4-562/2

4-562/2

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

8 APRIL 2008


Wetsvoorstel tot regeling van het forensisch geneeskundig postmortaalonderzoek


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEREN BROTCHI, VANKRUNKELSVEN EN BEKE

De tekst van het wetsvoorstel vervangen als volgt :

« Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Titel I

Definities

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1º natuurlijke dood of overlijden op natuurlijke wijze : elk overlijden dat veroorzaakt werd door een inwendig en lichaamseigen proces ten gevolge van een ziekte, een andere aandoening of ouderdom;

2º niet-natuurlijke dood of overlijden op niet-natuurlijke wijze : elk overlijden dat rechtstreeks of onrechtstreeks is veroorzaakt door een uitwendige factor of elk overlijden dat het gevolg is van een ongeval, zelfdoding of doding evenals elk overlijden dat het gevolg is van een trauma, verstikking, verdrinking, vergiftiging, verbranding, verhitting, onderkoeling of electrocutie;

3º onverklaarde dood of overlijden op onverklaarde wijze : elk onverwacht of medisch onverklaard overlijden, elk overlijden waarbij de arts die de dood vaststelt de overledene voor de eerste maal onderzoekt of elk overlijden waarbij de overledene tijdens de laatste veertien dagen van zijn leven niet meer onderzocht is door een arts;

4º eindverslag : finaal verslag met de bevindingen die leiden naar de doodsoorzaak, opgesteld door de laatst onderzoekende arts;

Titel II

Het vaststellen van het overlijden

Art. 3

§ 1. De arts die het overlijden vaststelt van een persoon die op natuurlijke wijze overleden is, vult het overlijdenscertificaat — model III C in.

§ 2. De arts die het overlijden vaststelt maar die geen zekerheid heeft over de doodsoorzaak maar een natuurlijke dood vermoedt, verwittigt onverwijld het Instituut voor Forensische Geneeskunde. Het Instituut voor Forensische Geneeskunde stelt vervolgens een schouwarts aan, die zich onmiddellijk naar de plaats van overlijden begeeft.

De Koning legt de nadere regelen, bedoeld in vorig lid, vast. Hij legt tevens nadere regelen vast aangaande de vorm van een attest tot loutere vaststelling van overlijden.

De schouwarts die na een uitwendige lijkschouwing besluit tot een overlijden op natuurlijke wijze, vult het overlijdenscertificaat — model III C zoals bedoeld in § 1 van dit artikel in.

§ 3. Als de arts die het overlijden vaststelt besluit of vermoedt dat het om een niet-natuurlijke dood gaat, brengt hij de bevoegde politiediensten en de procureur des Konings daarvan onverwijld op de hoogte.

De artsen en de politieambtenaren die ter plaatse aanwezig zijn zien erop toe dat het lichaam onaangeroerd blijft. Er wordt een gerechtelijke uitsluitingsperimeter aangebracht.

§ 4. In alle hierna bedoelde situaties moeten de bevoegde politiediensten en de procureur des Konings onmiddellijk op de hoogte worden gebracht :

1º doodslag of vermoeden van doodslag;

2º vermoeden van foltering, vergiftiging of slechte behandeling;

3º zelfmoord of vermoeden van zelfmoord;

4º ongeval in huis of verkeersongeval;

5º arbeidsongeval;

6º natuurramp of technologische ramp;

7º niet-geïdentificeerd lichaam;

8º overlijden in hechtenis;

9º menselijke skeletten of geskeletteerde menselijke resten, lichamen in staat van ontbinding of verkoolde lichamen.

De Koning wijzigt het overlijdenscertificaat — model III C — om er de verplichting uit het vorige lid in op te nemen.

Titel III

De schouwarts

Art. 4

De schouwarts is een doctor in de geneeskunde die een theoretische en praktische opleiding heeft gevolgd inzake de uitwendige lijkschouwing teneinde de doodsoorzaak vast te stellen.

De schouwarts is verbonden aan een erkend Instituut voor forensische geneeskunde.

De Koning bepaalt aan welke opleidingsvoorwaarden doctors in de geneeskunde moeten voldoen en welke ervaring zij ten minste moeten bezitten om de titel van schouwarts te mogen voeren.

Art. 5

§ 1. De schouwarts gaat over tot een uitwendige lijkschouwing om de juiste doodsoorzaak te bepalen.

De schouwarts kan geen daden stellen in het kader van een strafonderzoek, tenzij hij hiervoor gemachtigd is door de procureur des Konings.

§ 2. De schouwarts is als enige bevoegd, samen met de kandidaat-specialisten in de gerechtelijke geneeskunde en de geneesheer-specialisten in de gerechtelijke geneeskunde, om biologische monsternemingen op de overledene uit te voeren.

§ 3. Wanneer de schouwarts de juiste doodsoorzaak heeft vastgesteld, maakt hij een verslag op.

De Koning bepaalt de nadere regelen waaraan dit verslag moet voldoen.

§ 4. Als de schouwarts besluit dat het om een natuurlijke dood gaat of om een overlijden dat verband houdt met een situatie bedoeld in artikel 2, § 4, 5º, bezorgt hij de procureur des Konings en de ambtenaar van de burgerlijke stand daarvan zijn verslag.

§ 5. Als de schouwarts besluit of vermoedt dat het om een niet-natuurlijke dood gaat, of indien het gaat om een overlijden in een van de situaties bedoeld in artikel 2, § 4, 1º, 2º, 3º, 4º, 6º, 7º of 8º, brengt hij de bevoegde politiediensten en de procureur des Konings daarvan onmiddellijk op de hoogte, die een beroep moet doen op een geneesheer-specialist in de forensische geneeskunde verbonden aan een erkend Instituut voor forensische geneeskunde.

Als de schouwarts een natuurlijke dood vermoedt doch het overlijden onverklaard blijft, wordt opnieuw het Instituut voor forensische geneeskunde verwittigd dat desgevallend een geneesheer-specialist aanstelt die zich onmiddellijk naar de plaats van overlijden begeeft.

Bij zijn melding voegt de schouwarts telkens een verslag van zijn voorlopige bevindingen.

De Koning bepaalt de nadere regelen waaraan dit verslag moet voldoen.

§ 6. Een afschrift van het eindverslag wordt, na goedkeuring van de procureur des Konings, bezorgd aan de behandelende arts, aan de arts die de dood vaststelde, aan het Instituut voor forensische geneeskunde en aan de Instituten voor statistiek.

De Koning bepaalt de nadere regelen voor de toepassing van deze paragraaf.

Art. 6

De vergoeding van de prestaties, geleverd door de schouwarts, is ten laste van de FOD Volksgezondheid, de FOD Justitie en de gemeente waar de overledene laatst woonachtig was, en indien de laatste woonplaats van de overledene niet gekend is, de gemeente van de plaats van overlijden.

De Koning bepaalt de nadere regelen. Hij legt ook de verdeelsleutel voor de vergoeding vast.

Titel IV

De Instituten voor Forensische Geneeskunde

Art. 7

Een autopsie met het oog op het vaststellen van de doodsoorzaak, mag enkel worden verricht in een erkend Instituut voor forensische geneeskunde, na machtiging van de procureur des Konings, overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafvordering, of na machtiging van de onderzoeksrechter.

De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden waaraan de Instituten voor forensische geneeskunde moeten voldoen.

Art. 8

§ 1. Een autopsie als bedoeld in artikel 7 omvat een uitwendig en een inwendig onderzoek van het lichaam.

De autopsie vangt aan ten laatste 48 uren na vaststelling van het overlijden door een arts. De procureur des Konings dient de autopsie opnieuw te machtigen indien deze termijn verstreken is.

De Koning bepaalt de nadere regelen voor het verrichten van een autopsie.

De Koning bepaalt de bijzondere erkenningscriteria waaraan de geneesheren-specialisten die houder zijn van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde alsook de stagemeesters voor gerechtelijke geneeskunde moeten voldoen.

§ 2. Het Instituut voor forensische geneeskunde bezorgt zijn verslag aan de procureur des Konings van het rechtsgebied waar het lijk is gevonden.

De Koning bepaalt de nadere regelen waaraan dat verslag moet voldoen.

Art. 9

Met het oog op wetenschappelijke en statistische doeleinden kan de Koning een regeling uitwerken waarbij geneesheren-specialisten in de gerechtelijke geneeskunde, verbonden aan een erkend Instituut voor forensische geneeskunde de opdracht krijgen om toezicht uit te oefenen op de waarachtigheid van de verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Zij kunnen daartoe overgaan tot uitwendig en inwendig onderzoek van het lijk. Dit onderzoek dient te gebeuren met respect voor het lichaam en met respect voor de nabestaanden, die op de hoogte worden gesteld.

De Koning bepaalt de nadere regelen en voorwaarden waaraan dit toezicht dient te voldoen.

Art. 10

Ieder erkend Instituut voor forensische geneeskunde heeft een werkingsgebied. De arts, bedoeld in artikel 3, § 2, verwittigt het Instituut voor forensische geneeskunde van het gebied waar het overlijden werd vastgesteld.

De Koning bepaalt de verdeling in werkingsgebieden. Hij bepaalt tevens de nadere regelen van dit artikel.

Art. 11

De werkingsmiddelen van de Instituten voor forensische geneeskunde, alsook de vergoedingen van de prestaties van de geneesheren-specialisten, zijn ten laste van de FOD Volksgezondheid en de FOD Justitie.

De Koning bepaalt de nadere regelen. Hij legt ook de verdeelsleutel voor de vergoeding vast.

Titel V

De Commissie voor forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek

Art. 12

§ 1. Er wordt een Commissie voor forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek ingesteld, hierna te noemen « de commissie », die ermee belast is toezicht uit te oefenen op de werking van de Instituten voor forensische geneeskunde.

De commissie bestaat uit tien leden. Zij worden aangewezen op basis van hun kennis en ervaring inzake de materies die tot de bevoegdheid van de commissie behoren. Vier leden zijn doctor in de geneeskunde, van wie er minstens drie hoogleraar zijn aan een Belgische universiteit. Twee leden zijn hoogleraar in de rechten of in criminologie aan een Belgische universiteit, of advocaat. Vier leden worden aangeduid door de regering.

Het lidmaatschap van de commissie is onverenigbaar met het mandaat van lid van een van de wetgevende vergaderingen en met het mandaat van lid van de federale regering of van een gemeenschaps- of gewestregering. De leden van de commissie worden, met inachtneming van de taalpariteit — waarbij elke taalgroep minstens twee kandidaten van elk geslacht telt — en op grond van pluralistische vertegenwoordiging, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, benoemd uit een dubbele lijst, voorgedragen door de Senaat, voor een termijn van twee jaar, die kan worden verlengd. Het mandaat wordt van rechtswege beëindigd indien het lid de hoedanigheid waarin hij zetelt verliest. De kandidaten die niet als effectief lid zijn aangewezen, worden tot plaatsvervanger benoemd, in de orde van opvolging die volgens een lijst bepaald wordt. De commissie wordt voorgezeten door een Nederlandstalige en een Franstalige voorzitter. Deze voorzitters worden verkozen door de commissieleden van de desbetreffende taalgroep. De commissie kan geldig beslissen als de helft plus een van de leden aanwezig zijn.

§ 2. Ten behoeve van de Wetgevende Kamers stelt de commissie de eerste keer binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet en nadien tweejaarlijks :

a) een verslag op waarin de toepassing van de wet wordt aangegeven en geëvalueerd;

b) in voorkomend geval, aanbevelingen op die kunnen leiden tot een wetgevend initiatief en/of andere maatregelen inzake de uitvoering van deze wet.

De Koning stelt een administratief kader ter beschikking van de commissie voor het uitvoeren van haar wettelijk kader.

§ 3. De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.

§ 4. De Koning legt de nadere werkingsregelen van dit artikel vast.

Titel VI

Algemene bepalingen

Art. 13

§ 1 Geen arts die in het kader van deze wet vaststellingen of onderzoek heeft verricht naar de doodsoorzaak van een overlijden mag verwant zijn, tot in de 3e graad, met de overledene.

§ 2. De aangewezen schouwarts mag niet de arts zijn die de persoon vóór zijn overlijden heeft behandeld. De schouwarts of geneesheer-specialist mag geen familiale of vriendschappelijke band hebben met de behandelende arts van de overledene.

Titel VII

Wijzigingsbepalingen

Hoofdstuk I

Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek

Art. 14

In artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1951, worden de woorden « niet mag afgeven dan nadat hij zich naar de overledene heeft begeven om zich van het overlijden te vergewissen, en eerst » vervangen door de woorden « niet vroeger mag afgeven dan ».

Art. 15

In artikel 79 van hetzelfde Wetboek,vervangen bij de wet van 31 maart 1978 en gewijzigd bij de wet van 23 mei 2006, worden na de woorden « datum van geboorte van de overledene; » de woorden « de plaats, de datum en het tijdstip waarop het overlijden is vastgesteld; » ingevoegd.

Art. 16

In artikel 80, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « deze begeeft zich ter plaatse om zich van het overlijden te vergewissen » vervangen door de woorden « deze vergewist zich van het overlijden door middel van het overlijdensattest ».

Art. 17

In artikel 81 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º Het woord « gewelddadige » wordt vervangen door het woord « niet-natuurlijke »;

2º de woorden « een doctor in de geneeskunde of de heelkunde » worden vervangen door de woorden « een schouwarts ».

Art. 18

Artikel 83 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 19

In artikel 84 van hetzelfde Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º na de woorden « dadelijk daarvan kennis » worden de woorden « aan de officier van politie en » ingevoegd;

2º de woorden « die zich ter plaatse begeeft, zoals in artikel 80 bepaald is » vervangen door de woorden « die zich van het overlijden vergewist door middel van het overlijdensattest ».

Art. 20

In artikel 85 van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden « , of van terechtstelling ».

Hoofdstuk II

Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering

Art. 21

In artikel 44 van het Wetboek van Strafvordering, worden de woorden « door een of twee geneesheren » vervangen door de woorden « door een geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde en eventueel door een kandidaat-specialist in de gerechtelijke geneeskunde ».

Hoofdstuk III

Wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie

Art. 22

In artikel 15 van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« Het overlijden valt dan niet onder het toepassingsgebied van de wet van ...tot regeling van het forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek. ».

Hoofdstuk IV

Wijziging van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind minder dan achttien maanden

Art. 23

In artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind minder dan achttien maanden, wordt na de eerste zin volgende zin ingevoegd :

« Het overlijden valt dan niet onder het toepassingsgebied van de wet van ... tot regeling van het forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek. ».

Hoofdstuk V

Wijziging van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging

Art. 24

In artikel 22 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging worden na het tweede lid volgende twee nieuwe leden ingevoegd :

« Indien de schouwarts of geneesheer-specialist, bedoeld in de wet van ..., de doodsoorzaak heeft aangeduid, volstaat het verslag dat door een van hen werd opgesteld.

De Koning bepaalt aan welke opleidingsvoorwaarden de in het tweede lid bedoelde beëdigd geneesheer moet voldoen. »

Titel VII

Sancties

Art. 24

Degene die door feitelijkheden, geweld of op elke andere manier het post-mortaalonderzoek, zoals bedoeld in deze wet, verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en geldboete van vijftig tot vijfduizend euro of met één van deze straffen alleen.

Art. 25

Elke arts die de bepalingen van deze wet niet naleeft, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.

Titel VIII

Slotbepaling

Art. 26

Deze wet treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum. »

Verantwoording

Op basis van de uiteenzettingen van de verschillende deskundigen tijdens de hoorzittingen wensen de indieners hun oorspronkelijke tekst aan te passen aan deze opmerkingen.

Jacques BROTCHI.
Patrik VANKRUNKELSVEN.
Wouter BEKE.