4-38

4-38

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 10 JUILLET 2008 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de Mme Lieve Van Ermen à la vice-première ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au vice-premier ministre et ministre de la Justice et des Réformes institutionnelles et à la secrétaire d'État aux Personnes handicapées sur «le manque de place dans les institutions spécialisées pour les personnes ayant un handicap mental» (nº 4-409)

M. le président. - M. Carl Devlies, secrétaire d'État à la Coordination de la lutte contre la fraude, adjoint au premier ministre, et secrétaire d'État, adjoint au ministre de la Justice, répondra.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Knack blokletterde eind juni op zijn cover: `Hoeveel moeten er nog sterven voor er iets verandert?'. Het magazine verwees naar het overlijden van Miranda Bollen, een meisje dat het grootste deel van haar korte leven in instellingen verbleef. Toen ze op haar 18de ontslagen werd uit de instelling, raakte Miranda Bollen `op de dool', met het tragische resultaat als gevolg. Ze was altijd `te': ze had te zware psychiatrische problemen, ze was te problematisch en bovendien licht mentaal gehandicapt.

Op nagenoeg hetzelfde tijdstip verscheen in Gazet van Antwerpen het bericht dat er voor de 19-jarige Marco Moreels geen plaats is in een gespecialiseerde instelling. De mentaal gehandicapte jongen uit Genk zit sinds april in de gevangenis voor een banale diefstal. Als geen opvang voor hem gevonden wordt, zal hij geïnterneerd worden, maar geen enkele instelling wil hem opnemen.

Marco werd geboren met een chromosomale afwijking, waardoor zijn fijne motoriek verminderd is en hij een gedragsstoornis heeft. `Maar in een gevangenis kwijnen gehandicapten gewoon weg', zegt zijn moeder.

De rechter biedt de jongen een uitweg: als zijn ouders een alternatief vinden, een centrum dat hun zoon wil opnemen, gaat de internering niet door. Sindsdien beweegt de moeder van Marco hemel en aarde om een instelling voor gehandicapten te vinden die haar zoon wil helpen. Zonder resultaat.

Vandaar mijn vraag aan mevrouw de minister in verband met Miranda Bollen. Hoeveel dergelijke `probleemgevallen' zijn er in België, te weten jongvolwassenen die op hun 18de uit de instelling ontslagen worden en nadien nergens terecht kunnen of in ieder geval niet meer opgevolgd worden?

Zou het niet beter zijn dergelijke jongeren op te volgen vanaf de leeftijd van 17 jaar door middel van een systeem van trajectbegeleiders? Deze vertrouwenspersonen kunnen een toeverlaat zijn voor dergelijke probleemjongeren. Zou het niet zinvol zijn een dergelijk systeem van trajectbegeleiders in te stellen voor dergelijke gevallen zodat we tragische overlijdens zoals deze van Miranda Bollen in de toekomst kunnen vermijden?

Heeft de minister daarvoor middelen uitgetrokken op haar begroting?

Wat het relaas van Marco Moreels betreft, heb ik volgende vragen aan mevrouw de minister. Hoe komt het dat er voor dergelijke personen geen plaats is in gespecialiseerde instellingen? Is het verantwoord en humaan dat een dergelijke persoon geïnterneerd wordt terwijl een gevangenis niet de gepaste plaats is voor een dergelijke patiënt? Over hoeveel dergelijke of gelijkaardige gevallen gaat het?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van mevrouw Onkelinx.

Omdat het niet de gewoonte is om in deze vergadering individuele gevallen te bespreken, wil ik het niet hebben over de twee dossiers die mevrouw Van Ermen aanhaalt, en beperk ik me tot algemene zaken.

Voor specifieke cijfers over deze instellingen verwijs ik naar de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse regering. Op federaal niveau beschikken we wel over gegevens van ziekenhuizen. Gebruikmakend van de gegevens van 2006 van de databank van de Minimale Psychiatrische Gegevens (MPG) kunnen we de `ontslagen patiënten met mentale retardatie' per leeftijdsgroep en per bestemming indelen.

Van de 18- tot 20-jarigen komt meer dan de helft van de 194 ontslagen patiënten, of 56,7%, terecht in het ouderlijke gezin (65), gaat inwonen bij of samenwonen met een andere persoon (25) of gaat verblijven in een instelling voor gehandicaptenzorg (20). Een minderheid van de ontslagen patiënten tussen 18 en 20 jaar (10,3%) gaat alleen wonen (11), kent geen vaste verblijfplaats (5) of kan niet verder opgevolgd worden (4). Dit is dus een uitermate klein aantal.

Zorgtrajectbegeleiding in de geestelijke gezondheidszorg is in België niet veralgemeend. Op federaal niveau loopt het proefproject `ontslagmanagement in de psychiatrische ziekenhuizen'. Ontslagmanagement heeft als doel de heropname of verdere institutionalisering van hoogrisicopatiënten te vermijden. Dit kan worden gerealiseerd door reeds bij de opname in het ziekenhuis een kwaliteitsvolle terugkeer naar huis voor te bereiden en de zorgcontinuïteit in het algemeen te bevorderen. Hiervoor is interdisciplinaire samenwerking in het ziekenhuis vereist, alsook samenwerking tussen het ziekenhuis en de eerstelijnsstructuren. Het betreft dus geen trajectbegeleiding in de strikte zin, maar begeleiding van een welbepaald deel uit het individuele zorgtraject van patiënten, namelijk de voorbereiding en concrete uitwerking van het ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis.

Inzake de plaatsing in een gespecialiseerde instelling verwijs ik in de eerste plaats naar het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen van 13 november 2003 inzake geestelijke gezondheidszorg aan personen met een handicap. In dat advies wordt gesteld dat `De personen met een handicap recht hebben op een betaalbare, toegankelijke en op maat gesneden basiszorg aangevuld met orthopedagogische zorg en begeleiding en met gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg. De verantwoordelijkheid van de GGZ-sector omhelst de GGZ-noden, wat impliceert dat de GGZ-inbreng een tijdelijk en subsidiair karakter heeft ten aanzien van de inbreng van andere sectoren, bijvoorbeeld de gehandicaptensector.' Dit veronderstelt dus dat wanneer een behandeling is afgelopen in een afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, deze personen een plaats moeten vinden in de aangepaste structuren voor personen met een mentale handicap. Die structuren vallen echter onder de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten. Het forum bij uitstek om over de grenzen van de verschillende zorgvormen en beleidsbevoegdheden heen initiatieven te nemen in verband met trajectbegeleiding en casemanagement, is de Interministeriële Conferentie (IMC) Volksgezondheid.

Ik heb het initiatief genomen om de problematiek inzake opname van personen met een dubbele diagnostiek, namelijk een mentale handicap in combinatie met een psychiatrische problematiek, op de agenda van de vergadering van de IMC Volksgezondheid van 17 juni 2008 te plaatsen.

Er werd besproken hoe men de zorgactoren kan aanzetten tot meer verantwoordelijkheidszin bij de uitbouw van zorgtrajecten. De resultaten van deze besprekingen zullen concreet worden uitgewerkt in de daartoe voorziene taskforce. De IMC Volksgezondheid heeft beslist om een aantal concrete projectvoorstellen uit te werken die de mogelijkheid scheppen om binnen de instellingen voor personen met een handicap een psychiatrische zorgverlening aan te bieden, onder meer via mobiele teams.