4-379/1 | 4-379/1 |
25 JUNI 2008
I. Inleiding
Naar aanleiding van een eremoord in de streek van Charleroi in oktober 2007, heeft het Adviescomité voor Gelijke Kansen voor vrouwen en mannen beslist een analyse te starten van de problematiek van eergerelateerd geweld in België.
Om een beter beeld te krijgen van de omvang van de problematiek werden eerst een aantal hoorzittingen georganiseerd. Het Adviescomité heeft haar vergaderingen van 13 en 27 februari 2008 gewijd aan de hoorzitting van :
— professor Marie-Claire Foblets, Instituut voor Vreemdelingenrecht en Rechtsantropologie, KULeuven;
— mevrouw Fatoumata Sidibé, voorzitter van de vereniging « Ni Putes Ni Soumises Comité belge »;
— professor Michelle Waelput, psychopedagoge;
— de heer Claude Fontaine, directeur DGJ/DJP, directie van de bestrijding van de criminaliteit tegen personen, federale Politie;
— de heer Marc Van De Plas, diensthoofd DJP : « Agressie », federale Politie;
— de heer Filip Jodts, afgevaardigde Beleidscel Justitie, FOD Justitie;
— de heer Paul Van Tighelt, adjunct-directeur van de Cel Beleidsvoorbereiding, adviseur Integrale Veiligheid, FOD Binnenlandse Zaken.
Uit de hoorzittingen is gebleken dat in Nederland door de Politie Haaglanden een project uitgewerkt werd voor het oprichten van een Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG). Op vraag van de rapporteurs heeft het Adviescomité op 9 mei 2008 een bezoek gebracht aan dit centrum en er volgende personen ontmoet :
— de heer Wouter van der Kraan, materiedeskundige Multi-Etnisch Politiewerk Unit MEP/LEC EGG;
— de heer Willem Timmer, hoofd Unit MEP/LEC EGG;
— mevrouw Janine Janssen, hoofd Onderzoek Unit MEP/LEC EGG;
— de heer Léon Poffé, programmaleider Programmabureau Eergerelateerd Geweld.
De aanbevelingen werden besproken tijdens de vergaderingen van 19 maart, 21 mei en 11 juni. Ze werden door het Adviescomité aangenomen op 25 juni 2008.
II. Hoorzittingen
II.1. Hoorzittingen van 13 februari 2008
II.1.1. Uiteenzetting door professor Marie-Claire Foblets, Instituut voor Vreemdelingenrecht en Rechtsantropologie, KULeuven
Professor Foblets wenst het fenomeen van de eremoorden te bekijken vanuit het standpunt van de antropologie, die tracht te verklaren, maar geen oordeel velt. De antropologie is een discipline die culturele verklaringen zoekt voor bepaalde gedragingen. Spreekster zal drie concepten gebruiken om de eremoorden toe te lichten : de verwantschappelijke samenlevingen (« les sociétés de parenté »); de eerwraak (« la vengeance »), met belangrijke termen als « la solidarité vindicative » en « la dette de l'offense »; de acculturatie.
II.1.1.1. De verwantschappelijke samenleving
Het fenomeen van eremoorden laat zich het best verklaren in de context van de verwantschappelijke samenleving. In zo'n samenleving bestaat iemands sociaal netwerk uit de groep van verwanten. Dat netwerk bepaalt de positie van die persoon in de samenleving. Het verwantschappelijk systeem kan tevens gelijkgesteld worden met een rechtssysteem. Wie geen verwant is, is een vreemdeling. In zeer arbeidsintensieve economieën, zoals landbouwsamenlevingen, zijn de verwante groepen soms zeer uitgebreid.
De meest voorkomende groepen identificeren zich met de mannelijke lijn : de patrilineages. Ter verzekering van de eigen voortzetting, zullen in zo'n samenleving de mannengroepen, die de sociale structuur van de groep bepalen, vrouwen moeten inhuwen en zusters moeten uithuwen. Dit stelt problemen in het kader van de vrouwenrechten, en in het bijzonder met de reproductieve rechten. Sensu lato wijzen de reproductieve rechten van de vrouw op zeven verschillende aspecten : 1. heeft ze seksuele verhoudingen ?; 2. met wie heeft ze seksuele verhoudingen ?; 3. brengt ze kinderen ter wereld ?; 4. met wie heeft ze kinderen ?; 5. hoeveel kinderen heeft ze ?; 6. op welke leeftijd krijgt ze kinderen ?; 7. heeft ze haar kinderen in het kader van het huwelijk gekregen ?. Recent werd daar een nieuw aspect aan toegevoegd : pleegt ze abortus ?
In de patrilineaire samenleving behoren de reproductieve rechten van de vrouw namelijk toe aan haar patrilineage : haar broer vóór het huwelijk, de groep van haar echtgenoot na haar huwelijk. Die rechten komen haar niet toe, niet om haar te onderdrukken, maar met als doel de voortzetting van de lijn van de man te verzekeren. Er is met andere woorden geen individuele zelfbeschikking voor de vrouw.
De vrouw komt in aanraking met twee patrilineages : de ene huwt uit, de andere huwt in. De groep die inhuwt, wil volledige zekerheid over het feit dat de vrouw die wordt ingehuwd maagd is. Dit is de enige manier om te weten dat de kinderen van die vrouw ook de kinderen zijn van de lijn die inhuwt. De groep die uithuwt, wenst compensatie te krijgen voor het verlies van de zus die vertrekt. Bijgevolg is het voor de twee groepen van belang dat de vrouw die huwt een maagd is.
De patrilineaire logica laat toe een aantal praktijken te begrijpen, met name dat de maagdelijkheid een geldigheidsvoorwaarde is voor het huwelijk. Ook kinderhuwelijken worden tegen deze achtergrond het best verklaard : de controle op de vrouw wordt zo op heel jonge leeftijd overgedragen aan de groep die ze inhuwt. De garantie dat ze nog maagd is, is groter bij een kind. De controle op de seksualiteit van de vrouw, door onder meer infibulatie (een extreme vorm van besnijdenis), kan ook zo verklaard worden.
Ook bepaalde praktijken na het huwelijk kaderen in deze logica. Moest een ingehuwde vrouw onvruchtbaar blijken, dan lijdt de groep als het ware een verlies. Dit kan in sommige gevallen aan de groep die inhuwt recht geven op een andere vrouw. Dit wordt ook wel sororaat genoemd.
Patrilineages zijn samenlevingen die veel belang hechten aan de stabiliteit van het huwelijk, althans vanuit het perspectief van de man. Zolang een man gehuwd wenst te blijven, beschikt hij over zijn huwelijk. Dit is ook het geval indien hij beslist zijn vrouw te verstoten. In het geval hij een tweede vrouw wenst, heeft hij het recht polygaam te zijn. Sommige samenlevingen hebben daar meer controle over dan andere : ze beperken het aantal echtgenotes en verbinden er een aantal voorwaarden aan.
Een patrilineage wordt bijgevolg vooral gestuurd vanuit een collectieve logica, die in de eerste plaats de zorg heeft zichzelf voort te zetten. De positie van de vrouw staat in dienst van die logica. Dit is een zaak van eer. De vrouw, en haar eerbaarheid, is verbonden met het feit dat ze zich onderwerpt aan die logica : door zich eerbaar te gedragen in de voorhuwelijkse periode, garandeert ze dat haar broer later kan trouwen. De hele groep is met andere woorden aangewezen op de houding van de vrouw en wat ze doet met haar reproductieve mogelijkheden. Als ze die individueel claimt, tast ze de voortzettingsperspectieven van haar groep aan.
De belangrijkste functie van een patrilineage is de vrijwaring van de biologische zekerheid voor mannen dat de kinderen die hun vrouwen baren ook hun eigen kinderen zijn. Deze functie is vandaag verzwakt. In de antropologie heeft men echter opgemerkt dat, wanneer instellingen hun functie verloren hebben, de mentaliteit zich toch doorzet.
Professor Foblets citeert het voorbeeld van de bruidsprijs, de compensatie die wordt betaald voor het vertrek van de zus. In sommige samenlevingen wordt de bruidsprijs slechts betaald op het ogenblik dat de vrouw een kind baart. Dan pas heeft men de zekerheid dat de vrouw vruchtbaar is. Men betaalt dus eigenlijk niet voor de vrouw, maar voor haar kinderen.
Wat zijn de gevolgen van de patrilineaire logica ? Libertinages (onder meer het zich publiek vertonen met een man die geen verwant is) vanwege de vrouw tasten de eer aan van de groep. Dit geldt eveneens voor voorhuwelijkse betrekkingen. De vrouw die zich daaraan waagt, kan zich verwachten aan een zware straf.
Sommige etnografieën geven aan dat de vrouw als het ware voor een dilemma staat : « It's either love, or honour. ». Als ze voor liefde gaat, tast ze de eer aan. Eer is echter belangrijker dan het leven. Ze weet bijgevolg dat dit zware gevolgen kan hebben. Recentelijk kon men in de krant het verhaal lezen van een Saudi-Arabische vrouw, die zich in de publieke sfeer vertoonde met een man die geen verwant is. Vermits zij de eer van haar groep aangetast heeft, zal ze zwaar gestraft worden.
II.1.1.2. De eerwraak
Eerwraak moet men plaatsen in prestatelijke of voorstatelijke samenlevingen, die voor de ordehandhaving aangewezen zijn op de eigen groep(en) : men spreekt van eigenrichting. Eerwraak is een manier die in onze maatschappij niet meer aanvaard wordt, want het monopolie van het geweld ligt nu bij de staat. Echter, in samenlevingen waar er geen staat is, doet men zichzelf recht.
Eigenrichting bezit dezelfde functies als ons strafrecht : de eerwraak heeft een preventieve, een punitieve en een retributieve functie. Het is te eenvoudig te stellen dat dit overeenkomt met wat men in het Frans « la loi du talion » noemt (« oog om oog, tand om tand »). Het betreft heel genormeerde stelsels : de groep beslist of er wraak genomen wordt en op welke manier. Er schuilt een collectieve logica achter de eerwraak.
In onze maatschappij wordt dit soort logica niet meer aanvaard : eigenrichting heeft plaats gemaakt voor het staatsrechtelijke apparaat van de strafrechtbanken, die — zoals gezegd — het monopolie van het geweld hebben. In veel rechtstaten wordt echter nog steeds aan eigenrichting gedaan, ook al is het verboden. Hoewel expliciet verboden, blijft eerwraak een mechanisme van ordehandhaving, vooral in de meer rurale gebieden.
II.1.1.3. De acculturatie
Ten slotte helpt het begrip « acculturatie » het fenomeen eerwraak te begrijpen. Acculturatie verwijst naar een geheel van fenomenen die zich kunnen voordoen wanneer twee culturen met elkaar in contact komen. Dit kan een vrijwillig of een onvrijwillig contact zijn; het kan ook gaan om een korte of meer langdurige bezetting (koloniale aanwezigheid, globalisering, ...).
Wanneer groepen met elkaar in contact komen, kan dit verschillende gevolgen hebben : sommige groepen verdwijnen, andere groepen laten een aantal aspecten van de eigen cultuur los en beschouwen andere aspecten als heel belangrijk. Het is heel moeilijk op voorhand te zeggen wat er zal gebeuren. Op deze wijze kan een taal herontdekt worden, godsdienst heel belangrijk worden, enzovoorts.
Welke dynamieken worden in Europa op gang getrokken door de pluralisering ? Mevrouw Foblets is van mening dat verwantschap een specifieke positie inneemt. Verwantschap betekent de afbakening van de groep. Ze verwijst naar de problematiek van de huwelijksverboden (het verbod op gemengde huwelijken). Dit heeft alles te maken met het niet willen verliezen van de groep. Bijgevolg hecht men veel belang aan de huwelijkspraktijken, want daardoor blijft de groep gedeeltelijk geïdentificeerd.
In Nederland ontwikkelen meisjes soms strategieën in die situatie van moeilijke evenwichtsoefening tussen, enerzijds, de eer van de groep en, anderzijds, het individuele recht om een partner te kiezen. Dit leidt tot praktijken als de « vrijwillige bruidroof » : de meisjes laten zich publiek vertonen in aanwezigheid van hun geliefde, waardoor zij op de huwelijksmarkt tot niets gereduceerd worden. De geliefde kan haar dan huwen, voor de volle of slechts een symbolische prijs.
Moet dit soort culturele delicten bestraft worden ? Deze gedragingen, conform aan een bepaalde cultuur, worden delicten omdat men ze hier niet aanvaardt. Hoe moeten ze bestraft worden ? De efficiëntie van een strafwet is niet verzekerd omwille van de complexiteit van die mentaliteit.
Tot slot haalt professor Foblets de getuigenis van een studente aan : na drie jaar heeft ze haar studies in de antropologie opgegeven, omdat ze het haar moeder, die weduwe is, niet langer aan kon doen niet gehuwd te zijn. Als jonge ongehuwde vrouw voelde ze het immers als haar plicht haar moeder niet langer te belasten met de controletaak die de gemeenschap haar opgelegd heeft. Het hoeft dus niet steeds tot een moord te komen, maar het blijft een zaak van eer.
II.1.2. Uiteenzetting door mevrouw Fatoumata Sidibé, voorzitter van de vereniging « Ni Putes Ni Soumises Comité belge »
Als in Europa geboren moslima, maar ook als voorzitter van het Belgisch comité van de vereniging « Ni Putes Ni Soumises », verzet mevrouw Sidibé zich hevig tegen eremoorden en seksistische daden. In eenzelfde context als bij de tragische moord op Sadia werd in de Franse voorsteden de Franse vereniging « Ni Putes Ni Soumises » opgericht door een handvol buurtjongeren. Aan het hoofd ervan stond mevrouw Fadela Amara. Zij verzetten zich tegen geweld tegen vrouwen in al zijn verschijningsvormen : eremoorden, agressie met vitriool, verminkingen, seksisme.
In de lente van 2003 organiseren Fadela Amara en haar beweging de Mars van de buurtvrouwen voor gelijkheid en tegen ghettovorming. Zij marcheren door 23 Franse steden om de publieke opinie bewust te maken van de toestand van moslimmeisjes in de voorsteden.
Op 14 april 2003, na het overweldigende succes van de mars, vormt de beweging « Ni Putes Ni Soumises » (NPNS) zich om tot een VZW om concrete acties te kunnen ondernemen. Hun slogan is bewust provocerend om erop te wijzen dat er geen gelijkheid kan zijn zonder gemengdheid en zonder secularisatie, en dat de strijd tegen obscurantisme en fundamentalisme essentieel is om de vrouwenemancipatie te waarborgen.
Al snel breidt de beweging zich uit tot andere landen als Zweden, Nederland, Spanje en België.
De vereniging « Ni Putes Ni Soumises Comité belge » is sinds juli 2006 een autonome VZW, maar onderschrijft ook het handvest van de Franse gemengde volksbeweging « Ni Putes Ni Soumises » met zijn drie pijlers : secularisatie, gemengdheid en gelijkheid. Naar het voorbeeld van de Franse zustervereniging tracht de Belgische vleugel sinds twee jaar de publieke opinie te wijzen op de voormelde maatschappelijke problemen en de mensen wakker te schudden.
Aanvankelijk twijfelden sommigen aan het nut van de beweging : men heeft vaak geopperd dat de toestand in Frankrijk en in België niet vergelijkbaar is. In ons land zou het er niet zo erg aan toe gaan, omdat er bij ons geen voorsteden en geen eremoorden zouden bestaan.
Het Belgisch Comité heeft daarop steeds geantwoord dat er een drama zal moeten plaatsvinden om de Belgische publieke opinie wakker te schudden. In oktober 2007 was het dan ook zover, en heeft de Belgische publieke opinie met afschuw moeten vaststellen dat eremoorden ook in ons land gepleegd worden. Nochtans hadden leerkrachten al lang en herhaaldelijk gewezen op het bestaan van gedwongen huwelijken en plotselinge verdwijningen van meisjes naar hun land van herkomst.
Men had de neiging te denken dat eremoorden alleen in Pakistan, Afghanistan, Bangladesh, Nigeria, Liberia of Libanon plaatsvonden. Nu stelt men echter vast dat eremoorden de laatste twintig jaar in Europa steeds vaker voorkomen (vooral in Zweden, Nederland en het Verenigd Koninkrijk). Zij vinden vooral plaats binnen de moslimgemeenschappen.
Eremoorden worden gepleegd door wurging, verdrinking, steniging, of verbranding. Er zijn ook verminkte vrouwen, vrouwen met een geschonden gelaat of met afgehakte handen. Ook gevallen van groepsverkrachting werden vastgesteld. Ten slotte zijn er vrouwen die liever zelfmoord plegen omdat zij weten dat hun leven ondraaglijk zal worden en zij de doodstraf riskeren. Bovendien worden sommige moorden als zelfmoorden ingekleed : in Zweden is er het fenomeen van meisjes die op geheimzinnige wijze van balkons vallen. De politie vermoedt dat het om gedwongen zelfmoorden of eremoorden gaat.
Meestal worden deze moorden begaan door de vader, de broer of de echtgenoot van de vrouw. De broers werpen zich dikwijls op als de verdedigers van de eer van hun zusters. Voor de familie volstaat soms een gewone flirt of een telefoontje om een meisje ter dood te veroordelen. Soms is zelfs een gerucht al voldoende ...
Het begrip eer is zo subjectief en rekbaar dat vrouwen geen redding meer kunnen vinden bij hun familie of gemeenschap.
Men moet teruggaan tot de bron om te begrijpen dat gedwongen huwelijken niet nieuw zijn, maar dat zij vroeger niet zo een groot probleem vormden als nu. Pas de tweede generatie immigranten begon zich heviger te verzetten tegen gedwongen huwelijken.
Vandaag worden nog vele gevallen van gedwongen huwelijken gemeld aan de vereniging of aan maatschappelijk werkers. Veelal gaat het om meisjes van Belgische nationaliteit, die school gelopen hebben of financieel reeds zelfstandig zijn. Zij klagen over psychologische druk, fysiek geweld en opsluiting. Zij voelen zich verraden door hun familie, maar tezelfdertijd gaan zij zo gebukt onder schuldgevoelens dat zij geen klacht durven indienen, hoewel de Belgische wet hen beschermt.
Achter het probleem van de gedwongen huwelijken schuilt de fundamentelere kwestie van de controle op de seksualiteit, die alsmaar strenger wordt. Duidelijke tekenen daarvan zijn de massale terugkeer van de hoofddoek en de kritiek op het gemengd onderwijs, maar er is vooral het verschijnsel van het toezicht door de grote broers, de zelfverklaarde verdedigers van de eer van hun zusters. Dit wordt aangemoedigd door religieuze leiders die de jonge moslims zwaar beïnvloeden met seksistische en obscurantistische leerstellingen.
Ook de maagdelijkheid speelt een essentiële rol. In openbare ziekenhuizen stelt men een toename vast van aanvragen om het maagdenvlies te herstellen, een ingreep die trouwens door het RIZIV terugbetaald wordt. Dit geeft aanleiding tot een groot debat binnen het medisch korps : sommige artsen menen dat het weigeren van hulp de meisjes de dood kan injagen, terwijl anderen menen dat zij door ermee in te stemmen een archaïsche en machistische mentaliteit in stand houden. Het Brugmannziekenhuis heeft een gedragscode opgesteld om met dit probleem van het maagdenvliesherstel om te gaan. Aanvragen tot herstel van het maagdenvlies komen echter niet alleen van de meisjes zelf : soms komen zij van de familie, of zelfs van de religieuze overheid, in het vooruitzicht van een al dan niet gedwongen huwelijk. Steeds gaat het erom « de eer te redden ». In Europa heeft men lange tijd de ogen gesloten voor deze patriarchale en culturele vormen van geweld, maar vandaag kunnen wij niet langer doof blijven voor de noodkreet van deze meisjes die in onze democratie een vrij leven willen leiden.
Het is dus essentieel dat er voorzien wordt in opvang- en begeleidingsmogelijkheden voor meisjes die beslissen om een gedwongen huwelijk te weigeren. Even essentieel is dat er zware straffen worden uitgesproken tegen de moordenaars en diegenen die op de hoogte waren maar niets gedaan hebben om de moord te verhinderen. Culturele en religieuze factoren moeten worden beschouwd als verzwarende en niet als verzachtende omstandigheden. In gezinnen waar een dergelijk complot wordt gesmeed, wijst men vaak de minderjarige broer als dader aan, omdat men weet dat hij als minderjarige een mildere straf zal krijgen.
Dialoog met het gezin is dus belangrijk : een bemiddelaar zou bijvoorbeeld in een vroeg stadium contact kunnen nemen met risicogezinnen (bijvoorbeeld gezinnen waarvan men vermoedt dat de dochters niet langer maagd zijn). In Frankrijk werd een onthaalplatform opgericht om deze meisjes in een eerste contact te begeleiden. Dit moet uitgebreid worden, er moet permanent contact zijn met die meisjes om de toestand niet te laten ontsporen. Al te vaak stelt men een breuk met de familie voor, wat niet vanzelfsprekend is. Vaak is de familie of gemeenschap hun enige aanknopingspunt en richtsnoer. Hen daarvan afsnijden plaatst hen in een uiterst moeilijke positie.
In het geval van Sadia blijven enkele vragen onbeantwoord : is zij gestorven omdat zij een gedwongen huwelijk geweigerd heeft, of omdat zij een Belgische vriend had die geen moslim was ? De Koran stelt het huwelijk van een moslima met een niet-moslim gelijk aan geloofsverzaking, wat bestraft wordt met de doodstraf of steniging.
Beschikt de politie over cijfers van het aantal moorden of moordpogingen die in werkelijkheid eremoorden zouden zijn ? Bestaan er hierover opleidingen voor politiemensen ?
Spreekster verwacht dat de wetten wel zullen evolueren, maar dat dit onvoldoende is : ook de mentaliteit moet veranderen. Alles wijst erop dat dergelijk patriarchaal geweld dreigt toe te nemen. In de westerse landen zijn het obscurantisme, fundamentalisme en racisme immers in opmars.
II.1.3. Uiteenzetting door professor Michelle Waelput, psychopedagoge
Mevrouw Waelput legt uit dat zij beroepshalve, via haar leerlingen, vaak te maken krijgt met het probleem van geweld tegen vrouwen.
In het begin van haar loopbaan was zij ervan overtuigd dat er in België geen gedwongen huwelijken meer waren. Heel snel werd zij echter geconfronteerd met vier gevallen van gedwongen huwelijken. Het eerste geval betrof een studente van Marokkaanse oorsprong die uitgehuwelijkt werd aan een man uit haar land. Het tweede was een studente van Algerijnse oorsprong, die plots niet meer kwam opdagen omdat zij gedwongen was geweest met een man in Algerije te trouwen.
Het derde geval lijkt sterk op dat van Sadia : een goed geïntegreerd meisje, die voor onderwijzeres studeerde, en een Belgisch vriendje had. Haar broer hield haar voortdurend in de gaten, en achtervolgde haar. Op een dag is zij niet meer naar school gekomen terwijl zij aan een stage bezig was. Het meisje legde spreekster uit dat zij opgesloten werd omdat men haar tegen haar wil wilde uithuwelijken, en heeft haar om hulp gevraagd. De leerkrachten van de school zijn bijeengekomen om een oplossing te zoeken.
Toen spreekster het meisje terugbelde om hulp aan te bieden, smeekte zij om alles stop te zetten omdat zij in ernstige problemen zou komen. De volgende dag was zij weggevoerd naar Tunesië, het land van herkomst van de ouders.
Er is ook het geval van een Belgisch meisje, dat na twee jaar studies voor kleuteronderwijzeres is moeten stoppen omdat haar vader haar aan een landbouwer wilde uithuwelijken. Dit meisje heeft gevochten, heeft hulp van het OCMW en van de sociale dienst van de hogeschool gekregen, en heeft uiteindelijk haar studies kunnen afmaken.
Op grond van die paar gevallen is spreekster tot de vaststelling gekomen dat het geweld tegen deze meisjes vele vormen kan aannemen : men hen wil verhinderen een diploma te halen en dus zelfstandig te worden (zij staan ten dienste van hun vader en broers en moeten 's nachts studeren wanneer de huishoudelijke taken gedaan zijn); men staat niet toe dat zij hun levenspartner zelf kiezen; zij worden gestuurd naar een land van herkomst dat zij vaak nauwelijks kennen; er is ook fysiek geweld dat soms extreme vormen kan aannemen.
Mevrouw Waelput haalt het voorbeeld aan van een Turks zestienjarig meisje dat door haar vader afgeranseld werd nadat zij bij een van haar leerkrachten was gaan schuilen omdat hij haar wilde uithuwelijken. Ditzelfde meisje werd ook door haar broer afgeranseld omdat hij haar met een jongen op straat had zien praten. Daarbij heeft zij een hersenschudding opgelopen. Onlangs is zij opnieuw door haar vader mishandeld omdat hij vond dat zij zich met het halen van een diploma superieur toonde ten opzichte van haar broers. Hij heeft al haar lesmateriaal verbrand.
Een vorm van geweld die heel vaak voorkomt, ten slotte, is de psychologische druk : men zegt hen dat zij door te weigeren « hun moeder de dood zullen injagen » of dat zij « de schande van de familie » zullen zijn.
Er is dus een enorme kloof tussen de familiale tradities en de waarden van vrijheid, gelijkheid en gemengdheid die op school onderwezen worden. Zij zitten geklemd tussen twee totaal verschillende werelden.
Over het aantal gedwongen huwelijken in België bestaan er geen officiële statistieken. In Frankrijk schat men het aantal gevallen per jaar op meer dan 70 000. Alleen de UCL heeft in België een officieus onderzoek verricht : daaruit blijkt dat vele jongeren met gedwongen huwelijken geconfronteerd zijn.
Spreekster heeft zelf een steekproef uitgevoerd in de streek Mons-Borinage, op grond van de vragenlijst van de UCL. De steekproef werd uitgevoerd bij 270 mannelijke en vrouwelijke studenten uit twee hogescholen van verschillende onderwijsnetten.
De resultaten daarvan zijn dat :
— 52 % verklaart dat gedwongen huwelijken nog bestaan. Vooral meisjes zijn zich bewust van het probleem;
— ongeveer 40 % heeft weet van gedwongen huwelijken binnen de familiekring of bij vrienden;
— 90 % meent dat deze praktijk ingegeven is door het geloof.
De Commissie voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen van de streek Mons-Borinage, die in 2006 werd opgericht en waarvan spreekster lid is, heeft een colloquium georganiseerd waarop een imam zich over de kwestie kon uitspreken. De kernvraag was of er in de Koran sprake was van het gedwongen huwelijk. De imam heeft meermaals verklaard dat er nergens in de Koran (en in geen enkele andere godsdienst) sprake is van gedwongen huwelijk. Vele gezinnen echter menen dat dit soort huwelijk door de godsdienst wordt voorgeschreven.
Spreekster meent dat het probleem niet aan het afnemen is. Vooral uit gesprekken met leerkrachten blijkt dat zij constant te maken krijgen met concrete gevallen.
Wat gebeurt er met de meisjes die geen hogere studies doen ? Het lijkt erop dat gedwongen huwelijken in die gevallen bijna systematisch gebeuren.
Wat de te ondernemen actie betreft, stelt spreekster het volgende voor :
1. Men dient in dit verband aan bewustmaking in ruime zin te doen. Dit is vooral een taak voor het lerarenkorps en de schooldirecteuren, in het bijzonder van scholen waar veel jongens zitten. Ook moet dit onder de aandacht gebracht worden van de sociale diensten en de centra voor leerlingenbegeleiding. Er zijn zelfs vandaag de dag nog maatschappelijke assistenten die beweren dat gedwongen huwelijken niet bestaan.
2. Het is uiterst belangrijk om jongeren in hun scholen te informeren door informatiebrochures te verspreiden (waarin vermeld wordt dat gedwongen huwelijken verboden zijn bij wet). Deze brochures vermelden ook contactpersonen waartoe men zich kan wenden als er problemen mochten zijn (centra voor gezinsplanning, hulpcentra voor mishandelde vrouwen, enz ...). Er wordt ook duidelijk in uitgelegd dat er hulp te krijgen is wanneer men de gezinswoning tijdelijk wil verlaten. Daar ligt echter het grote probleem : spreekster heeft in de streek van Mons-Borinage een plek gezocht voor de opvang van vrouwen in moeilijkheden die alleen zijn en geen kinderen hebben. Er bestaat geen dergelijke plek. De enige plaats die zich bereid verklaart deze vrouwen op te vangen is een centrum waar ook daklozen worden opgevangen.
3. Spreekster benadrukt dus dat er dringend veilige opvangplaatsen moeten komen waar ook psychologische begeleiding wordt geboden. Als jonge meisjes van huis weggaan omdat zij een gedwongen huwelijk willen ontlopen, worden zij letterlijk uit de gemeenschap gestoten en zijn zij psychologisch volledig geïsoleerd. Hiervoor dient een passende oplossing te worden gevonden.
4. Er moeten mensen worden opgeleid tot bemiddelaar en wel personen die aanzien genieten in de verschillende gemeenschappen (Marokko, Algerije, Tunesië, Turkije, Pakistan, ...). Deze bemiddelaars zouden in het geval van een crisis contact kunnen opnemen met de families. De imams zouden deze rol op zich kunnen nemen, aangezien zij aanzienlijke religieuze invloed hebben en de eersten zijn om te zeggen dat de Koran het nergens over gedwongen huwelijken heeft. Jammer genoeg kan de politie niet veel hulp bieden : de meisjes durven meestal niets te zeggen en dienen geen klacht in. Wanneer er dus geen fysiek geweld aan te pas komt, kunnen de politieagenten niets vaststellen. Men moet echter wel beseffen dat er in deze gemeenschappen ook burgers leven die open van geest zijn maar niets willen zeggen, omdat zij bang zijn dat die gemeenschap in opspraak zou komen. Het gaat dus niet om een gemakkelijke opdracht.
5. Spreekster zegt dat zij als docente zeer gevoelig is voor het educatieve aspect. Vanaf de lagere school moet men alles in het werk stellen om de kinderen bij te brengen dat genderdiscriminatie en geweld niet kunnen en dat de taken verdeeld moeten worden. Dit moet de hele lagere school door en ook tijdens de verdere schoolcarrière benadrukt worden. De meisjes zeggen dat zij steeds minder gerespecteerd worden tijdens de speeltijd en dit is erg verontrustend. Men kan de kinderen hiervan bewust maken door middel van pedagogische films bijvoorbeeld, waarover de leerlingen vervolgens kunnen discussiëren. Ook de toekomstige jonge leraren dienen attent te worden gemaakt op de zeer belangrijke rol die zij met betrekking tot deze thema's moeten spelen. In bepaalde milieus is de tirannieke rol die door de broers wordt gespeeld — zij worden soms zelfs de gewapende militie van het gezin — erg verontrustend, terwijl zij toch vaak in België geboren zijn en naar onze scholen zijn geweest. Hun houding toont aan dat ons onderwijs gefaald heeft wat de problematiek van geweldloosheid jegens vrouwen betreft.
6. Er moet absoluut repressief worden opgetreden. Meisjes die met het probleem geconfronteerd zijn, dringen aan op concrete sancties, om de ouders ervan af te brengen gedwongen huwelijken op te dringen : gevangenisstraffen of geldboetes, op basis van de wet van juni 2007. Één van de leerlingen waar spreekster naar verwees, heeft uiteindelijk klacht ingediend tegen haar vader. Dit is voor haar een erg symbolische daad.
II.1.4. Gedachtewisseling
Mevrouw Temmerman vindt het belangrijk aandacht te hebben voor de culturele achtergrond waarin men de problematiek van de eremoorden moet situeren. Al te dikwijls vellen wij oordelen over wat goed en slecht is vanuit onze geïndividualiseerde maatschappij. Een oordeel vellen kan in feite enkel als men kennis heeft van de achtergrond. Men moet daarin de regelgeving situeren.
Als arts wordt de senator vaak geconfronteerd met de vraag om hymenherstel. Ook onder moslima's is daaromtrent discussie. Aan de ene kant, als je hymenherstel vraagt, ben je hypocriet. Aan de andere kant lopen meisjes, omwille van de eer, een zeker risico. Het komt niet altijd tot eremoord, maar hun familie kan zich toch op een of andere manier wreken.
Het is bijgevolg heel belangrijk deze problematiek te bestuderen, maar spreekster is er niet van overtuigd dat dit door de wetgeving geregeld moet worden. Het is echter van essentieel belang dat erover gesproken wordt en dat het geduid wordt. Zelf heeft de senator lang in maatschappijen geleefd waar de bruid of de bruidegom gekozen wordt door de familie. In zo'n maatschappijen leren gehuwden gelukkig te zijn met elkaar. Dit is niet per definitie slechter dan hoe het in onze maatschappij verloopt.
Hetzelfde kan gezegd worden over vrouwenbesnijdenis : het is niet gemakkelijk daarmee te stoppen. Als een moeder weigert haar dochter te laten besnijden, dan hypothekeert ze meteen de positie van het meisje én van haar familie in de maatschappij.
Mevrouw Durant dankt professor Foblets voor haar uiteenzetting en voor de instrumenten die ze heeft aangereikt voor een beter begrip van het fenomeen van eremoorden. De manier waarop vrouwenrechten worden verworven, verloopt in diverse samenlevingen verschillend.
Wat maagdenvliesherstel en genitale verminking betreft, vestigt de senator de aandacht op het feit dat jonge vrouwen die in onze samenleving leven vaak een inwendige strijd leveren. Ze trachten hun oorspronkelijke cultuur te verzoenen met het leven van een jong meisje hier. Dat is de prijs die ze moeten betalen om een apart evenwicht te behouden.
Ondanks de instelling van een rechtsstaat blijven bepaalde culturele praktijken in verschillende landen voortbestaan. Zouden dergelijke zaken met de tijd in de plooi kunnen vallen door in te spelen op factoren als integratie en versterking van de oorspronkelijke cultuur ? Of moet men daarentegen extreem strikt zijn om de individuele waarden te beschermen ? Mevrouw Durant is van mening dat de strikte regel niet volstaat.
Mevrouw Hermans dankt professor Foblets voor haar duidelijke voorstelling van de realiteit, die onaanvaardbaar is in de westerse manier van denken. In de Belgische migratiepolitiek werd gezinshereniging altijd ondersteund, met als gevolg dat er subgemeenschappen ontstaan zijn. Daar heeft men geen vat meer op.
Spreekster weigert dit probleem zomaar te aanvaarden. De wetgeving lijkt niet echt een oplossing. Er moet wel op een ernstige manier over nagedacht worden. Hoe moeten we met dit probleem omgaan ? Hoe kan men dit soort gebeurtenissen veroordelen ?
Professor Foblets wil graag drie opmerkingen maken. In de eerste plaats moet er rekening worden gehouden met de globalisering : we hebben een deel soevereiniteit tegenover deze praktijken verloren. Door straffend op te treden, worden deze praktijken heel wat minder zichtbaar en controleerbaar. Bovendien kunnen meisjes naar het land van herkomst worden gestuurd om te worden besneden, om te worden uitgehuwelijkt, ... Er bestaan nog andere strategieën : de misdaad zou door een minderjarige kunnen worden gepleegd, ... De strategieën om de logica van de staat uit te schakelen zijn immers een realiteit.
In de tweede plaats dient men zich af te vragen hoe men dit fenomeen begeleidt. Men dient te vertrekken vanuit de drie functies van de overheid : het is noodzakelijk om uit te gaan van preventie via onderwijsprocessen; bovendien moet er worden gewerkt aan de begeleiding wanneer er een probleem rijst. Spreekster haalt het voorbeeld aan van jonge meisjes die hun familie ontvluchten en een toevluchtsoord zoeken. Het feit dat men buiten de familiale controle valt, maakt dit gedrag nog erger. De meisjes verliezen hun eer enkel en alleen omdat ze toevlucht zoeken in de beschermingssystemen die wij hebben ontworpen.
Ten derde dient men karig te zijn met sancties. Men mag zich niet tegen bepaalde culturen richten. Moord als misdaad bestaat reeds en kan streng worden bestraft. Door de motivering van een individuele straf kan men een boodschap verkondigen, zonder dat daarvoor een specifieke wetsbepaling nodig is.
Mevrouw de Bethune vraagt of er cijfers beschikbaar zijn over het aantal eremoorden in België en in onze buurlanden. Zowel mevrouw Waelput als de vorige minister van Justitie, mevrouw Onkelinx, beschikken niet over precieze cijfers voor België. Om het fenomeen in zijn diversiteit in kaart te brengen is het van belang een grondig onderzoek op te starten. Het gaat immers om een waaier aan elkaar verbonden problemen. Enkel op die manier kan men een beeld krijgen van de verschillende vormen van eergerelateerd geweld.
Welke elementen zouden zeker geïntegreerd moeten worden in een beleidsstrategie ? Waar kan men good practices verzamelen ?
Mevrouw Temmerman wijst erop dat preventie en educatie van essentieel belang zijn. Spreekster wenst in te gaan op de opmerking van mevrouw Sidibé in verband met de nomenclatuur die gebruikt wordt voor het herstel van het maagdenvlies. Er werd bewust gekozen voor een vage, verdoezelende omschrijving, omdat veel meisjes dit eerder wensen te verbergen. Als gynaecoloog heeft mevrouw Temmerman er in de laatste vijf jaar een honderdtal uitgevoerd. Er worden echter dikwijls ook gewoon maagdelijkheidscertificaten uitgeschreven. Veel meisjes worden immers niet meer geïnspecteerd door de familie.
De senator verwijst naar een good practice in Nederland. Daar is een « maagdenpil » beschikbaar : een vaginale zetpil die een bloedkleurstof bevat. Dokters leren de meisjes hoe ze deze pil kunnen gebruiken tijdens de eerste huwelijksnacht. Dankzij deze pil kan een operatie vermeden worden.
Bovendien vindt mevrouw Temmerman dat het onderzoek over de problematiek van de eremoorden zowel het aantal als de oorzaken ervan moet behandelen. Daarbij mag het belang van de broers niet verwaarloosd worden.
Mevrouw Zrihen wenst de aandacht te vestigen op de groep jonge meisjes die worden gedwongen tot een huwelijk met een echtgenoot die ze niet hebben gekozen. Door deze huwelijken, die vaak in het buitenland worden gesloten, krijgt de echtgenoot het recht om op het grondgebied te verblijven.
Voor vele meisjes is de grootste moeilijkheid dat ze zichzelf uit de gemeenschap uitsluiten, terwijl ze elders vaak geen enkel aanknopingspunt hebben. Hoe kunnen dergelijke situaties in onze samenleving nog bestaan ? Heeft ons onderwijs- en opleidingssysteem dan gefaald ?
De senator vraagt zich af of er geen essentieel werk dient te worden geleverd in de gezinnen waar de vaders vaak geen enkel uitgesproken sociaal of economisch bestaan leiden en waar de zonen hun zelfwaardering terugvinden in het behoud van bepaalde gemeenschapswaarden. Hoe kan men de cultuur van deze jongeren voldoende waarderen opdat zij er hun identiteit op kunnen bouwen en zij zich in onze samenleving kunnen doen gelden ?
Mevrouw Durant is van oordeel dat jonge vrouwen moeten worden beschermd, begeleid en gesteund — zelfs via listen zoals de zetpillen waarover mevrouw Temmerman heeft gesproken. Een ander aspect is preventie, die zich vooral op jonge mannen moet richten. Het probleem ligt immers bij de mislukkingen die ze op school of op de arbeidsmarkt te verduren hebben.
Spreekster merkt op dat men ook het internationale klimaat niet mag vergeten. Vandaag is immigratie totaal verschillend van wat ze in de jaren 60 was. Daarbij komt nog het belang van de islam sinds de aanslagen van 11 september 2001 in New York.
Wat gedwongen huwelijken betreft, aanvaarden sommige jonge vrouwen deze situatie, omdat het moeilijk is om zonder houvast buiten de gemeenschap te leven.
Senator Durant is tot slot van mening dat men bemiddelaars of culturele en niet-religieuze referenten moet vinden. In Vlaanderen bijvoorbeeld kunnen culturele organisaties subsidies aanvragen. In die organisaties kunnen we bemiddelaars vinden die kunnen helpen bepaalde misdaden te voorkomen en op te treden tegen bepaalde vormen van geweld.
Mevrouw Tilmans vraagt zich af hoe men de ouders kan bereiken die in tegenstelling tot hun schoolgaande kinderen slechts zeer weinig contact met onze samenleving hebben. Welke adequate oplossing zou men jonge meisjes in nood kunnen voorstellen ? We zouden hun meer moeten aanbieden dan enkel onderdak in een tehuis voor mishandelde vrouwen.
Mevrouw Sidibé legt ook de nadruk op onderwijs en informatie. De vereniging « Ni Putes Ni Soumises » heeft in november 2007 Le Guide du respect uitgebracht. Het gaat om een soort « eerstehulpkit » voor jongeren in scholen. De gids omvat drie delen : seksualiteit, verstikkende tradities en geweld. Praktische fiches geven aan tot wie men zich moet richten in geval van problemen en vragen.
Toch volstaat Le Guide du respect niet. Er moet pedagogische animatie aan te pas komen : in maart 2008 zal er een animatiekit klaar zijn. Er zullen in scholen opleidingen voor opleiders worden aangeboden. Bovendien zal er vanaf het begin van het schooljaar 2008 een dvd ter beschikking staan met getuigenissen van psychologen, advocaten, artsen en slachtoffers.
Spreekster benadrukt het belang van de alfabetiseringscentra, die echte oorden voor emancipatie zijn. Sommige vrouwen dragen nog steeds ideeën uit die in strijd zijn met de waarden die onze samenleving verdedigt. Via de alfabetiseringscentra en de centra voor permanente vorming kan men deze vrouwen bereiken en hen informeren over hun rechten en plichten.
Mevrouw Foblets wenst in te gaan op de vraag over de cijfergegevens. Hierbij stelt zich duidelijk een probleem : hoe vollediger men wil zijn in de definitie, hoe meer lacunes er zullen zijn in de data. Zelf heeft spreekster het vooral gehad over verschillende vormen van sociale druk op de vrouw, met gradaties in de gestrengheid. Eremoorden zijn een ultieme vorm. Wil men een volledig beeld krijgen van het probleem van eergerelateerd geweld, dan moet men ook de schijnhuwelijken erbij betrekken. Dit fenomeen is echter heel moeilijk in kaart te brengen.
Wat de aanpak van eergerelateerd geweld betreft, haalt professor Foblets het voorbeeld van huiselijk geweld aan. Elke vrouw maakt een kosten-batenanalyse van haar eigen situatie. Sommige vrouwen zijn minder geneigd dan anderen om op te komen voor hun eigen emancipatie. Die vrije keuze moet ook mogelijk blijven. Het is echter wel belangrijk voldoende te informeren. Vrouwen moeten weten dat er alternatieven bestaan en wat de « prijs » ervan is.
Tot slot wijst mevrouw Foblets erop dat eergerelateerd geweld weinig te maken heeft met religie, maar veel meer met culturele praktijken. In de Sharia bestaat hoogstens een verbod op het gemengde huwelijk; het feit dat de vrouw maagd moet zijn, staat er niet in. De piste van de interculturele bemiddelaars lijkt dan ook een veel betere oplossing. Belijders van één godsdienst met de vinger wijzen houdt het gevaar in dat zij zich nog meer geviseerd zullen voelen en zich bijgevolg zullen terugplooien op zichzelf.
Mevrouw Waelput meent dat het mogelijk is de ouders te bereiken via bekende referentiepersonen in de gemeenschap. In die optiek heeft zij tijdens haar uiteenzetting de imams aangehaald : aangezien religie een essentiële plaats in het leven van haar moslimstudenten inneemt, is de imam een referentiepersoon. Spreekster verklaart dat men ook op leken moet kunnen rekenen, maar dat die zeer moeilijk te vinden zijn.
Wat de uitwerking van statistieken betreft, geeft zij aan dat het zeer moeilijk zal zijn om over correcte cijfers te beschikken. Uit angst voor represailles durven jonge meisjes vaak niet over hun problemen praten. Anoniem lukt dit beter.
Wat maagdenvliesherstel betreft, wijzen jonge meisjes dit grotendeels af. Volgens hen moet er een wet worden ingevoerd die maagdenvliesherstel verbiedt. Zij vinden dat artsen die maagdenvliezen herstellen het fenomeen goedkeuren.
II.2. Hoorzittingen van 27 februari 2008
II.2.1. Uiteenzetting door de heer Claude Fontaine, directeur DGJ/DJP, directie van de bestrijding van de criminaliteit tegen personen, federale Politie
Teneinde de uiteenzettingen van de vertegenwoordigers van de federale Politie beter te begrijpen, situeert de heer Fontaine eerst de « Directie van de bestrijding van de criminaliteit tegen personen » in het organigram van de politie.
België heeft een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, het federale en het lokale niveau. De dienst bestuurd door hoofdcommissaris Fontaine maakt deel uit van de federale politie.
De federale politie heeft drie algemene directies, namelijk de algemene directie bestuurlijke politie, de algemene directie gerechtelijke politie en de algemene directie van de ondersteuning en het beheer. De heer Fontaine en zijn collega Van De Plas maken beiden deel uit van de algemene directie gerechtelijke politie.
De federale gerechtelijke politie bestaat uit directies en diensten op het centrale niveau en gerechtelijke directies per arrondissement. De commissarissen behoren beiden tot de centrale directies.
De heer Fontaine is directeur van de centrale directie gewijd aan de bestrijding van de criminaliteit tegen personen. Zijn directie telt vier diensten : de centrale dienst « Terrorisme en sekten », de centrale dienst « Drugs », de centrale dienst « Mensenhandel — Mensensmokkel » en de centrale dienst « Agressie ». De heer Marc Van De Plas is directeur van die dienst.
De dienst « Agressie » telt twee cellen : de cel « Vermiste personen » en de cel « Geweld tegen personen ». De materie die vandaag aan bod komt, is een bevoegdheid van de dienst « Geweld tegen personen ».
Vooraleer het woord te geven aan de heer Marc Van De Plas, die zal uitleggen hoe de Belgische politie de eremoorden aanpakt en enkele vergelijkende elementen zal geven over de politiepraktijken op het Europese niveau, verzekert de commissaris de senatoren dat zij dit onderwerp zo transparant mogelijk toelichten. Dat is hun eerste plicht als leden van een overheidsdienst, in casu de politie, hier aanwezig in het Paleis der Natie.
II.2.2. Uiteenzetting door de heer Marc Van De Plas, diensthoofd DJP/« Agressie », federale politie
De heer Marc Van De Plas merkt eerst op dat zijn uiteenzetting methodologisch niet goed is opgebouwd. Hij heeft slechts enkele maanden de tijd gehad om gegevens te verzamelen en zich in het buitenland in te lichten. Zijn uiteenzetting is gebaseerd op eigen vaststellingen en gesprekken met buitenlandse collega's.
We kunnen eremoord kort definiëren als volgt : eremoord is de meest extreme vorm van eerherstel, dat ontstaat na een schennis van de eer in familieverband. Het gaat dus om de eer van de familie, die in sommige culturen zeer belangrijk blijkt te zijn. Voorbeelden zijn : zich niet houden aan de regels van de eigen cultuur, zich te westers gedragen; een relatie aangaan met een Belg zonder toestemming; een zwangerschap; een verkrachting die de eer schendt.
Belgische cijfers in verband met eremoord zijn moeilijk te vinden. In onze databanken werd tot nu toe geen specifieke vermelding gemaakt van eremoord. Intussen werd het gegeven « familiaal » en « extrafamiliaal » ingevoerd. Dat was onvoldoende om exacte cijfers over eremoord te krijgen. Daarom heeft de heer Van De Plas een korte rondvraag gedaan via de informatiekruispunten. Dat gaf als resultaat 17 gevallen van eremoord in de voorbije vijf jaar. Die informatie is afkomstig van de lokale en de federale politie, maar de cijfers zijn niet volledig betrouwbaar.
De landen van oorsprong van de families waarin die moorden gebeurden zijn onder andere Marokko, Algerije, Kosovo, Albanië, Turkije — meer bepaald het oosten van Turkije —, Afghanistan, Pakistan en India. De slachtoffers waren vooral maar niet uitsluitend vrouwen.
Het verband met de islam is niet duidelijk : in twee gevallen betrof het Assyrische christenen, uit Pakistan.
De commissaris geeft enkele concrete voorbeelden van eremoord.
Het eerste voorbeeld betreft een dochter uit een allochtoon gezin die een relatie heeft met een Belg, hetgeen reeds voldoende is om de eer van de familie te schenden. Wanneer ze zwanger wordt, beseft ze zelf in welke penibele toestand ze zich bevindt. Ze verbergt haar zwangerschap voor haar familie, maar na ongeveer zes maanden, krijgt de moeder vermoedens. Ze stuurt haar, samen met haar oudste dochter die verpleegster is, naar een ziekenhuis. De oudste dochter en de dokter die het potentieel slachtoffer onderzoekt, beseffen de ernst van de zaak en zoeken samen een oplossing om de zwangerschap te blijven verbergen en om het kind na de bevalling af te staan aan een vriendin van de dochter. Dat geschiedt, maar enkele maanden later ontdekt de familie de ware toedracht.
Tijdens een familieberaad wordt beslist dat de dochter gedood moet worden. Een zestal familieleden bevinden zich in de keuken, terwijl de oudste zoon van de familie met zijn zus naar de kelder gaat en haar probeert te vermoorden met een mes. Het slachtoffer krijgt een tiental messteken, maar leeft nog. De broer gaat — via de keuken, waar de andere familieleden zitten — met zijn bebloede zus naar de auto, waar hij haar wurgt. Hij dumpt het lichaam langs de autosnelweg.
We hebben ons toegespitst op eremoord, maar eigenlijk is dat een te beperkt uitgangspunt.
In een tweede voorbeeld wordt een meisje na jaren van bedreiging onder druk uitgehuwelijkt. Ze geeft toe en keert terug naar het land van oorsprong om er te huwen met iemand van eigen volk. Ze raakt zwanger en overtuigt de lokale familie ervan om haar in België te laten bevallen. De man die alleen godsdienstig gehuwd is, komt mee naar België, maar kan hier niet onbeperkt verblijven en moet na verloop van tijd terugkeren naar het land van oorsprong. Het kind wordt in België geboren en reist een aantal keer op en af naar het land van oorsprong van de familie. Uiteindelijk houdt de familie het kind in het land van oorsprong en verbergt het daar. Dat is de toestand tot op vandaag.
Een derde voorbeeld is dat van een meisje dat zich te westers gedroeg, bijvoorbeeld door naar de markt te gaan en met de wagen te rijden. Dat was blijkbaar onaanvaardbaar. Uiteindelijk kreeg ze zes kogels door de benen geschoten.
Een ander voorbeeld is dat van een jonge broer die het oneens is met het autoritaire optreden van oudere broers en de verdediging opneemt van zijn zussen. Uiteindelijk wordt hij aangepakt door de oudere broers. De heer Van De Plas noemt dat het « lesje leren ». Het doet er niet toe of het om een vrouw of een man gaat.
Uit deze voorbeelden blijkt dat mannen blijkbaar alles mogen, ook op het vlak van relaties, en dat het vaak criminele milieus betreft. De meisjes worden zeer kort gehouden.
Deze vaststellingen betreffen hoofdzakelijk Belgische dossiers, maar zijn ook aangevuld met treffend gelijklopende feiten die de politie van buitenlandse collega's heeft vernomen.
De heer Van De Plas somt een eerste reeks vaststellingen op, waaruit blijkt dat eremoord slechts het topje van de ijsberg is. In de meeste dossiers stelt men vast dat een jarenlange historiek van geweld aan de eremoord voorafgaat. Vaak gaat het over een periode van tien jaar. Het merendeel van de feiten betreft echter bedreiging en geweldpleging, slagen en verwondingen.
De feiten spelen zich meestal af in gesloten allochtone gemeenschappen waarin een sterke interne sociale druk bestaat en waarin veel angst heerst. Door de geslotenheid van die gemeenschappen bestaat er wellicht een enorm dark number, niet zozeer voor moord, maar wel voor alle soorten van geweldpleging.
Er bestaat een rechtstreeks verband met de problematiek van het uithuwelijken en van ontvoeringen, maar ook met zelfmoord.
In een tweede reeks vaststellingen ziet commissaris Van De Plas dat we ons niet mogen beperken tot het schema « vrouwelijke slachtoffers, mannelijke daders ». In de meerderheid van de gevallen geldt dat wel, maar er bestaan ook vrouwelijk daders en zeer dikwijls vrouwelijke medeplichtigen, bijvoorbeeld de moeder van het gezin die het volkomen eens is met de finale beslissing of zelfs de drijvende kracht is.
Het is niet zo dat vrouwelijk mededaderschap of vrouwelijke medeplichtigheid is ingegeven door angst of sociale druk, maar wel door de overtuiging dat bepaalde regels eigen zijn aan de cultuur.
Het is niet eenvoudig om het fenomeen strikt af te bakenen van andere problematieken. In een paar dossiers kwam eremoord duidelijk naar voren als een excuus voor een afrekening in een crimineel milieu.
Soms bestaat er ook een duidelijk verband met klassieke familiale drama's die we ook in onze westerse cultuur kennen, zoals de betrapping van een partner met een derde persoon.
De politie stelt ook vast dat het geweld escaleert. Twee tendensen tekenen zich duidelijk af : het rechtstreekse slachtoffer, de zwangere dochter, wordt finaal vermoord, maar ook alle medeplichtigen van het slachtoffer worden bedreigd : de zus die geholpen heeft, de vriendin die haar verborgen heeft.
In een derde reeks vaststellingen vermeldt de heer Van De Plas ten eerste het recht van de sterkste. Bij een recente eremoord in Londen werd een vader als familiehoofd afgezet wegens te zwakke opstelling ten aanzien van de dochter. De oom heeft zijn plaats als familiehoofd ingenomen en is direct opgetreden tegen de dochter van zijn broer.
In vele dossiers zijn er ook signalen van racisme en seksisme. Zo kan er racisme zijn vanwege bepaalde leden van een allochtoon milieu ten opzichte van Belgen. Een verhouding met een Belg is al een schande op zich. Er is duidelijk ook sprake van racisme ten opzichte van de zwarte bevolking.
Het rolpatroon tussen man en vrouw is duidelijk verschillend in bepaalde culturen. Daders beschouwen de slachtoffers nogal eens als een object. Het woord « hoer » komt geregeld voor.
Voorts heeft de politie ook enkele vaststellingen gedaan op medisch-sociaal en politioneel gebied.
Op medisch-sociaal gebied heeft zij enkele, zij het geen diepgaande, contacten gehad. Ze stelt vast dat veel hulpverleners zich in een bijzonder moeilijk parket bevinden. Ze willen het potentiële slachtoffer helpen, maar dat is niet evident. Zo hebben ze soms de indruk dat het slachtoffer niet altijd geholpen wil worden. De band met de familie blijft zeer sterk. Een opvangtehuis ziet bijvoorbeeld na enkele maanden dat het meisje teruggaat naar de familie of met de familie contacten blijft onderhouden en verraadt waar ze zich bevindt. De heer Van De Plas verwijst hiervoor naar een recent geval in Charleroi.
Bovendien wordt de geneesheer soms medeplichtig in een complot vanwege het slachtoffer. Dat vereenvoudigt de zaken niet.
Er wordt vaak vastgesteld dat de opgevangen potentiële slachtoffers terug naar hun familie gaan. Vaak valt het contact weg. De slachtoffers verdwijnen of de zaak eindigt in moord.
Wat de vaststellingen op politioneel vlak betreft, heeft de politie voor de 17 dossiers die ze verzameld heeft verdachten gevonden. Dat is dus niet zozeer een probleem, maar er zijn er andere.
Het is, ten eerste, niet eenvoudig om de aangiften nauwkeurig in te schatten. Het gebeurt dat een meisje, dat een verhouding heeft die door de familie niet wordt goedgekeurd, zich uiteindelijk zo in het nauw gedreven voelt dat ze aangifte doet van verkrachting door haar vriend. Daarmee brengt ze zichzelf wel voor een tijd in veiligheid, maar haar vriend komt zo in de problemen.
Een ander voorbeeld uit het buitenland. Een familie doet aangifte van de verdwijning van een meisje, terwijl het meisje eigenlijk gevlucht is uit de familie. Ze schakelen de politie in om het meisje terug te vinden.
Een tweede aspect is de betrokkenheid van meerdere familieleden. Het gaat hier niet om één slachtoffer en één dader, maar om een slachtoffer en een hele clan die reageert op eerschennis. Er zijn dossiers gekend met tientallen medeplichtigen.
Het derde aspect is de zwijgplicht. Veel verdachten ontkennen alles. Familieleden die op de hoogte zijn zwijgen, bijvoorbeeld uit angst.
Ook de taal vormt een probleem en het is niet evident om een tolk te vinden.
Bovendien verloopt de internationale politionele samenwerking vaak problematisch. Veel Belgische onderzoekers, die bijvoorbeeld een echtgenoot of ontvoerde persoon willen terugvinden in het buitenland, stoten soms op een gebrek aan samenwerking met de lokale politie die vaak de indruk geeft niet zo zwaar aan het probleem te tillen.
De politie heeft enkele oorzaken van het probleem kunnen definiëren. De heer Van De Plas baseert zich vooral op gesprekken met Nederlandse collega's en het boek dat Janine Janssen in 2006 daarover heeft geschreven (1) .
Het belang van de eer is in sommige culturen groter dan in onze westerse cultuur. In sommige culturen is er een frappant verschil in rolpatronen tussen man en vrouw. Soms moeten de zonen de eer van hun zussen bewaken.
Een derde aspect is het machismo. Het heeft niets met godsdienstige aspecten te maken, maar is gewoon te situeren in de mediterrane cultuur. Sommige daders zijn zelfs bezeten om zoveel mogelijk relaties aan te gaan maar treden tegelijk autoritair en zeer agressief op.
Als mogelijke oorzaak ziet de heer Van De Plas ook een sterke koppeling met de sociaal-economische achterstand. Hoe geringer de maatschappelijke status, hoe belangrijker de eer wordt. Soms blijft enkel die eer over. Verder vermeldt hij de gebrekkige integratie en de gesloten gemeenschappen waarbinnen de zaken intern worden geregeld.
Bij een tweede reeks oorzaken vermeldt de commissaris de perceptie van een gebrekkig rechtssysteem. Dat is een eigen vaststelling op basis van de dossiers die hij heeft gezien. Dikwijls hadden die te maken met daders of verdachten die andere criminele feiten hadden gepleegd en die een perceptie huldigen van « wij mogen dat hier toch ». Daarnaast is er een misbruik van de Koran. Specialisten zeggen dat de Koran bepaalt dat wie een mens doodt, de mensheid doodt. Familieberaad, eerwraak zijn geen principes die in de Koran zijn terug te vinden. Wel schrijft de Koran voor mannen én vrouwen honderd zweepslagen voor bij ontucht.
In Nederland werd vastgesteld dat jongere generaties allochtonen wel de cultuur en de principes van de familie overnemen, ook al betreft het een derde of vierde generatie, maar dat ze minder geneigd zijn tot overleg. Ze gaan sneller over tot geweld. Men heeft getracht het proces in kaart te brengen. Het begint met een eerschennis, zoals het aangaan van een relatie of het zich niet houden aan de regels van de familie. Dan volgen een aantal interventies van het hoofd van de familie om die eerschennis te herstellen. Het belangrijkste element daarbij is de externe perceptie van de eer van de familie. Een tweede element is hoe het slachtoffer op die pogingen tot eerherstel reageert. Dat kan tot eremoord leiden, maar in veel gevallen leidt de procedure tot verzoening, verstoting, uithuwelijking enzovoort.
In Nederland werden een aantal voorwaarden van aanpak vastgelegd. In België en de meeste Europese landen bestaat zoiets momenteel niet. De Engelsen staan daarin een stap verder. Maar enkel de Nederlanders beschikken over een volledig preventie- en repressiebeleid.
Eerst en vooral kan worden gediscussieerd over het belang van de problematiek aangezien het « maar » over 17 moorden op vijf jaar gaat. Sommige mensen reageren op die manier. Het gaat echter niet enkel over moord. Het gaat zelfs in hoofdzaak over andere misdrijven : bedreigingen en geweld waarvan we geen kennis hebben. Het gaat over de onvrijheid van de vrouw en een rolpatroon dat volledig verschilt van dat van onze westerse cultuur. Er zijn ook gevallen van zelfmoord waarvan we niets weten.
Uit de analyse van die 17 dossiers blijkt dat tientallen criminele feiten de uiteindelijke moord voorafgaan. Nederland vreest dat het aantal moorden in de toekomst nog zal toenemen. De heer Van De Plas denkt dat het aantal in de nabije toekomst problematisch zal blijven. Dat kan men afleiden uit de instroom van allochtonen in België.
Een effectieve aanpak is heel belangrijk. Als potentiële slachtoffers vaststellen dat hun aangifte niet ernstig wordt genomen of dat ze twee maanden nadien met dezelfde problemen geconfronteerd worden, daalt de aangiftebereidheid. Aanpakken is het belangrijkste signaal dat we kunnen geven. Een effectieve aanpak werkt ook ontradend ten opzichte van toekomstige daders. De commissaris pleit dus niet voor een softe aanpak. Drastische repressie is belangrijk, maar tegelijk moet er ook worden nagedacht over efficiënte communicatie zodat signalen in de toekomst beter worden opgevangen.
De problematiek vereist ook een inzicht in de achtergronden. Twee maanden geleden had de politie er absoluut geen idee van dat het om meer ging dan een moord. Intussen is het proces veel complexer geworden. Op het ogenblik bestaat er weinig beeldvorming over eremoorden en de feiten daaromtrent. De manschappen zijn daar niet specifiek voor opgeleid. Op het ogenblik wordt een moord in een Pakistaans milieu behandeld op dezelfde wijze als een moord in een Belgisch milieu. Puur repressief gezien wordt in eremoorddossiers kwalitatief goed werk geleverd, maar men zou eigenlijk meer kunnen doen.
Op het gebied van expertise en steun is in Nederland in de regio Haaglanden een expertencel uitgebouwd die steun verleent aan alle regio's van het land.
Wat het uitbouwen van netwerken betreft, kan op internationaal vlak de samenwerking worden verbeterd. Op nationaal vlak kunnen we een betere samenwerking bereiken door een betere informatiedoorstroming tussen de sociale sector en de justitiële sector. In het dossier kindermishandeling bijvoorbeeld heeft het college van procureurs-generaal onlangs een richtlijn opgesteld en zal een project worden uitgewerkt, waarschijnlijk in Antwerpen, om de informatiedoorstroming te verbeteren. Op lokaal vlak werd een intensievere dialoog tot stand gebracht met de lokale allochtone gemeenschappen, wat voor de politie een zeer positieve ervaring was. Daarnaast vermeldt de heer Van De Plas ook nog de medische sector, de psychosociale sector die preventief nuttige informatie kunnen doorgeven en de gemeentelijke administratie die dikwijls via het OCMW bepaalde zaken kan vaststellen.
Bij de voorwaarden van aanpak vermeldt de commissaris nog de systematische aanpak. Eremoorden moeten worden beschouwd binnen een sociaal systeem. Bij de diagnose zouden we de problematiek moeten kunnen situeren op een schaal van eerschending om te weten of we ons in het begin van een dreiging bevinden dan wel in een eindfase met moord als mogelijk gevolg. Voor de aanpak denkt hij ook aan protocollen van samenwerking en informatiedoorstroming.
In het kader van een aangepaste politionele aanpak vermeldt de heer Van De Plas allereerst een betere herkenning van erezaken. Het gebeurt nog te vaak dat de aangifte van een meisje niet ernstig wordt genomen omdat men denkt dat ze haar verhaal fantaseert.
Ten tweede denkt hij dat de informatieverzameling rekening moet houden met de problematiek van gesloten gemeenschappen en de sociale druk.
Bij een plan van aanpak moet men ook aangepast reageren. Als een interventieploeg met zwaailichten ter plaatse komt, wordt de eer in het lokale milieu nog meer geschonden. Dat betekent natuurlijk niet dat niet moet worden opgetreden, integendeel.
Bemiddeling is een vierde hulpmiddel. Als de politie of een derde persoon die aanzien heeft in de gemeenschap, de familie benadert, kan worden voorkomen dat de toestand uit de hand loopt en zal de familie misschien nadenken over een alternatief.
Bij de aangepaste aanpak vermeldt de commissaris ten slotte nog de verhoren, waarmee politioneel problemen bestaan, en de deskundigenopbouw, waaraan in twee landen gewerkt wordt.
II.2.3. Uiteenzetting door de heer Filip Jodts, afgevaardigde Beleidscel Justitie, FOD Justitie
De heer Jodts dankt de federale Politie voor de korte analyse en de krachtdadige synthese van het verschijnsel van eremoorden.
Zelf stond hij versteld toen hij in het verslag las dat de voorbije vijf jaar 17 eremoorden of moordpogingen werden gepleegd. Dat is drie per jaar en dus één om de vier maanden. De cijfers voor slagen in het kader van intrafamiliaal geweld zijn echter nog veel hoger. We mogen ons bijgevolg niet alleen fixeren op de moorden en moordpogingen, maar ook op de geweldplegingen uit wraak binnen een gezin.
De circulaires COL 3/2006 en COL 4/2006 regelen de aanpak van intrafamiliaal geweld tussen politiediensten en Justitie. Het zijn de politiediensten die in eerste instantie het probleem moeten detecteren. Justitie moet echter een passend gevolg geven aan de vaststellingen van de politie.
De heer Jodts meent dat een nieuw wetgevend initiatief niet nodig is. Momenteel wordt een groot aantal misdrijven omschreven in het Strafwetboek. De strafrechter, zijnde de correctionele rechter of het Assisenhof, moet de passende straf opleggen rekening houdend met de omstandigheden. De rechter kan perfect oordelen of het geweld dat al jaren plaatsvond binnen een gezin en uiteindelijk leidde tot een moord, zwaarder moet worden gestraft dan een misdrijf dat zich op korte tijd voltrok. Justitie beschikt over een afdoend arsenaal van kwalificaties en strafmaten om doeltreffend op te treden.
Twee artikelen in het Strafwetboek hebben rechtstreeks betrekking op de problematiek. Het recente artikel 391sexies stelt de aanzetting tot en de medewerking aan een gedwongen huwelijk strafbaar. Het gedwongen huwelijk zelf is vanzelfsprekend nietig, maar ook wie iemand tot een gedwongen huwelijk dwingt is strafbaar. Artikel 409 stelt de genitale verminking strafbaar, alhoewel die problematiek niet rechtstreeks verbonden is aan de eremoorden.
Zeker in de statistieken moet het probleem van de eremoorden nauwkeuriger worden opgevolgd. De preventiecodes die in de processen-verbaal worden gebruikt, moeten misschien nog verder worden opgesplitst teneinde politie en Justitie nog beter te sturen. Spreker denkt echter niet dat een wetgevend initiatief noodzakelijk is.
II.2.4. Uiteenzetting door de heer Paul Van Tighelt, adjunct-directeur van de Cel Beleidsvoorbereiding, adviseur Integrale Veiligheid, FOD Binnenlandse Zaken
De heer Van Tighelt sluit zich aan bij de vorige sprekers. De vertegenwoordigers van de federale Politie hebben duidelijk aangegeven dat het probleem van de eremoorden een prioriteit is. Natuurlijk moet rekening worden gehouden met bepaalde obstakels zoals de geslotenheid van het milieu.
Bovendien zijn er de initiatieven van het college van procureurs-generaal ter bestrijding van het intrafamiliale geweld. Die vorm van geweld is ook expliciet als prioriteit opgenomen in het Nationaal Veiligheidsplan dat de regering op 1 februari 2008 heeft goedgekeurd. In bepaalde arrondissementen bestonden reeds zeer goede initiatieven, maar nu zullen alle parketten en politiediensten zorgen voor een goede opvang van de slachtoffers, een goede begeleiding, een adequate gerechtelijke aanpak, enzovoort.
De aangiftebereidheid blijft van cruciaal belang. Politie en Justitie kunnen niet in onze huiskamers kijken. Men stelt vast dat in bepaalde gemeenschappen het taboe rond intrafamiliaal geweld langzaam wordt doorbroken. Er wordt meer dan vroeger aangifte gedaan. Binnen de allochtone gemeenschap blijft het probleem echter nog een taboe. Er moeten dus inspanningen worden gedaan.
Politie en Justitie hebben op dit domein een beperkte, repressieve opdracht. Zij treden pas op als een misdrijf is gepleegd. Eremoorden zijn in eerste instantie een cultureel probleem. In bepaalde culturen bestaat de talio, het vergeldingsrecht, nog altijd. Als democratische samenleving kunnen we echter niet aanvaarden dat die praktijken ook hier worden toegepast.
Politie en Justitie kunnen met een strenge, repressieve aanpak, een vervolging en een veroordeling wel een signaal geven, maar we kunnen van hen niet alle heil verwachten. Het is een kwestie van lange adem, van integratie en dialoog met de allochtone gemeenschappen. We moeten duidelijke grenzen stellen : gelijkheid van man en vrouw en de fysieke integriteit van elke medeburger zijn voor onze samenleving wezenlijke waarden en we aanvaarden niet dat men het recht in eigen handen neemt.
Het Nationaal Veiligheidsplan besteedt dus de nodige aandacht aan het intrafamiliaal geweld. Sinds de politiehervorming is de politie performanter en slagkrachtiger geworden. Dat geldt vooral voor de recherchecapaciteit, maar we moeten hierin blijven investeren.
II.2.5. Gedachtewisseling
Mevrouw Hermans dankt de sprekers voor hun bijzonder duidelijke toelichting.
Het verheugt haar dat de minister van Binnenlandse Zaken het probleem van het intrafamiliaal geweld eindelijk prioritair op de agenda plaatst. In België vallen er immers meer doden ingevolge intrafamiliaal geweld dan in het verkeer.
De senator vraagt zich toch af waarom Justitie eremoord niet erkent als een aparte categorie. Is dat een bewuste keuze ? Volgens de vertegenwoordiger van de minister van Justitie bestaan er voldoende rechtsmiddelen om dit soort van geweld te bestraffen, maar wordt nadien ook aan remediëring of opvang gedaan ?
Het doet mevrouw Hermans genoegen te weten dat de politie zich bewust is van de problematiek. Ze zou graag vernemen of de politie er voorstander van is eremoord als een aparte vorm van intrafamiliaal geweld te bestraffen.
De heer Coveliers vraagt zich af of het noodzakelijk is het begrip eremoord specifiek in het Strafwetboek op te nemen. Hij zou ook graag vernemen of het voorvoegsel « ere » dan een verzachtende of een verzwarende omstandigheid is. Zelf is hij van oordeel dat een eremoord een racistisch ingegeven daad is en dus als een verzwarende omstandigheid moet worden beschouwd.
Zal de politie de recherche en het rechercheplan aanpassen aan de kwalificatie « eremoord » ? In zijn uiteenzetting verklaarde de heer Van De Plas dat de eer van iemand nog meer beschadigd wordt als de lokale politie met zwaailichten ter plaatse komt. Wanneer om zes uur 's morgens bij iemand een huiszoeking wordt gedaan, met de televisie erbij, dan is de eer ook geschonden. Moet er wel een speciale aanpak zijn bij eremoorden ?
Terecht is opgemerkt dat het dark number in deze materie bijzonder groot moet zijn. Alles speelt zich immers af in een erg gesloten milieu. Het slachtoffer kampt waarschijnlijk al met een enorm schuldgevoel en moet dan aangifte doen in een maatschappij die door haar familie wordt verworpen en waarvan alvast de norm van het recht op fysieke integriteit niet wordt nageleefd. De heer Coveliers herinnert zich dat het korps Haaglanden in het tijdschrift Justitiële verkenningen ooit schreef dat het normale dark number bij gemene misdrijven op 25 % wordt geschat, maar bij eremoorden op 75 %. Hoe realistisch is die schatting ? Indien ze juist is, dan hebben we niet met zeventien gevallen te maken, maar waarschijnlijk met een dertigtal.
De senator wenst een vraag te stellen aan de heer Jodts. Hij zei dat er geen nood is aan een aangepaste wetgeving. Impliceert dit dat in het voorbeeld van de heer Van De Plas over het familieberaad op basis van artikel 66 van het Wetboek van strafvordering en recente arresten van bepaalde hoven van beroep, alle leden van die familie mededaders zijn ? Is het wettelijk arsenaal daarvoor voldoende ? Persoonlijk denkt de heer Coveliers van wel, maar hij weet dat bepaalde rechtbanken in dit geval nogal terughoudend zijn om het louter niet verhinderen van een misdrijf als mededaderschap te beoordelen.
Terecht is verwezen naar het feit dat het telkens gaat om misdaden met een racistische inslag. Hoeveel keer heeft het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding zich in die 17 bekende gevallen gemengd ? Heeft het zich burgerlijke partij gesteld, op de zitting een schadevergoeding gevraagd en even veel herrie gemaakt als in andere procedures ?
Mevrouw Tindemans heeft dezelfde vraag als de heer Coveliers : bij een eremoord is de moordenaar nooit de enige schuldige. Ze vindt het dan ook heel belangrijk dat ten minste het sein wordt gegeven dat de hele familie en misschien ook anderen als mogelijke mededaders en zeker als medeplichtigen worden aangezien.
Haar tweede vraag richt ze tot de politie. Is het niet mogelijk om op plaatsen waar het risico op dergelijke moorden groter is, een nauwere en structurele samenwerking uit te bouwen tussen wijkwerkers, sociale werkers en politie ? Heel wat vrouwen en meisjes durven immers zelf de stap naar de politie niet te zetten, maar durven er wel over praten met een wijkwerker of sociaal assistent. Hun verhaal kan dan via deze mensen bij de politie terechtkomen.
Wat betreft de opvolging van de dader na de veroordeling, wijst de heer Jodts erop dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor de begeleiding van daders in de gevangenissen. Strafbemiddeling is na de veroordeling nog altijd mogelijk, op verzoek van alle partijen. Het betreft hier een mogelijkheid, maar in dit geval zou dat weinig zoden aan de dijk brengen. Het gaat hier immers om mensen die uit wraak zijn vermoord.
Zoals de heer Coveliers al opmerkte, is de heer Jodts eveneens de mening toegedaan dat het woord « ere » juridisch heel moeilijk te definiëren zal zijn. Het zou ook te beperkend werken in de toepassing van het artikel. Nu kan een rechter volledig oordelen over de omstandigheden van een feit. Als dit in een wet wordt vervat, moet de rechter oordelen over het feit of het artikel al dan niet van toepassing is. Als het artikel niet van toepassing is, moet hij terugvallen op een ander artikel, wat dan een lichtere straf tot gevolg kan hebben. Het zou dus niet wijs zijn om aan het Strafwetboek te sleutelen.
De heer Van De Plas denkt niet dat eremoord apart moet worden behandeld. Op jaarbasis worden in België 200 moorden gepleegd. Die kunnen in subtypen worden opgesplitst. Een familiedrama, iemand die bijvoorbeeld zijn echtgenote en drie kinderen vermoordt en nadien zelfmoord pleegt, is qua zwaarte van de feiten gelijkaardig. Dat zou dan ook apart moeten worden behandeld. Zo zijn er tientallen subfenomenen. Dat men prioriteit geeft aan moord, is op zich al een goede zaak. We moeten in de eerste plaats voor een goede beeldvorming zorgen. De politie pleit dus niet voor een aparte behandeling, maar wel voor een goede informatiedoorstroming.
Moeten we het rechercheplan wijzigen ? In eerste instantie moet degene die in een familieconflict tussenbeide komt, bewust nadenken over hoe hij het beste intervenieert. Moet hij met zwaailichten komen of kan hij op een andere manier een beter resultaat bekomen ? Het optreden moet uiteraard altijd repressief zijn, want het gaat om een misdrijf.
Bij de samenwerking met de sociale sector en de medische sector en met de administraties rijst een juridisch probleem inzake uitwisseling van informatie, beroepsgeheim en dergelijke meer. Men moet aan dit aspect aandacht besteden, want het is een steeds weerkerend en ruimer probleem dan de eremoord.
Commissaris Van De Plas wijst erop dat het dark number bij bedreigingen en geweld dat aan een moord voorafgaat veel groter is dan bij moord. We hebben daar echter geen zicht op en dat heeft te maken met de aangiftebereidheid.
Wat betreft de vormen van structurele samenwerking, is het werk van de politie in de wijken, onder andere op sociaal vlak, één van de essentiële punten die we moeten onthouden uit deze hoorzitting.
De heer Van Tighelt treedt commissaris Van De Plas bij : het sociale optreden van de politie is inderdaad zeer relevant. De politie heeft een repressieve rol, maar ook een preventieve rol; we spreken dan over community policy. De wijkagent kan vele problemen voorkomen en oplossen. Hij heeft niet enkel als taak PV's op te stellen, maar moet oren en ogen openhouden om problemen op te sporen. Hij moet trachten vertrouwen te winnen. Die mogelijkheid blijft evenwel beperkt want sommige mensen leven in isolement en komen niet buiten. Het komt er vooral op aan die mensen uit hun isolement te halen, en dat heeft opnieuw te maken met integratie. Toch is de preventieve rol van de wijkagent en de politie in het algemeen essentieel. Het is een fundamenteel principe van de werking van de politie. Het blijft overigens niet bij een mooi geformuleerd principe; in de dagelijkse praktijk wordt dat principe toegepast.
De heer Fontaine heeft in de door de politie bestudeerde dossiers inderdaad vastgesteld dat de wijkagent, een belangrijke schakel in het politieoptreden, na overweging vaak van oordeel was dat er voortekenen waren voor de misdrijven. In het kader van het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011, dat het prioritaire karakter van het intrafamiliale geweld vastlegt, wil de politie systematisch de aandacht vestigen op die voortekenen.
De heer Coveliers wijst op het probleem dat de wijkagenten in de grote steden geen kanaal hebben om problemen te signaleren. Er zijn wijkvergaderingen, waarop de commissaris de algemene toestand van de wijk bespreekt met de bewoners. Daarop mogen geen individuele gevallen worden besproken, want het zijn openbare vergaderingen. De wijkcommissaris in grote steden aarzelt vaak om bepaalde problemen te rapporteren uit vrees als racist te worden bestempeld. Er is geen kanaal tussen het wijkteam en de recherche. Als er iets gebeurd is, zeggen de agenten vaak achteraf dat ze een probleem hadden vermoed. Op die manier kan een probleem nooit doorstromen naar de recherche.
Bij de besprekingen rond de politiehervorming kwam destijds het probleem aan bod dat de recherche doof en stom wordt door een gebrek aan contact met de lokale politie. Hoe kan de lokale politie problemen signaleren als bijvoorbeeld de lokale commissaris het signaleren van problemen tegenhoudt ?
De heer Fontaine meent dat er verscheidene communicatiekanalen tussen de twee niveaus van de geïntegreerde politie bestaan en zeker in dergelijke situaties. Er werden verbindingsambtenaren tussen de federale politie en de lokale politiekorpsen voorzien. De wijkagent kan met zijn waarnemingen terecht bij die verbindingsambtenaren.
Voor de meer specifieke situaties is er in elk arrondissement een arrondissementeel rechercheoverleg, waarin de twee structuren van de geïntegreerde politie en de gerechtelijke overheden vertegenwoordigd zijn.
De politie zal de wijkagenten bij de concretisering van het Nationaal Veiligheidsplan duidelijk maken dat elke informatie zin heeft. Als ze het gevoel hebben dat een situatie problematisch is, moeten ze dat melden bij de korpschef van de lokale politie, die deel uitmaakt van het rechercheoverleg en in contact is met de gerechtelijke overheden en de verbindingsambtenaren van de federale recherche. Er zijn dus wel degelijk kanalen.
We moeten de agenten dus op het hart drukken dat ze die informatie niet mogen onderschatten, maar dat ze er moeten over spreken zodat er gevolg aan kan worden gegeven. Ons bijzonder compleet strafrecht biedt ons de mogelijkheid om zowel de voorbereidende handelingen als de zwaarste daad, in dit geval moord, te vervolgen. Er zijn echter ook procedures voor de informatie-uitwisseling. Op dat vlak maakt de heer Fontaine zich geen zorgen.
De voorzitter vraagt hoe jonge vrouwen beschermd kunnen worden eens men er zich van bewust is dat er een probleem is. Het is inderdaad onmogelijk naast elke persoon in moeilijkheden een agent te plaatsen. De meisjes kunnen worden bijeengebracht in vzw's waar ze met elkaar kunnen spreken over hun problemen. Is dat voldoende ? De jonge vrouw blijft immers bijzonder kwetsbaar en onderhoudt misschien nog altijd contacten met haar familie.
Hoe moet die situatie trouwens op lange termijn worden aangepakt ? Het integratieprobleem werd reeds aangekaart. Aangezien het hier om een cultureel probleem gaat, moeten we ons afvragen hoe die meisjes beter kunnen worden geïntegreerd ? Mochten ze beter geïntegreerd zijn, dan zou het probleem misschien al voor een deel opgelost zijn. Naast de ouders zijn er echter ook nog de broers wier toekomst soms onzeker is — ze zijn bijvoorbeeld werkloos — en die zich achter « de eer » verschuilen om zich te laten gelden. Op welke manier kan op korte en lange termijn bescherming worden geboden ?
Wat de bescherming van de personen betreft, meent de heer Fontaine dat in de eerste plaats een onderscheid moet worden gemaakt tussen een minderjarig en een meerderjarig slachtoffer. Voor de minderjarigen hebben we instanties die beschermingsmaatregelen kunnen nemen in het belang van de slachtoffers.
De situatie wordt ingewikkelder als het gaat om meerderjarige slachtoffers of personen die bedreigd worden. In het geval van Charleroi werd het slachtoffer verzekerd dat ze niet bang moest zijn om naar haar familie terug te keren en dat het probleem geregeld was. Op dezelfde dag is het drama gebeurd. We kunnen een meerderjarige niet zeggen waar hij moet gaan en staan.
Bovendien moet er absoluut een tussenpersoon zijn tussen het slachtoffer en de diensten waar ze de bedreigingen die tegenover haar geuit zijn, kan melden. We kunnen in het drama van Charleroi alleen maar vaststellen dat het onderwijzend personeel op een buitengewone manier is opgetreden.
De heer Van De Plas wijst erop dat het probleem van informatiedoorstroming zich tussen de sociale en de justitiële sector situeert en niet zozeer intern bij de politie. Op het ogenblik dat we een misdaad vaststellen, zijn we reeds te laat.
De globale discussie over de oplossing op termijn begint met een zeer gemakkelijke vraag over een zeer moeilijk probleem. Finaal is eremoord een symptoom van gebrekkige integratie van allochtone gemeenschappen in een westerse maatschappij. Het potentiële slachtoffer uit zijn allochtone milieu halen, blijkt geen afdoende oplossing. Het is reeds gebeurd dat een vrouwenopvangcentrum moet vaststellen dat een meisje, dat na zes maanden terugkeert naar haar familie, toch wordt vermoord. De enige oplossing is om op een zeer ruime schaal te werken aan maatschappelijke integratie. Op termijn kunnen daardoor de extreme symptomen worden verminderd.
Wie moet een gezin, in het geval van risico op moord, als eerste benaderen ? Volgens commissaris Van De Plas is dat niet de politie. Hij heeft daarvoor niet onmiddellijk een oplossing, maar iemand moet wel naar die familie toestappen om uit te leggen dat hetgeen zich afspeelt onaanvaardbaar is en dat de familie, samen met de intervenant, een aanvaardbare oplossing moet zoeken voor het probleem.
De voorzitter vraagt aan de heer Van Tighelt welk beleid nodig is voor een geslaagde integratie ?
De heer Van Tighelt antwoordt dat dit een gewestelijke materie is.
Mevrouw Zrihen wenst tussen te komen in verband met de tussenpersonen die de families zouden kunnen benaderen. Er bestaan in veel steden regionale centra voor interculturele communicatie en integratie, die een eerstelijnsopdracht hebben. Die centra begeleiden en ondersteunen de gemeenschappen en leveren belangrijk werk op het gebied van integratie.
We moeten er ook voor zorgen dat onze rechten en waarden worden overgenomen. Senator Zrihen heeft onlangs een conferentie gegeven over de sluier. Ze komt altijd tot hetzelfde besluit : wanneer er geen echte erkenning is van die gemeenschappen, ontstaat er gettovorming en een versterking van de oorspronkelijke waarden. Sinds de eeuw van de Verlichting hebben wij van de mensenrechten, een grondbeginsel, het belangrijkste baken gemaakt in de organisatie van de samenleving. Het gaat dus niet alleen om de integratie van personen, maar ook van waarden. Dat kan alleen gebeuren op basis van dialoog. De bemiddelaars van de interculturele centra voeren die dialoog op een bijzonder interessante manier.
De heer Coveliers vindt de discussie bijzonder interessant, want ze gaat over een fundamentele waarde die de identiteit van onze maatschappij uitmaakt : zelfs als men in onze samenleving bijzonder zwaar beledigd wordt, mag men nooit zijn toevlucht zoeken tot fysiek geweld. De fysieke integriteit van elke mens in onze samenleving is een onaantastbaar beginsel. Hoe kunnen we dat beginsel overbrengen ? Een discussie over dit thema overstijgt uiteraard het bestek van deze hoorzitting.
Als men er rotsvast van overtuigd is dat iemand dit beginsel niet aanvaardt en dat ook uitdrukkelijk zegt, voldoet hij dan nog aan de voorwaarden om deel uit te maken van onze samenleving ? We moeten ons dat durven afvragen. Om preventief op te treden moet men in elk geval eisen dat de uitdrukkelijk negatie van dit beginsel verboden wordt.
De Londense politie heeft een programma rond verbal harassment dat louter en alleen verbale bedreigingen betreft. Wie in Londen schreeuwt « ik ga u kapotmaken ! », wordt ondervraagd om te peilen naar zijn reële bedoelingen. Het onderzoek botst in dat geval op de niet aanvaarde waarden en op een andere waardenschaal. Voor politie en voor justitie rijst daarmee een gigantisch probleem. Ze moeten immers duidelijk stellen dat aan bepaalde waarden niet kan worden getornd.
De senator is akkoord met collega Zrihen die erop gewezen heeft dat een recht dat wij na eeuwen strijd allemaal erkennen, afdwingbaar moet worden gemaakt. We slagen er niet in het door al onze medeburgers te doen erkennen, want ook westerse burgers plegen moorden. Het probleem overstijgt dus die ene groep. Het wordt dus moeilijk om het atavisme, krachtens hetwelk bepaalde schendingen van de eer voor wraak in aanmerking komen, te keren. Bijzonder moeilijk wordt het als de politie preventief moet optreden. Bij een repressief optreden heeft de moord immers al plaatsgevonden. Krijgt de politie de opdracht om preventief op te treden, dan moet ze de eerbied voor bepaalde waarden ook kunnen afdwingen.
De heer Van De Plas merkt op dat dit eigenlijk een politieke discussie is die de politionele verantwoordelijkheid te buiten gaat. Hij wil toch zijn ervaring met de situatie in Nederland even toelichten. Toen hij in België met die dossiers geconfronteerd werd, kreeg hij een zeer pessimistisch beeld van de problematiek. Het gaat immers om veel geweld, veel bedreiging en uiteindelijk om moord. De discussie die we in de eerste plaats moeten voeren, gaat dus over de vraag wat we daartegen kunnen doen.
De situatie in Nederland kan niet blindelings naar België worden getransponeerd. Hij heeft in Nederland toch een positieve boodschap meegekregen, namelijk dat de familie die geconfronteerd wordt met een probleem van eerschennis, uiteindelijk niet zegt dat ze zich niet zal aanpassen en dat de Nederlandse overheid daar niets mee te maken heeft. In vele gevallen wordt er effectief een oplossing gevonden. Het potentiële slachtoffer wordt opnieuw opgenomen in de familie en men stelt een zekere positieve integratie van de allochtone familie vast, met medewerking van de lokale allochtone gemeenschap. Dat was daar de belangrijkste boodschap.
De heer Coveliers had ook graag vernomen in hoeveel gevallen het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding is opgetreden. Het is niet zijn bedoeling het Centrum zomaar aan te vallen, maar als het Centrum niet optreedt, is dat misschien omdat het die misdaden als niet-racistisch beschouwt. Dan rijst de vraag naar de definitie van racisme van dat Centrum.
Mevrouw Hermans merkt op dat het hier niet over een racistische, maar over een culturele moord gaat. Dat is een totaal andere benadering. Ze begrijpt de vraag van de heer Coveliers wel, maar volgens haar is er hier helemaal geen sprake van een racistische moord.
De heer Coveliers is akkoord met collega Hermans, maar dan kan het Centrum dat ook zeggen. Het gaat dan in ieder geval toch om een moord op basis van een discriminatie en het Centrum heeft ook als taak om discriminatie tegen te gaan.
De voorzitter stelt voor het Centrum op de hoogte te brengen van de bestaande gevallen en hun hulp in te roepen.
III. Studiebezoek aan het Hoofdbureau van de Politie Haaglanden in Den Haag (9 mei 2008)
Het Adviescomité heeft op vrijdag 9 mei een bezoek gebracht aan het Hoofdbureau van de Politie Haaglanden in Den Haag teneinde er de actoren van het toekomstig Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld te ontmoeten. De delegatie bestond uit volgende personen : Senatrice Sabine de Bethune (delegatieleidster), Senatrice Nele Lijnen, Marc Van De Plas (hoofdcommissaris Federale Politie), Nicolas Belkacemi (attaché bij het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen), Lieve Keuleers (medewerkster CD&V), Guido Wouters (verbindingsofficier van de Federale Politie in Nederland), Eric Sack (hoofdcommissaris, gerechtelijk directeur Federale Politie Arrondissement Antwerpen) en Iuna Sadat (commissiesecretaris).
III.1. Inleiding : film « Verdwaalde Gezichten — deel 1 »
De heer Timmer wijst erop dat dagelijks alle klachtendossiers worden gescreend op een mogelijk verband met eer. Bijgevolg worden in het Hoofdbureau van de Politie Haaglanden ongeveer 400 zaken per jaar weerhouden waarbij eer een issue is. De commissaris benadrukt dat samenwerking met de zorgsector noodzakelijk is. Zo zou samenwerking met de behandelende arts kunnen leiden tot de uithuisplaatsing van een meisje dat zwanger geworden is buiten het huwelijk.
III.2. Uiteenzetting door de heer Wouter van der Kraan, materiedeskundige Multi-Etnisch Politiewerk Unit MEP/LEC EGG
Vooraleer het begrip eergerelateerd geweld nader te verklaren, geeft de heer van der Kraan een woordje uitleg bij het begrip « eer ». Er bestaan diverse opvattingen van eer en grote verschillen in eerbeleving. Eer speelt een belangrijke rol in groepsculturen.
Men kan een onderscheid maken tussen persoonlijke eer en maatschappelijke eer. Bij maatschappelijke eer is belangrijk hoe naar de groep gekeken wordt. Met zedelijke maatschappelijke eer wordt vooral wangedrag bedoeld : zich vergrijpen aan de vrouw of dochter van een andere familie, ...
De angst om de eer te verliezen is heel groot. Eerverlies kan namelijk leiden tot sociale uitsluiting van de hele familie.
Spreker herinnert eraan dat niet enkel vrouwen het slachtoffer van eerwraak zijn; er bestaan ook mannelijke slachtoffers. Een meisje heeft bijvoorbeeld vrijwillig seks met een jongen. Om haar eigen eer te redden, zegt ze dat ze verkracht is door die jongen.
Het zuiveren van de eer gebeurt dikwijls op basis van het gewoonterecht, zonder bloedvergieten : het huwelijk, het wegsturen van het meisje naar het land van oorsprong, het wegtrekken uit het gezin, de verstoting, de echtscheiding, het slagen, smeken en dreigen zijn daar enkele voorbeelden van. Soms kan het ook tot een rechtszaak komen.
De uiterste oplossing voor het zuiveren van de eer is eerwraak. Het betreft hier een formeel vonnis, uitgesproken door een aantal leden van de groep, waarbij het slachtoffer gedood wordt. Vroeger verliep dit op rituele manier : in het openbaar, met veel schoten. De daders vertoonden geen spijt, maar waren eerder trots aan de hele groep te tonen hoe ze hun eer gezuiverd hadden. Nu gebeurt eerwraak op een meer heimelijke wijze, waarbij het niet zelden komt tot een gedwongen of in scene gezette zelfmoord of een moord als « ongeluk » wordt gecamoufleerd.
Gedachtewisseling
De heer Wouters vraagt of er een specifiek artikel bestaat in het Nederlandse Strafwetboek met betrekking tot eergerelateerd geweld. In België is dit alvast niet het geval; men bestempelt een eremoord dus als moord.
De heer Timmer antwoordt dat dit evenmin het geval is in Nederland. Het feit dat men dit als moord blijft bestempelen, laat een betere aanpak toe : er kunnen verschillende daders beschuldigd worden en men kan op een efficiëntere manier de eigenlijke moord herkennen die verscholen zit achter een zelfmoord.
Senatrice de Bethune vraagt of dit mogelijk is binnen het bestaande wettelijke kader.
De heer Timmer stelt dat een mishandeling een mishandeling blijft, welke redenen er ook de oorzaak van zijn.
De heer Van De Plas wenst te weten hoe preventie mogelijk gemaakt wordt. Men stoot bijvoorbeeld snel tegen het beroepsgeheim van de artsen.
De heer Timmer meent dat het mogelijk is het beroepsgeheim van artsen te omzeilen wanneer men concreet kan aantonen dat het om een levensbedreigende situatie gaat. Men kan dan alles ondernemen in naam van de bescherming. Uitvoerige motivering is in dit geval wel noodzakelijk.
Mevrouw de Bethune wil weten of daar onderzoek rond bestaat.
De heer Poffé antwoordt dat er onderzoek uitgevoerd werd. Voor de politiediensten bestaat een handleiding waarin een beslisboom aantoont of en welke info kan worden uitgewisseld.
Senatrice de Bethune wijst erop dat het doorbreken van het beroepsgeheim in België bij wet geregeld is met betrekking tot het geweld op kinderen. De huidige wet zou dus aangepast kunnen worden aan eergerelateerd geweld.
De heer Poffé is inderdaad van mening dat in de wet moet worden opgenomen onder welke omstandigheden wel uitwisseling van informatie plaats kan vinden.
Wat de definitie van eer betreft, vindt mevrouw de Bethune dat ze kan gecorreleerd worden met wat professor Marie-Claire Foblets tijdens de hoorzitting van 13 februari 2008 gezegd heeft.
De heer Timmer wijst er in dit verband op dat de term « eergerelateerd geweld » door de unit MEP geïntroduceerd werd. Vermits er in Den Haag zo'n 130 verschillende nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, moet worden gewerkt met een praktische definitie die toepasbaar is op alle groepen van de bevolking. Dit laat toe dagelijks alle politierapporten te scannen.
De heer Van De Plas wil weten of dit systematisch gebeurd.
De heer Timmer bevestigt dat alle eerstelijnsrapporten via een automatische geïnformatiseerde zoektocht gescand worden.
Senatrice Lijnen vraagt of een meisje dat het slachtoffer zou kunnen zijn van eergerelateerd geweld onmiddellijk weggehaald kan worden uit haar gezin.
De heer Timmer antwoordt dat er een aantal dwangmiddelen bestaan die dat toelaten.
De heer Poffé voegt daaraan toe dat de Raad van de Kinderbescherming hierbij zo snel mogelijk wordt ingeschakeld.
Mevrouw Lijnen wenst te weten wat er gebeurt als het meisje thuis de feiten ontkent.
De heer van der Kraan wijst erop dat men best het meisje niet thuis gaat weghalen. Er bestaan andere manieren om met haar in contact te komen zonder dat de familie er weet van heeft : het slachtoffer wordt uitgenodigd op het bureau, er vindt een gesprek plaats op school, ...
Senatrice Lijnen vraagt hoe de verdere bescherming verloopt.
De heer Timmer antwoordt dat er verschillende mogelijkheden bestaan. Meestel wordt er met contactpersonen gewerkt. Soms moet er harder opgetreden worden of is repressie noodzakelijk.
Senatrice Lijnen wijst erop dat in België de politie soms deelneemt aan televisieseries om de bevolking te sensibiliseren voor bepaalde problemen. Is er in Nederland eveneens een vorm van samenwerking met de media ?
De heer Timmer antwoordt dat de politie een eigen communicatiedienst bezit, die instaat voor sensibiliseringscampagnes en dergelijke.
De heer Poffé voegt daaraan toe dat het gebeurt dat de politie reageert op verzoeken van de media. Men zal echter nooit op eigen initiatief deelnemen aan een soap.
III.3. Uiteenzetting door de heer Willem Timmer, hoofd Unit MEP/LEC EGG
De heer Timmer gaat dieper in op de inrichting van de unit Multi-Etnisch Politiewerk/Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (MEP/LEC EGG).
De pilot Eergerelateerd Geweld bestaat uit een samenwerking tussen de regio's Haaglanden en Zuid-Holland-Zuid. Het project liep van 1 oktober 2004 tot 1 maart 2006. Tijdens de pilot kwamen de operationele analyses en de controle erop tot stand. Bij de uitwerking ervan waren de wetenschappelijke netwerken heel belangrijk.
Op basis van het project zou het Landelijk Expertise Centrum (LEC) in juli geïnstalleerd moeten worden. De agenten die gerekruteerd zullen worden, moeten voldoen aan een aantal voorwaarden : ze moeten 15 jaar dienst hebben, waarbij ze minimaal twee verschillende functies bekleed hebben, en een universitair diploma bezitten. Naast de agenten zullen er ook administratieve krachten werkzaam zijn. En zoals de heer van der Kraan reeds zei, zal er een nauwe samenwerking zijn met wetenschappers. Ook met de zelforganisaties zal er een grensoverschrijdend samenwerkingsverband bestaan.
Wat de methode betreft, zal er gewerkt worden met een checklist, waarbij alle politierapporten dagelijks gecheckt worden.
Om het LEC uit te bouwen was aandacht op het hoogste niveau noodzakelijk. Alle informatie die bekomen wordt, zal ook onmiddellijk doorgestuurd worden naar bijvoorbeeld de staatsveiligheid.
Tot slot is ook de samenwerking met de Politieacademie heel belangrijk : er wordt een aangepast lesprogramma aangeboden.
Gedachtewisseling
Vermits er de laatste drie jaar geen genitale verminkingen geregistreerd worden in Nederland, wenst senatrice Lijnen te weten hoeveel gevallen ervoor bekend waren.
Commissaris Timmer antwoordt dat er geen cijfers beschikbaar zijn.
De heer Poffé zegt dat er veel gewerkt is aan signalen via de schoolgezondheidsdiensten, ... Toch stoot men dikwijls op het medisch beroepsgeheim. Er is dus weinig informatie beschikbaar over dit soort praktijken.
Mevrouw Lijnen verwijst naar de hoorzittingen die tijdens de vergadering van 7 mei 2008 in het Adviescomité hebben plaatsgevonden. Daarbij vroegen sommige sprekers een jaarlijks gynaecologisch onderzoek uit te voeren bij alle meisjes tijdens de medische controle op school. Wat denken de Nederlandse politiediensten daarvan ?
De heer Poffé wijst erop dat in dit geval de toestemming van de ouders noodzakelijk is.
Senatrice de Bethune vraagt of er reeds enige ervaring bestaat wat betreft het project Multi-etnisch Politiewerk.
De heer Timmer verwijst naar de drie rapporten die reeds gepubliceerd werden.
Mevrouw Janssen legt de nadruk op de verschillende behandeling van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld, waarbij het motief eer is. Beide vormen van geweld moeten analytisch uit elkaar gehouden worden. Er is trouwens meer tijd nodig voor de aanpak van een erezaak.
Mevrouw de Bethune verwijst naar de getuigenis van een leerkracht in het Adviescomité waarbij deze zei dat er niet echt een meldpunt bestaat in België voor eergerelateerd geweld. Waar kunnen Nederlandse leerkrachten bepaalde verdachte signalen melden ?
De heer Timmer herinnert aan het belang van een tweesporenbeleid : zowel een hardhandige aanpak als aandacht voor de slachtoffers zijn noodzakelijk.
III.4. Uiteenzetting door mevrouw Janine Janssen, hoofd Onderzoek Unit MEP/LEC EGG
De antropologe en criminologe Janine Janssen stelt de methode MEP en de werkwijze van het LEC EGG voor.
De methode MEP is gebaseerd op een glijdende schaal van eerzuiverende handelingen, die dienen om een conflict of belediging goed te maken. Na de eerschending, veroorzaakt door bijvoorbeeld provocaties, roddel of smaad, kunnen een aantal eerzuiverende handelingen plaatsvinden. Voor er eerwraak gebeurt, zijn dit momenten waarop de politie met een vorm van eerzuivering kan worden geconfronteerd. Mevrouw Janssen noemt die momenten « rode vlaggen ». Het betreft hier onder meer elke vorm van geweld, vermissingen, enz. Om de « rode vlaggen » te kunnen herkennen moet men de kenmerken van de erecodes en achtergronden van de betrokkenen kennen : woorden die naar eer verwijzen, emoties, relaties in de gemeenschap.
Spreekster benadrukt dat eergerelateerd geweld niet alleen voorkomt in de lagere sociale klassen.
In de query wordt belang gehecht aan een aantal aandachtsgebieden of « rode vlaggen ». Ze worden opgesomd onder de vorm van steekwoorden : ontvoering, bedreiging, belediging, smaad, mishandeling, moord, zedendelicten, zelfmoord, openlijk geweld, vermissing, geweld binnenshuis, stalking, bemiddeling, hulpverlening.
Er werd eveneens een checklist opgemaakt met aandacht voor volgende punten :
— de melding;
— de aard van het probleem;
— relevante vragen :
• personalia;
• sociale en economische achtergronden;
• ervaringen met geweld;
— het maken van een plan van aanpak;
— items met betrekking tot het politiewerk :
• het horen van verdachten en het gebruiken van tolken;
• vastleggen en doorgeven van informatie.
Gedachtewisseling
De heer Van De Plas wijst erop dat men in België de vrouwelijke lokale allochtone groeperingen meer wil betrekken bij de strijd tegen eergerelateerd geweld.
Mevrouw Janssen vindt niet dat eer mag worden geïnterpreteerd als een emancipatievraagstuk. Het is eerder een heel etnocentrisch begrip. Men mag tevens niet vergeten dat vrouwen mededaders kunnen zijn en mannen slachtoffers van eergerelateerd geweld.
Commissaris Van De Plas is voorts van mening dat cijfermateriaal noodzakelijk is. In België wordt daar veel belang aan gehecht.
Doctor Janssen meent dat dit een verkeerde aanpak is : het geeft enkel een verantwoording voor wat er wel gedaan wordt.
De heer Poffé vindt dat met interventies veel meer problemen kunnen voorkomen worden. Cijfers laten enkel toe politiek te scoren. Zo liggen de aantallen voor huiselijk geweld in Nederland enorm hoog.
III.5. Uiteenzetting door de heer Léon Poffé, programmaleider Programmabureau Eergerelateerd Geweld
De heer Poffé is programmamanager van het interdepartementale programma Eergerelateerd Geweld. Dit rust op drie pijlers : het ministerie van Justitie, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voor het project werd ongeveer 3 miljoen euro ter beschikking gesteld.
Drie thema's zijn belangrijk voor het programma : de maatschappelijke integratie, opvang en hulpverlening en de strafrechtelijke aanpak. Het is gebaseerd op twee rode lijnen : het lokale bestuur en het verkrijgen van meer inzicht in de omvang van het probleem.
Het programma duurt 5 jaar. Een integrale aanpak is noodzakelijk : de jeugdzorg, de zelforganisaties, enz. zullen erbij betrokken worden. Alle diensten moeten er bovendien genoeg over weten. Daarom heeft men gekozen voor een samenwerking op lokaal niveau over informatie-uitwisseling en afspraken met betrekking tot de interventies.
Naast haar strafrechtelijke taak, moet de politie ook preventief signaleren en informeren.
III.6. Bespreking studiebezoek
De voorzitter vraagt wat de reactie is geweest van commissaris Van De Plas, die met de delegatie naar Den Haag is gegaan.
Mevrouw de Bethune antwoordt dat de heer Van De Plas heel enthousiast was. Hij zou graag meteen starten met een centrale dienst binnen de federale Politie die het probleem ten gronde aanpakt. Het is echter belangrijk zich eerst de vraag te stellen hoe men de expertise voor zo'n dienst kan opbouwen.
In Nederland zijn veel middelen vrijgemaakt om het Landelijk Expertise Centrum te implementeren en te doen functioneren. Hun werkwijze is niet volledig transponeerbaar naar België, maar men kan wel uit hun aanpak leren. De heer Timmer heeft erop gewezen dat er geen enkel geval van eremoord meer geregistreerd werd sinds de P.V.'s dagelijks gescreend worden en er onmiddellijk preventief opgetreden wordt. Elk dossier wordt individueel behandeld binnen de 24 uur.
Mevrouw Zrihen wenst meer uitleg over de manier waarop de Nederlandse ploegen werken : 10 tot 15 personen zouden zich exclusief toeleggen op eergerelateerd geweld, en dat slechts in twee regio's.
Mevrouw de Bethune wijst erop dat het een multidisciplinaire ploeg betreft. Deze ploeg heeft een handleiding opgesteld, procedures uitgewerkt, een website ontworpen, ... Het is niet zeker dat deze ploeg zo groot zal moeten blijven eens het project uitgebreid wordt naar het hele land.
De personen die de P.V.'s screenen, zijn niet alleen op zoek naar gevallen van eergerelateerd geweld. Er wordt bijvoorbeeld ook gescreend op kindermishandeling. Dit gebeurt gelijktijdig. Voor elk geval dat zich voordoet, wordt onmiddellijk iemand gedetacheerd naar het lokaal politiecommissariaat om de ploeg ter plaatse te ondersteunen bij de afhandeling van het dossier. Hoewel dit een zeer arbeidsintensieve methode is, blijkt dit noodzakelijk te zijn om te slagen.
Het probleem van eergerelateerd geweld is heel specifiek. Het grote verschil met partnergeweld is de frequentie waarmee het voorkomt. De verschillende gerechtelijke arrondissementen worden dagelijks geconfronteerd met partnergeweld, zodat expertise wordt opgebouwd. Dit is nog niet zo voor eergerelateerd geweld.
Tot slot werd in Nederland verwacht dat eergerelateerd geweld na een aantal jaar zou afnemen. Men moet echter vaststellen dat deze vorm van geweld juist toeneemt. Tal van factoren spelen daarbij een rol : de toename van de migratie, de vergrijzing van de bevolking en de toename van de waardenconflicten tussen de verschillende generaties. Het is dus een illusie te denken dat eergerelateerd geweld op korte termijn vanzelf zal verdwijnen.
Mevrouw Lijnen citeert uit de Korpskrant (mei 2007) van de Politie Haaglanden over de samenstelling van de ploeg die voor het Landelijk Expertisecentrum in Nederland werkt. « Er werken in totaal twaalf mensen : acht materiedeskundigen, twee administratief medewerkers, een wetenschapper en de coördinator. Er is een helpdesk en een eigen website [...].
« Daarnaast zijn er in de rest van het korps vijftig taakaccenthouders met de materie actief. Bovendien wordt er gewerkt met externe politiecontactfunctionarissen die rechtstreeks in contact staan met multi-etnische groeperingen.
« De vaste taken van de unit Multi-etnisch politiewerk (MEP) zijn :
— eergerelateerd geweld;
— Marokkaanse jongerenproblemen;
— gedwongen huwelijken;
— achterlating;
— Antilliaanse problematiek;
— bestuurlijke adviezen;
— opbouwen en onderhouden van netwerken;
— vrouwenbesnijdenis. »
IV. Bespreking van het advies
IV.1. Discussienota
1. Er dient een definitie te worden opgemaakt die de ruime waaier van vormen van sociale druk, gaande van schijnhuwelijken tot eremoord als hoogste gradatie omvat.
2. Cijfermateriaal dient te worden verzameld en in kaart gebracht.
3. Vergelijkende studie maken (cf. partnergeweld) :
Een onderzoek laten uitvoeren naar de diversiteit en complexiteit van het fenomeen « eergelateerd geweld » in België en in Europa door universiteiten, gefinancierd door het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen ?
4. Specifieke informatiecampagnes voor meisjes moeten worden ingericht :
— vrouwen en meisjes moeten hun rechten kennen, weten dat er een alternatief is;
— bestaan van de maagdelijkheidspil.
5. Bescherming, hulp en opvang moet voorzien worden :
— referentiepersonen/ bemiddelaar/ meldpunt;
— waar kunnen meisjes in nood naartoe ?
6. Sensibiliseringscampagnes opzetten naar ouders en milieu :
— hoe broers en vaders benaderen/familie;
— moeders : belang van alfabetiseringscursussen;
— integratieproblematiek;
— belang van migrantenvrouwenwerking, en integratie in klassieke vrouwenbeweging;
— belang van mogelijkheid om subsidies te kunnen geven aan culturele groepen.
7. De huidige wetgeving analyseren in het kader van mogelijke aanpassingen, toevoegingen :
— de lege ferenda;
— wet van juni 2007 over gedwongen huwelijken : biedt deze voldoende bescherming en mogelijkheden ?
8. Context :
— antropologische en culturele achtergrond kennen;
— kaderen in integratiebeleid;
— niet veroordelend opstellen en duidelijk kaderen in culturele praktijken, los van religie;
— heel wat kan gebeuren op niveau van interculturele dialoog of bemiddeling;
— bewust zijn van onze collectieve verantwoordelijkheid : gemeenschappen die zich terugplooien, vaak doordat ze kansen missen in onze samenleving.
9. Internationale referenties :
Quid met Europees en buitenlands beleid terzake ?
IV.2. Bespreking van de discussienota
Mevrouw Hermans leest de discussienota van de rapporteurs de Bethune en Durant punt per punt voor.
Inzake punt 3 wordt verduidelijkt dat de rapporteurs een vergelijkende studie van de problematiek van de eremoorden in Europa bedoelen.
Mevrouw Hermans stelt bovendien voor dat er een overzicht wordt gegeven van de best practices in andere Europese landen.
Inzake punt 5 merkt de heer Coveliers op dat er beter verwezen wordt naar « de slachtoffers » dan naar de « meisjes in nood ». Ook mannen kunnen immers slachtoffer worden van eremoorden.
Wat de in punt 6 vermelde « alfabetiseringscursussen » betreft, vindt mevrouw Zrihen dat zij niet enkel voor moeders bedoeld moeten zijn, maar ook voor grootouders en andere familieleden. Ook moet men rekening houden met het psychosociale aspect.
Mevrouw Hermans stelt voor zich ook te informeren over de acties die eventueel al op het niveau van de gemeenschappen worden ondernomen. Zij meent dat minister Anciaux reeds initiatieven genomen heeft in dit verband.
Wat betreft punt 7, legt de heer Coveliers uit dat de term lege ferenda verwijst naar « een wet die moet worden gemaakt ». Hij is echter van mening dat het niet nodig is de huidige wetgeving inzake moord aan te passen. Moord is immers moord, of het nu gaat om een eremoord of een andere moord. Eventueel zou eremoord wel als een verzwarende omstandigheid kunnen worden opgenomen. De senator vraagt ook naar een duidelijke omschrijving van de mededaders.
Mevrouw Hermans denkt dat het misschien nuttig zou kunnen zijn om richtlijnen te krijgen van het College van procureurs-generaal, zodat men weet hoe men met een eremoord moet omgaan.
Senator Zrihen meent dat er meer aandacht moet gaan naar opleiding en luisterbereidheid, zoals men gedaan heeft in de strijd tegen partnergeweld.
Wat punt 8 betreft, benadrukt mevrouw Zrihen dat de antropologische en culturele achtergrond niet mag beschouwd worden als achtergrond van eergerelateerd geweld.
Mevrouw Hermans wil de woorden « niet veroordelend opstellen » graag vervangen zien door de woorden « niet stigmatiserend opstellen ».
Wat betreft de collectieve verantwoordelijkheid waarnaar wordt verwezen in punt 8, maakt mevrouw Hermans een voorbehoud : ze vindt het te ver gaan een mea culpa te slaan inzake eremoorden. Men moet wel inspanningen blijven leveren.
De heer Coveliers deelt deze mening. Hij vindt tevens dat de woorden « los van religie » niet gepast zijn.
Mevrouw Tilmans antwoordt dat de hoorzittingen duidelijk gemaakt hebben dat eremoorden eerder met cultuur dan met godsdienst te maken hebben.
Mevrouw Hermans vindt het bovendien belangrijk dat de verschillende culturele gemeenschappen de Belgische rechtstaat erkennen.
Mevrouw Tilmans is het hiermee eens en voegt eraan toe dat de rechtsstaat beter beschermd moet worden.
Inzake punt 9 stelt mevrouw Hermans voor dit punt naar boven te schuiven, na het voorgestelde punt 3. Men zou bijvoorbeeld het Nederlandse beleid inzake eergerelateerd geweld kunnen bestuderen.
IV.3. Voorstel van advies
IV.3.1. Inleiding
Eerwraak stond onlangs in de actualiteit na de moord op een jonge Pakistaanse vrouw in Charleroi.
Het Adviescomité voor Gelijke Kansen wilde dat onderwerp aangrijpen en duiden via onder andere een reeks hoorzittingen.
Het onderwerp moet gezien worden binnen een culturele, sociaalpolitieke en internationale context. Het Adviescomité wil voorkomen dat een gemeenschap, een religie of een culturele gewoonte gestigmatiseerd wordt door misleidende veralgemening in de analyse van het fenomeen en in de aanbevelingen die het comité formuleert. De gemeenschappen van vreemde herkomst die in België wonen, zijn immers verscheiden en talrijk, net zoals de personen waaruit ze zijn samengesteld.
Op dezelfde wijze, en zonder toegevingen, zijn de fysieke en psychologische gewelddaden en a fortiori de misdaden die in naam van om het even welke culturele of religieuze reden worden gepleegd, totaal onaanvaardbaar.
Het is vanuit die optiek dat dit verslag werd opgesteld.
IV.3.2. Vaststellingen
IV.3.2.1. Culturele achtergrond
— Het fenomeen eergerelateerd geweld werd vanuit een historisch, antropologisch en cultureel perspectief benaderd. Eergerelateerd geweld werd geplaatst in de context van de verwantschappelijke samenleving, waarbij iemands netwerk uit een groep van verwanten bestaat en die groep bepaalt de maatschappelijke positie. Dit verwantschappelijk systeem kan gelijkgesteld worden met een rechtssysteem. Meestal identificeren de groepen zich met de mannelijke lijn : de patrilineages die bepalend zijn voor de sociale structuur van de groep. Ter verzekering van de eigen voortzetting moeten vrouwen inhuwen en zusters uithuwen. Dit stelt problemen in het kader van de vrouwenrechten, en in het bijzonder met de reproductieve rechten van vrouwen. In de patrilineaire samenleving behoren de reproductieve rechten van de vrouw namelijk toe aan haar patrilineage, en heeft zij geen individuele zelfbeschikking. De belangrijkste functie van de patrilineage is de biologische zekerheid voor mannen dat de kinderen die hun vrouwen baren ook hun eigen kinderen zijn. Deze functie is vandaag verzwakt. De antropologie stelt dat niettegenstaande een instelling haar functie verliest, de mentaliteit zich toch doorzet. Gevolg van deze patrilineaire logica is dat een vrouw die wél opkomt voor haar individuele seksuele en reproductieve rechten de eer van de groep aantast, en een zware straf mag verwachten. Sommige etnografieën geven aan dat de vrouw dan als het ware voor een dilemma staat : als ze voor liefde of vrijheid gaat, tast ze de eer aan. In deze samenlevingen kan eer echter belangrijker zijn dan het leven.
— Eerwraak moet geplaatst worden in voorstatelijke samenlevingen, die voor de ordehandhaving aangewezen zijn op de eigen groep : men spreekt van eigenrichting. Eigenrichting bezit dezelfde functies als ons strafrecht, eerwraak heeft in deze context een preventieve, punitieve en retributieve functie. Aldus is het te eenvoudig om eerwraak gelijk te stellen met het « oog om oog, tand om tand principe », het betreft een heel genormeerd stelsel : de groep beslist of er wraak genomen wordt en op welke manier. Er schuilt een collectieve logica achter de eerwraak.
Eerwraak wordt in onze maatschappij echter niet meer aanvaard; eigenrichting heeft plaats gemaakt voor het staatsrechtelijk apparaat van strafrechtbanken.
Bovendien kan het eergerelateerd geweld vanuit het begrip acculturatie, zijnde een sociaal proces dat zich voordoet wanneer groepen individuen met verschillende culturen in min of meer langdurig direct contact komen, begrepen worden.
Het staat vast dat jonge vrouwen in ons land, die leven in gemeenschappen met een patriarchale cultuur, vaak een inwendige strijd leveren. Ze trachten hun oorspronkelijke cultuur te verzoenen met het leven van een jong meisje hier. Er is een enorme kloof tussen de familiale tradities en de waarden van vrijheid, gelijkheid en gemengdheid. Zij zitten vaak geklemd tussen twee totaal verschillende werelden.
IV.3.2.2. Definitie en karakteristieken van eergerelateerd geweld
— Uit alle getuigenissen blijkt dat eergerelateerd geweld vele vormen kan aannemen, met gradaties in de gestrengheid van sociale druk op de vrouw tot eremoord als extreme of ultieme vorm.
— Er bestaan getuigenissen van verschillende vormen van geweld op vrouwen : het verhinderen van een diploma te behalen en dus zelfstandig te worden; het niet toestaan dat zij hun levenspartner kiezen; het terugsturen naar het land van herkomst dat zij vaak nauwelijks kennen; het fysieke geweld dat soms extreme vormen aanneemt. Ook psychologische druk is een vaak voorkomende vorm : er wordt hen bijvoorbeeld gezegd dat zij door te weigeren « hun moeder de dood zullen injagen » of de « schande van de familie zijn ».
— De federale Politie bevestigt deze vormen van geweld met eremoord als de meest extreme vorm van eerherstel, die volgt op een schennis van de eer in familieverband, het gaat dus om de eer van de familie, die in sommige culturen zeer belangrijk is.
— Eremoorden kunnen worden gepleegd door wurging, verdrinking, steniging of verbranding. Er zijn ook verminkte vrouwen, vrouwen met een geschonden gelaat of afgehakte handen. Ook gevallen van groepsverkrachting worden vastgesteld. Ten slotte zijn er vrouwen die liever zelfmoord plegen omdat zij weten dat hun leven ondraaglijk zal worden en zij de doodstraf riskeren. Sommige moorden worden ook als zelfmoorden ingekleed : in Zweden is er het fenomeen van meisjes die op geheimzinnige wijze van balkons vallen, waarvan de politie vermoedt dat het om gedwongen zelfmoorden of eremoorden gaat.
— Deze moorden zijn vaak ook het gevolg van een groepsoptreden.
— Ingevolge de globalisering, hebben we deels onze soevereiniteit ten aanzien van deze vormen van geweld verloren. Zo kunnen meisjes naar het land van herkomst worden gestuurd, zoals gebeurt inzake vrouwenbesnijdenis of om aldaar te worden uitgehuwelijkt.
— Er werd benadrukt dat eremoorden weinig met religie te maken hebben, en veel meer met culturele praktijken. De federale Politie bevestigt dit en verwijst hierbij naar twee gevallen van eremoord bij Assyrische christenen uit Pakistan. In de gevallen die werden geanalyseerd, is de band met de islam niet duidelijk vast te stellen.
IV.3.2.3. Bewustwording
— Het fenomeen van eergerelateerd geweld is op beleidsniveau nog onbekend, zowel kwantitatief als kwalitatief, maar in de samenleving komt er duidelijk bewustwording tot stand.
— Tot nu toe had men de neiging te denken dat eremoorden alleen in Pakistan, Afghanistan, Bangladesh, Nigeria, Liberia of Libanon plaatsvonden. Nu stelt men echter vast dat eremoorden de laatste twintig jaar in Europa steeds vaker voorkomen. Vooral in Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk is het fenomeen bekend.
IV.3.2.4. Cijfers
— Uit de hoorzittingen blijkt dat er voor ons land geen officiële statistieken bestaan inzake eremoorden, eergerelateerd geweld of gedwongen huwelijken.
— In de databanken van de federale Politie wordt totnogtoe geen specifieke vermelding gemaakt van eremoord. Wel werd het gegeven « familiaal » en « extrafamiliaal » geweld ingevoerd, maar dit is onvoldoende om exacte cijfers over eremoorden of eergerelateerd geweld op te sporen. Op basis van een rondvraag gedaan via de informatiekruispunten heeft de dienst DJP/ »Agressie » van de federale Politie 17 gevallen van eremoord in de voorbije vijf jaren in ons land kunnen identificeren. Deze cijfers zijn afkomstig van de lokale en federale politie, doch niet volledig betrouwbaar.
— Alleen de UCL zou een officieus onderzoek verricht hebben waaruit blijkt dat verschillende jongeren met gedwongen huwelijken geconfronteerd worden.
— Een steekproef in de regio Mons-Borinage, op grond van de vragenlijst van de UCL bij 270 mannelijke en vrouwelijke studenten van twee hogescholen uit verschillende onderwijsnetten, toont dat ongeveer 40 % weet hadden van gedwongen huwelijken in kennissen- of familiekring.
— In Frankrijk zou men het aantal gedwongen huwelijke schatten op ongeveer 70 000 per jaar.
IV.3.2.5. Kenmerken van eremoorden
— Tijdens de hoorzittingen werd gesteld dat thans bij ons in België en elders in Europa eergerelateerd geweld toeneemt en eremoorden meer voorkomen. Dit heeft vaak te maken met de manier waarop meisjes uit de tweede en derde generatie in de migrantengemeenschap omgaan met gedwongen huwelijken. Het staat vast dat gedwongen huwelijken niet nieuw zijn, maar ze vormden vroeger minder een maatschappelijk probleem dan nu. Meisjes uit de tweede generatie beginnen zich heviger te verzetten tegen gedwongen huwelijken. De vereniging « Ni Putes Ni Soumises Comité belge » getuigt dat vandaag vele gevallen van gedwongen huwelijken gemeld worden aan haar vereniging of aan maatschappelijke werkers. Veelal gaat het om meisjes van Belgische nationaliteit, die school gelopen hebben of financieel reeds zelfstandig zijn. Zij klagen over psychologische druk, fysiek geweld en opsluiting. Zij voelen zich verraden door hun familie, maar gaan tezelfdertijd gebukt onder schuldgevoelens en durven vaak geen klacht indienen ofschoon de Belgische wet hen dat toelaat. In de nasleep van 11 september duiden een aantal factoren op de verstrakking van de mentaliteiten, zoals de toename van het dragen van de hoofddoek, of de kritiek op het gemengd onderwijs. Er is ook het verschijnsel van het toezicht door de grote broers, die aangemoedigd zouden zijn door religieuze leiders. En in openbare ziekenhuizen stelt men ook een toename vast van aanvragen om het maagdenvlies te herstellen. Deze vaststellingen kunnen ons doen vrezen dat dergelijk patriarchaal geweld in de toekomst dreigt toe te nemen, ook in westerse landen.
— Uit het onderzoek van de federale Politie blijkt dat eremoorden vaak slechts het topje van de ijsberg zijn, na gemiddeld een jarenlange historiek van geweld die eraan voorafgaat, met feiten zoals bedreiging en geweldpleging, slagen en verwondingen.
— De feiten zouden zich meestal afspelen in gesloten allochtone gemeenschappen, waarin een sterke interne sociale druk bestaat en waarin veel angst heerst.
— Er zou een rechtstreekse band bestaan met de problematiek van uithuwelijken en van ontvoeringen maar ook van zelfmoord.
— Het dient benadrukt dat men zich niet mag beperken tot een schema van vrouwelijke slachtoffers en mannelijke daders. In de meerderheid van de gevallen geldt dat wel, maar er bestaan ook vrouwelijke daders of medeplichtigen, vaak ingegeven door overtuiging dat bepaalde regels eigen zijn aan de cultuur.
IV.3.2.6. Aanpak door Belgische politie en justitie
— De federale Politie bevestigt dat de Belgische overheid vóór 2008 elke kennis ontbrak inzake eremoord. Elk inzicht over de achtergrond van het fenomeen ontbrak. Het politie- en justitiepersoneel zijn evenmin opgeleid. Er bestaat geen beeldvorming over eremoorden en de feiten daaromtrent.
— Het hoofd van de dienst DJP/« Agressie », de heer Marc Van De Plas, is korte tijd geleden wel belast met het onderzoek van het fenomeen, wat hem ook toeliet om het Adviescomité voor Gelijke Kansen van de Senaat te briefen over de problematiek.
— Een blik over de grenzen leert ons dat Nederland en Engeland de enige landen in Europa zijn met een beleid terzake. Enkel Nederland beschikt over een volledig preventie- en repressiebeleid. In de regio Haaglanden is een expertencel uitgebouwd die steun verleent aan alle regio's in het land.
IV.3.2.7. De lege ferenda
De nood aan wetswijziging is niet evident
IV.3.3. Aanbevelingen
IV.3.3.1. Onderzoek
— Er is een dringende nood aan grondig wetenschappelijk onderzoek om het fenomeen in ons land beter te omschrijven. Dit onderzoek moet zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens opsporen.
— Een definitie dient geformuleerd die de ruime waaier van vormen van sociale druk, gaande van schijnhuwelijken tot eremoord als hoogste gradatie omvat.
— Internationale referenties en Europees en buitenlands beleid terzake dienen te worden opgespoord en gebundeld.
IV.3.3.2. Globaal beleid
— Met het oog op preventie, begeleiding en beteugeling, dient een globaal beleidsplan in overleg met de federale overheid en de Gemeenschappen opgezet om eergerelateerd geweld te voorkomen en te bestraffen.
— De problematiek dient gesitueerd binnen de problematiek van huiselijk geweld, maar vormt een specifieke vorm van intrafamiliaal geweld, en moet bijgevolg geëxpliciteerd worden, en uitdrukkelijk worden geïmplementeerd in het Nationaal Veiligheidsplan dat in februari 2008 werd gelanceerd, alsook in het Nationaal Actieplan ter bestrijding van het Geweld tegen vrouwen.
— Op lokaal vlak moet een intensievere dialoog tot stand komen met de allochtone gemeenschap. Overleg op het terrein en de vorming van alle verenigingen en tussenkomende partijen die gezinnen en risicogroepen ontmoeten, is onontbeerlijk. Hierbij hebben de migrantenvrouwenverenigingen en de klassieke vrouwenbewegingen een essentiële rol te vervullen.
— Het is wenselijk een uitgebreide dialoog met Nederland aan te gaan om goede praktijken uit te wisselen.
IV.3.3.3. Sensibilisering in ruime zin
— Bewustmaking is een opdracht voor het lerarenkorps, de schooldirecties, de sociale diensten, de centra voor leerlingenbegeleiding, de verenigingen actief op het terrein en in de wijken evenals van de ouders en van de ruimere omgeving.
— Belangrijk is ook om jongens te informeren via de school, onder andere door brochures te verspreiden (zodat de wet wordt bekend gemaakt, evenals nuttige adressen, centra voor gezinsplannning, vluchthuizen, ...).
— Men moet, via de oprichting van een meldpunt, een netwerk van referentiepersonen en bemiddelaars ontwikkelen.
— Er moeten good practices ontwikkeld worden zoals de flyer opgemaakt door mevrouw Waelput en de brochure Le guide du respect (2007) als eerstehulpkit voor jongeren in scholen door « Ni Putes Ni Soumises Comité belge » uitgebracht.
IV.3.3.4. Begeleiding en opvang
— In samenwerking met de betrokken gemeenschappen moet men onderzoeken welke opvangmogelijkheden het meest opportuun zijn voor de slachtoffers in nood.
— Het is essentieel te voorzien in psychologische begeleiding en veilige opvangmogelijkheden voor meisjes die een gedwongen huwelijk afwijzen.
— Het is belangrijk specifieke informatiecampagnes op te zetten waarbij vrouwen en meisjes hun rechten leren kennen.
IV.3.3.5. Een beter integratie- en inclusiebeleid
— Verdere inspanningen ter ondersteuning van de sociale, culturele en economische integratie en inclusie van migrantengezinnen zijn noodzakelijk.
— Er bestaan voldoende redenen vanuit de gemeenschappen het ondersteuningsbeleid van de socio-culturele organisaties in de migrantengemeenschap en de socio-culturele verenigingen en gezondheidsorganisaties actief op het terrein en in de wijken verder zetten.
— Het belang van alfabetiseringscentra en regionale integratiecentra, die echte oorden voor emancipatie zijn, moeten meer algemeen erkend worden en extra aandacht krijgen, zeker omdat bekend is dat analfabetisme vooral vrouwen treft.
IV.3.3.6. Politie en justitie
— Een aangepaste politionele en justitiële aanpak moet worden voorzien. Een eerste vereiste is een betere kennis en een herkenning van het fenomeen eremoord en eergerelateerd geweld :
— Het is opportuun opleiding en vorming van de betrokken politiemensen en magistraten te voorzien, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de wijkagenten.
— Men hoort op nationaal vlak een betere samenwerking uit te bouwen door middel van een betere informatiedoorstroming tussen de sociale sector en de justitiële sector, met respect voor de privacy van de betrokkenen.
— De problematiek moet geëexpliciteerd worden in het Nationaal Veiligheidsplan, en een éénduidige richtlijn moet worden opgesteld door het College van procureurs-generaal.
— Een eenvoudige en efficiënte vermelding van eergerelateerd geweld dient te worden opgenomen in het bestaande registratiesysteem van de klachten inzake intrafamiliaal geweld en de statistieken moeten beter worden opgevolgd.
— Op lokaal vlak moet een betere informatiedoorstroming worden verzekerd, zowel binnen de medische als de psychosociale sectoren die preventief nuttige informatie kunnen doorgeven zoals thans ervaring wordt opgedaan inzake kindermishandeling.
— Men dient de bemiddeling uit te bouwen als hulpmiddel. Als een derde persoon die aanzien heeft in de gemeenschap de familie benadert, kan mogelijk worden voorkomen dat de toestand uit de hand loopt en kan de familie uitkijken naar een alternatief.
— Het is noodzakelijk bescherming en veiligheid van informatieverstrekkers te voorzien; dit geldt zowel voor de personen uit het betrokken milieu als voor de gevatte politiemensen.
— Overleg en ervaringsuitwisseling met Nederland dringt zich op gezien de kennis en de strategieën die ginds zijn opgebouwd.
IV.3.3.7. De wetgeving
— Een evaluatie van de wet van 25 april 2007 betreffende artikel 391sexies inzake aanzetting of medewerking aan een gedwongen huwelijk dringt zich op.
— Men dient de circulaires COL 3/2006 en COL 4/2006 die de aanpak regelen van intrafamiliaal geweld tussen justitie en politie te toetsen op hun relevantie inzake eergerelateerd geweld en desgevallend aan te vullen.
— Volgens de heer Van De Plas dient de strafwet (artikels 394 e.v.) niet te worden aangepast. De strafrechter kan in toepassing van de huidige wetgeving over de nodige mogelijkheden beschikken om op basis van de context verzwarende omstandigheden in te roepen.
IV.4. Bespreking van het voorstel van advies
Op basis van de vergaarde kennis in Den Haag, wenst mevrouw de Bethune een aantal aanvullingen voor te stellen aan de aanbevelingen die ze reeds eerder opgesteld had samen met mevrouw Durant. Eerst maakt spreekster echter nog een aantal algemene opmerkingen.
In eerste instantie vindt de senatrice het belangrijk de term « eremoord » te vervangen door de veel bredere term « eergerelateerd geweld », die toelaat de problematiek in zijn volledige complexiteit te vatten. De eremoord is namelijk slechts de ultieme daad en een extreme vorm van eergerelateerd geweld. Een aanpak moet zich dus niet alleen op het fenomeen van de eremoorden richten, maar eveneens het probleem van de gedwongen huwelijken bijvoorbeeld.
Ten tweede moet men zich hoeden voor de versmelting van twee verschillende problematieken : partnergeweld en eergerelateerd geweld. Partnergeweld of huiselijk geweld is contextueel geweld, dat verband houdt met de relatie tussen mensen in een bepaalde context. Eergerelateerd geweld heeft te maken met een cultureel motief, namelijk de eer van de familie. De preventiestrategieën zullen dus verschillend moeten zijn. Klassieke opvanghuizen voor slachtoffers van partnergeweld zijn bijvoorbeeld niet geschikt voor slachtoffers van eergerelateerd geweld. Bijgevolg moet een apart actieplan opgebouwd worden.
Wat de aanbevelingen betreft, vindt mevrouw de Bethune dat er drie aanvullingen zouden kunnen worden gedaan. Ten eerste is het niet duidelijk dat de strafwet moet gewijzigd worden. De hoorzittingen hebben daar in elk geval geen aanleiding toe gegeven. Men kan wel vragen, in de rubriek « Wetgeving » van de aanbevelingen, « verder onderzoek te verrichten naar de noodzaak om de strafwet te specificeren ». Daarbij moet niet verwezen worden naar één of ander artikel. De wetsvergelijking kan bijvoorbeeld een goed thema zijn voor een doctoraat of een seminarie van experten.
Ten tweede verwijst de senatrice naar het werk dat verricht is in het kader van het partnergeweld in België. De gerechtelijke arrondissementen Luik en Antwerpen hebben hierin baanbrekend werk verricht. Op basis van hun ervaringen heeft het College van procureurs-generaals een richtlijn opgesteld dat geldt voor alle parketten. In Nederland heeft men op dezelfde manier gewerkt voor het opstarten van het Landelijk Expertise Centrum : het pilootproject in twee regio's gedurende 4 jaar laat nu toe uit te breiden naar het hele land.
Bijgevolg zou de aanbeveling als volgt kunnen worden geformuleerd : « Om een aanzet te geven aan de vorige aanbevelingen, een pilootproject opstarten in analogie met de pilootprojecten intrafamiliaal geweld (Antwerpen en Luik) en in samenwerking met het ministerie van Justitie, de politiediensten en het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen ». Een partnership met de Nederlandse diensten is daarbij niet uitgesloten, want zij hebben hun handleidingen ook naar het Frans vertaald.
De derde aanvulling betreft de periode na het pilootproject :
« Er zouden onder meer algemene richtlijnen kunnen worden opgesteld door het College van procureurs-generaal voor het hele land. »
« Er wordt een centrale of federale cel « Eergerelateerd geweld » opgericht bij de federale Politie. » In Nederland is duidelijk gebleken dat het heel moeilijk is de nodige expertise op te bouwen. Een agent of parketmagistraat kan het fenomeen zonder de nodige ervaring niet herkennen. Een centrale cel kan dat veel sneller aan de hand van een reeks « rode vlaggen ». Ook in België zal er nood zijn aan een centrale expertisedienst.
Ten slotte zal « het opmaken van een handleiding betreffende de te volgen procedures » een essentiële etappe zijn in de aanpak van eergerelateerd geweld.
Mevrouw Durant vindt de toevoegingen die mevrouw de Bethune voorstelt pertinent. Aan de derde voorgestelde toevoeging, zou zij graag een aanbeveling tot meer diversiteit bij de politie toevoegen, zowel op genderniveau als op cultureel niveau.
Wat de pilootprojecten betreft, benadrukt spreekster dat het belangrijk is om op lokaal niveau te werken. De gecentraliseerde dienst heeft geen praktijkkennis. Hij kan wel dienen als ondersteuning voor de lokale politie.
De voorzitter steunt ook de pilootprojecten. Zou het echter niet interessant zijn om over een coördinatiecel te beschikken ?
Mevrouw Zrihen wenst terug te komen op de definities. Het voorstel van resolutie dat zij heeft ingediend wil « vermeende » eerwraak bestrijden. Het begrip eerwraak omvat zowel moorden als iedere vorm van fysiek geweld tegen personen.
Mevrouw Durant wijst erop dat geweld ook psychologische vormen kan aannemen. In de omgangstaal wordt misdaad vaak met moord geassocieerd. Bovendien kan met dit woord niet verwezen worden naar moreel of sociaal geweld. Het zou dus beter zijn de term « geweld » te gebruiken.
Mevrouw Zrihen stelt dus voor om in het Frans de woorden « violence et crime d'honneur » te gebruiken.
de voorzitter meent dat de in de tekst gebruikte termen duidelijk gedefinieerd moeten worden.
Mevrouw Lijnen stelt voor verder te werken met de term « eergerelateerd geweld » in het Nederlands.
De senator wenst een opmerking te maken over het 2e gedachtestreepje van de aanbevelingen III.3. Ze zou het begin van de zin als volgt wijzigen : « Belangrijk is om, naast meisjes, ook jongens te informeren ... ».
Mevrouw Zrihen is het hiermee eens. Een kennis van de wetgeving is belangrijk om jongeren te laten inzien dat de wet soms boven de geboden van hun familie of omgeving staat.
De PS-fractie stelt voor het derde streepje van de aanbevelingen III.7. naar de vaststellingen te verplaatsen, meer bepaald naar punt II.7., aangezien het geen aanbeveling is.
V. Advies
V.1. Inleiding
Eerwraak stond onlangs in de actualiteit na de moord op een jonge Pakistaanse vrouw in Charleroi.
Het Adviescomité voor Gelijke Kansen wilde dat onderwerp aangrijpen en duiden via onder andere een reeks hoorzittingen.
Het onderwerp moet gezien worden binnen een culturele, sociaalpolitieke en internationale context. Het Adviescomité wil voorkomen dat een gemeenschap, een religie of een culturele gewoonte gestigmatiseerd wordt door misleidende veralgemening in de analyse van het fenomeen en in de aanbevelingen die het comité formuleert. De gemeenschappen van vreemde herkomst die in België wonen, zijn immers verscheiden en talrijk, net zoals de personen waaruit ze zijn samengesteld.
Op dezelfde wijze, en zonder toegevingen, zijn de fysieke en psychologische gewelddaden en a fortiori de misdaden die in naam van om het even welke culturele of religieuze reden worden gepleegd, totaal onaanvaardbaar.
Het is vanuit die optiek dat dit verslag werd opgesteld.
V.2. Vaststellingen
V.2.1. Culturele achtergrond
— Het fenomeen eergerelateerd geweld werd vanuit een historisch, antropologisch en cultureel perspectief benaderd. Eergerelateerd geweld werd geplaatst in de context van de verwantschappelijke samenleving, waarbij iemands netwerk uit een groep van verwanten bestaat en die groep bepaalt de maatschappelijke positie. Dit verwantschappelijk systeem kan gelijkgesteld worden met een rechtssysteem. Meestal identificeren de groepen zich met de mannelijke lijn : de patrilineages die bepalend zijn voor de sociale structuur van de groep. Ter verzekering van de eigen voortzetting moeten vrouwen inhuwen en zusters uithuwen. Dit stelt problemen in het kader van de vrouwenrechten, en in het bijzonder met de reproductieve rechten van vrouwen. In de patrilineaire samenleving behoren de reproductieve rechten van de vrouw namelijk toe aan haar patrilineage, en heeft zij geen individuele zelfbeschikking. De belangrijkste functie van de patrilineage is de biologische zekerheid voor mannen dat de kinderen die hun vrouwen baren ook hun eigen kinderen zijn. Deze functie is vandaag verzwakt. De antropologie stelt dat niettegenstaande een instelling haar functie verliest, de mentaliteit zich toch doorzet. Gevolg van deze patrilineaire logica is dat een vrouw die wél opkomt voor haar individuele seksuele en reproductieve rechten de eer van de groep aantast, en een zware straf mag verwachten. Sommige etnografieën geven aan dat de vrouw dan als het ware voor een dilemma staat : als ze voor liefde of vrijheid gaat, tast ze de eer aan. In deze samenlevingen kan eer echter belangrijker zijn dan het leven.
— Eerwraak moet geplaatst worden in voorstatelijke samenlevingen, die voor de ordehandhaving aangewezen zijn op de eigen groep : men spreekt van eigenrichting. Eigenrichting bezit dezelfde functies als ons strafrecht, eerwraak heeft in deze context een preventieve, punitieve en retributieve functie. Aldus is het te eenvoudig om eerwraak gelijk te stellen met het « oog om oog, tand om tand principe », het betreft een heel genormeerd stelsel : de groep beslist of er wraak genomen wordt en op welke manier. Er schuilt een collectieve logica achter de eerwraak.
Eerwraak wordt in onze maatschappij echter niet meer aanvaard; eigenrichting heeft plaats gemaakt voor het staatsrechtelijk apparaat van strafrechtbanken.
Bovendien kan het eergerelateerd geweld vanuit het begrip acculturatie, zijnde een sociaal proces dat zich voordoet wanneer groepen individuen met verschillende culturen in min of meer langdurig direct contact komen, begrepen worden.
Het staat vast dat jonge vrouwen in ons land, die leven in gemeenschappen met een patriarchale cultuur, vaak een inwendige strijd leveren. Ze trachten hun oorspronkelijke cultuur te verzoenen met het leven van een jong meisje hier. Er is een enorme kloof tussen de familiale tradities en de waarden van vrijheid, gelijkheid en gemengdheid. Zij zitten vaak geklemd tussen twee totaal verschillende werelden.
V.2.2. Definitie en karakteristieken van eergerelateerd geweld
— Uit alle getuigenissen blijkt dat eergerelateerd geweld vele vormen kan aannemen, met gradaties in de gestrengheid van sociale druk op de vrouw tot eremoord als extreme of ultieme vorm.
— Er bestaan getuigenissen van verschillende vormen van geweld op vrouwen : het verhinderen een diploma te behalen en dus zelfstandig te worden; het niet toestaan dat zij hun levenspartner kiezen; het terugsturen naar het land van herkomst dat zij vaak nauwelijks kennen; het fysieke geweld dat soms extreme vormen aanneemt. Ook psychologische druk is een vaak voorkomende vorm : er wordt hen bijvoorbeeld gezegd dat zij door te weigeren « hun moeder de dood zullen injagen » of de « schande van de familie zijn ».
— De federale Politie bevestigt deze vormen van geweld met eremoord als de meest extreme vorm van eerherstel, die volgt op een schennis van de eer in familieverband, het gaat dus om de eer van de familie, die in sommige culturen zeer belangrijk is.
— Eremoorden kunnen worden gepleegd door wurging, verdrinking, steniging of verbranding. Er zijn ook verminkte vrouwen, vrouwen met een geschonden gelaat of afgehakte handen. Ook gevallen van groepsverkrachting worden vastgesteld. Ten slotte zijn er vrouwen die liever zelfmoord plegen omdat zij weten dat hun leven ondraaglijk zal worden en zij de doodstraf riskeren. Sommige moorden worden ook als zelfmoorden ingekleed : in Zweden is er het fenomeen van meisjes die op geheimzinnige wijze van balkons vallen, waarvan de politie vermoedt dat het om gedwongen zelfmoorden of eremoorden gaat.
— Deze moorden zijn vaak ook het gevolg van een groepsoptreden.
— Ingevolge de globalisering, hebben we deels onze soevereiniteit ten aanzien van deze vormen van geweld verloren. Zo kunnen meisjes naar het land van herkomst worden gestuurd, zoals gebeurt inzake vrouwenbesnijdenis of om aldaar te worden uitgehuwelijkt.
— Er werd benadrukt dat eremoorden weinig met religie te maken hebben, en veel meer met culturele praktijken. De federale Politie bevestigt dit en verwijst hierbij naar twee gevallen van eremoord bij Assyrische christenen uit Pakistan. In de gevallen die werden geanalyseerd, is de band met de islam niet duidelijk vast te stellen.
V.2.3. Bewustwording
— Het fenomeen van eergerelateerd geweld is op beleidsniveau nog onbekend, zowel kwantitatief als kwalitatief, maar in de samenleving komt er duidelijk bewustwording tot stand.
— Tot nu toe had men de neiging te denken dat eremoorden alleen in Pakistan, Afghanistan, Bangladesh, Nigeria, Liberia of Libanon plaatsvonden. Nu stelt men echter vast dat eremoorden de laatste twintig jaar in Europa steeds vaker voorkomen. Vooral in Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk is het fenomeen bekend.
V.2.4. Cijfers
— Uit de hoorzittingen blijkt dat er voor ons land geen officiële statistieken bestaan inzake eremoorden, eergerelateerd geweld of gedwongen huwelijken.
— In de databanken van de federale Politie wordt totnogtoe geen specifieke vermelding gemaakt van eremoord. Wel werd het gegeven « familiaal » en « extrafamiliaal » geweld ingevoerd, maar dit is onvoldoende om exacte cijfers over eremoorden of eergerelateerd geweld op te sporen. Op basis van een rondvraag gedaan via de informatiekruispunten heeft de dienst DJP/ »Agressie » van de federale Politie 17 gevallen van eremoord in de voorbije vijf jaren in ons land kunnen identificeren. Deze cijfers zijn afkomstig van de lokale en federale politie, doch niet volledig betrouwbaar.
— Alleen de UCL zou een officieus onderzoek verricht hebben waaruit blijkt dat verschillende jongeren met gedwongen huwelijken geconfronteerd worden.
— Een steekproef in de regio Mons-Borinage, op grond van de vragenlijst van de UCL bij 270 mannelijke en vrouwelijke studenten van twee hogescholen uit verschillende onderwijsnetten, toont dat ongeveer 40 % weet hadden van gedwongen huwelijken in kennissen- of familiekring.
— In Frankrijk zou men het aantal gedwongen huwelijke schatten op ongeveer 70 000 per jaar.
V.2.5. Kenmerken van eremoorden
— Tijdens de hoorzittingen werd gesteld dat thans bij ons in België en elders in Europa eergerelateerd geweld toeneemt en eremoorden meer voorkomen. Dit heeft vaak te maken met de manier waarop meisjes uit de tweede en derde generatie in de migrantengemeenschap omgaan met gedwongen huwelijken. Het staat vast dat gedwongen huwelijken niet nieuw zijn, maar ze vormden vroeger minder een maatschappelijk probleem dan nu. Meisjes uit de tweede generatie beginnen zich heviger te verzetten tegen gedwongen huwelijken. De vereniging « Ni Putes Ni Soumises Comité belge » getuigt dat vandaag vele gevallen van gedwongen huwelijken gemeld worden aan haar vereniging of aan maatschappelijke werkers. Veelal gaat het om meisjes van Belgische nationaliteit, die school gelopen hebben of financieel reeds zelfstandig zijn. Zij klagen over psychologische druk, fysiek geweld en opsluiting. Zij voelen zich verraden door hun familie, maar gaan tezelfdertijd gebukt onder schuldgevoelens en durven vaak geen klacht indienen ofschoon de Belgische wet hen dat toelaat. In de nasleep van 11 september duiden een aantal factoren op de verstrakking van de mentaliteiten, zoals de toename van het dragen van de hoofddoek, of de kritiek op het gemengd onderwijs. Er is ook het verschijnsel van het toezicht door de grote broers, die aangemoedigd zouden zijn door religieuze leiders. En in openbare ziekenhuizen stelt men ook een toename vast van aanvragen om het maagdenvlies te herstellen. Deze vaststellingen kunnen ons doen vrezen dat dergelijk patriarchaal geweld in de toekomst dreigt toe te nemen, ook in westerse landen.
— Uit het onderzoek van de federale Politie blijkt dat eremoorden vaak slechts het topje van de ijsberg zijn, na gemiddeld een jarenlange historiek van geweld die eraan voorafgaat, met feiten zoals bedreiging en geweldpleging, slagen en verwondingen.
— De feiten zouden zich meestal afspelen in gesloten allochtone gemeenschappen, waarin een sterke interne sociale druk bestaat en waarin veel angst heerst.
— Er zou een rechtstreekse band bestaan met de problematiek van uithuwelijken en van ontvoeringen maar ook van zelfmoord.
— Het dient benadrukt dat men zich niet mag beperken tot een schema van vrouwelijke slachtoffers en mannelijke daders. In de meerderheid van de gevallen geldt dat wel, maar er bestaan ook vrouwelijke daders of medeplichtigen, vaak ingegeven door overtuiging dat bepaalde regels eigen zijn aan de cultuur.
V.2.6. Aanpak door Belgische politie en justitie
— De federale Politie bevestigt dat de Belgische overheid vóór 2008 elke kennis ontbrak inzake eremoord. Elk inzicht over de achtergrond van het fenomeen ontbrak. Het politie- en justitiepersoneel zijn evenmin opgeleid. Er bestaat geen beeldvorming over eremoorden en de feiten daaromtrent.
— Het hoofd van de dienst DJP/« Agressie », de heer Marc Van De Plas, is korte tijd geleden wel belast met het onderzoek van het fenomeen, wat hem ook toeliet om het Adviescomité voor Gelijke Kansen van de Senaat te briefen over de problematiek.
— Een blik over de grenzen leert ons dat Nederland en Engeland de enige landen in Europa zijn met een beleid terzake. Enkel Nederland beschikt over een volledig preventie- en repressiebeleid. In de regio Haaglanden is een expertencel uitgebouwd die steun verleent aan alle regio's in het land.
V.2.7. De lege ferenda
De nood aan wetswijziging is niet evident. Volgens de heer Van De Plas dient de strafwet (artikels 394 e.v.) niet te worden aangepast. De strafrechter kan in toepassing van de huidige wetgeving over de nodige mogelijkheden beschikken om op basis van de context verzwarende omstandigheden in te roepen.
V.3. Aanbevelingen
V.3.1. Onderzoek
— Er is een dringende nood aan grondig wetenschappelijk onderzoek om het fenomeen in ons land beter te omschrijven. Dit onderzoek moet zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens opsporen.
— Een definitie dient geformuleerd die de ruime waaier van vormen van sociale druk, gaande van schijnhuwelijken tot eremoord als hoogste gradatie omvat.
— Internationale referenties en Europees en buitenlands beleid terzake dienen te worden opgespoord en gebundeld.
V.3.2. Globaal beleid
— Met het oog op preventie, begeleiding en beteugeling, dient een globaal beleidsplan in overleg met de federale overheid en de Gemeenschappen opgezet om eergerelateerd geweld te voorkomen en te bestraffen.
— De problematiek dient gesitueerd binnen de problematiek van huiselijk geweld, maar vormt een specifieke vorm van intrafamiliaal geweld, en moet bijgevolg geëxpliciteerd worden, en uitdrukkelijk worden geïmplementeerd in het Nationaal Veiligheidsplan dat in februari 2008 werd gelanceerd, alsook in het Nationaal Actieplan ter bestrijding van het Geweld tegen vrouwen.
— Op lokaal vlak moet een intensievere dialoog tot stand komen met de allochtone gemeenschap. Overleg op het terrein en de vorming van alle verenigingen en tussenkomende partijen die gezinnen en risicogroepen ontmoeten, is onontbeerlijk. Hierbij hebben de migrantenvrouwenverenigingen en de klassieke vrouwenbewegingen een essentiële rol te vervullen.
— Het is wenselijk een uitgebreide dialoog met Nederland aan te gaan om goede praktijken uit te wisselen.
V.3.3. Sensibilisering in ruime zin
— Bewustmaking is een opdracht voor het lerarenkorps, de schooldirecties, de sociale diensten, de centra voor leerlingenbegeleiding, de verenigingen actief op het terrein en in de wijken evenals van de ouders en van de ruimere omgeving.
— Belangrijk is om, naast meisjes, ook jongens te informeren via de school, onder andere door brochures te verspreiden (zodat de wet wordt bekend gemaakt, evenals nuttige adressen, centra voor gezinsplannning, vluchthuizen, ...).
— Men moet, via de oprichting van een meldpunt, een netwerk van referentiepersonen en bemiddelaars ontwikkelen.
— Er moeten good practices ontwikkeld worden zoals de flyer opgemaakt door mevrouw Waelput en de brochure Le guide du respect (2007) als eerstehulpkit voor jongeren in scholen door « Ni Putes Ni Soumises Comité belge » uitgebracht.
V.3.4. Begeleiding en opvang
— In samenwerking met de betrokken gemeenschappen moet men onderzoeken welke opvangmogelijkheden het meest opportuun zijn voor de slachtoffers in nood.
— Het is essentieel te voorzien in psychologische begeleiding en veilige opvangmogelijkheden voor meisjes die een gedwongen huwelijk afwijzen.
— Het is belangrijk specifieke informatiecampagnes op te zetten waarbij vrouwen en meisjes hun rechten leren kennen.
V.3.5. Een beter integratie- en inclusiebeleid
— Verdere inspanningen ter ondersteuning van de sociale, culturele en economische integratie en inclusie van migrantengezinnen zijn noodzakelijk.
— Er bestaan voldoende redenen om vanuit de gemeenschappen het ondersteuningsbeleid van de socio-culturele organisaties in de migrantengemeenschap en de socio-culturele verenigingen en gezondheidsorganisaties actief op het terrein en in de wijken verder te zetten.
— Het belang van alfabetiseringscentra en regionale integratiecentra, die echte oorden voor emancipatie zijn, moeten meer algemeen erkend worden en extra aandacht krijgen, zeker omdat bekend is dat analfabetisme vooral vrouwen treft.
V.3.6. Politie en justitie
— Een aangepaste politionele en justitiële aanpak moet worden voorzien. Een eerste vereiste is een betere kennis en een herkenning van het fenomeen eremoord en eergerelateerd geweld :
— Het is opportuun opleiding en vorming van de betrokken politiemensen en magistraten te voorzien, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de wijkagenten.
— Men hoort op nationaal vlak een betere samenwerking uit te bouwen door middel van een betere informatiedoorstroming tussen de sociale sector en de justitiële sector, met respect voor de privacy van de betrokkenen.
— De problematiek moet geëexpliciteerd worden in het Nationaal Veiligheidsplan, en een éénduidige richtlijn moet worden opgesteld door het College van procureurs-generaal.
— Een eenvoudige en efficiënte vermelding van eergerelateerd geweld dient te worden opgenomen in het bestaande registratiesysteem van de klachten inzake intrafamiliaal geweld en de statistieken moeten beter worden opgevolgd.
— Op lokaal vlak moet een betere informatiedoorstroming worden verzekerd, zowel binnen de medische als de psychosociale sectoren die preventief nuttige informatie kunnen doorgeven zoals thans ervaring wordt opgedaan inzake kindermishandeling.
— Men dient de bemiddeling uit te bouwen als hulpmiddel. Als een derde persoon die aanzien heeft in de gemeenschap de familie benadert, kan mogelijk worden voorkomen dat de toestand uit de hand loopt en kan de familie uitkijken naar een alternatief.
— Het is noodzakelijk bescherming en veiligheid van informatieverstrekkers te voorzien; dit geldt zowel voor de personen uit het betrokken milieu als voor de gevatte politiemensen.
— Overleg en ervaringsuitwisseling met Nederland dringt zich op gezien de kennis en de strategieën die ginds zijn opgebouwd.
Om een aanzet te geven aan de vorige aanbevelingen een pilootproject opstarten in analogie met de pilootprojecten intrafamiliaal geweld (Antwerpen/luik) en in samenwerking met het ministerie van Justitie, de politiediensten en het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen.
In de fase volgend op het pilootproject en op basis van de resultaten ervan in de schoot van de dienst « Agressie » van de federale politie een cel « eergerelateerd geweld » oprichten, die instaat voor :
• de nodige politionele expertise zijnde :
— inzichten verzamelen of ontwikkelen in de betrokken allochtone milieus, in samenwerking met universiteiten en gespecialiseerde diensten;
— evaluatie van gevoerde onderzoeken en verspreiding van te trekken lessen;
— geven van opleidingen aan de lokale onderzoekers;
— uitwerking van definities en procedure voor objectieve registratie;
— beeldvorming van eergerelateerd geweld nationaal;
— onderzoeken van het verband met radicalisering.
• de coördinatie van de inspanningen, het uitwerken van samenwerkingsprotocollen met betrokken instanties op nationaal en gemeenschapsniveau;
• het ondersteunen van de lokale politiedienstenonderzoekers;
• het opmaken van een handleiding betreffende de te volgen procedures.
V.3.7. De wetgeving
— Een evaluatie van de wet van 25 april 2007 betreffende artikel 391sexies inzake aanzetting of medewerking aan een gedwongen huwelijk dringt zich op.
— Men dient de circulaires COL 3/2006 en COL 4/2006 die de aanpak regelen van intrafamiliaal geweld tussen justitie en politie te toetsen op hun relevantie inzake eergerelateerd geweld en desgevallend aan te vullen.
— Er moet onderzoek verricht worden naar een eventuele uitbreiding van de strafwet.
V.3.8. Voorstel van resolutie ter bestrijding van de vermeende eerwraak in België (doc. Senaat, nr. 4-678/1)
Het Adviescomité steunt het voorstel van resolutie ter bestrijding van de vermeende eerwraak in België, ingediend door mevrouw Olga Zrihen c.s.
De leden van het Adviescomité wijzen erop dat in het Nederlands best de omschrijving « eergerelateerd geweld » gebruikt wordt. In het Frans kan men spreken van « violence et crimes d'honneur ».
VI. Stemmingen
Het advies is goedgekeurd met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Dit verslag is goedgekeurd met 8 stemmen bij 1 onthouding.
| De rapporteurs, | De voorzitter, |
|
Sabine de BETHUNE. Isabelle DURANT. | Dominique TILMANS. |
(1) Janine Janssen, Je eer of je leven ? Een verkenning van eerzaken voor politieambtenaren en andere professionals, Elsevier Overheid, 2006.