4-833/1 | 4-833/1 |
26 JUNI 2008
De Belgen weten weinig over de geschiedenis van hun land. Om de bevolking en al degenen die interesse hebben voor ons verleden meer aanknopingspunten aan te reiken, stellen wij voor dat een onafhankelijke commissie van historici belast wordt met het bepalen van 50 scharniermomenten uit ons verleden. Zoals de Nederlanders gedaan hebben met « De canon van Nederland », zou een reeks gebeurtenissen die iedereen zou moeten kennen, in de verf gezet worden.
De gebrekkige kennis waaraan sommige politieke leiders tijdens de 21 juli-vieringen van vorig jaar blijk gaven, heeft heel wat mensen beroerd en geschokt. Yves Leterme, de huidige eerste minister, scheen ons volkslied niet te kennen toen hij op de trappen voor de kathedraal van Sint-Michiels en Sint-Goedele in de plaats daarvan de Marseillaise aanhief. Rudy Demotte, minister-president van het Waals Gewest en van de Franse Gemeenschap, wist net zomin wat men die dag vierde. Scharniermomenten uit onze geschiedenis zijn minder en minder gekend, zoveel is duidelijk.
1. De gebrekkige kennis van de geschiedenis van België
Onze medeburgers kennen nauwelijks de nationale symbolen. Volgens recente peilingen weet 60 % van de ondervraagden niet dat de nationale wapenspreuk « Eendracht maakt macht » is. En het volkslied kent 77 % van de Walen en 53 % van de Vlamingen helemaal niet. Slechts 2 % van de Belgen kan het volledig zingen. Bovendien weet slechts 43 % van de bevolking hoeveel provincies er in ons land zijn. Slechts 30 % kan ze opsommen, en 32 % denkt dat het er slechts negen zijn (1) .
Met de kennis van onze geschiedenis is het niet beter gesteld. In het algemeen zijn de feiten in verband met de monarchie nog het best gekend, maar toch weet 19 % van de Belgen nog steeds niet dat Leopold I op 21 juli 1831 de eed heeft afgelegd (2) . Erger is dat volgens het dagblad Het Volk slechts 46 % van de bevolking weet dat België sinds 1830 onafhankelijk is (3) .
Uit een peiling van het tijdschrift Le Vif/L'Express van 2006, dat de vijftig belangrijkste gebeurtenissen uit ons verleden rangschikt, blijkt dat de Belgen, Franstaligen zowel als Nederlandstaligen, vooral feiten van na de onafhankelijkheid belangrijk achten. De rest van onze geschiedenis blijft voor het grote publiek relatief onbekend (4) .
Niets wijst erop dat daar in de toekomst iets aan zal veranderen. Er is immers sprake van een generatiekloof op het vlak van de kennis. Le Vif/L'Express schrijft uitdrukkelijk dat men de geschiedenis beter kent naarmate men ouder is. Die generatiekloof situeert zich blijkbaar rond de leeftijd van 35 jaar (5) .
Het volstaat om (Franstalige) schoolboeken in te kijken om vast te stellen dat er zo goed als geen melding wordt gemaakt van nationale symbolen. Ook de officiële websites, die overal ter wereld geraadpleegd kunnen worden, zetten onze geschiedenis te weinig in de verf en zijn weinig aantrekkelijk.
Om de wereld rondom ons te begrijpen en te beseffen waar wij vandaan komen, is een kennis van onze geschiedenis en onze nationale symbolen nochtans onontbeerlijk. De Belgen hebben een gemeenschappelijk erfgoed. Wat de institutionele toekomst van de Staat ook moge zijn, feit is dat ons land een gemeenschappelijk verleden heeft dat te weinig gekend is.
2. 50 sleutelmomenten voor de Nederlanders
In Nederland is er veel belangstelling voor de nationale geschiedenis. Die belangstelling is recent nog opgeflakkerd door het opstellen van een « historische canon van Nederland » die 50 sleutelmomenten (« vensters ») van de geschiedenis van het land behandelt en die in alle scholen onderwezen zal worden. Bovendien worden deze sleutelmomenten nu reeds op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken gebruikt om de geschiedenis van het land voor te stellen.
Op 16 oktober 2006 stelde een commissie van historici de resultaten voor van één jaar werkzaamheden (6) . De commissie werd op 1 september 2005 opgericht door Maria van de Hoeven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en was samengesteld uit negen leden waarvan acht uit een academisch of onderwijsmilieu. Bovendien werden in kleinere comités verschillende specialisten, raadgevers, en geïnteresseerden geraadpleegd (7) .
De door de commissie bepaalde onderwerpen worden opgenomen in de kerndoelen van het lager onderwijs en de eerste jaren van het middelbaar onderwijs (8) . Volgens de auteurs en de opdrachtgevers moeten deze onderwerpen worden beschouwd als een middel om de grondslagen van de algemene kennis te onderwijzen. De 50 onderwerpen zijn geen los van elkaar staande feiten en gebeurtenissen die uit de lucht vallen, maar vensters op de geschiedenis. Het is een dynamische aanpak. De data zijn voor de leerkracht geen nieuwe methode of een doel op zich, maar noodzakelijke grondslagen die in een juist perspectief geplaatst moeten worden om de geschiedenis van Nederland te onderwijzen (9) .
3. Een soortgelijk project voor België
Met het oog op de toekomst van het Rijk, is het nodig dat wij ons over onze geschiedenis buigen. De verschillende gemeenschappen delen dit verleden en het zou dan ook interessant zijn om na te gaan hoe dit verleden aan beide zijden van de taalgrens geïnterpreteerd wordt, en vooral hoe het ten opzichte van de burgers en het buitenland opgewaardeerd kan worden.
Meer en meer mensen overtuigen zichzelf ervan dat onze gemeenschappelijke geschiedenis op een groot misverstand berust en slechts van korte duur is geweest; dat Vlamingen en Franstaligen altijd gescheiden volkeren zijn geweest die pas sinds 1830 « veroordeeld » zijn om samen te leven. De waarheid moet gezegd worden. De Belgen hebben een lange gemeenschappelijke geschiedenis, die teruggaat tot de vijftiende eeuw en de Boergondische hertogen. Daarin speelde de communautaire identiteit zoals wij ze nu kennen lang geen enkele rol. Wel zijn er vóór 1830 burgers geweest die zich Belg voelden. De Vlaamse Beweging onstaat pas na de revolutie en is lange tijd, minstens tot de Eerste Wereldoorlog, uitgesproken Belgischgezind en patriottisch gebleven.
Tegenover de onwaarheden en de nationalistische aanvallen is het dan ook nuttig eraan te herinneren dat, hoewel sommigen het niet graag horen, wij een lange gemeenschappelijke geschiedenis hebben. Dat is des te zinvoller nu de recente politieke crisis heeft aangetoond hoe weinig wij — en dat geldt ook voor toppolitici uit het Noorden en het Zuiden van het land —, van ons verleden weten. Is het denkbaar dat een Fransman niet weet wat er op 14 juli gevierd wordt, of een Amerikaan op 4 juli ? Bij ons hoeft dit niet te verbazen, aangezien de geschiedenis van België weinig aan bod komt in de scholen. De betekenis van 21 juli wordt zelfs niet vermeld in de meest gebruikte schoolboeken van het Franstalig onderwijs.
Willen wij de toekomst van het federale België uittekenen, dan moeten wij ook de geschiedenis ervan kennen en ons bewust zijn van het verleden.
Wat het identiteitsgevoel van elkeen moge zijn, en hoe de toekomst van onze Staat er ook moge uitzien, onze erfenis zal blijven bestaan, en het is van fundamenteel belang dat zij beter wordt belicht zodat eenieder weet waar hij of zij en het land vandaan komen. Het Nederlandse initiatief zou in België overgenomen moeten worden omdat het een schitterend hulpmiddel vormt voor leerkrachten, en een bron van documentatie voor de burgers en het buitenland.
Wij stellen dus voor een commissie van historici samen te stellen, die belast zou worden met het bepalen van 50 sleutelmomenten in de Belgische geschiedenis en met het opstellen van een gedegen tekst die voor een ruim publiek toegankelijk moet zijn. Het werk zou uitgevoerd worden door deskundigen uit verschillende vakgebieden, zoals bijvoorbeeld het geval was voor het project « De Nieuwe Geschiedenis van België » (10) . Deze commissie zou bestaan uit leden van de belangrijkste Belgische universiteiten en onderzoekers uit verschillende culturele en filosofische milieus. In de marge van de huidige crisis kan een dergelijk initiatief op lange termijn bijdragen tot een toenadering tussen onze medeburgers, Vlamingen en Franstaligen.
| Alain DESTEXHE. |
De Senaat,
A. Vaststellend dat de Belgen erfgenamen zijn van een gemeenschappelijk verleden;
B. Vaststellend dat de kennis van de geschiedenis van het land, zijn gewesten en zijn nationale symbolen bij de meeste burgers alsmaar afneemt;
C. Vaststellend dat de perceptie van de Belgische geschiedenis soms verschilt naargelang van de taalgroep waartoe men behoort en dat zich aan beide zijden van de « taalgrens » stereotische opvattingen ontwikkelen;
D. Herinnerend aan de noodzakelijke onafhankelijkheid van het geschiedkundig onderzoek;
E. Akte nemend van het voorbeeld van de Nederlandse regering, die het initiatief genomen heeft om een commissie van historici te belasten met de opdracht vijftig sleutelmomenten uit de geschiedenis van Nederland te bepalen;
Vraagt de regering :
Een onafhankelijke commissie op te richten teneinde vijftig sleutelmomenten van de Belgische geschiedenis te bepalen die door alle Belgen gekend zouden moeten zijn, en die voorgesteld kunnen worden aan al wie geïnteresseerd is in België en zijn verleden.
De commissie :
1. heeft tot doel vijftig sleutelmomenten van de geschiedenis van België te bepalen en voor te stellen in een voor een breed publiek toegankelijke vorm;
2. is samengesteld uit negen leden en een secretaris;
3. telt minstens vier Nederlandstaligen en vier Franstaligen (11) ;
4. telt een lid afkomstig van elk van de zes voornaamste universiteiten — de Katholieke Universiteit Leuven, de Université catholique de Louvain, de Université de Liège, de Université Libre de Bruxelles, de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Gent;
5. telt een vertegenwoordiger van het Rijksarchief van de Vlaamse provincies, een vertegenwoordiger van het Rijksarchief van de Waalse provincies en de Duitstalige gemeenschap, en een vertegenwoordiger van het Algemeen Rijksarchief;
6. wordt bijgestaan door een secretariaat onder leiding van een lid van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis;
7. is bevoegd om Belgische en buitenlandse onderzoekers, onderzoekscentra en -groepen te raadplegen die haar kunnen helpen met welbepaalde punten van haar werkzaamheden (het SOMA, de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, het CRISP, musea, universiteiten, de Rijksarchieven, buitenlandse organisaties of iedere andere instelling die nuttig wordt geacht);
8. bepaalt de sleutelmomenten en stelt voor elk moment een basistekst op;
9. maakt haar resultaten bekend zodat zij als didactisch materiaal gebruikt kunnen worden en via het internet en folders verspreid kunnen worden bij de burgers, in het buitenland en in het onderwijs;
10. bestaat uit leden die worden aangewezen door de voornoemde universiteiten en, wat de archieven betreft, door de Senaat, op voorstel van de betrokken instantie.
6 juni 2008.
| Alain DESTEXHE. |
(1) Le Soir, 19 juli 2007; La Meuse, 20 juli 2007; Gazet van Antwerpen, 20 juli 2007.
(2) Le Soir, 19 juli 2007; La Meuse, 20 juli 2007; Gazet van Antwerpen, 20 juli 2007.
(3) Het Volk, 20 juli 2007.
(4) Le Vif/L'Express, 1 december 2006.
(5) Le Vif/L'Express, 4 maart 2005.
(6) Le Vif/L'Express, 1 december 2006.
(7) Het laatste lid is essayist en staat dicht bij het academische milieu Zie http://entoen.nu/informatie.aspx ?id=5
(8) Persbericht van het ministerie van OCW en de Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon in : http://entoen.nu/informatie.aspx ?id=10
(9) http://entoen.nu/informatie.aspx ?id=5
(10) Michel Dumoulin, Vincent Dujardin, Emmanuel Gerard en Mark Van den Wijngaert, Nieuwe geschiedenis van België, Tielt, 2005-2006.
(11) Het negende lid kan een Nederlandstalige, een Franstalige of een Duitstalige zijn.