4-943/2

4-943/2

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

20 NOVEMBER 2008


Wetsontwerp houdende instemming met het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW SCHELFHOUT


I. INLEIDING

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 18 en 20 november 2008.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, dat binnen de Raad van Europa is opgesteld door het Comité van deskundigen inzake de werking van de Europese verdragen in strafzaken (PC-OC) onder leiding van het Europees Comité voor Strafrechtelijke Vraagstukken (CDPC), werd op 8 november 2001 te Straatsburg opengesteld voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, ter gelegenheid van de 109e vergadering van het Comité van ministers van de Raad van Europa.

Het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken werd ondertekend op 20 april 1959. Het werd bekrachtigd door België op 13 augustus 1975 en is in werking getreden op 11 november 1975. Het gaat om een technisch verdrag betreffende de samenwerking tussen gerechtelijke autoriteiten zoals parketten en onderzoekrechters. Het is gesloten in de Raad van Europa met 46 lidstaten, maar staat open voor ratificatie door landen die geen lid zijn van de Raad van Europa.

Het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken werd ondertekend op 17 maart 1978. Het werd door België bekrachtigd op 28 februari 2002 en is in werking getreden op 29 mei 2002.

Het Tweede Protocol strekt ertoe het reactievermogen van de Staten ten aanzien van de grensoverschrijdende criminaliteit op te voeren, rekening houdend met de politieke en sociale evolutie in Europa en de technologische ontwikkelingen in de gehele wereld.

Het Tweede Aanvullend Protocol is veel omvattender dan het eerste aanvullend Protocol. Het is omzeggens een kopie op grotere schaal van de EU-Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 29 mei 2000.

Het Tweede Aanvullend Protocol voert een aantal nieuwigheden in. De gerechtelijke autoriteiten kunnen rechtstreeks verzoeken uitwisselen, waardoor de communicatie vlotter en sneller verloopt. Mits een gemotiveerde verzoek, kan uitstel worden verleend bij het uitvoeren van een buitenlands rechtshulpverzoek wat in de praktijk reeds werd toegepast. Technologische communicatiemiddelen, zoals video- en teleconferentie, kunnen gebruikt worden. Er kan ook op eigen initiatief informatie worden uitgewisseld zonder dat daarvoor een officieel verzoek moet afgewacht worden. De grensoverschrijdende observatie die in het Schengenverdrag reeds opgenomen was, kan hier ook worden toegepast. De gecontroleerde aflevering, ook ontleend uit het Schengenverdrag en uit de EU-Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 29 mei 2000, wordt eveneens mogelijk.

De Gemeenschappelijke Onderzoeksteams of « Joint investigation Teams » (JIT) worden voorzien door het Protocol. Ons land heeft hier echter een voorbehoud gemaakt, luidend als als volgt :

« Met betrekking tot de artikelen 17, 18, 19 en 20 van het Protocol is de regering van het Koninkrijk België voornemens gebruik te maken van de in artikel 33, tweede lid, geboden mogelijkheid om het beroep op grensoverschrijdende observatie, gecontroleerde aflevering, infiltratie en gemeenschappelijke onderzoeksteams alleen te aanvaarden voor de volgende strafbare feiten : wapen- en drugshandel, mensenhandel, pedofilie en terrorisme. » (stuk Senaat, nr. 4-943/1, p. 24).

III. BESPREKING

De heer Dubié vraagt of een Belgisch team zou kunnen samenwerken met een team van het FBI of eventueel met een team van de Russische politie in het kader van een JIT.

De vertegenwoordiger van de minister van Justitie antwoordt dat de Verenigde Staten niet kunnen betrokken worden in een JIT omdat ze geen partij zijn bij het verdrag. Voor het oprichten van een JIT met landen buiten de EU, zoals Rusland, legt ons land een grote terughoudendheid aan de dag. Het instellen van een JIT, zeker met landen van buiten de EU, wordt nooit als eerste optie weerhouden wegens de hoge kost eraan verbonden en de hoge technisch-juridische complexiteit. Het blijft een ultiem middel voor zeer ingewikkelde dossiers. Het verzoek om een JIT op te richten kan overigens door de aangezochte staat geweigerd worden, bijvoorbeeld omwille van de hoger aangehaalde redenen.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1 en 2, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Els SCHELFHOUT. Marleen TEMMERMAN.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp (zie stuk Senaat, nr. 4-943/1 - 2007/2008)