4-878/1

4-878/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

15 JULI 2008


Wetsvoorstel tot wijziging van de regelgeving inzake de studentenarbeid

(Ingediend door de heer Dirk Claes c.s.)


TOELICHTING


De regelgeving inzake studentenarbeid is door de jaren heen vrij complex geworden. Voor zowel student, werkgever, sociaal secretariaat als overheid is zij niet altijd gemakkelijk te begrijpen of te controleren. Om die reden wordt de bestaande regelgeving vereenvoudigd waar nodig. Hierdoor wordt een rechtszekerder kader geschapen, zodat alle betrokkenen vooraf duidelijk op de hoogte zijn van hun respectieve rechten en plichten en achteraf niet voor onverwachte situaties komen te staan.

De huidige regelgeving voorziet in een opsplitsing van het toepasselijke socialezekerheidstarief naargelang de periode waarin er wordt gewerkt of naargelang het aantal dagen dat wordt gewerkt in deze periode.

Er kunnen drie verschillende tariefregimes van toepassing zijn op de inkomsten uit studentenarbeid. In de periode van het derde kwartaal (zomermaanden) is een solidariteitsbijdrage van 2,5 % voor de student en 5,01 % voor de werkgever verschuldigd zolang de termijn van 23 dagen wordt gerespecteerd. In de periode van het eerste, tweede en vierde kwartaal is een solidariteitsbijdrage van 4,5 % voor de student en 8,01 % voor de werkgever verschuldigd zolang de termijn van 23 dagen wordt gerespecteerd (1) . Indien de student de termijnen niet naleeft zijn de normale socialezekerheidsbijdragen verschuldigd (2) .

Indieners beogen met het wetsvoorstel de periode waarin studentenarbeid kan worden verricht te stellen op 50 dagen gedurende het ganse jaar. Daarna wensen de indieners het tarief van de solidariteitsbijdragen te herleiden tot één enkele tariefstructuur, met name 2,80 % voor de werknemer en 5,40 % voor de werkgever voor de termijn van de eerste 50 dagen waarin wordt gewerkt onder een studentencontract (3) . Op het loon van de dagen die de termijn van 50 dagen overschrijden worden de normale socialezekerheidsbijdragen van 13,04 % voor de werknemer en 37,83 % voor de werkgever geheven (4) . Dergelijke wijziging van de regelgeving voor de studentenarbeid betekent een aanzienlijke vereenvoudiging.

De fiscale regelgeving voorziet in een vrij complex criterium om uit te maken of iemand kan beschouwd worden als een « persoon ten laste ». Om dit uit te maken wordt gekeken naar zijn/haar nettobestaansmiddelen. Indien die 2 700 euro overschrijden, dan wordt de persoon niet meer geacht fiscaal ten laste te zijn. Daarnaast wordt nog voorzien in een verhoging voor een kind uit een éénoudergezin (persoon die alleen wordt belast) tot 3 910 euro en een verhoging voor een gehandicapt kind tot 4 960 euro. Wat betreft de studentenarbeid, wordt de eerste schijf van 2 250 euro inkomsten uit studentenarbeid niet geacht deel uit te maken van de nettobestaansmiddelen. Teneinde het fiscaal statuut van de student te vereenvoudigen wordt de studentenarbeid niet langer weerhouden als nettobestaansmiddel voor het criterium « persoon ten laste ». Daarnaast wordt het ongerechtvaardigd onderscheid tussen kinderen uit een éénoudergezin en kinderen uit een tweeoudergezin ook afgeschaft. De familiale situatie van de student heeft immers niet altijd een invloed op de financiële situatie van de student. Bovendien wordt in de fiscale wetgeving reeds voorzien dat de eerste schijf van 2 700 euro onderhoudsgelden niet wordt beschouwd als een nettobestaansmiddel, zodat er de facto een dubbele correctie wordt toegepast voor bepaalde studenten naargelang van hun familiale situatie.

De huidige regelgeving inzake de arbeidsovereenkomsten voorziet voor de studentencontracten in een beperking qua duur. Een student en een werkgever kunnen een arbeidsovereenkomst voor studenten afsluiten van maximaal zes maanden. Een dergelijke beperking vormt een aanzienlijke rem voor de ontwikkeling van het ondernemerschap in België. Om die reden wordt de beperking tot zes maanden in de wetgeving opgeheven.

Indieners beogen een flexibel kader te creëren voor de ondernemers en de studenten. De student verkrijgt de mogelijkheid om gedurende het ganse jaar te werken met een studentencontract ten belope van maximaal 50 dagen. Op zijn loon worden er solidariteitsbijdragen geheven ten belope van 2,80 % voor de student en 5,40 % voor de werkgever. Bovendien blijft de student fiscaal ten laste van zijn ouders en betaalt hij geen belastingen indien de grens van 6 150 euro niet wordt overschreden (5) .

Het voorstel leidt er hierdoor eveneens tot dat de kleine zelfstandige de mogelijkheid verkrijgt om zich op bepaalde momenten vrij te maken om de nodige aandacht te besteden aan zijn gezinsleven. Bijvoorbeeld de kruidenier kan zich — door de inschakeling van een jobstudent op woensdagnamiddag — vrijmaken voor zijn kinderen. Gezien de toch al zware druk op het gezinsleven van de kleine zelfstandigen, is dat zeker geen overdreven luxe.

Een ander effect van het wetsvoorstel is de regularisering van de studentenarbeid die momenteel via het zogenaamde « zwarte » circuit gebeurt. De werkgever en de student zullen, door het bestaan van een flexibele regelgeving van 50 dagen vrij te kiezen over het ganse jaar aan een uniform en laag solidariteitstarief, het risico om betrapt te worden op zwartwerk niet langer willen nemen aangezien er nog maar weinig voordeel valt te behalen met zwartwerk. Indien er geen voordeel voor student en werkgever meer valt te behalen, dan zal de arbeid gewoon worden aangegeven. Hierdoor kan een positief effect op de ontvangsten van de solidariteitsbijdragen ontstaan. Bovendien kan deze maatregel er ook toe leiden dat de fiscale ontvangsten stijgen. Indien de werkgever bepaalde werknemers niet langer in het « zwart » hoeft te betalen, dan zal hij ook minder vlug geneigd zijn bepaalde inkomsten vergeten aan te geven teneinde een « zwarte kas » aan te leggen voor het betalen van zijn zwartwerkers.

Het wetsvoorstel betekent een win-winsituatie voor alle betrokkenen. De student, omdat hij een rechtszeker kader krijgt. De werkgever, omdat hij naast een rechtszeker kader ook een flexibel systeem verkrijgt. Ten slotte, de overheid en de reguliere werkkrachten, omdat deze regelgeving het zwartwerk kan regulariseren. Het zijn immers niet de jobstudenten die een bedreiging vormen voor de reguliere werkkrachten met een laag loon, maar wel de zwartwerkers die helemaal geen socialezekerheidsbijdragen of bedrijfsvoorheffing moeten betalen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Het artikel wijzigt de termijnen waaronder de student is uitgesloten van de normale socialezekerheidsbijdragen en onder de solidariteitsbijdragen valt. In de huidige regelgeving is erin voorzien dat de student maximaal 23 dagen in het derde kwartaal kan werken en maximaal 23 dagen in het eerste, tweede en vierde kwartaal. Het artikel stipuleert dat de student — om te kunnen genieten van de solidariteitsbijdragen — maximaal 50 dagen kan werken, verspreid over het ganse jaar. Bij overschrijding van de termijn van 50 dagen is de student onderworpen aan de normale socialezekerheidsbijdragen vanaf de 51e dag.

Artikel 3

De huidige regelgeving maakt een opsplitsing van het toepasselijke socialezekerheidstarief naagelang de periode waarin er wordt gewerkt of naargelang het aantal dagen dat wordt gewerkt in deze periode. Er kunnen drie verschillende tariefregimes van toepassing zijn op de inkomsten uit studentenarbeid. Dit artikel beoogt het tarief van de solidariteitsbijdragen te herleiden tot één enkel tariefstructuur, met name 2,80 % voor de werknemer en 5,40 % voor de werkgever voor de termijn van de eerste 50 dagen waarin wordt gewerkt onder een studentencontract. Op het loon van de dagen die de termijn van 50 dagen overschrijden worden de normale socialezekerheidsbijdragen geheven (6) . De Nationale Arbeidsraad kan de heffing van de solidariteitsbijdragen evalueren en een voorstel doen vóór 31 juli 2010; op die wijze worden de sociale partners opnieuw betrokken bij de uitwerking van het arbeidsbeleid. Bij gebrek aan een voorstel vóór deze datum wordt de Koning gemachtigd om de nodige wijzigingen uit te voeren, indien nodig.

Artikel 4

Artikel 141 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verhoogt het basisbedrag van 2 700 euro dat een persoon mag hebben aan bestaansmiddelen teneinde nog als « persoon ten laste » te worden beschouwd. In dit artikel wordt het basisbedrag van 2 700 euro gebracht op 3 910 euro voor een kind van een belastingplichtige die alleen wordt belast en op 4 960,00 euro voor kinderen ten laste van een dergelijke belastingplichtige die als gehandicapt worden aangemerkt. Het onderscheid tussen kinderen ten laste van een belastingplichtige die alleen wordt belast en kinderen van belastingplichtigen die gezamenlijk worden belast is niet objectief gerechtvaardigd. Het al dan niet kind zijn van een belastingplichtige die alleen of gezamenlijk worden belast heeft immers niet altijd een invloed op de financiële situatie van de student of het gezin waarvan hij deel uitmaakt. De alleenstaande ouder die alleen wordt belast kan immers ook een hoog inkomen genieten. De student die ten laste is van een alleenstaande ouder verkrijgt misschien ook aanzienlijke onderhoudsgelden. De onderhoudsgelden worden — ten belope van 2 700 euro — niet beschouwd een nettobestaansmiddel te zijn (artikel 143, 6º, WIB 1992). Aangezien de studentenarbeid niet langer wordt beschouwd als een nettobestaansmiddel in het wetsvoorstel, en aangezien er voor onderhoudsgelden reeds een vrijstelling bestaat ten belope van 2 700 euro, wordt het ongerechtvaardigd onderscheid tussen kinderen ten laste van een belastingplichtige die als alleenstaande wordt belast en kinderen ten laste van belastingplichtigen die gezamenlijk worden belast, afgeschaft. De verhoogde som voor de gehandicapte kinderen wordt behouden aangezien het hier een gezinsvriendelijke maatregel betreft. Deze verhoogde som is niet enkel van toepassing voor wat betreft de gehandicapte kinderen van allenstaanden, ook voor gehandicapte kinderen van gehuwden of wettelijk samen wonenden is een verhoogde som van toepassing.

Artikel 5

Artikel 143, 7º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen. In dit artikel wordt bepaald dat de eerste schijf van 2 250 euro bezoldigingen uit studentenarbeid (aanslagjaar 2009) niet in aanmerking komt voor het bepalen van de nettobestaansmiddelen. Het artikel wordt aangepast opdat de inkomsten uit studentenarbeid niet langer beschouwd worden als een nettobestaansmiddel. De inkomsten uit studentenarbeid hebben niet langer een invloed op het criterium « persoon ten laste ». Deze wijziging betekent een aanzienlijke administratieve vereenvoudiging.

Artikel 6

Dit artikel maakt dat er slechts bedrijfsvoorheffing verschuldigd is op het loon van de jobstudent vanaf het moment dat de termijn van 50 dagen wordt overschreden. Op die wijze wordt de regeling inzake socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing op elkaar afgestemd.

Artikel 7

Thans kan er maximaal 6 maanden gewerkt worden met een studentencontract. Deze begrenzing verdwijnt. Artikel 1, 1º, van het koninklijk besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van titel VI van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten, wordt opgeheven. Hierdoor kan de student het hele jaar door werken met een studentencontract en genieten van de solidariteitsbijdrage, zolang hij de termijn van 50 dagen niet overschrijdt. Op die wijze kan een student bijvoorbeeld één dag in de week werken met een studentencontract bij een zelfstandige die hierdoor bepaalde piekmomenten kan opvangen.

Artikel 8

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de wet. Zij heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2008, zodat de verbeterde regelgeving inzake de studentenarbeid reeds van toepassing is op de studentenarbeid verricht in het inkomstenjaar 2008 (aanslagjaar 2009).

Dirk CLAES
Wouter BEKE
Nahima LANJRI.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 november 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :

« Aan de toepassing van de wet worden onttrokken, de studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, bedoeld bij titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wanneer de tewerkstelling gedurende een kalenderjaar 50 arbeidsdagen niet overschrijdt. »;

2º het derde lid van dezelfde paragraaf 1 wordt opgeheven;

3º paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :

« Ingeval van overschrijding, bij een zelfde of een andere werkgever, van het maximum aantal arbeidsdagen, zoals bedoeld bij § 1, in de loop van het kalenderjaar, zijn de student en de werkgever, slechts voor de periode van tewerkstelling die de termijn zoals bepaald bij § 1 overschrijdt, aan de wet onderworpen. »;

4º het tweede lid van dezelfde paragraaf 2 wordt opgeheven.

Art. 3

In artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, met toepassing van artikel 3, § 1, 4º, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in paragraaf 1, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2005, vervalt het zinsdeel « van wie de tewerkstelling plaatsvindt in de loop van de maanden juli, augustus en september, » en worden de woorden « 5 % » en « 2,50 % »respectievelijk vervangen door de woorden « 5,40 % » en « 2,80 % »;

2º paragraaf 1bis wordt opgeheven;

3º in paragraaf 1ter, die wordt vernummerd tot paragraaf 1bis, vervallen in het eerste lid, eerste zin, respectievelijk de woorden « en § 1bis » en het zinsdeel « of vervangen door een enig percentage dat Hij vaststelt »;

4º in het tweede lid van dezelfde paragraaf vervalt het zinsdeel « , een voorstel waarvan het rendement niet lager mag uitvallen dan dit van de thans toepasselijke reglementering »;

5º in het derde lid van dezelfde paragraaf wordt het zinsdeel « de §§ 1 en 1bis wijzigen of ze vervangen door een percentage dat Hij vastlegt » vervangen door de woorden « § 1 wijzigen ».

Art. 4

Artikel 141 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen als volgt :

« Art. 141. — De in de artikelen 136 en 140 vermelde bedragen van 2 700,00 euro (basisbedrag 1 800 euro) worden gebracht op 4 960,00 euro (basisbedrag 3 300 euro) voor kinderen ten laste van een belastingplichtige die als gehandicapt worden aangemerkt. »

Art. 5

Artikel 143, 7º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« 7º bezoldigingen ontvangen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. »

Art. 6

In punt 29 « Studenten » van de bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het bepaalde onder de eerste gedachtestreep wordt vervangen als volgt :

« — de bezoldigingen betaald of toegekend aan studenten wier tewerkstelling, in het kader van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor studenten, in het kalenderjaar geen vijftig arbeidsdagen overschrijdt; »;

2º het bepaalde onder de tweede gedachtestreep wordt opgeheven.

Art. 7

Artikel 1, 1º, van het koninklijk besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van titel VI van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten, wordt opgeheven.

Art. 8

Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2008.

6 juni 2008.

Dirk CLAES
Wouter BEKE
Nahima LANJRI.

(1) Er zij opgemerkt dat er nog andere voorwaarden te vervullen zijn, zoals het werken met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor studenten.

(2) Artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 november 2005.

(3) Teneinde de gelijkschakeling van de solidariteitsbijdrage budgettair neutraal te maken, wordt het percentage ten laste van de werknemer op 2,80 % gebracht en op 5,40 % voor de werkgever. Zie advies nr. 1 632 van de Nationale Arbeidsraad van 27 februari 2008 inzake de evaluatie van de studentenarbeid, blz. 13.

(4) Ook het al dan niet verschuldigd zijn van de bedrijfsvoorheffing wordt aan het 50-dagencriterium gekoppeld.

(5) In artikel 64 van de Programmawet is voorzien dat de belastingvrije som wordt opgetrokken tot 6 400 euro indien de belastingplichtige een inkomen geniet beneden de 22 800 euro, St. Kamer, nr. 1011/001, blz. 148.

(6) Het reguliere tarief voor de socialezekerheidsbijdragen voor loontrekkenden bedraagt 13,07 % voor de werknemer en 37,83 % voor de werknemer.