4-139/6

4-139/6

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

24 JUNI 2008


Wetsvoorstel tot invoering van een betalingsbevel in het Gerechtelijk Wetboek


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER MAHOUX


I. INLEIDING

Dit wetsvoorstel werd op 10 augustus 2007 ingediend door mevrouw Taelman en neemt de tekst over van een wetsvoorstel dat op 16 juni 2004 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (Stuk Kamer, 51-1215/1).

Tengevolge van de amendering dient de tekst te worden gesplitst in het wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 587, 589 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de invoering van een betalingsbevel in het Gerechtelijk Wetboek (zie stuk Senaat nr. 4-139/8), dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, en het wetsvoorstel tot invoering van een betalingsbevel in het Gerechtelijk Wetboek, dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (zie stuk Senaat nr. 4-139/7).

De commissie voor de Justitie heeft het wetsvoorstel besproken tijdens haar vergaderingen van 30 januari, 7, 13, 14 en 28 mei, 10 en 24 juni 2008, in aanwezigheid van de minister van Justitie.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL

In de Europese Unie bedraagt de gemiddelde betalingsachterstand, dit is de duur van het ontbreken van betaling na de afgesproken vervaldag, vijftien dagen. In België is dit twintig dagen. De Europese gemiddelde effectieve totale betalingstermijn is 54 dagen. De Belgische gemiddelde totale betalingstermijn is 61 dagen. België scoort dus ondermaats.

Men stelt vast dat vooral Belgische KMO's het slachtoffer zijn van al te grote betalingsachterstanden. Invorderingskosten wegen bij KMO's zwaar door. Klanten die facturen niet of laattijdig betalen zetten een rem op de groei van KMO's en vormen een bedreiging voor de overlevingskansen van de bedrijven.

Aangezien het merendeel van de Belgische werkgelegenheid wordt gecreëerd door KMO's, moet worden vermeden dat de levensvatbaarheid van deze bedrijven in gevaar komt, evenals de werkgelegenheid die zij scheppen.

Voorliggend wetsvoorstel werd gebaseerd op richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Intussen is er ter zake de verordening 18/96/2006 (publicatieblad EU 12 december 2006), die de lidstaten verplicht een snelle en efficiënte procedure van invordering van onbetwiste schuldvorderingen uit te werken. De verordening is van toepassing vanaf 12 december 2008, en een aantal artikelen treden in werking op 12 juli 2008.

In België kan men reeds kiezen voor de summiere rechtspleging om betaling te bevelen (art. 1338 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek), maar deze blijkt in de praktijk nauwelijks te worden toegepast.

De knelpunten van de « summiere rechtspleging om betaling te bevelen » zijn algemeen bekend :

— enkel van toepassing op vorderingen voor geldsommen tot 1 860 euro;

— moet gestaafd zijn door een geschrift dat uitgaat van de schuldenaar, waardoor de schuld zelfs niet kan bewezen worden via een door een handelaar aangenomen factuur;

— tussenkomst van een advocaat is vereist, wat aanzienlijke meerkosten veroorzaakt;

— de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis is niet mogelijk. Een voorafgaande aanmaning is vereist;

— te hoge gerechtskosten, waardoor men liever een beroep doet op incassobureaus.

Gevolg : de kleine schuldvorderingen worden nauwelijks ingevorderd en dan nog kiest men liever voor de gemeenrechtelijke weg (waar de kosten overigens ook niet gering zijn). De summiere rechtspleging om betaling te bevelen, dient dus niet waarvoor zij ontworpen is.

De omslachtige Belgische procedures zijn de Europese Commissie niet ontgaan, waardoor zij stelt dat de summiere rechtspleging om betaling te bevelen,ingevolge enkele structurele gebreken (het betalingsbevel moet bijvoorbeeld worden voorafgegaan door een ingebrekestelling) omslachtiger is gebleken dan de gewone burgerlijke procedure en bijgevolg weinig ingang heeft gevonden bij de juridische beroepsbeoefenaars.

De Europese Commissie stelde dan ook een Groenboek « betreffende een Europese Procedure inzake betalingsbevelen en maatregelen ter vereenvoudiging en bespoediging van de procesvoering over geringe vorderingen » op. Dit Groenboek bevat concrete aanbevelingen aan de lidstaten en een rechtsvergelijkende studie van de betalingsbevelprocedures in de verschillende lidstaten.

Een bevelprocedure kan als volgt samengevat worden :

— op verzoek van de eiser neemt de rechterlijke macht over de betrokken vordering een eenzijdige beslissing, dit is zonder dat de verweerder vooraf de mogelijkheid tot verweer krijgt;

— deze beslissing wordt aan de verweerder betekend met het bevel binnen een bepaalde termijn ofwel het bevel na te komen door te betalen, ofwel de vordering te betwisten door verzet aan te tekenen;

— indien de verweerder op geen van beide wijzen reageert, wordt het bevel tot betaling uitvoerbaar;

— enkel indien hij verzet aantekent, wordt de gemeenrechtelijke procedure opgestart.

De Fransen noemen dit « l'inversion du contentieux ». Het bevel gaat vooraf aan een eventueel debat. Het is aan de gedaagde (de beweerde schuldenaar), om de zaak aanhangig te maken bij de rechter. Men kan de vergelijking maken met een gewone verstekprocedure : daagt de verweerder niet op, dan zal hij bij verstek veroordeeld worden. Meent hij dat hij ten onrechte veroordeeld is, dan moet hij de zaak zelf terug aanhangig maken bij de rechter door verzet aan te tekenen.

De meest bekende (en geïmiteerde) bevelprocedures komen uit Frankrijk en Duitsland. In Frankrijk is er « la procédure d'injonction de payer », en in Duitsland « das Mahnverfahren ».

Daarnaast bestaan er nog heel wat tussenvormen in de Europese lidstaten. Zo bijvoorbeeld in Oostenrijk, waarop dit voorstel vooral geïnspireerd is.

Dit voorstel beoogt dus een aanpassing van de summiere rechtspleging om betaling te bevelen. De hinderlijke kenmerken van de huidige procedure worden opgeheven en heel de procedure wordt aangepast in de geest van de bevelprocedures die ook in andere Europese landen gelden.

Zo wordt de rechtspleging goedkoper, de tussenkomst van een advocaat wordt facultatief, het maximumbedrag wordt afgeschaft, evenals de aanmaning.

Naar het voorbeeld van de Oostenrijkse procedure, wordt ook de vereiste van een geschrift afgeschaft. Een bevelprocedure gaat er immers van uit dat het principe dat de bewijslast bij de eiser ligt « actori incumbit probatio » pas in werking treedt, wanneer de vordering wordt betwist.

Deze procedure heeft ook een invloed op de gerechtelijke achterstand.

Het is belangrijk dat er in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure een onderscheid wordt gemaakt tussen de werkelijk betwiste zaken en de zaken waarin er geen sprake is van een echt rechtsgeschil.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Mahoux onderschrijft de doelstellingen van voorliggend voorstel, namelijk de vereenvoudiging van de rechtspleging, gekoppeld aan een betere inning van de schuldvorderingen.

Het verbaast evenwel dat men voorstelt de aanmaning om te betalen en het deurwaardersexploot, twee stappen die men zet voor men de rechter adieert, af te schaffen. Spreker denkt dat die twee stappen het soms mogelijk maken een regeling te treffen.

Tevens vraagt de heer Mahoux zich af of het verantwoord is niet langer in een maximumbedrag te voorzien voor het toepassen van de procedure van het betalingsbevel. Moet voor een schuld van 500 000 euro dezelfde procedure worden gevolgd als voor een schuld lager dan 1 860 euro ?

Ook verrast het spreker dat het voorstel de rechter niet meer toestaat betalingstermijnen toe te kennen. Hoe zal men anderzijds de nieuwe procedure van het betalingsbevel aansluiting doen vinden bij de bemiddelingsprocedure ? Bij overmatige schuldenlast wordt immers regelmatig een beroep gedaan op de bemiddelingsprocedure.

De heer Swennen twijfelt niet aan de nobele doelstellingen van de indienster van voorliggend wetsvoorstel, maar moet bij de analyse van de toelichting tegelijkertijd enkele elementen vaststellen die deze doelstellingen in vraag stellen of relativeren.

Ten eerste vindt spreker het evident dat men tracht iets te doen aan de betalingsachterstand, om aldus de rem op de groei van KMO's tegen te gaan. Uiteraard is het ook een goede doelstelling dat men tot een snelle en efficiënte invordering van onbetwiste schuldvorderingen wil overgaan.

Nochtans verwijst spreker naar het antwoord op 27 september 2001 van de minister van Justitie op de vraag van de heer Steverlynck (vraag nr. 1566 — Senaat, 2001-2002) in verband met artikel 5, eerste lid, van de richtlijn van 29 juni 2000 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden, waarbij hij stelde dat het in België doorgaans mogelijk is om binnen de negentig dagen een uitvoerbare titel te bekomen en dat het aldus op dat moment geen prioriteit vormde om artikel 1338 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de summiere rechtspleging aan te passen.

Spreker is verder van oordeel dat men inmiddels al een stap vooruit is in de accurate behandeling van schuldvorderingen en meent dat de nood veel minder acuut is geworden. Aldus moet men voorzichtig omspringen met draconische regelingen die een aantal juridische principes overboord gooien.

Ten tweede is het ongetwijfeld een nobele doelstelling de knelpunten van de bestaande summiere rechtspleging te evalueren en te verbeteren. Hier valt men echter in een ander uiterste. Men gaat immers van een zachte en voorzichtige vorm van vlotte invordering naar een hard en onvoorzichtig invorderingsmechanisme. Waar spreker voorstander is van de afschaffing van de verplichte tussenkomst van een advocaat, uit hij daarentegen wel enige terughoudendheid betreffende de afschaffing van het maximumbedrag, de opheffing van de voorafgaande aanmaning en afschaffing van de vereiste van een geschrift. Wat dit laatste betreft, heeft spreker twijfels over de voldoende garantie van een factuur dat het om een onbetwiste vordering gaat.

In de toelichting wordt gesteld dat het principe dat de bewijslast bij de eiser ligt pas in werking treedt wanneer de vordering wordt betwist. Spreker is daarentegen van mening dat de realiteit vaak zal uitwijzen dat het adagium « actori incumbit probatio » voor de zwakkere bevolkingslagen niet enkel wordt uitgesteld, maar ook wordt afgeschaft. Spreker verwijst naar artikel 1342§ 2 en de bijzondere ingewikkelde procedure, waarbij de modale schuldenaar wordt overstelpt met een reusachtige papierwinkel.

Spreker verwijst ten slotte naar de doelstelling te vermijden dat de schuldenaar erop speculeert dat de schuldeiser zou worden ontmoedigd door te hoge gerechtskosten. Dit strookt niet helemaal met de realiteit. De modale schuldenaar speculeert niet en heeft weinig zicht op de kosten van een procedure tot invordering.

Spreker besluit dat voorliggend wetsvoorstel al te zeer is geconcipieerd vanuit de hoek van de schuldeiser. De rechtsbescherming van de schuldenaar wordt hierbij als irrelevant beschouwd. Waar is de garantie dat het wel degelijk om een onbetwiste vordering gaat ? Waar blijft de link met de schuldbemiddeling, en het verschil tussen niet willen en niet kunnen betalen ? Op welke wijze wordt rekening gehouden met de inperking van het al te vlot verlenen van consumentenkrediet ? Wordt dit niet juist aangemoedigd ? En waar vindt men ten slotte de mogelijkheid van de rechter de schuldvordering eventueel te protocolleren, door bijvoorbeeld hoge dwangsommen te schrappen ?

Spreker is geen voorstander van het voorliggende wetsvoorstel, althans niet in zijn huidige vorm.

De heer Delpérée steunt het idee een betalingsbevel in het Gerechtelijk Wetboek in te voeren. Dat was trouwens een onderdeel van het verkiezingsprogramma van zijn partij. Het is immers wenselijk de rechtspleging te vereenvoudigen en de snelle invordering van onbetwiste of moeilijk betwistbare schuldvorderingen mogelijk te maken. Dergelijke procedure bevordert het goede verloop van handelstransacties en maakt het bovendien mogelijk bepaalde vormen van gerechtelijke achterstand te bestrijden.

Spreker stelt overigens vast dat voorliggend voorstel de rechten van de verdediging in voldoende mate beschermt, aangezien de schuldvordering onbetwist, zeker en vaststaand, enz. moet zijn. Men dient de documenten over te leggen die het bestaan van de schuldvordering bewijzen. De schuldenaar blijft de verweerder, aangezien de bewijslast bij de schuldeiser ligt.

Voorliggend voorstel neemt de tekst over van voorstel nr. 51-1215/001, dat op 16 juni 2004 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend. Sindsdien is de juridische context evenwel gewijzigd. verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 heeft een Europese procedure inzake betalingsbevelen ingevoerd. Die verordening treedt in werking op 12 december 2008. Moet men naar aanleiding van de bespreking van het wetsvoorstel niet nagaan of het overeenstemt met de Europese verordening en voor convergentie tussen beide juridische instrumenten zorgen ?

Vervolgens maakt de heer Delpérée twee specifiekere opmerkingen.

Het voorgestelde artikel 1339, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het verzoekschrift dat de betalingsbevelprocedure inleidt, op straffe van nietigheid een aantal vermeldingen moet bevatten. Dient men geen blijk te geven van meer soepelheid, door de rechter toe te staan de partijen te verzoeken bepaalde onvolkomenheden in het verzoekschrift te verhelpen ?

Het voorstel bepaalt dat voor de procedures waarvan het bedrag niet hoger is dan 1860 euro, het verzoekschrift alleen elektronisch kan worden ingediend. Is dergelijke oplossing momenteel mogelijk ? De wet van 10 juli 2006 betreffende de elektronische procesvoering is immers nog niet van kracht. Er moeten ongetwijfeld praktische problemen worden opgelost, indien men het elektronisch verzoekschrift wil opleggen.

De heer Vandenberghe verwijst naar artikel 6 van het EVRM dat veronderstelt dat men de rechten van verdediging moet kunnen uitoefenen; er kan slechts sprake zijn van een vonnis als een tegensprekelijk debat kan tot stand komen. Voorliggend wetsvoorstel betreft een niet betwiste schuldvordering, terwijl de persoon tot wie het verzoekschrift zich richt niet in de procedure wordt betrokken. Bij een eenzijdig verzoekschrift, bijvoorbeeld in kortgeding, moet men de bijzondere omstandigheden verantwoorden waarom de tegenpartij niet wordt opgeroepen. Benevens het probleem van het personeelskader en de overbelasting van de griffie, laat men in voorliggend geval de rechtbanken, die functioneren als een vorm van incassobureau, authenticiteit verlenen aan facturen.

Spreker uit twijfels bij de invoering van een lineaire maatregel van een dergelijke omvang, gelet op artikel 6 van het EVRM. Welke zijn de specifieke redenen om de uitoefening van de rechten van verdediging om tot een vonnis te komen, opzij te schuiven ? Verder dreigt voorliggende regeling tot een aantal problemen te leiden bij de lagere bevolkingsklassen. Anderzijds is spreker zich wel bewust van de toename van het aantal schuldenaars.

Verder wenst spreker te benadrukken dat voorliggende regeling een bijkomende werkbelasting zou kunnen meebrengen voor de griffies.

Ten slotte dient te worden nagegaan hoe men kan verhinderen dat de schuldenaar te kwader trouw voordeel haalt uit zijn kwade trouw. Spreker verwijst naar de problemen ter zake bij de huurovereenkomsten. Gezien de recente wetgeving is het uiterst moeilijk om tot een uithuiszetting te komen van de de huurder die de huur niet regelmatig betaalt. Valt ook de huurovereenkomst onder de voorgestelde regeling of betreft deze enkel onbetaalde facturen ?

De fundamentele vraag is hoe de verzoeker bij de rechter aantoont dat de factuur niet is betwist. Hoe kan de rechter de verklaring van de schuldeiser dat de factuur niet is betwist evalueren ?

Aangezien het betalingsbevel ook een bijkomende kost met zich meebrengt, dient ook de regeling van de gerechtskosten hier in acht te worden genomen.

Anderzijds weet spreker dat de Europese verordening betreffende de bestrijding van betalingsachterstand moet worden nageleefd.

Men mag echter niet uit het oog verliezen dat het bevel tot betaling reeds vandaag bestaat.

Bovendien rijst de vraag of een vereenvoudigde procedure van het bevel tot betaling, die bijkomende kosten meebrengt, effectief zal leiden tot een grotere recuperatie van het aantal schuldvorderingen. Het debat moet dus ruimer worden gekaderd, en men moet de aspecten van schuldbemiddeling, versnelde inning, rechten van verdediging en kostprijs proberen te verzoenen.

De minister heeft enkele fundamentele vragen bij de verenigbaarheid van voorliggend wetsvoorstel met de inhoud van de verordening (EC) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot uitvoering van een Europese betalingsbevelprocedure. Spreker vraagt beide procedures op elkaar af te stemmen. Het is immers niet de bedoeling een systeem van betalingsbevel naast een ander systeem te creëren, ook al heeft de verordening vooral betrekking op interlandelijke situaties. De zaken moeten worden vereenvoudigd, niet ingewikkelder worden gemaakt.

Een andere vraag betreft het toepassingsgebied van voorliggend wetsvoorstel dat bijzonder ruim is geformuleerd. De omschrijving van het voorgestelde artikel 1338 « elke vordering strekkende tot de betaling van een zekere en vaststaande schuld die een geldsom tot voorwerp heeft » is danig ruim dat ook schulden uit faillissementen, testamenten en tegenover de RSZ onder het toepassingsgebied zouden kunnen vallen. De verordening beperkt zich tot burgerlijke en handelszaken.

Er zijn tevens bedenkingen met betrekking tot de elektronische procedure. Men moet rekening houden met het feit dat heel wat personen nog geen toegang hebben tot de elektronische infrastructuur. In de verordening wordt bijvoorbeeld bepaald dat het verzoek moet worden ingediend door middel van een papieren drager of eenders welk ander communicatiemiddel, inclusief langs elektronische weg.

Los van een aantal punctuele bedenkingen, besluit de minister dat het wellicht is aangewezen een consistent voorstel op te stellen dat de verordening voldoende omvat, zodat er geen nieuwe complicerende elementen ontstaan en het betalingsbevel op een uniforme wijze wordt geregeld.

Mevrouw Taelman wijst erop dat de voorgestelde procedure van betalingsbevel reeds geldt en werkt in de meeste Europese landen (Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk). Men kan nochtans niet zeggen dat de rechtsbescherming van de -sociaal zwakkere- burger, in deze landen onbestaand is.

Anderzijds begrijpt spreekster wel de vrees voor het ongekende, aangezien men in ons recht steeds met andere procedures heeft gewerkt. Aldus belast men de rechtbanken al te vaak met zaken die zelfs niet voor de rechter hoeven te komen. De voorgestelde regeling zal dus op proceseconomisch vlak zeker een stap vooruit betekenen.

Ook economisch is de regeling interessant, aangezien men hiermee veel faillissementen en de daaruit voortvloeiende werkloosheid zal voorkomen. Men zal verhinderen dat de schulden aldus al te veel worden afgewenteld op de Staat. De schuldenaars wachten al te vaak met betalen tot op het ogenblik dat ze er werkelijk toe verplicht worden.

Verder kan men niet om de vaststelling heen dat het huidige systeem niet werkt. Ook de Europese Commissie heeft duidelijk geopteerd voor de afschaffing van de vereiste van een schriftelijk bewijs.

Wat de voorafgaande aanmaning betreft, stipt spreekster aan dat dit niet wordt belet door de voorgestelde regeling. Een aanmaning kan nog steeds en zal ook in de meeste gevallen plaatsvinden. De kostprijs van een aanmaning is immers steeds kleiner dan de last van een verzoekschrift voor de rechtbank.

Op de vraag waarom men niet opteert voor een dagvaarding, onderlijnt spreekster dat de vorige minister van Justitie zich steeds heeft geprofileerd als voorstander van het verzoekschrift. Dagvaardingen moesten zo veel mogelijk worden beperkt. Hier gaat het om een eenzijdige procedure, zodat een verzoekschrift vanzelfsprekend is.

Wat de hoegrootheid van de vordering betreft, is discussie mogelijk. Als de rechter enigszins twijfelt en meent dat er niet voldoende duidelijkheid bestaat, kan hij uiteraard nog steeds het verzoek afwijzen. De schuldeiser zal dan terugvallen op de gemeenrechtelijke procedures.

De angst voor de sociaal zwakkere is niet gegrond, aangezien de bestaande systemen, zoals de schuldbemiddeling of de mogelijkheid voor de rechter betalingstermijnen toe te staan, blijven bestaan.

Indien buitensporige schadebedingen of dwangsommen zijn bepaald in een contract, kan de rechter deze ook in voorgestelde procedure verminderen. Er is een modelformulier bij de verordening gevoegd, en dit wordt ook aan de Koning gevraagd in het wetsvoorstel, waarbij duidelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen het bedrag van de vordering, de interesten en de schadevergoeding.

Spreekster begrijpt niet in hoeverre voorliggend wetsvoorstel niet verenigbaar zou zijn met de Europese verordening. Het wetsvoorstel is immers juist gebaseerd op het Oostenrijkse systeem dat de inspiratie vormde voor de verordening. Spreekster ziet slechts drie divergenties. De verordening geeft de rechter de mogelijkheid om aanvullingen te vragen, terwijl het wetsvoorstel hierin dit niet voorziet. Tevens is de consignatie niet voorzien in de Europese verordening. Ten slotte bepaalt artikel 7.3 van de verordening dat de verzoeker in het verzoek een verklaring dient af te leggen dat de verstrekte inlichtingen naar zijn weten waarheidsgetrouw zijn en erkent dat het opzettelijk afleggen van een valse verklaring aanleiding kan geven tot passende sancties naar het recht van de lidstaat van oorsprong.

Spreekster is bereid tot discussie om bovenstaande punten eventueel in te lassen in haar wetsvoorstel.

Spreekster stipt aan dat er ook in vorige legislatuur reeds andere wetsvoorstellen met hetzelfde voorwerp werden ingediend in de Senaat. Zij verwijst naar een wetsvoorstel ter zake van de heer Steverlynck.

Wat het toepassingsgebied betreft, erkent spreekster dat dit in de Europese verordening zeer duidelijk wordt omschreven. Ook voorliggend wetsvoorstel doelt voornamelijk op handelszaken en burgerlijke zaken. Het lijkt spreekster logisch dat noch faillissementen, noch testamenten, noch sociale zekerheidsschulden, noch vorderingen uit niet contractuele verbintenissen hier worden geviseerd. Spreekster heeft geen probleem het wetsvoorstel op dat vlak aan te passen aan de omschrijving van artikel 2.2 van de verordening.

Ook de elektronische indiening geeft aanleiding tot een interessante discussie. Op het vlak van de globale informatisering verwijst spreekster naar het Phenix-project, waarvan is afgestapt. Wel is er een institutioneel kader voorhanden en bestaat op het niveau van de vredegerechten en proefprojecten de zogenaamde mammoetsoftware die tot ieders tevredenheid functioneert (zie proefproject Torhout).Dit voorstel is misschien een ideale manier om voortgang te maken met een stapsgewijze informatisering van het gerecht en de griffies door de elektronische procedures heel wat werk te besparen. Uiteraard is spreekster bereid te debatteren over een eventueel afstappen van de elektronische indiening.

De heer Van Parys vindt voorliggend initiatief interessant omwille van het feit dat men sowieso een systeem zal moeten vinden waarbij een snelle en efficiënte invorderingsprocedure voor onbetaalde schuldvorderingen wordt tot stand gebracht. Uiteraard dient deze te voldoen aan de Europese normen ter zake. De betalingsachterstand vormt een gigantisch probleem en is voor niemand positief. Als men de omvang van de schuld tegensprekelijk heeft vastgesteld, hebben alle partijen belang bij een snelle afhandeling van deze schuld op een of andere wijze, eventueel ook door vaststelling van onvermogen of via schuldbemiddeling. Niemand heeft baat bij een lang aanslepende procedure. Eens de schuld vaststaat weet iedereen best waar hij juist staat. Het is dus geen oplossing om voorliggend wetsvoorstel naar de Griekse kalender te verwijzen. De commissie zou in staat moeten zijn om een degelijke procedure tot betalingsbevel uit te werken die tegemoetkomt aan de geformuleerde opmerkingen.

De heer Mahoux denkt dat wanneer men wil wachten tot men alles geregeld heeft, men uiteindelijk niets meer regelt. Hij stelt voor dat de commissie zich bij haar werkzaamheden laat leiden door de krijtlijnen die door de Europese verordening zijn uitgezet.

Spreker maakt van het debat gebruik om te herinneren aan de problemen van vele overheden die — wegens hun specifieke procedures — niet in staat zijn de standaard betalingstermijnen in acht te nemen waarin de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties voorziet. Op die manier zien heel wat lokale overheden zich gedwongen hoge nalatigheidsintresten te betalen, terwijl ze niet verantwoordelijk zijn voor de laattijdige betaling van hun schulden.

Mevrouw Taelman stelt vast dat er blijkbaar een consensus bestaat om over voorliggend thema te praten en ook werkelijk iets te doen. Spreekster stelt een reflectietermijn voor, en in samenspraak met hde regering de divergenties aan te duiden. Achteraf kan dan de discussie worden voortgezet.

De minister herhaalt zijn bereidheid om een betalingsbevel in te voeren, op voorwaarde dat men convergent blijft met de Europese verordening.

Harmonisering met de Europese verordening is nodig. Wat de informatisering van de rechtbanken betreft, zijn er inderdaad stappen ondernomen, maar dit is geen absolute prioriteit, aangezien het de rechtbanken vaak ook ontbreekt aan meer primaire zaken.

De heer Vankrunkelsven besluit dat de commissie wel enkele fundamentele bezwaren uit tegen het voorliggende wetsvoorstel maar dat anderzijds duidelijk blijkt dat er nood is aan een snelle en doeltreffende procedure van afhandeling van de schuld. Spreker stelt voor dat de indienster haar tekst aanpast, in overleg met het kabinet en de federale overheidsdienst Justitie.

De heer Vandenberghe vraagt of de regering overweegt een wetsontwerp in te dienen over het betalingsbevel.

De minister antwoordt ontkennend aangezien de verordening directe werking heeft vanaf 12 december 2008.

De heer Vandenberghe stipt aan dat de verordening wel geldt voor internationaal betalingsverkeer. Voor plaatselijk betalingsverkeer zou men eventueel wel andere bijkomende voorwaarden kunnen inroepen (voorbeeld voorafgaande aanmaningen).

De heer Van Parys blijft erbij dat een systeem voor snelle afhandeling moet worden gevonden. Men heeft immers vaak te maken met een duidelijke factuur die onbetaald blijft.

Mevrouw Taelman verwijst naar een artikel in het RDWP uit 2004, waar een Nederlandse docent stelt dat men in België in ieder geval de toegang tot de rechter zal moeten aanpassen, in die zin dat er een rechtstreekse toegang tot de griffie komt zonder voorafgaande aangetekende aanmaning.

De heer Vandenberghe meent dat men rekening moet houden met het feit dat procedures kunnen worden misbruikt. Dat men zichzelf eenzijdig een uitvoerbare titel kan verschaffen is een enorme verschuiving van de rechtscultuur. Als men het eenzijdige betalingsbevel inlast, moet men het nodige respect hebben voor de rechten van de verdediging en de nodige waarborgen inlassen.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 1

Amendementen nrs. 1 en 43

Mevrouw Taelman dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 4-139/2) dat ertoe strekt het cijfer « 78 » te vervangen door het cijfer « 77 ». Inderdaad houdt het voorstel ook wijzigingen in van de bevoegdheden van hoven en rechtbanken.

De commissie merkt op dat het wetsvoorstel zowel bepalingen inhoudt die een aangelegenheid betreffen als bedoeld in artikel 77 (artikelen 2,3 en 4), als bepalingen die een aangelegenheid betreffen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Dientengevolge zal het wetsvoorstel dienen te worden gesplitst. Mevrouw Taelman dient daartoe amendement nr. 43 in (stuk Senaat, nr. 4-139/3), cf. infra, en amendement nr. 1 wordt ingetrokken.

Artikel 2 (art. 2 van de aangenomen tekst, Stuk Senaat, nr. 4-139/8)

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt, noch amendementen ingediend.

Artikel 3 (art. 3 van de aangenomen tekst, Stuk Senaat, nr. 4-139/8)

Amendement nr. 2

Mevrouw Taelman dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 4-139/2) dat ertoe strekt, in de inleidende zin, de woorden « 1 september 2004 » te vervangen door de woorden « 10 mei 2007 ». Dit is inderdaad de laatste wijziging van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 4 (art. 4 van de aangenomen tekst, Stuk Senaat, nr. 4-139/8)

Amendement nr. 17

Amendement nr. 17 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr; 4-139/3) heeft dezelfde strekking als amendement nr. 2 van mevrouw Taelman teneinde de laatste wijziging van het Gerechtelijk Wetboek aan te duiden.

Amendement nr. 33

Dit amendement van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/3) strekt ertoe het woord « woonplaats » te vervangen door het woord « hoofdverblijfplaats », wat juridisch correcter is.

Artikel 5 (art. 2 van de aangenomen tekst, stuk Senaat, nr. 4-139/8)

Artikel 1338

Amendementen nrs. 3 en 18

Mevrouw Taelman dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 4-139/2), waarvan zij enkel littera A behoudt dat ertoe strekt in het opschrift van het voorgestelde hoofdstuk XV, het woord « betalingsbevel » te vervangen door het woord « betalingsbevelprocedure ».

Littera B, C en D worden ingetrokken ten voordele van amendement nr. 18 van de heer Van Parys cs. (stuk Senaat, nr. 4-139/3), dat het toepassingsgebied van de betalingsbevelprocedure beperkt tot vorderingen die een schuld tot voorwerp hebben die zeker, vaststaand en opeisbaar is op het moment dat de vordering wordt ingesteld, en dit naar analogie met artikel 1415, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek en met de Europese verordening betreffende de Europese betalingsbevelprocedure.

Artikel 1338bis (nieuw)

Amendement nr. 19

De heer Van Parys c.s. dienen amendement nr. 19 in (stuk Senaat, nr. 4-139/3) dat ertoe strekt, naar analogie met artikel 2 van de Europese verordening betreffende de Europese betalingsbevelprocedures, het toepassingsgebied te beperken tot burgerlijke en handelszaken. Ook fiscale zaken, douanezaken, bestuursrechtelijke zaken, de aansprakelijkheid van de Staat, de vermogensrechtelijke gevolgen van huwelijken en soortgelijke relaties, erfenissen, schenkingen en testamenten, het faillissement, het gerechtelijk akkoord, de collectieve schuldenregeling en andere soortgelijke procedures en de sociale zekerheid worden geweerd uit het toepassingsgebied.

Ten slotte worden in beginsel ook vorderingen uit niet-contractuele verbintenissen geweerd, mits de vermelde uitzonderingen.

De heer Swennen uit bezwaar tegen de woorden « andere soortgelijke relaties » en « andere soortgelijke procedures ». Wat betekent dit juist ? Spreker meent dat deze containerbegrippen rechtsonzekerheid creëren.

De heer Van Parys antwoordt dat deze terminologie is overgenomen uit de Europese verordening.

De heer Vandenberghe wijst erop dat de Europese verordening immers moeilijk alle mogelijke procedures kan aanduiden in de verschillende lidstaten met betrekking tot het faillissement. Tevens wil de wet ook rekening houden met eventuele latere casuïstische wetswijzigingen, die aldus automatisch onder het toepassingsgebied kunnen vallen.

De heer Vankrunkelsven meent dat het doel van het amendement duidelijk is. Men wil het toepassingsgebied beperken tot burgerlijke zaken en handelszaken.

De heer Swennen verwijst naar de term « soortgelijke relaties ». Bedoelt men hier niet duidelijk wettelijke samenwoning ? Of vallen vormen van feitelijke samenwoning ook onder het toepassingsgebied ?

De heer Vandenberghe is er zich van bewust dat feitelijke samenwoning bepaalde rechtsgevolgen kan creëren en dat er onverdeeldheid kan bestaan. Het kan echter niet de bedoeling zijn hier alle vormen van eventuele feitelijke onverdeeldheid te vatten.

De heer Swennen haalt het voorbeeld aan van een onderhoudsvordering.

De heer Vandenberghe antwoordt dat een onderhoudsvordering onder het vermogen valt. Het vermogen houdt immers goederen in en vorderingen.

Spreker wijst erop dat de terminologie is overgenomen uit de Europese verordening, die in ieder geval rechtstreeks toepasselijk zal zijn in het Belgisch recht eind december 2008.

Amendement nr. 36

De heer Swennen blijft van mening dat het gebruik van containerbegrippen rechtsonzekerheid creëert. Spreker stelt voor het woord « soortgelijke relaties » te vervangen door het woord « wettelijke samenwoning ». Tevens kunnen de woorden « soortgelijke procedures » worden geschrapt. Hij dient hiertoe het amendement nr. 36 in (stuk Senaat, nr. 4-139/4).

De heer Vandenberghe blijft erbij dat dit amendement niets oplost. In ieder geval wordt de Europese verordening toepasselijk en deze hanteert de in het amendement nr. 19 gebruikte terminologie.

De heer Mahoux merkt op dat een verordening toch voor interpretatie vatbaar is waardoor lidstaten ze op een verschillende manier kunnen toepassen.

De heer Collignon vraagt zich af waarom een wet noodzakelijk is als de verordening rechtstreeks toepasselijk is.

De heer Vandenberghe antwoordt dat de Europese verordening van toepassing is op grensoverschrijdende schuldvorderingen. Het is beter de regeling van schuldvorderingen met een binnenlands karakter af te stemmen op de regeling van schuldvorderingen met een buitenlands karakter. Het is beter dat het statuut van schuldvorderingen hetzelfde is, waar de schuldenaar ook verblijft.

De heer Vankrunkelsven is van oordeel dat het amendement van de heer Swennen het voordeel van de duidelijkheid biedt.

De heer Vandenberghe werpt op dat de tekst van de Europese verordening duidelijk relaties beoogt die vergelijkbaar zijn met het huwelijk, dus geen feitelijke relaties.

Mevrouw Taelman voegt eraan toe dat er voor het ogenblik in ons recht inderdaad geen andere soortgelijke relaties dan het huwelijk bestaan als de wettelijke samenwoning. Spreekster opteert ervoor de tekst van het wetsvoorstel zoveel mogelijk te aligneren op de tekst van de Europese verordening.

De minister wijst erop dat dat de woorden « soortgelijke procedures » vaak terugkomen in wetgevingen die de omzetting van een verordening of richtlijn bewerkstelligen. Het gaat inderdaad om een ruim begrip, maar biedt het voordeel dat de betreffende wet niet steeds moet worden gewijzigd als er andere procedures of andere relaties in de wet worden ingevoerd.

De heer Mahoux meent dat de zaken vrij duidelijk zijn. De wet regelt slechts vermogensrechtelijke gevolgen voor gehuwden en wettelijk samenwonenden. Beide vormen vallen buiten de summiere rechtspleging om betaling te bevelen. Buiten die twee gevallen doen burgers wat ze willen. Een uitbreiding van het amendement door verwijzingen naar het familierecht, zou alles slechts ingewikkelder worden. Daarom verkiest spreker het te houden bij het eerste amendement, dat ertoe strekt « soortgelijke relaties » te vervangen door « wettelijke samenwoning ».

Zo hoeft de rechter ook niet meer te oordelen over wat er binnen het toepassingsgebied van de wet valt en wat niet.

Artikel 1339, § 2

Amendement nr. 4

Mevrouw Taelman dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 4-139/2) dat ertoe strekt het woord « modelformulier » te vervangen door het woord « standaardformulier-verzoek » en het woord « voornaam » telkens te vervangen door het woord « voornamen ».

Het gebruik van het begrip standaardformulier gevolgd door de te ondernemen actie komt de duidelijkheid van het voorstel ten goede.

Gelet op het feit dat personen meerdere voornamen kunnen hebben, is het aangewezen het meervoud te gebruiken.

Amendementen nrs. 20, 35, 5 en 34

Amendement nr. 20 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat nr. 4-139/3) strekt ertoe dat in voorkomend geval ook de naam, de voornaam, de woonplaats en de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordigers van de schuldenaars moeten worden meegedeeld.

Mevrouw Taelman dient een subamendement in (stuk Senaat, nr. 4-139/3, amendement nr. 35) dat het woord « voornaam » vervangt door het woord « voornamen », het woord « woonplaats » vervangt door het woord « hoofdverblijfplaats », wat een correctere terminologie is, en ook de vermelding van het uniek ondernemingsnummer verplicht.

De amendementen nrs. 5 (stuk Senaat nr. 4-139/2) en 34 (stuk Senaat nr. 4-139/3) van mevrouw Taelman worden ingetrokken.

De heer Delpérée gaat akkoord met de oplossing die door mevrouw Taelman wordt voorgesteld, maar vraagt om na te gaan hoe de tekst op wetgevingstechnisch vlak correct geformuleerd kan worden. Er kunnen in een wettekst immers geen haakjes en verschillende formuleringen staan.

Er wordt ervoor geopteerd overal de meervoudsvorm te gebruiken.

De heer Collignon vraagt of er een getuigschrift van woonplaats moet worden verstrekt door de betrokken persoon, om zeker te zijn dat hij op het juiste adres werd bereikt.

Mevrouw Taelman verwijst naar de verantwoording van haar amendement nr. 32 dat ertoe strekt artikel 1339, § 3, te doen vervallen, omwille van de administratieve vereenvoudiging. De hoofdverblijfplaats kan worden geconsulteerd in het Rijksregister, waartoe de griffies toegang hebben. De burger verplichten dit gegeven toe te voegen is in strijd met het only-once principe.

De heer Collignon vraagt wat er in de praktijk zal gebeuren als de griffie de beslissing naar een verkeerd adres stuurt. Een minimum aan zekerheid lijkt onontbeerlijk.

Mevrouw Taelman ziet geen verschil met de huidige situatie. Iedere Belg is verplicht zich in te schrijven in de bevolkingsregisters en de griffie heeft toegang tot het Rijksregister.

De heer Collignon herinnert eraan dat het om een eenzijdige procedure gaat waardoor extra voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen.

De heer Mahoux benadrukt dat de beschikking, die niet tegensprekelijk is, betekend moet worden waardoor de schuldenaar verzet kan doen. Het is dus van fundamenteel belang dat men de garantie heeft dat men de schuldenaar wel degelijk heeft kunnen bereiken.

Mevrouw Taelman onderstreept dat het attest niet moet worden bijgevoegd, omdat de griffie rechtstreeks toegang heeft tot de betreffende gegevens in het Rijksregister, dat zeer betrouwbaar is. De betekening is een andere regeling (zie amendement nr. 28).

Amendement nr. 21

De heer Van Parys c.s. dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat, nr. 4-139/3) dat duidelijk stelt dat het verzoekschrift, in voorkomend geval, ook de handtekening van de wettelijke vertegenwoordigers moet bevatten.

Amendement nr. 22

De heer Van Parys c.s. dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat, nr. 4-139/3), dat artikel 1339, § 2, wil aanvullen met een 8º waarin wordt bepaald, naar analogie met de Europese verordening, dat in het verzoekschrift een verklaring van de verzoeker wordt opgenomen waarin hij stelt dat de door hem verstrekte inlichtingen waarheidsgetrouw zijn en waarin hij erkent dat het opzettelijk afleggen van een valse verklaring aanleiding kan geven tot strafrechtelijke sanctionering.

De heer Swennen vindt de termen « aanleiding kan geven tot strafrechtelijke sanctionering » niet voldoende duidelijk. Zou men hier niet beter het misdrijf, namelijk de valsheid in geschriften, benoemen. Waarom vermeldt men hier trouwens het woord « kan » ?

De heer Delpérée stelt zich dezelfde vragen als de heer Swennen. Waartoe dient het de betrokkene te laten erkennen dat, als hij een overtreding begaat, hij kan gesanctioneerd worden ? En wat gebeurt er als hij dat niet doet ? De wet blijft toch van toepassing.

De heer Swennen verwijst naar de algemene bespreking en meer bepaald naar zijn bezwaar tegen de precaire situatie waarin men hier terechtkomt. Men verschuift eigenlijk het beginsel actori incumbit probatio en acht de voorlegging van een factuur voldoende.

Juist om deze redenen is het eenzijdig stuk waarop de schuldeiser zich baseert uiterst belangrijk en moet dit betrouwbaar zijn. Waarom dan niet eenvoudig stellen dat het verstrekken van verkeerde inlichtingen strafbaar is ? Als er in de Europese verordening vermeldingen staan die manifest tegenstrijdig zijn met het positief recht of rechtsonzekerheid creëren, moeten deze uiteraard niet letterlijk worden overgenomen.

Het lijkt de heer Vankrunkelsven evident dat de verordening niet letterlijk dient te worden overgenomen.

De minister voegt eraan toe dat de verordening gericht is op het grensoverschrijdend betalingsverkeer tussen de verschillende lidstaten, dus op de situatie waarbij één van de partijen in een andere lidstaat woont. Hier regelt men het Belgisch betalingsverkeer. Een letterlijke overname is niet verkeerd, maar niet verplicht.

De heer Van Parys meent dat zijn amendement een meerwaarde heeft. Het gaat om een eenzijdige procedure en het belang van de juistheid van de gegevens is dus vrij groot. De persoon die de procedure van betalingsbevel indient moet worden geresponsabiliseerd en het is niet overbodig in te schrijven dat het intentioneel verstrekken van onjuiste gegevens aanleiding kan geven tot strafrechtelijke sanctionering.

De heer Delpérée merkt op dat dit betekent dat alle wetgevingen die een dergelijke bepaling niet vermelden, de overtreder niet aansprakelijk zouden stellen voor een overtreding.

De heer Mahoux gaat akkoord met die opmerking.

Amendement nr. 38

Amendement nr. 38 van de heer Swennen (stuk Senaat, nr. 4-139/4) stelt een strengere formulering voor van de verklaring van de verzoeker op het standaardformulier, wat ongetwijfeld een preventieve impact zal hebben met betrekking tot mogelijke misbruiken.

Amendementen nrs. 39 en 42

Amendement nr. 39 van de heer Swennen (stuk Senaat, nr. 4-139/4) strekt ertoe misbruiken van de procedure door de schuldeiser streng aan te pakken en aldus de mogelijkheid te geven aan de rechter in elke stand van het geding het verval van de schuldvordering uit te spreken, indien hij vaststelt dat verkeerde inlichtingen worden verstrekt.

Mevrouw Taelman vindt deze toevoegingen overbodig. Het spreekt voor zich dat de rechter de bevoegdheid heeft de juistheid van de inlichtingen te onderzoeken en een eventueel verval uit te spreken.

De heer Swennen meent dat zijn amendementen de invulling zijn van wat er in de Europese verordening staat. Spreker meent dat behoedzaamheid is aangewezen aangezien het betalingsbevel een bijzonder snel en volkomen nieuw invorderingsmechanisme vormt.

De heer Vankrunkelsven stipt aan dat het amendement nr. 39 van de heer Swennen verder gaat dan het amendement nr. 22 van de heer Van Parys en dan de Europese verordening. Er wordt een soort injunctierecht verleend aan de rechter die in elke stand van het geding het verval van de schuldvordering kan uitspreken.

Mevrouw Taelman stipt aan dat het amendement van de heer Van Parys de letterlijke overname is van de desbetreffende tekst van de Europese verordening.

Mevrouw Matz kondigt aan dat er een amendement is ingediend (zie hieronder, amendement nr. 42) dat ertoe strekt de woorden « en de erkenning van de verzoeker dat het opzettelijk afleggen van een valse verklaring aanleiding kan geven tot strafrechtelijke sanctionering » te doen vervallen, aangezien zij overbodig lijken in het licht van de reeds bestaande bepalingen van het Strafwetboek.

De heer Swennen onderstreept dat niet elke fout wordt geviseerd, maar enkel het bewust verstrekken van verkeerde inlichtingen.

De heer Delpérée dient een subamendement in op amendement nr. 22 (stuk Senaat, nr. 4-139/4, amendement nr. 42), teneinde de woorden « en de erkenning van de verzoeker dat het opzettelijk afleggen van een valse verklaring aanleiding kan geven tot strafrechtelijke sanctionering » te doen vervallen.

De heer Vankrunkelsven besluit dat amendement nr. 22 van de heer Van Parys cs de tekst overneemt van de Europese verordening. Het amendement van de heer Swennen gaat verder en is strenger, terwijl de heer Delpérée meent dat het onnodig is een erkenning te laten ondertekenen waarin staat dat een opzettelijk valse verklaring aanleiding kan geven tot strafrechtelijke sanctionering.

De heer Vandenberghe werpt op dat het niet zo vanzelfsprekend is is dat onjuiste verklaringen in juridische stukken strafbaar zijn als valsheid in geschrifte. Spreker haalt het voorbeeld aan van onjuiste verklaringen in conclusies. Er is slechts sprake van valsheid in geschrifte als de betreffende akte zich aan de openbare geloofwaardigheid opdringt. Indien men de strafbaarstelling preciseert, betekent dit dat men afwijkt van het gemeen recht en het betalingsbevel wil koppelen aan strengere voorwaarden dan een dagvaarding of conclusie.

De heer Collignon vraagt aan welke straffen men zich blootstelt wanneer men een valse verklaring aflegt. Welk artikel van het Strafwetboek is in dat geval van toepassing ?

De heer Vandenberghe antwoordt dat het om valsheid in geschrifte gaat.

De heer Mahoux vraagt zich af hoe men een verzoekschrift tot vaststelling van de opeisbaarheid van een schuldvordering kan indienen en hierover een rechterlijke beslissing kan verkrijgen, als men geen stukken voorlegt die bewijzen dat de schuld bestaat. Als het om een valse verklaring gaat, betekent dat dat ze op een vals document slaat. Het gaat dus om gebruik van valsheid in geschrifte, wat op zich al strafbaar is volgens het Strafwetboek.

De heer Vandenberghe werpt op dat het probleem veel ingewikkelder is. De eiser legt de stukken voor die hij wil en kan bepaalde stukken inhouden. Door een omstandig zwijgen kan hij de indruk wekken dat de vordering eisbaar is. De vermelding dat het opzettelijk afleggen van een valse verklaring aanleiding kan geven tot strafrechtelijke sanctionering is een bijzondere waarschuwing voor de schuldeiser die de betalingsbevelprocedure wil hanteren.

De heer Vankrunkelsven vraagt, zoals een vorige spreker, wat dan juist de sanctie is.

Mevrouw Taelman stelt voor eventueel te verwijzen naar de artikelen met betrekking tot valsheid in geschrifte in het Strafwetboek.

Mevrouw Matz vraagt zich af welke sanctie er verbonden is aan het niet voorleggen van de stukken, als geopperd door de heer Vandenberghe. Men valt dan in ieder geval terug op het gemene recht.

De heer Vandenberghe benadrukt dat de jurisprudentie met betrekking tot valsheid in geschrifte erg ingewikkeld en subtiel is.

De heer Mahoux vreest dat het verwerpen van amendement nr. 42 de indruk kan wekken dat het gemene recht niet van toepassing is. De oplossing waarbij men terugvalt op het gemene recht lijkt interessanter dan een specifieke verwijzing naar valse verklaringen, die verkeerd geïnterpreteerd zou kunnen worden.

Mevrouw Matz vraagt zich af of dit niet alleen geldt voor valsheid in geschrifte, maar ook voor valse getuigenissen.

De heer Mahoux bevestigt dat.

De heer Vankrunkelsven verwijst naar amendement nr. 22.

De heer Vandenberghe herhaalt dat er een onderscheid bestaat met bijvoorbeeld een dagvaarding. Als men dagvaardt terwijl de schuldvordering is betaald, geeft dit geen aanleiding tot strafbaarstelling als valsheid in geschrifte. Als men een betalingsbevel verkrijgt op basis van verkeerde informatie, is dat anders.

De heer Vankrunkelsven besluit dat het voorgestelde amendement nr. 22 dus wel nuttig is.

De heer Swennen dringt aan op een verzwaring van de formulering in de Europese verordening en in het amendement nr. 22. Met zijn amendement nr. 38 wil hij de misbruiken in het betalingsbevel strenger aanpakken.

Amendement nr. 32

Dit amendement van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/3) stelt voor § 3 van het voorgestelde artikel 1339 te schrappen, aangezien de hoofdverblijfplaats kan worden geconsulteerd in het Rijksregister en de griffies toegang hebben tot dat register.

Amendement nr. 7

Amendement nr. 7 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) strekt ertoe ook in dit artikel het woord « modelformulier » te vervangen door het woord « standaardformulier-verzoek ».

Amendementen nrs. 8, 23, 24 en 40

De amendementen nrs 8 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) en 23 van de heer Van Parys c.s.(stuk Senaat, nr. 4-139/3) worden ingetrokken ten voordele van het amendement nr. 24 van de heer Van Parys c.s.

Amendement nr. 24 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr. 4-139/3) vervangt § 5 van het voorgestelde artikel 1339 en is geïnspireerd door artikel 7, vierde lid van de Europese verordening van 12 december 2006. Deze bepaling geeft de eiser de mogelijkheid af te zien van de automatische overschakeling naar de gewone procedure, indien de verweerder verweer voert na de uitvaardiging van een betalingsbevel. De verzoeker kan dit aangeven in het verzoekschrift of in een later stadium, maar in elk geval voordat de beschikking houdende het betalingsbevel is uitgevaardigd.

De heer Collignon vraagt wat er in het Frans wordt bedoeld met « la délivrance de l'injonction de payer » (amendement nr. 24).

De heer Van Parys antwoordt dat men het moment bedoelt waarop de rechter de beschikking houdende betalingsbevel uitvaardigt.

De heer Collignon merkt op dat er in dat geval een woord ontbreekt in de Franse tekst.

Subamendement nr. 40 van de heer Mahoux (stuk Senaat, nr. 4-139/3) op amendement nr. 24 is louter technisch en strekt ertoe de woorden « voordat het betalingsbevel wordt uitgevaardigd » te vervangen door de woorden « voordat de beschikking houdende het betalingsbevel wordt uitgevaardigd ».

Amendementen nrs. 9 en 25

Amendement nr. 9 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) wordt ingetrokken ten voordele van het amendement nr. 25 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr. 4-139/3).

Amendement nr. 25 van de heer Van Parys c.s. heeft betrekking op de behandeling van het verzoek door de bevoegde rechter, naar analogie met artikel 8 van de Europese verordening.

Amendementen nrs. 10 en 26

Amendement nr. 10 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) wordt ingetrokken ten voordele van het amendement nr. 26 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr. 4-139/3).

Amendement nr. 26 van de heer Van Parys c.s. voert een uitzondering in op artikel 1028 van het Gerechtelijk Wetboek waarbij de rechter de mogelijkheid heeft de verzoeker en de tussenkomende partijen in raadkamer op te roepen teneinde de vordering te onderzoeken, en dit om de betalingsbevelprocedure niet onnodig te verzwaren.

Amendementen nrs. 11 en 27

Amendement nr. 11 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) wordt ingetrokken ten voordele van het amendement nr. 27 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr. 4-139/3).

Amendement nr. 27 van de heer Van Parys c.s. brengt, naar analogie met de Europese verordening, de termijn van 15 dagen waarbinnen de rechter uitspraak doet, op 30 dagen, omdat de rechter de verzoeker de mogelijkheid kan geven zijn verzoek aan te vullen of te corrigeren.

De rechter heeft de mogelijkheid het verzoek geheel of gedeeltelijk in te willigen. Indien de schuldeiser niet tevreden is met het gedeelte dat hem is toegestaan, betekent hij het bevel niet en start hij de gewone procedure.

De heer Swennen vraagt naar de sanctie bij niet naleving van deze termijnen.

De heer Van Parys meent dat men niet overal een strafmaat dient te voorzien; het gaat eerder om een element van algemene beoordeling.

De heer Mahoux herinnert eraan dat deze commissie destijds een tekst heeft besproken die sancties inhield voor rechters die hun vonnis niet binnen een bepaalde termijn wezen.

Dezelfde spreker vraagt zich af wat er met het verzoekschrift gebeurt als de rechter er niet binnen 30 dagen op reageert.

De heer Collignon merkt op dat een handelaar die een schuld wil invorderen dat niet via deze procedure zal doen, aangezien de termijn van 30 dagen te lang is. Hij zal veeleer dagvaarden voor een rechtbank van koophandel, waar hij binnen acht dagen een vonnis zal verkrijgen. Het ware trouwens beter geweest als er « uiterlijk binnen 30 dagen » had gestaan. Een termijn van 15 dagen zou een beter signaal geweest zijn.

De heer Vankrunkelsven stipt aan dat de termijn van 30 dagen een maximumtermijn is. Het hoeft niet per se dertig dagen te duren.

De heer Van Parys meent dat 30 dagen een realistische termijn is. Als een aanvulling nodig blijkt, is een verlenging van de termijn noodzakelijk.

Amendementen nrs. 12 en 28

Amendement nr. 12 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) wordt ingetrokken ten voordele van het amendement nr. 28 van de heer Van Parys c.s.

Amendement nr. 28 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr. 4-139/3) verduidelijkt dat de beschikking dient te worden betekend door de verzoeker.

Amendementen nrs. 13 en 29

Amendement nr. 13 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) wordt ingetrokken ten voordele van het amendement nr. 29 van de heer Van Parys c.s.

Amendement nr. 29 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr. 4-139/3) beoogt een eenvormige wijze om verzet aan te tekenen, via het standaardformulier-verzet.

Amendement nr. 30

Dit amendement (stuk Senaat, nr. 4-139/3) laat toe het verzet bij gewone brief ter kennis te brengen aan de schuldeiser. Ook het afschrift van de beschikking kan hem immers per gewone brief worden overgezonden door de griffier.

Amendementen nrs. 14, 31, 37 en 41

Amendement nr. 14 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) wenst artikel 1343, § 1, eerste en tweede lid, te verduidelijken, omwille van de term « volstrekte bevoegdheid ».

Amendement nr. 31 van de heer Van Parys c.s. (stuk Senaat, nr. 4-139/3) heeft dezelfde strekking.

De heer Collignon merkt op dat het verzet wordt aangetekend bij de rechter die de beschikking heeft gewezen. Als hij ze heeft gewezen, betekent dit dat hij zichzelf bevoegd acht. Het Gerechtelijk Wetboek bevat echter ook bepalingen terzake. Wat is dan de zin van de bepaling die in het amendement wordt voorgesteld ?

De heer Delpérée antwoordt dat dit probleem reeds opdook in het wetsvoorstel van mevrouw Taelman.

De commissie meent dat het tweede lid duidelijker wordt geformuleerd in het amendement nr. 14 van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2). De woorden « indien dit niet dezelfde rechter is » geven aanleiding tot verwarring. Aldus wordt amendement nr. 31 ingetrokken ten voordele van amendement nr. 14, zoals gesubamendeerd.

De regering meent dat de woorden « de eis » in amendement nr. 14 beter worden vervangen door de woorden « het verzet ». Mevrouw Taelman dient daartoe amendement nr. 37 in (stuk Senaat, nr. 4-139/3).

De heer Mahoux dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 4-139/4, amendement nr. 41, subamendement op amendement nr. 14) dat ertoe strekt in de Franse tekst van het voorgestelde artikel 1343 de woorden « ressortit à » te vervangen door de woorden « relève de ».

Dit is ook een technisch amendement.

Amendement nr. 15

Dit amendement van mevrouw Taelman (stuk Senaat, nr. 4-139/2) brengt een verduidelijking aan in het eerste lid van het voorgestelde artikel 1344. Gelet op het feit dat de schuldeiser het verzoek moet richten binnen de termijn van één maand na het verstrijken van de verzettermijn, is het verzoek bij aangetekend schrijven dan wel mondeling tegen ontvangstbewijs, om bewijsrechtelijke redenen, aangewezen.

Artikel 6 (art. 3 van de aangenomen tekst, stuk Senaat, nr. 4-139/7)

Over dit artikel worden geen opmerkingen geformuleerd.

Artikel 7 (art. 4 van de aangenomen tekst, stuk Senaat, nr. 4-139/7)

Amendement nr. 16 van mevrouw Taelman wordt ingetrokken

Artikel 8 (art. 5 van de aangenomen tekst, stuk Senaat, nr. 4-139/7 en 8)

Over dit artikel worden geen opmerkingen geformuleerd.


Stemmingen

De commissie beslist over te gaan tot de stemming van de reeds ingediende amendementen, maar de stemming over de artikelen 1, 2 en 4 aan te houden.

Over deze artikelen zal worden gestemd na onderzoek door de dienst Wetsevaluatie van de tekst die voortvloeit uit de stemming van de amendementen 1 tot 42.

Artikel 1

Amendement nr. 1 van mevrouw Taelman wordt ingetrokken.

Artikel 3

Amendement nr. 2 van mevrouw Taelman wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 3 zoals geamendeerd wordt aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 4

De amendementen nrs 17 en 33 van de heer Van Parys c.s. worden aangenomen met 11 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 5

Amendement nr. 3, littera A, van mevrouw Taelman wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 3, littera B tot D, wordt ingetrokken.

Amendement nr. 18 van de heer Van Parys c.s. wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 19 van de heer Van Parys c.s. wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Amendement nr. 36 van de heer Swennen vervalt.

De amendementen nrs. 4 en 35 van mevrouw Taelman en 20 van de heer Van Parys c.s. worden aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

De amendementen nrs. 5 en 34 van mevrouw Taelman worden ingetrokken.

Amendement nr. 6 van mevrouw Taelman wordt aangenomen met 10 stemmen bij 3 onthoudingen.

Amendement nr. 21 van de heer Van Parys c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 42 van de heer Delpérée en mevrouw Matz wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Amendement nr. 22 van de heer Van Parys c.s. wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Amendement nr. 38 van de heer Swennen vervalt

Amendement nr. 32 van mevrouw Taelman wordt aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 23 van de heer Van Parys c.s. vervalt.

Amendement nr. 8 van mevrouw Taelman wordt ingetrokken.

Amendement nr. 40 van de heer Mahoux en het amendement nr. 24 van de heer Van Parys c.s. zoals gesubamendeerd, worden aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 39 van de heer Swennen wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Amendement nr. 9 van mevrouw Taelman wordt ingetrokken.

De amendementen nrs 25, 26 en 27 van de heer Van Parys c.s. worden aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

De amendementen nrs. 10 en 11 van mevrouw Taelman worden ingetrokken.

De amendementen nrs. 28 van de heer Van Parys c.s. en 12 van mevrouw Taelman worden aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 13 van mevrouw Taelman wordt ingetrokken.

De amendementen nrs 29 en 30 van de heer Van Parys c.s. worden aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

De amendementen nrs. 37 van mevrouw Taelman en 41 van de heer Mahoux en het amendement nr. 14 van mevrouw Taelman zoals gesubamendeerd, worden aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 31 van de heer Van Parys c.s. wordt ingetrokken.

Artikel 5 zoals geamendeerd wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 6

Dit artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikel 7

Amendement nr. 16 van mevrouw Taelman wordt ingetrokken.

Artikel 7 wordt aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikel 8

Dit artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 2 onthoudingen.


Mevrouw Taelman verwijst naar de nota van de dienst Wetsevaluatie, die luidt als volgt :

« Enkele opmerkingen bij het ontwerp van de aangenomen tekst (en)

Oorspronkelijk artikel 5

Het voorgestelde artikel 1338bis, tweede lid

Het tweede lid van dit artikel voorziet in twee voorwaarden waaronder de betalingsbevelprocedure kan toegepast worden voor niet-contractuele verbintenissen.

Uit de tekst blijkt niet of het gaat om twee cumulatieve voorwaarden, dan wel om twee alternatieven. De onduidelijkheid kan worden weggenomen door in fine van het eerste gedachtestreepje, na de woorden « schuldbekentenis is », naargelang de bedoeling, de « ; » te vervangen door het woord « en » of het woord « of ».

Het voorgestelde artikel 1339, § 2

— In het 2º is er in het Nederlands sprake van « de identiteit van de bevoegde organen die de rechtspersoon vertegenwoordigen ». In het Frans gaat het over « l'identification des organes compétents qui représentent la société ».

« De identiteit » is niet hetzelfde als « l'identification ». Bovendien hebben « organen » geen identiteit.

Dat verschil komt duidelijk tot uiting in artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de vermeldingen in de dagvaarding regelt en een algemene draagwijdte heeft (1)  :

Art. 703. — Rechtspersonen treden in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen.

Om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding en in elke akte van rechtspleging is het voldoende hun benaming, hun rechtskarakter en hun maatschappelijke zetel op te geven.

De partij tegen wie zodanige akte van rechtspleging wordt ingeroepen, heeft evenwel het recht om in elke stand van het geding te eisen dat de rechtspersoon haar de identiteit meedeelt van de natuurlijke personen die zijn organen zijn.

Het vonnis over de zaak kan worden uitgesteld zolang aan deze vordering niet is voldaan. »

Het betrokken zinsdeel doet nog een tweede probleem rijzen : het spreekt van de identiteit van de bevoegde organen die de rechtspersoon vertegenwoordigen, en mengt aldus twee zaken : de vraag welk orgaan bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen en de vraag welk orgaan de facto de rechtspersoon vertegenwoordigt.

De tekst moet worden herzien, waarbij meerdere alternatieven open staan in functie van de bedoeling :

— ofwel laat men het zinsdeel vallen, en geldt de algemene regel van artikel 703;

— ofwel is het de bedoeling dat het verzoekschrift in elk geval (ambtshalve) de identiteit vermeldt van de (natuurlijke) personen waaruit het orgaan dat namens de rechtspersoon optreedt bestaat;

— ofwel schrijft men voor dat het verzoekschrift zowel aangeeft welk orgaan bevoegd is om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, als de identiteit vermeldt van de natuurlijke personen waaruit het bestaat.

— Het 7º zou moeten worden aangepast waar er nu sprake is van zijn advocaat (son avocat) : het verzoekschrift kan worden ingediend door de verzoeker, door zijn vertegenwoordiger of vertegenwoordigers, door de advocaat van de verzoeker, maar ook door de advocaat van de vertegenwoordigers.

Voorstel :

« 7º de handtekening van de verzoeker of zijn wettelijke vertegenwoordigers of van zijn of hun advocaat. »

— Bij het 8º rijst de vraag naar de draagwijdte van de voorgestelde bepaling, en vooral het tweede gedeelte ervan.

Gaat dat zinsdeel terug op de vraag of valse verklaringen in (inleidende) akten of besluiten in burgerlijke rechtszaken strafrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd ? In elk geval roept de bepaling vragen op. Als dergelijke verklaringen strafrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd, dan hangt dat niet af van een « erkenning » van die mogelijkheid door degene die de verklaringen aflegde. Als dergelijke verklaringen niet kunnen worden gesanctioneerd, dan worden ze ook niet strafbaar na een dergelijke erkenning.

De bepaling moet worden herzien.

Het voorgestelde artikel 1339, § 3 (en andere bepalingen)

De formule « standaardformulier–verzoek » (standaardformulier–verzet, enz.) is geen behoorlijk Nederlands. « Standaard verzoekschriftformulier » (standaard-verzetformulier, enz.) is al veel beter. Nog beter zou zijn het gewoon te houden bij verzoekschriftformulier, verzetformulier, enz. Formulieren zijn, bijna per definitie, vaste of standaarddocumenten.

Het voorgestelde artikel 1339, § 4

— Alhoewel de inspiratiebron van deze bepaling bekend is, rijst de vraag hoe ze past in het wettelijk kader van de procedure zoals geregeld in het voorstel.

Geen enkele bepaling van de nieuwe procedure voorziet in (de mogelijkheid van) een overgang naar « de gewone procedure ». Er wordt ook nergens bepaald dat de schuldenaar die kan vragen. Er wordt evenmin voorzien in een overgang naar de gewone procedure in geval van verzet, tenzij men het voorgestelde artikel 1343, § 1, aldus zou moeten begrijpen (waarover verder meer). Nochtans voorziet dat artikel nergens in een mogelijkheid van verzet tegen de toepassing ervan.

Evenmin wordt ergens bepaald wat de gevolgen zijn en hoe de procedure verder loopt als de schuldeiser gebruik maakt van de mogelijkheid die het voorgestelde artikel 1339, § 4, hem biedt.

Die bepaling zou ook in verband kunnen worden gebracht met het voorgestelde artikel 1341, maar dan is het nut ervan volstrekt onduidelijk omdat dat artikel de keuze al laat aan de verzoeker.

— In ondergeschikte orde : de woorden « aan het gerecht » zijn overbodig; in de Franse tekst is het woord « informer » ongelukkig gekozen.

De woorden « verweer/verzet » in de Nederlandse tekst zijn ruimer dan « opposition » in de Franse tekst.

— In dit stadium van de procedure is er geen sprake van een verweerder (eenzijdig verzoekschrift waarbij de andere partij niet in de zaak wordt betrokken), maar van een schuldenaar of schuldenaars.

Het voorgestelde artikel 1339bis

— Ten gronde

Het is zeer verwonderlijk te lezen dat de rechter om aanvulling of correctie kan vragen als het verzoek onontvankelijk is of ongegrond.

Het is begrijpelijk dat de rechter om aanvulling of toelichting vraagt als bepaalde voorgeschreven vermeldingen ontbreken in het verzoekschrift of als dat formele gebreken vertoont of als hij oordeelt niet over voldoende gegevens te beschikken om met kennis van zaken te kunnen oordelen.

Men ziet echter niet in wat er aan te vullen of te corrigeren valt als de rechter vaststelt dat de vordering niet van die aard is dat zij via de procedure van het betalingsbevel kan worden geformuleerd, of als hij van in den beginne kan vaststellen dat ze ongegrond is.

De aanhef van het artikel is bijgevolg al te laconiek en moet worden verduidelijkt.

— Tekstcorrecties

De rechter onderzoekt de zaak niet op basis van het standaardformulier, maar op basis van het (met behulp van het standaardformulier) geredigeerde verzoekschrift : het woord « standaardformulier–verzoek » moet worden vervangen door het woord « verzoekschrift ».

Het voorgestelde artikel 1339quater

— Er wordt voorgesteld in fine van het eerste lid de uitdrukking « standaardformulier– aanvulling en correctie » te vervangen door de uitdrukking « (standaard)aanvullings- en correctieformulier » (zie de opmerking bij artikel 1339, § 3). Dezelfde opmerking geldt ook voor het tweede lid.

— Er wordt voorgesteld omwille van de logica het tweede en derde lid onderling van plaats te verwisselen. Het huidige derde lid sluit logisch aan bij het eerste lid.

Wat dat derde lid betreft, is het duidelijk dat de griffier niet « een standaardformulier » aan de verzoeker zendt, maar het door de rechter ingevulde formulier. De tekst zou beter luiden als volgt :

« De griffier zendt het formulier (eventueel « het aanvullings- en correctieformulier) bij gewone brief (of bij gerechtsbrief ?) aan de verzoeker ... »

— Voor de verwijzing naar de verzoeker, zijn vertegenwoordigers of zijn of hun advocaat, zie de opmerking bij artikel 1339, § 2, 7º.

Het voorgestelde artikel 1340

— Zoals het tweede lid nu is geredigeerd, lijkt het alsof de rechter mondelinge toelichting kan geven of uitleg kan geven in een afzonderlijk stuk. Moet de toelichting niet in de beschikking zelf staan ? Valt dit niet onder de algemene motiveringsplicht ?

Tekstvoorstel : « Bij gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek geeft de rechter op beknopte wijze de redenen voor die afwijzing aan. »

— Het derde lid is niet duidelijk. Het schijnt te bedoelen dat de termijn van 30 dagen niet wordt verlengd als de rechter om aanvulling of correctie van het verzoekschrift vraagt. Als die lezing juist is, wordt de redactie beter in die zin aangepast.

Het voorgestelde artikel 1341

Alhoewel een bestaande tekst wordt overgenomen, gaat het toch om een moeilijk leesbare bepaling. Er wordt voorgesteld de tweede zin als volgt te redigeren :

« Hij kan evenwel de vordering voor het geheel langs de gemeenrechtelijke weg instellen voor zover (of indien) hij de beschikking niet laat betekenen. »

Het voorgestelde artikel 1342

— In § 1 moeten de woorden « de verweerder » worden vervangen door « de schuldenaar ». Zie de opmerkingen hiervoor; zie eveneens § 2, 3º, b), 4º en 5º.

— In de inleidende zin van § 2 is er sprake van een « voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking ». Wie levert dat stuk af ? Wie verklaart het afschrift voor eensluidend ? De gemeente-administratie, de gerechtsdeurwaarder, de griffie ?

De figuur van de « voor eensluidend verklaarde afschriften » is nieuw in gerechtszaken.

— Artikel 1342, § 2, geeft een opsomming van al wat het exploot van betekening moet omvatten, onder 1º tot 5º. Uit de tekst blijkt evenwel dat het niet om 5 zaken gaat, maar om 6 : de zesde zit verborgen in het 4º a) : « waarvan een gedetailleerde afrekening wordt bijgevoegd ».

Het past niet, als men uitdrukkelijk opsomt, met een nummering, welke gegevens of stukken moeten worden bijgevoegd, één van de bij te voegen gegevens uit die nummering te houden en « weg te moffelen » in de tekst van een ander nummer.

Het is dus aangewezen na het 2º een nieuw 3º in te voegen, luidend : « 3º een gedetailleerde afrekening van de in de beschikking bepaalde bedragen, en de woorden « waarvan een gedetailleerde afrekening wordt bijgevoegd » te schrappen in het huidige 3º, a). De huidige 3º tot 5º moeten dan worden hernummerd in 4º tot 6º.

— In § 2, 2º, en in § 3 moeten de woorden « standaardformulier–verzet » vervangen worden door « standaard verzetformulier » of gewoon door « verzetformulier ».

— De redactie van § 5, eerste lid, is houterig. Beter ware : « De schuldenaar kan, op straffe van verval, binnen de maand van de betekening verzet aantekenen tegen de beschikking ».

— In § 5, tweede lid, eerste zin, schrijve men « (standaard) verzetformulier ». In de tweede zin kunnen de woorden « dit standaardformulier–verzet » vervangen worden door « dit formulier ».

— De Nederlandse en Franse tekst van § 6, eerste lid, stemmen niet overeen. Waarop slaat het woord « dit » : de ontvangst van het verzetformulier, het feit dat verzet is aangetekend of het verzetformulier zelf ?

— In de Nederlandse tekst moet men kiezen tussen « bij gewone brief » en « bij gerechtsbrief ». Een van beide vermeldingen moet worden geschrapt.

Het voorgestelde artikel 1343

— Ten gronde

Het is niet duidelijk hoe § 1 moet worden begrepen. Deze bepaling lijkt erop te wijzen dat het geding door het verzet en de tussenvorderingen kan worden « uitgebreid », zodat het geheel niet meer voldoet aan de voorwaarden van het voorgestelde artikel 1338 of van de voorgestelde artikelen 587, 589 of 628 van het Gerechtelijk Wetboek.

Op zijn minst moet de strekking van de bepaling in de parlementaire voorbereiding worden toegelicht. Er wordt ook verwezen naar de hiervoor opgeworpen vraag van de samenlezing van deze bepaling met het voorgestelde artikel 1339, § 4.

— Tekstcorrecties

In het eerste lid moet men de woorden « volgens de gewone wijze » naar keuze vervangen door « volgens de gewone regels » of door « op de gewone wijze ».

In het tweede lid, in fine, schrijve men : « overeenkomstig de artikelen 660 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek ».

Het voorgestelde artikel 1343, § 4

Is het bepaalde van deze paragraaf geen evidentie ?

Het voorgestelde artikel 1343, § 5

Ook hier rijst de vraag hoe deze bepaling moet worden samengelezen met het voorgestelde artikel 1339, § 4 (zie hiervoor).

Het voorgestelde artikel 1344

Voor de verwijzing naar het « voor eensluidend verklaard afschrift » in het eerste lid, zie de opmerkingen bij artikel 1342, § 2.

Artikel 7

De tekst moet worden gepreciseerd. De voorgestelde bepaling geldt niet voor alle verzoekschriften zonder meer, maar voor de verzoekschriften bedoeld in artikel 1339 van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij deze wet.

Men moet beseffen dat dit artikel het enige zelfstandig artikel is van de voorgestelde wet. De andere bepalingen worden geïntegreerd in het Gerechtelijk Wetboek. Tijdens de « overgangsperiode » zal het voor de rechtsonderhorigen niet altijd eenvoudig zijn om uit te maken wat de geldende procedure is zonder een beroep te doen op een advocaat.

Eindbemerking

Deze nota gaat niet in op de vraag of de voorgestelde wetswijziging van die aard is dat zij de oorspronkelijke doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk het stimuleren van het gebruik van een vereenvoudigde procedure om betaling van schulden te bekomen, zal kunnen verwezenlijken. »

Teneinde tegemoet te komen aan deze opmerkingen dient mevrouw Taelman de amendementen nrs 43 tot 51 in (stuk Senaat, nr. 4-139/5).

Artikel 1

Amendement nr. 43 luidt als volgt :

« Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, behoudens de artikelen 2, 3 en 4, die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet ».

Tengevolge van de aanneming van dit amendement, wordt de tekst van het wetsvoorstel gesplitst.

Artikel 2

Amendement nr. 44 strekt ertoe in het voorgestelde artikel 1338bis, tweede lid, na de woorden « schuldbekentenis is » het woord « of » toe te voegen.

Amendement nr. 45 wordt ingetrokken ten voordele van amendement nr. 51, dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 1339, § 2, 2º, de zinsnede « de identiteit van de bevoegde organen die de rechtspersoon vertegenwoordigen » te doen vervallen.

Amendement nr. 46 strekt ertoe in het voorgestelde artikel 1339, § 4, de woorden « aan het gerecht » te doen vervallen.

Amendement nr. 47 strekt ertoe in het voorgestelde artikel 1339ter, § 1, te vervangen als volgt :

« Indien niet is voldaan aan de in artikel 1339, § 2, gestelde eisen en tenzij de vordering kennelijk ongegrond of het verzoek niet-ontvankelijk is, biedt de rechtbank de eiser de gelegenheid het verzoek aan te vullen of te corrigeren. Het gerecht gebruikt daartoe het standaardformulier aanvulling en correctie. Dit standaardformulier dient binnen de 15 dagen na ontvangst teruggestuurd te worden. »

De door de dienst Wetsevaluatie voorgestelde tekstverbetering in artikel 1341 wordt aangenomen als tekstcorrectie.

Amendement nr. 48 strekt ertoe in het voorgestelde artikel 1342, § 2, de woorden « een voor eensluidend verklaard afschrift » te vervangen door de woorden « de expeditie ».

Amendement nr. 49 strekt ertoe in het voorgestelde artikel 1344, eerste lid, de woorden « het voor eensluidend verklaard afschrift » te vervangen door de woorden « de expeditie ».

Artikel 4

Amendement nr. 50 strekt ertoe het eerste lid van dit artikel te vervangen als volgt :

« Deze wet is enkel van toepassing op de verzoekschriften bedoeld in artikel 1339 van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij deze wet die na de inwerkingtreding ervan worden neergelegd. ».

V. STEMMINGEN

Voor de stemmingen over de amendementen nrs. 1 tot en met 42 en over de artikelen 3 en 5 tot 8, zie supra (IV, Stemmingen).

Amendement nr. 43 van mevrouw Taelman en het aldus geamendeerde artikel 1 worden aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 44 van mevrouw Taelman wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 45 van mevrouw Taelman wordt ingetrokken.

De amendementen nrs. 46 tot 49 van mevrouw Taelman worden aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Het geamendeerde artikel 2 wordt aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendementen nrs 50 en 51 van mevrouw Taelman worden aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Het geamendeerde artikel 4 wordt aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

VI. EINDSTEMMING

De heer Mahoux wijst erop dat hij zich zal onthouden, omdat hij vindt dat de problematiek van het krediet enerzijds en de schulden anderzijds niet op een evenwichtige manier wordt aangepakt. Men wil in het wetsvoorstel het probleem van de schuldeisers eenzijdig regelen, terwijl er niets wordt gedaan aan de oorsprong van de schulden, noch aan het systematisch aansporen tot het aangaan van leningen. Het zou beter zijn als men de oorzaken van de schuldenlast zou aanpakken.

Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.


Het verslag werd eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Philippe MAHOUX. Patrik VANKRUNKELSVEN.

(1) Ook het feit dat artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek, dat handelt over de inhoud van de vordering op eenzijdig verzoekschrift geen specifieke bepalingen bevat inzake rechtspersonen, getreigt van deze algemene draagwijdte.