpverlening. Het commissielid pleit voor voorzichtigheid omdat op die manier de bevolking rechtstreeks wordt geraakt.

Mevrouw de Bethune kan hiermee instemmen en stelt voor om alleen de bilaterale hulpverlening te viseren.

De tekst wordt gewijzigd als volgt : « alle diplomatieke initiatieven maximaal te ondersteunen, zoals het initiatief dat moet leiden tot het Nairobi II-proces. Opdat een diplomatiek vredesakkoord echt kans tot succes kan hebben, moet de regering de mogelijkheid van de afdwingbaarheid van het akkoord bepleiten. Zo zouden ijkpunten in de bilaterale hulpverlening of voorwaardelijke hulp gehanteerd kunnen worden; ».

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

Punt 8

Mevrouw Temmerman stelt voor dit punt te vervangen als volgt :

« alle betrokken landen te vragen om hun volle medewerking te verlenen aan een eventueel onderzoek van het Internationaal Strafhof en aan de aanhouding van de misdadigers die het Internationaal Strafhof wil berechten; ».

Volgens mevrouw Temmerman ligt het initiatief voor een onderzoek, aanhouding en berechting bij het Internationaal Strafhof bij dit orgaan zelf en niet bij individuele landen.

Voor mevrouw Durant moeten in het voorstel van resolutie uitdrukkelijk de namen worden vermeld van de personen tegen wie een internationaal aanhoudingsbevel moet worden uitgevaardigd. Jean Bosco werd officieel in beschuldiging gesteld door het Internationaal Strafhof en er werd een internationaal aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd, wat niet het geval is met Laurent Nkunda.

Om alle personen die oorlogsmisdaden begaan hebben onder het toepassingsgebied van de tekst te laten vallen, stellen mevrouw Durant en mevrouw de Bethune voor om punt 8 aan te vullen als volgt :

« en gevolg te geven aan de beschuldiging van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die het Internationaal Strafhof tegen de betrokken krijgsheren heeft uitgesproken; ».

Mevrouw Hermans vindt het niet aangewezen om zich categoriek op te stellen en vreest dat dergelijke tekst niet tot een oplossing van het conflict op korte termijn zal leiden.

De heer Monfils meent dat men zich moet beperken tot een verwijzing naar de uitgevaardigde internationale aanhoudingsbevelen, zonder daarbij lessen te willen geven aan de Congolese regering wat betreft het vervolgingsbeleid van oorlogsmisdadigers.

De tekstwijzigingen die de dames Temmerman, Durant en de Bethune hebben voorgesteld, worden eenparig aangenomen.

Punt 8bis

De heer Elsen stelt voor om een nieuw punt 8bis in te voegen, luidend als volgt :

« 8bis. op te roepen tot nultolerantie voor alle vormen van geweld, inzonderheid seksueel geweld tegen meisjes en vrouwen die als oorlogswapen gebruikt worden, en te vragen dat de daders van deze misdrijven met zware strafrechtelijke sancties gestraft worden; ».

De commissie meent dat het uiterst belangrijk is om de nultolerantie te benadrukken, in het bijzonder wat betreft seksueel geweld tegen meisjes en vrouwen.

Deze tekstwijziging wordt eenparig aangenomen.

Punt 10

Mevrouw Temmerman stelt voor dit punt als volgt aan te vullen :

« en om een veilige terugkeer van de vluchtelingen te garanderen volgens het internationaal humanitair recht; »

Volgens mevrouw Temmerman moet niet alleen op korte termijn actie ondernomen worden voor de burgerbevolking en de vluchtelingen in de zin van dringende hulp maar moet er ook een doelstelling op langere termijn komen.

De heer Monfils meent dat deze tekst perfect alle verstrekking van humanitaire hulp dekt.

De commissie stemt eenparig met deze tekstwijziging in.

IV. STEMMINGEN

Het voorstel van resolutie wordt in zijn geheel eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Els SCHELFHOUT. Marleen TEMMERMAN.

Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat, nr. 4-992/2 - 2007/2008)

V. BIJLAGE

GEDACHTEWISSELING MET DE MINISTER VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

5 november 2008.

A. Uiteenzetting door de heer Charles MICHEL, minister van Ontwikkelingssamenwerking

a. Voorgeschiedenis

Voor een goed begrip van de huidige toestand in het oosten van de Democratische Republiek Congo, moeten een aantal historische gegevens in herinnering worden gebracht.

De conflicten in het oosten van de DRC dateren niet van de jongste weken. Aansluitend bij de gebeurtenissen van 1994 zag men de opflakkering van zeer ernstige conflicten in die regio.

MONUC is ter plaatse sinds het begin van de jaren 2000, op grond van een mandaat dat in 1999 is vastgelegd. Dat mandaat is mettertijd veranderd.

In 2007 hebben de landen die bij de spanningen in het oosten van de DRC betrokken waren, de akkoorden van Nairobi gesloten.

In januari 2008 was de minister in Goma toen de verbintenissen van Goma, die tot het uitvoeren van het Amani-proces hebben geleid, werden aangegaan. Eerwaarde Malu Malu, de coördinator van het Amani-programma, speelt een belangrijke rol in de bekendmaking van de inhoud van de verbintenissen aan de bevolking en in het overtuigen van alle partijen om binnen de krijtlijnen van de verbintenissen te blijven.

Ook al liep dat proces niet van een leien dakje, de verbintenissen waren de leiddraad van het pacificatieproces in het oosten van de DRC en gedurende verscheidene maanden werden ze relatief goed in acht genomen.

Sinds eind augustus is het geweld evenwel opgeflakkerd en namen de aanvallen, die schendingen van de verbintenissen vormden, sterk toe. Een van de akkoorden die in Goma gesloten werden, bepaalde dat elke partij op zijn militaire posities moest blijven, zonder er nieuwe proberen te veroveren.

Sinds oktober heeft zich ter plaatse nog een belangrijker ontwikkeling voorgedaan. De troepen van de opstandige generaal Laurent Nkunda hebben positie gekozen in de stad Rutshuru, 75 km ten noorden van Goma. Bovendien zijn ze met een bliksemoffensief tot voor de poorten van Goma gekomen. Na dat offensief heeft generaal Nkunda een staakt-het-vuren afgekondigd dat gedurende ongeveer een week in acht werd genomen. Op 3 en 4 november waren er echter schermutselingen tussen de troepen van generaal Nkunda en regeringstroepen en hun bondgenoten.

De minister wijst ten slotte op de aanvallen op het grondgebied van de DRC door de troepen van het LRA (Lord's Resistance Army). Die aanvallen tegen de stad Dungu, die relatief onopgemerkt zijn gebleven, hebben het leven gekost aan 9 mensen en hebben de ontheemding van 50 000 mensen met zich gebracht.

b. Situatie van MONUC

Zoals eerste minister Muzito van de DRC kort na zijn aantreden heeft verklaard, hebben de geregelde strijdkrachten van de DRC niet de middelen om de rebellie de kop in te drukken. De Belgische regering was reeds een aantal maanden voordien tot datzelfde besluit gekomen.

Momenteel telt MONUC 17 000 manschappen in het oosten van de DRC. Bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties is een debat geopend over het voortzetten van het MONUC-mandaat en over de eventuele wijziging van dat mandaat. De Belgische regering is in de weer met het analyseren van de verschillende mogelijkheden. Ze staat voortdurend in contact met de andere lidstaten van de Veiligheidsraad.

Het debat over de toekomst van MONUC gaat onder andere over het probleem van de commandostructuur. Na de recente gebeurtenissen is het duidelijk dat daarover dringend moet worden nagedacht. Tevens staat het probleem van de ontplooiing van de MONUC-strijdkrachten op de agenda. Momenteel bevinden zich 750 MONUC-manschappen in Goma. Men kondigt aan dat dit contingent zal worden verdubbeld. We kunnen ons echter niet tevreden stellen met simplistische oplossingen, zoals sommigen suggereren. Er is bijvoorbeeld gevraagd dat de strijdkrachten die zich in Ituri bevinden, naar Goma worden verplaatst. De minister denkt dat die aanpak geen oplossing voor het probleem is, omdat men de toestand in Ituri op die manier heel onstabiel maakt.

Tot slot onderstreept de minister het strategische belang van de luchthaven van Goma. Die toegang is essentieel, met name voor de humanitaire hulp en daarom moet de internationale aanwezigheid rond de luchthaven gehandhaafd worden.

c. Het sturen van Europese troepen

Er gingen stemmen op om Europese troepen ter plaatse te sturen. De Belgische regering is bereid de verschillende mogelijkheden te bestuderen die binnen een Europees kader zouden worden onderzocht. A priori zou het inzetten van Europese troepen, indien ze moeten optreden, in de eerste plaats een humanitaire dimensie hebben (beveiliging van de vluchtelingenkampen en kampen van ontheemden).

Tijdens een informele bijeenkomst in Marseille op 3 november jongstleden, besloten de Europese ministers van Buitenlandse Zaken om in dit stadium geen Europese troepen te sturen.

De minister is ervan overtuigd dat de conflicten in het oosten van de DRC in de eerste plaats via de politiek of de diplomatie moeten worden opgelost. Er moet vooral zoveel mogelijk een beroep worden gedaan op iedereen die de verschillende actoren positief kan beïnvloeden zodat de intensiteit van het conflict ter plaatse afneemt.

De Europese commissaris voor ontwikkelingssamenwerking heeft in Kinshasa en in Kigali gepleit voor een top Nairobi II. De heren Kabila en Kagame gingen in pricipe akkoord om deel te nemen aan een dergelijke top.

Op basis van recente contacten met de mensen rond president Kabila, kan de minister bevestigen dat de delegaties van de verschillende betrokken landen overleggen hoe die top Nairobi II zo vlug mogelijk kan worden gehouden. Een vergadering op hoog niveau zou nog kunnen plaatsvinden voor het einde van de week. We moeten de oorlogslogica die de laatste tijd weer de bovenhand kreeg, laten varen en de weg van de vrede inslaan zoals bedongen in de akkoorden van Nairobi en de verbintenissen van Goma.

d. Politieke overwegingen

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de heer Ban Ki-Moon, stelde eind oktober de voormalige president van Nigeria aan als speciaal gezant. Hij vertegenwoordigt de Verenigde Naties en moet optreden als bemiddelaar tussen de strijdende partijen.

De commandant van MONUC besloot minder dan twee maanden na het opnemen van zijn mandaat, zijn functie neer te leggen. De heer Ban Ki-Moon gaf het commando over MONUC vervolgens aan de Senegalese generaal die de functie de afgelopen vijf jaar had bekleed.

e. Humanitaire situatie

De situatie is een regelrechte ramp. De NGO's ter plaatse schatten het aantal mensen dat direct of indirect getroffen wordt door die nieuwe uitbarsting van geweld, op meer dan 2,5 miljoen. Sinds twee weken zijn honderdduizenden mensen ontheemd of op de vlucht.

Daardoor komt de verdeling van voedselhulp zwaar in het gedrang. Er is een gebrek aan hygiëne en er dreigt een cholera-epidemie uit te breken. Bovendien worden er sinds een tiental dagen weer meer kinderen ontvoerd. Zij worden als kind-soldaat ingelijfd in de troepen van de rebellen.

Ten slotte is de landbouwsituatie die in die regio al erg precair was, volledig verstoord door de conflicten in volle zaaitijd. De weerslag hiervan op de oogst zal niet gering zijn; een voedselcrisis valt niet uit te sluiten.

De Belgische regering stelt C-130's ter beschikking voor humanitaire hulp. De eerste hulpvluchten zijn aan de gang. In overleg met zijn collega voor Buitenlandse Zaken en rekening houdend met het beschikbare budget, heeft de minister beslissingen genomen inzake humanitaire hulp, medische bijstand en de coördinatie van de hulpverlening.

Het OCHA (het VN-coördinatiebureau voor humanitaire hulp) heeft een pool fund opgericht voor de coördinatie van de middelen ter plaatse. Beslissingen over de omvang van de hulp kunnen zeer binnenkort worden genomen op basis van de pool fund. Wat voedselhulp in strikte zin betreft, onderzoekt de minister wat de meest efficiënte kanalen zijn om de middelen in te zetten. Met de NGO's « Mimesa » en « Caritas International » werden al beslissingen genomen zodat er al middelen op weg zijn naar Goma en ter plaatse kunnen worden verdeeld. De situatie blijft echter complex in een zeer onveilig conflictgebied waar hulpverlening en bevoorrading sterk worden bemoeilijkt.

De minister rondt zijn uiteenzetting af en herinnert eraan dat de situatie ter plaatse voortdurend verandert en dat de Belgische regering het dossier van heel dichtbij zal opvolgen.

B. Gedachtewisseling

Mevrouw Smet wenst te vernemen wat op dit ogenblik de verhouding van de Belgische regering met Congo is. Door wat er in het verleden is gebeurd, zijn onze relaties met Congo verbroken waardoor de mogelijkheden om druk uit te oefenen, veel beperkter zijn. Welke inspanningen worden gedaan om die relaties te verbeteren ? Zij stelt vast dat de minister van Buitenlandse Zaken een bezoek heeft gebracht aan Rwanda, maar niet aan Congo wat er op wijst dat er nog steeds problemen zijn.

Elk land kan humanitaire hulp verlenen maar België is één van de weinige landen die in het verleden druk hebben kunnen uitoefenen. Deze mogelijkheid hebben we op dit ogenblik niet langer.

Het vertrekpunt van onze tussenkomst moet zijn dat de territoriale integriteit van Congo gevrijwaard blijft, zoniet bestaat het risico dat het regionaal conflict uitdeint naar Oeganda, Burundi, Zambia, Angola enz ...

Mevrouw Smet heeft vastgesteld dat de bevolking zich niet beschermd voelt door MONUC. Naast het aantal troepen is ook de kwaliteit ervan, belangrijk. De aanwezige Indische en Pakistaanse troepen spreken Engels, hetgeen de bevolking niet verstaat. Deze troepen zijn wellicht te weinig opgeleid en hebben daarenboven geen strategie noch voor de bescherming van de bevolking noch voor de bescherming van de grenzen. Daardoor concludeert zij dat de aanwezigheid van de MONUC-troepenmacht tot nog toe niet veel geholpen heeft.

Verder betreurt mevrouw Smet dat de Europese landen, en vooral Duitsland, niet gewonnen zijn voor het inzetten van Europese troepen. Zij betreurt dit omdat de Europese Unie er opnieuw niet in slaagt om een gezamenlijk initiatief te nemen in het kader van MONUC.

Welke maatregelen zijn reeds genomen voor een eventuele evacuatie van de aanwezige Belgen ?

Beide Belgische consulaten in Congo zijn nog steeds gesloten en onze ambassadeur is ook nog steeds niet geaccrediteerd. In het kader van de verbetering van onze relaties zou dit een zichtbaar signaal zijn.

De Verenigde Staten zijn een belangrijk donorland voor Rwanda en er is een duidelijke band tussen generaal Nkunda en Rwanda. Mevrouw Smet heeft vernomen dat de Verenigde Staten generaal Nkunda gewaarschuwd hebben dat hij zijn invasie moet stoppen. Dit verklaart misschien zijn oponthoud voor Goma en illustreert eens te meer dat het niet de Europese Unie is maar andere landen die in Afrika invloed uitoefenen. Europa en België zijn hun invloedssfeer in Afrika aan het verliezen.

Om die redenen is mevrouw Smet behoorlijk pessimistisch over de mogelijkheid om tot vrede te komen in de regio. Om alle partijen rond de tafel te krijgen, zou er een veel grotere en gecoördineerde druk moeten worden uitgeoefend op de betrokken partijen zodat zij verplicht zijn om de reeds afgesloten of eventueel toekomstige akkoorden na te leven.

Mevrouw Schelfhout is het eens met de minister dat de diplomatieke weg open moet blijven en dat er naar een politieke oplossing moet worden gezocht. De vraag is echter of dit standpunt niet naïef is. Gaat het nog wel om « intensive care » of is het eerder stervensbegeleiding waar we mee bezig zijn ? Er zijn alle redenen om pessimistisch te zijn over de huidige situatie.

De laatste weken hebben verschillende beleidsverantwoordelijken zware inspanningen geleverd. Dit gaat van de Belgische, Franse en Britse ministers van Buitenlandse Zaken, Europees commissaris Michel tot de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Ondanks hun inzet is er geen oplossing gevonden voor de twee voornaamste problemen : de terugtrekking van generaal Nkunda en de samenwerking van het Congolese leger met de Hutu-rebellen. Nkunda spreekt oorlogstaal en wil enkel onderhandelen met president Kabila, wat deze laatste weigert. President Kagame beschouwt zichzelf niet als een onderdeel van het probleem. De vraag blijft of president Kagame bereidt is om te helpen zoeken naar een oplossing en deel te nemen aan de gesprekken die in Kenia zullen plaats vinden (« Naïrobi II »).

Intussen voltrekt zich een zelden geziene humanitaire ramp : honderdduizenden vluchtelingen waarvan 60 % kinderen, talloze verkrachtingen, de inzet van kindsoldaten.

Mevrouw Schelfhout concludeert dat er op korte termijn niet veel verwacht mag worden van politieke onderhandelingen. Gelet op het hoge aantal onschuldige slachtoffers mogen we niet wegkijken en moeten we anticiperen en de MONUC-troepenmacht versterken. Die versterking moet niet alleen betrekking hebben op het mandaat van die troepen maar we moeten ook de durf hebben om te spreken over de samenstelling van die troepen. De Europese Unie zou zijn verantwoordelijkheid terzake moeten nemen.

De Franse minister Kouchner zou een concreet plan hebben uitgewerkt voor de samenstelling van een Europese troepenmacht ter versterking van MONUC. Is dit plan inmiddels opgeborgen ? Wat zijn de Belgische mogelijkheden in dit verband ? Zij pleit bij de minister voor de inzet van een Europese troepenmacht waaraan België deelneemt. Men kan niet aandringen op een versterking van MONUC en tegelijk weigeren om zelf troepen te leveren.

Mevrouw de Bethune blijft geloven dat eerst alle diplomatieke middelen moeten uitgeprobeerd. Ook de uiteindelijke oplossing van het probleem zal er via diplomatieke weg moeten komen. De vraag is echter hoe we die diplomatieke oplossing afdwingbaar kunnen maken. Welke sanctionering kan men akkoorden koppelen zowel op lokaal, regionaal als internationaal vlak ? Er gaan enorme geldstromen naar de regio, zowel van bilaterale als van multilaterale donoren. Is het een optie om hieraan een sanctie te verbinden ?

In de onderhandelingen zullen bepaalde ijkpunten moeten worden ingebouwd. Zij meent dat er tijdens de onderhandelingen minstens een aantal voorwaarden aan de hulp moeten worden gekoppeld. Diplomatieke onderhandelingen kunnen niet vrijblijvend zijn. Wat zijn de Europese opties op dit vlak ?

Opnieuw voltrekt zich op een paar dagen tijd een humanitaire ramp. Kan de minister iets meer zeggen over zijn invalshoek als hij ter plaatse gaat ? België heeft een aantal middelen vrijgemaakt en staat NGO's op het terrein bij. Welke middelen zijn beschikbaar om deze noodhulp te ondersteunen ?

De minister spreekt van een coördinatie op het niveau van de Europese Unie voor de humanitaire hulp die zal worden verstrekt. Wat houdt dat precies in en wat zijn de uitgangspunten ? Heeft deze coördinatie betrekking op voedselhulp, medische zorgen, beveiliging van de vluchtelingen ? Mevrouw de Bethune herinnert er aan dat deze hulp zeer snel ter plekke moet komen. Haar vrees is dat de coördinatie niet krachtdadig genoeg zal zijn.

Door de slechte verstandhouding tussen België en Congo is een deel van het budget voor de bilaterale samenwerking niet kunnen besteed worden dit jaar. Een deel van deze middelen moeten voor Congo worden gereserveerd (er is immers sprake van dat deze middelen aan andere landen in de regio zouden besteed worden). Op dit ogenblik is elke basishulp van vitaal belang.

Mevrouw Hermans onderstreept eveneens het belang van een diplomatieke oplossing maar stelt ook vast dat gemaakte afspraken niet worden nageleefd. Dat is een essentieel probleem : hoe kan men ooit tot een oplossing komen als gemaakte afspraken niet worden nageleefd.

Een versterking van de MONUC-troepenmacht is nodig alhoewel er ook een reorganisatie nodig is van de troepen die al ter plaatse zijn. Hoe kan dit verwezenlijkt worden ?

Voor de burgerbevolking dreigt hongersnood. Wordt er op dit ogenblik gepraat met generaal Nkunda over de bescherming van en de hulp aan de bevolking ? Wat is de rol van president Kagame in dit conflict en wat is zijn agenda ?

Volgens de heer Elsen heeft de minister er terecht op gewezen dat de humanitaire hulp dringend en met voorrang op gang moet komen. Men mag het diplomatieke werk op dit vlak inderdaad niet onderschatten. Spreker meent dat de Belgische leidraad inzake prioritaire acties in deze duidelijk moet zijn. Ons land moet dus eendrachtig optreden, wat in het verleden niet altijd het geval geweest is, met de soms lastige gevolgen van dien. Het welslagen van de operatie en van de diplomatieke inspanningen hangt ook af van het coherente optreden van België.

De minister heeft ook gewezen op het geringe enthousiasme voor het inzetten van een Europese vredesmacht. Men mag in elk geval de gelegenheid niet aan zich laten voorbijgaan zonder een standpunt te hebben ingenomen.

Wat MONUC betreft, wil spreker graag weten of de minister informatie heeft over de conclusies van de heer Leroy (nummer twee van de Verenigde Naties, belast met de vredesoperaties) betreffende zijn raadplegingen over een verbetering van MONUC.

De heer Dubié neemt akte van het feit dat de minister verklaard heeft dat Belgische militairen zouden kunnen deelnemen aan een Europese interventie in de streek van de Grote Meren. Hij herinnert echter aan de resolutie van 1997, die aangenomen werd na de werkzaamheden van de Rwanda-commissie, en die in principe het sturen van Belgische troepen naar vroegere kolonies verbiedt. Wenst de minister dat het Parlement vaststelt dat deze resolutie niet langer relevant is, en onder bepaalde voorwaarden terugkomt op wat het toen heeft besloten ?

Antwoorden van de minister

Wat de normalisering van onze betrekkingen met de DRC betreft, antwoordt de minister eerst en vooral dat deze laatste vragende partij is voor een dergelijke normalisering. Dit standpunt dateert van voor de zomer, en werd onder meer herhaald tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York, tijdens een gesprek met de raadgever van president Kabila en met zijn minister van Buitenlandse Zaken, die dit ambt nu niet meer bekleedt.

De heer Leterme en de heer De Gucht hebben ook een eerste contact gehad met eerste minister Muzito. De heer Leterme heeft ook een telefonisch onderhoud gehad met president Kabila. De Belgische regering is dus actief bezig met deze kwestie.

Zoals aangekondigd wil de minister bovendien binnenkort naar Goma gaan, en zou hij morgen al naar Midden-Afrika kunnen vertrekken om politieke contacten aan te knopen, onder meer met de DRC en Oeganda. Hij wil ook de toestand aldaar nauwkeuriger analyseren, onder meer door mogelijke contacten met MONUC.

Het is de bedoeling om na te gaan welke hulp de nuttigste is, en hoe die onder de best mogelijke voorwaarden en binnen de kortst mogelijke termijn kan worden verleend. Een eerste analyse schijnt erop te wijzen dat enerzijds de voedselhulp via de meest geschikte kanalen moet worden geleverd, en dat er anderzijds in het algemeen nood is aan een gecoördineerde hulpverlening. Het snelle interventiemechanisme van het OCHA lijkt een geschikt kanaal om hulp te verlenen. De Belgische regering zal in de komende uren nagaan welk budget vrijgemaakt kan worden voor humanitaire hulp ten gunste van de DRC.

De minister wijst er niettemin op dat het feit dat de betrekkingen met dat land nog niet helemaal genormaliseerd zijn, een probleem vormt. Hij kan alleen maar vaststellen dat de minister van Buitenlandse Zaken naar Kigali geweest is, en niet naar Kinshasa.

Bovendien is de territoriale integriteit een heel belangrijk beginsel, en op dat vlak zijn de zaken niet eenvoudig.

Het feit dat mensen zich niet beschermd voelen door MONUC heeft te maken met de rol van deze missie. De toekomst van MONUC moet eind dit jaar besproken worden. In de eerste plaats moet men bepalen wat haar rol op het terrein moet zijn. Ten tweede moet de organisatie ervan besproken worden. Over dit punt zal spreker binnenkort contact opnemen met de nieuwe Senegalese verantwoordelijken van MONUC. De heer Leroy, over wie senator Elsen gesproken heeft, voert momenteel gesprekken ter plaatse teneinde verslag uit te brengen aan de Veligheidsraad. Dit verslag is dus nog niet beschikbaar. De eerste gegevens waarover wij beschikken, betreffen organisatieproblemen bij MONUC en de aanwezigheid van de vertegenwoordigers ervan ter plaatse. Zo zouden er in de komende dagen 1 500 personen aanwezig moeten zijn in Goma, in plaats van de huidige 750. Dit zou een belangrijk signaal zijn, zeker nu de manschappen van Nkunda stellingen innemen op enkele kilometers van Goma, dat strategisch gelegen is, ook voor humanitaire hulp.

Het gecoördineerde optreden van de internationale gemeenschap, waarover mevrouw Smet en enkele andere sprekers het hadden, is een belangrijk punt. De minister stelt vast dat de Europese Commissie een rol heeft gespeeld in perfect overleg met de Verenigde Naties en de secretaris-generaal ervan, de heer Ban-Ki Moon.

Hij merkt ook op dat de Franse gezant zich naar Kigali en Kinshasa heeft begeven met de Britse minister van Buitenlandse Zaken, wat ook een positief punt is. De diplomatieke weg lijkt hem dan ook niet naïever dan de militaire, waarvan de laatste maanden gebleken is dat hij niet werkte.

Wij hebben geen andere keuze dan actief op zoek te gaan naar dialoog.

Wat betreft de mogelijkheid van een diplomatiek optreden gecombineerd met de aanwezigheid van Europese troepen ter plaatse, denkt de minister dat men lucide en wilskrachtig moet zijn. Hij herinnert eraan dat het nog maar tien dagen geleden voor de internationale gemeenschap ondenkbaar leek dat er op korte termijn een top in Nairobi zou plaatsvinden. Nu zijn er gesprekken aan de gang om deze top heel binnenkort te organiseren. Men spreekt zelfs van een vergadering op het einde van deze week.

De minister denkt dat de Verenigde Staten ook een rol te spelen hebben, en dat hun betrekkingen (en die van de Britten) met Rwanda een belangrijk gegeven zijn. Daarom heeft het Franse voorzitterschap van de Europese Unie erop toegezien dat er overlegronden zouden plaatsvinden. Staatssecretaris Frazer was in de regio op ongeveer hetzelfde ogenblik als Bernard Kouchner en zijn Britse ambtgenoot. In één week tijd zijn er op diplomatiek vlak dus aanzienlijke inspanningen geleverd om tot een betere coördinatie te komen, en de resultaten zijn eerder positief.

Met betrekking tot het feit dat Laurent Nkunda rechtstreeks met Kinshasa zou willen onderhandelen, wil de minister de zaken weer in hun verband plaatsen. In het kader van de akkoorden van Goma heeft Nkunda zoals de andere rebellentroepen onderhandeld met de regeringsvertegenwoordigers, in overeenstemming met de bedoelingen van Kinshasa, dat wou zien hoe de verschillende rebellentroepen in het oosten van de DRC vertegenwoordigers naar Goma afvaardigden. Dit debat lijkt de minister bijgevolg vooral van politieke en diplomatieke aard en het vormt volgens hem geen onoverkomelijke moeilijkheid. Het gaat eerder om een kwestie van voorstelling. Wat momenteel niet mogelijk lijkt, is een bilaterale bespreking tussen Nkunda en de regering, maar het komt bovenal de Congolese autoriteiten toe om hierover een standpunt in te nemen.

Wat de hypothese van Europese troepen betreft die door verschillende sprekers is aangehaald, wil de minister bepaalde beweringen rechtzetten. Hij weerlegt in de eerste plaats de idee dat de Fransen en de Britten hier sterke voorstanders van zouden zijn. Het klopt dat de Britse minister zich voorstander heeft verklaard van een scenario waarbij Europeanen zich ter plaatse zouden begeven. Tegelijkertijd heeft hij evenwel verduidelijkt dat zijn land niet over middelen beschikte om manschappen naar de DRC te sturen. Dat relativeert dan ook het Britse standpunt ter zake. Het standpunt van president Sarkozy is duidelijk en expliciet : op dit moment geen Europeanen ter plaatse. Het klopt dat Bernard Kouchner samen met anderen een dergelijk voorstel had geformuleerd, maar de indieners ervan hebben nooit op bepaalde belangrijke vragen geantwoord.

De eerste betreft de aard van het mandaat dat in dat kader zou worden toegekend. De tweede heeft betrekking op de coördinatie met MONUC, want het is duidelijk dat een integratie binnen MONUC niet de bedoeling is. Men zou tevens moeten bepalen om hoeveel personen het gaat en welke landen bereid zouden zijn die personen ter beschikking te stellen.

De kwestie in verband met Europese troepen is momenteel dus nog niet aan de orde. Volgende week vindt er een Europese Raad van ministers van Buitenlandse Zaken en van Ontwikkelingssamenwerking plaats, die dat punt beslist zal bespreken. Wat het uitsturen van Belgen ter plaatse betreft, verklaart de minister voor de heer Dubié en mevrouw de Béthune dat hij zich over deze kwestie niet wil uitspreken zolang de regering geen standpunt heeft ingenomen en de kwestie van de Europese troepen niet is beslecht.

Wat de relaties met de DRC inzake ontwikkelingssamenwerking betreft, verduidelijkt de minister dat de DRC op dit moment nog geen enkele euro verloren heeft op budgettair vlak in het kader van de bilaterale samenwerking. Een aantal programma's zullen daarentegen waarschijnlijk wel vertraging oplopen. De bilaterale projecten verlopen volgens een meerjarige cyclus. Er had in juli 2008 een gemengde commissie moeten samenkomen, maar deze vergadering heeft niet plaatsgehad. Er is geen enkel programma onderbroken, maar potentiële nieuwe programma's kunnen dus pas van start gaan met enkele maanden vertraging, rekening houdend met het feit dat de vergaderingen om de projecten in kaart te brengen, nog niet hebben plaatsgevonden.

Als antwoord op de vraag van mevrouw Hermans voegt de minister eraan toe dat er vroeg of laat een punt moet worden besproken in het kader van het MONUC-mandaat, namelijk de kwestie rond de natuurlijke rijkdommen.

Iedereen weet dat de gewapende rebellen worden gefinancierd via toegang tot de natuurlijke rijkdommen. Op een bepaald moment zal men zich moeten afvragen of een internationale aanwezigheid zoals MONUC alleen moet dienen om de humanitaire hulp te beveiligen, dan wel de ruimere ambitie moet hebben om de geïnventariseerde belangrijke terreinen die de rebellen financieren, te beheersen.

Dit is immers de reden waarom men er niet in slaagt een einde te maken aan de spiraal van deze opstand. Binnen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waar het debat zich afspeelt, vestigt België de aandacht op deze thematiek en vraagt het hiervoor de steun van zijn collega's, want dit kan het begin van een radicale oplossing betekenen.

Vandaag bekostigen deze immense natuurlijke rijkdommen immers de oorlog en zorgen ze bijgevolg voor tragedie en armoede, voor drama en humanitaire schandalen, in plaats van te dienen voor de ontwikkeling en de verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking.

Mevrouw Durant stelt vast dat de moeilijke relaties tussen België en Congo er de zaken niet makkelijker op maken. Reeds verschillende maanden worden we geconfronteerd met een ernstige situatie. In een eerste fase waren we getuige van vrij ongecontroleerde reacties, die later gecoördineerd werden, maar de echte moeilijkheid ligt bij de voorwaarden om MONUC in te zetten. Vandaag zijn diplomatie en humanitair optreden wellicht noodzakelijk, maar — en dit is waarschijnlijk paradoxaal om te zeggen voor een overtuigd pacifist als spreekster — men moet op een bepaald moment zijn toevlucht nemen tot geweld. In de ogen van spreekster moet Laurent Nkunda voor het Internationaal Strafhof worden gebracht. Het feit dat men hem nu een Nairobi II-top aanbiedt, versterkt echter zijn positie.

De bevolking zelf, en in het bijzonder de vrouwen die het slachtoffer zijn van verkrachting zodra ze niet meer worden beschermd, vraagt om veiligheid en niet enkel humanitaire hulp.

Diplomatieke inspanningen en humanitaire hulp zijn niet langer voldoende en de lokale bevolking vraagt de internationale gemeenschap duidelijk en krachtdadig op te treden tegen Nkunda.

Men kan niet langer toestaan dat Nkunda als een valabele gesprekspartner wordt beschouwd en men moet alles in het werk stellen om hem duidelijk te maken dat zijn daden hem vroeg of laat voor een internationaal gerechtshof zullen brengen. Dat is uitermate belangrijk in het licht van de strijd tegen straffeloosheid.

Wat de toegang tot de natuurlijke rijkdommen betreft, deelt spreekster de mening dat het gaat om een essentieel gegeven dat telkens weer voeding geeft aan rebellie.

De heer Monfils vindt dat men niet eeuwig de plaats kan innemen van de Congolezen om de integriteit van hun grondgebied te beschermen. Spreker is geschokt over het feit dat ondanks alle inspanningen noch het systeem van demilitarisering-herinschakeling, noch de vorming van brigades, met name door Belgen, hebben gewerkt en dat men momenteel geconfronteerd wordt met een wilde vlucht van het Congolese regeringsleger, dat wapens en munitie achterlaat en zelf ook gewelddaden pleegt. Het klopt dat deze militairen slecht opgeleid, slecht uitgerust en slecht betaald zijn. Zelfs de presidentiële garde is uit Goma gevlucht. Men kan echter niet eeuwig zo doorgaan en de veiligheidstroepen vervangen die zich in Congo zouden moeten ontwikkelen, zoals dat elders gebeurt. In Irak, Afghanistan en Libanon spannen de « nationale » legers zich in om zich te ontwikkelen. In Congo moet men helaas vaststellen dat zoiets mislukt. Zou men hierover niet moeten nadenken en met president Kabila onderzoeken wat de beste manier is om een echt leger dat zich met de veiligheid van zijn grondgebied bezighoudt, op de been te brengen ?

De heer Elsen merkt op dat wat het gewijzigd samenwerkingsprogramma betreft, er 100 miljoen euro op het spel staan voor 2008-2009. Indien er vóór eind 2008 geen partnercomité is, worden de budgettaire middelen voor dit jaar dan op de een of andere manier overgedragen naar 2009 ?

De minister antwoordt dat het programma in kwestie betrekking heeft op een bedrag van 195 miljoen euro, dit wil zeggen een gemiddeld jaarlijks bedrag van 65 miljoen euro. Het geprogrammeerde budget van 2008 voor de DRC en voor de verschillende partnerlanden in het kader van de bilaterale samenwerking kon worden uitgevoerd, met dien verstande dat, aangezien men werkt met periodes van meerdere jaren, verschuivingen van het ene jaar naar het andere mogelijk zijn. Hierdoor kan men bevestigen dat de DRC op dit moment geen enkele euro verloren heeft in het kader van de bilaterale samenwerking, met inbegrip van de technische, budgettaire en boekhoudkundige aspecten.