4-693/5

4-693/5

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

4 JUNI 2008


Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de procedure inzake huurgeschillen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER DELPÉRÉE


I. INLEIDING

Het optioneel bicameraal wetsontwerp waarover dit verslag handelt, werd oorspronkelijk ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers als een wetsvoorstel van mevrouw Katharina Schryvers c.s. (stuk Kamer, nr. 52-815/1).

Het werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen op 10 april 2008, met 112 tegen 22 stemmen bij 3 onthoudingen.

Het werd op 11 april 2008 aan de Senaat overgezonden die het op 25 april 2008 heeft geëvoceerd.

De commissie heeft het wetsontwerp besproken samen met de minister van Justitie tijdens haar vergaderingen van 6, 14, 21 en 27 mei en van 4 juni 2008.

Tijdens de vergadering van 14 mei werden hoorzittingen gehouden.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

De minister stipt aan dat het wetsontwerp ertoe strekt de voorafgaande verplichte poging tot minnelijke schikking inzake huurgeschillen af te schaffen. Inderdaad heeft deze niet het beoogde effect, is ze aldus nutteloos en tijdrovend en brengt ze enkel een overbelasting mee van de vredegerechten.

Spreker verwijst naar de tekst van artikel 2 van de door de Kamer overgezonden tekst, die als volgt luidt :

« Artikel 1344septies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt :

« Art. 1344septies.— Dit artikel is van toepassing op elke hoofdvordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning betreffende de huur van woningen.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 731, eerste lid, 732 en 733 poogt de rechter de partijen te verzoenen.

Indien de partijen niet tot verzoening komen of in geval van verstek, wordt de procedure ten gronde behandeld.

Het vonnis vermeldt dat de partijen niet tot verzoening kwamen. ».

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Collignon herinnert eraan dat het oorspronkelijke wetsvoorstel ertoe strekte de verplichte voorafgaande poging tot minnelijke schikking zoals bepaald door de wet, eenvoudigweg af te schaffen omdat die verzoeningspoging de procedure zou vertragen en zelden tot een oplossing zou leiden. Een amendement werd door de Kamer aangenomen. Het bepaalt dat de verplichte poging tot minnelijke schikking behouden blijft, maar in de geschilfase.

Spreker meent dat de verplichte poging tot minnelijke schikking haar nut had. Het argument van de overbelasting van de vredegerechten, vindt hij niet overtuigend. Het voordeel van die poging tot minnelijke schikking is dat ze gratis is. Het amendement dat door de Kamer werd aangenomen, herstelt weliswaar het evenwicht een beetje, maar de verplichte poging tot minnelijke schikking zoals ze nu in de wet is opgenomen, is een duidelijk signaal voor de huurder.

De heer Delpérée verklaart dat zijn fractie een vertegenwoodiger van het Syndicat des Locataires wil horen in verband met de voorgestelde hervorming.

De heer Vankrunkelsven verwijst naar het voorstel van bijzondere wet waarbij de huur zou worden geregionaliseerd. Misschien is het dan ook logisch dat de verschillende regio's deze problematiek zelf regelen en bespreken. Is het dan nodig nu hoorzittingen te organiseren ? Spreker verwijst ter zake ook naar de opmerkingen van de raad van state.

De heer Vandenberghe stipt aan dat voorliggend wetsontwerp het gerechtelijk wetboek betreft. Het is helemaal niet zeker dat deze bepaling zal worden geregionaliseerd. Bovendien blijft de federale wet van toepassing zolang de deelregio's geen andere regeling aannemen.

De heer Mahoux en de heer Collignon gaan akkoord met het voorstel van de heer Delpérée om een hoorzitting te houden omdat de voorgestelde wijziging gevolgen heeft voor de rechten van personen.

De heer Vankrunkelsven stelt voor de vergadering van de commissie institutionele aangelegenheden af te wachten. Achteraf kan men dan bepalen of er hoorzittingen plaatsvinden, in welke commissie deze zullen plaatshebben en wie er wordt uitgenodigd.

De heer Van Parys heeft geen bezwaar tegen eventuele hoorzittingen.

De heer Collignon vindt het niet nuttig om een voorstel over huurovereenkomsten ten gronde te onderzoeken in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden en niet te spreken over een eventuele overheveling van bevoegdheden.

De heer Delpérée merkt op dat de commissie voor de Justitie zich moet uitspreken over een ontwerp van gewone wet en niet over een ontwerp van bijzondere wet. Als er bovendien wordt voorgesteld om een vertegenwoordiger van het Syndicat des Locataires te horen, dan is dat niet om hem vragen te stellen over de regionalisering van huuraangelegenheden, maar wel over de relaties tussen huurder en verhuurder, los van het feit of er al dan niet sprake is van regionalisering.

De heer Vankrunkelsven stemt ermee in dat deze materie eerder tot de bevoegdheid van de commissie voor de Justitie behoort. Dit neemt niet weg dat de gemeenschappen en regio's enige inspraak mogen hebben.

De heer Swennen steunt het voorstel om hoorzittingen te houden. De neerslag van deze vergaderingen kan trouwens als inspiratiebron dienen voor de regio's.

Na die gedachtewisseling, besluit de commissie hoorzittingen te houden.

IV. HOORZITTINGEN

A. Uiteenzettingen van de heer Garcia (secretaris-generaal) en mevrouw Galopin, vertegenwoordigers van het Syndicat des Locataires

De heer Garcia verheugt zich over het feit dat de Senaat hoozittingen organiseert over dit wetsontwerp want geen enkele organisatie heeft de kans gekregen om haar mening te geven tijdens de besprekingen van de tekst in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Het Syndicat des Locataires wil veeleer de huidige wet behouden. Ook al kunnen bepaalde huurders de verplichte poging tot minnelijke schikking aangrijpen om tijd te winnen, de ervaring leert dat die voorafgaande poging vaak een eerste stap is om de partijen te verzoenen. Wanneer huurders zich tot het Syndicat des Locataires richten, loopt 50 % van de verplichte pogingen tot minnelijke schikking uit op een akkoord tussen de partijen.

Spreker denkt dat de afschaffing van de verplichte poging tot minnelijke schikking nefast is voor de huurders. In de praktijk zijn het de minstbedeelde huurders die een beroep doen op de huurdersbond. De rechtbank is een instelling die indruk maakt op dat soort mensen. De overgrote meerderheid van de huurders ziet het verschil niet tussen een dagvaarding en een oproeping voor de vrederechter met het oog op verzoening. Heel vaak reageren de huurders als zij een oproeping tot verzoening krijgen. Ze richten zich tot een vereniging of proberen informatie in te winnen over de procedure.

Het is uiterst belangrijk om die stap die voorafgaat aan een dagvaarding ten gronde, te behouden want hij zet de huurder in beweging in het prille beginstadium van het probleem. Wanneer het Syndicat des Locataires wordt geraadpleegd, dan wordt de huurder opnieuw gewezen op zijn verplichtingen, meer bepaald in verband met de betaling van de huur en men probeert de partijen te verzoenen.

Door de verplichte poging tot minnelijke schikking te behouden, krijgen de huurder en de verhuurder de kans om elkaar te ontmoeten en te proberen zich te verzoenen. De heer Garcia denkt trouwens dat die voorafgaande fase geen overdreven vertragingen in de procedures veroorzaakt.

Indien het parlement toch verkiest om de verplichte poging tot minnelijke schikking af te schaffen, dan zou er volgens de heer Garcia een oplossing gevonden moeten worden voor het feit dat de huurders vaak alleen staan voor de vrederechter. Een huurder die dat wenst, moet begeleid kunnen worden door een gespecialiseerde organisatie die de verdediging van de huurders op zich neemt. Hij benadrukt dat die verenigingen over gekwalificeerd personeel beschikken en dat zij huurders kwaliteitsdiensten kunnen aanbieden. Spreker verwijst bovendien naar de arbeidsrechtbanken waar werknemers zich kunnen laten vertegenwoordigen door een vakbond.

Er dient in het Belgisch gerecht een mechanisme gevonden te worden dat mensen die om financiële redenen geen beroep kunnen doen op een advocaat, de mogelijkheid geeft zich te laten begeleiden door een erkende organisatie. Het is niet de bedoeling de huurder te vertegenwoordigen, maar hem te begeleiden. Indien men tot een verzoening wil komen, dan is een rechtstreeks persoonlijk contact tussen de partijen noodzakelijk.

Mevrouw Galopin verklaart dat zij al meer dan tien jaar ervaring heeft in het begeleiden van leden van het Syndicat des Locataires voor de gerechtelijke instanties. Hulp krijgen van iemand die beslagen is in de materie, biedt de huurder voor de hand liggende voordelen. Minderbedeelden begrijpen de procedures niet. Als er een vertegenwoordiger van een huurdersvereniging is, dan wordt de taak van de vrederechter ook minder zwaar. Ten slotte is het voor de tegenpartij een voordeel om geconfronteerd te worden met iemand die de materie kent.

Als de vereniging optreedt, bereiken de huurder en de verhuurder in bijna 70 % van de gevallen een akkoord.

De verplichte poging tot minnelijke schikking is geen wondermiddel. Ze vindt niet voor alles een oplossing. Toch is het belangrijk die poging in stand te houden want zo blijft de deur op een kier staan en kan de relatie tussen de partijen terug hersteld worden. Ook al leidt de verzoeningspoging niet altijd tot een oplossing, ze maakt wel de weg vrij om de dialoog tussen de partijen terug op gang te brengen.

Dit wetsontwerp bepaalt dat de vrederechter de partijen probeert te verzoenen. Ondanks het feit dat vrederechters vaak buurtgeschillen behandelen, beschikken zij niet over alle elementen om te kunnen afwegen of een minnelijke schikking mogelijk is.

B. Uiteenzetting door de heer Janssens, vertegenwoordiger van het Koninklijk Verbond van Belgische Vrede- en Politierechters

De heer Janssens onderlijnt dat de vrederechters een belangrijke rol spelen in voorliggende materie. Het vredegerecht-vijfde kanton in Antwerpen, waarvan spreker voorzitter is, komt heel veel in aanraking met deze problematiek, niet in het minst omdat de linkeroeverbuurt met zijn vele sociale woningen onder de bevoegdheid valt van dit kanton.

Oproeping tot verzoening is voor de vrederechters een werkinstrument bij uitstek, terwijl dit bij de hogere rechtbanken weinig wordt gehanteerd. In huurgeschillen is de oproeping tot verzoening van primordiaal belang om conflicten op te lossen zonder hoeven over te gaan tot een echte gerechtelijke procedure.

Het voordeel van de oproeping tot verzoening is dat het gesprek tussen de partijen kan plaatsvinden achter gesloten deuren, op het kabinet van de vrederechter. De vrederechter hoort de partijen, poogt te voelen waar het conflict zich juist situeert en poogt aldus tot een oplossing te komen. De procedure verloopt « vriendschappelijk » en informeel. Bovendien is de procedure kosteloos; er is geen sprake van gerechtskosten en de bijstand van een advocaat is niet vereist.

Het nadeel van de oproeping tot verzoening is dat beide partijen aanwezig moeten zijn om te verzoenen. Als één der partijen niet komt opdagen, is de vrederechter machteloos en kan hij enkel de niet-verzoening vaststellen. De volgende fase is dan de dagvaarding en de daadwerkelijke procedure in openbare zitting.

Indien de partijen echter wel aanwezig zijn en tot een oplossing komen, wordt dit door de vrederechter geakteerd in een proces-verbaal dat dezelfde uitvoerbare kracht heeft als een vonnis.

Wat Antwerpen en de sociale woninghuur betreft, schat spreker dat in ongeveer 80 % van de gevallen, bij een oproeping in verzoening, de huurders niet komen opdagen. Vaak is dat te wijten aan het feit dat de huurder een zekere tactiek toepast om aldus de verhuurder te nopen tot een gerechtelijke procedure, wat hem de mogelijkheid verleent nog langer in het gehuurde goed te blijven.

Aldus kan men stellen dat grosso modo in 80 % van de gevallen tijdverlies wordt geleden, terwijl de situatie voor de huurders meestal hopeloos is. Het gaat meestal om aanzienlijke huurachterstallen, waarbij de huurder niet in staat is om een redelijk voorstel of afbetalingsplan te doen.

Spreker leidt hieruit af dat het in deze 80 % van de gevallen goed zou zijn de verplichte oproeping tot verzoening af te schaffen. In de overige 20 % niet hopeloze situaties, bij tijdelijke financiële problemen van de huurder, werpt de verplichte verzoening wel vruchten af.

Spreker besluit dat in het overgrote deel van de huurgeschillen de verplichte oproeping tot verzoening geen oplossing biedt.

C. Uiteenzetting door de heer Inslegers, vertegenwoordiger van Vlaams Overleg Bewonersbelangen

Spreker stipt aan dat het voorliggende wetsvoorstel de poging tot minnelijke schikking niet zonder meer afschaft. Deze poging tot minnelijke schikking zal in de toekomst kunnen plaatsvinden op de inleidende zitting. Verder wordt het toepassingsgebied verruimd en is de poging niet meer beperkt tot uithuiszetting, huurprijsaanpassing of invordering van achterstallige huurgelden. Tevens doet het er niet toe wie de hoofdvordering inleidt, huurder of verhuurder. Verder blijkt de poging tot minnelijke schikking niet enkel te gelden voor vorderingen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats. Ook studentenverblijven en tweede verblijven zouden aldus onder het toepassingsgebied vallen. Ten slotte is er geen uitdrukkelijke sanctie voorzien, in tegenstelling tot deze procedure bij de arbeidsrechtbanken, indien de poging tot minnelijke schikking op de inleidingszitting niet gebeurt.

De huurdersbonden hebben gemengde gevoelens ten aanzien van dit wetsvoorstel.

De praktijk wijst enerzijds aan dat de huurder in ongeveer 70 % van de gevallen niet komt opdagen. Het is dus juist dat een verplichte poging tot minnelijke schikking de zaak zal rekken, wat ook geen goede zaak is voor de huurdersbonden. Hoe groter de huurachterstallen, hoe minder dit valt op te lossen. Een groot deel van het inkomen gaat immers reeds naar huurgelden. De huurder komt in een bijkomende schuldenspiraal terecht, incluis gerechtskosten, schadevergoedingen en de problemen van herhuisvesting.

Spreker begrijpt aldus dat men wil zoeken naar niet-procedurerekkende oplossing, maar vreest dat voorliggend voorstel het kind met het badwater weggooit. De bedoeling van de voorafgaande verplichte verzoening is ten slotte preventie van gerechtelijke uithuiszetting. Dit blijft een begerenswaardige doelstelling, gelet op de maatschappelijke kosten en de economische, sociale en psychologische impact voor de betrokken persoon.

Spreker heeft in 2003 deel uitgemaakt van een werkgroep van de VVSG, waarop ook sociaal assistenten van de OCMW's aanwezig waren. Er werd hierbij gekeken naar de mogelijkheden van het OCMW om vroegtijdig tussen te komen in geval van huurachterstal.

De conclusie is drieledig.

De termijn is zeer kort tussen het ogenblik dat het OCMW in kennis wordt gesteld van huurachterstallen en de inleidende zitting, zodat organisatie van een aangepaste dienstverlening moeilijk is.

Verder stellen de OCMW-assistenten vast dat vaak nog onderhandeling mogelijk is tussen huurder en verhuurder. En regeling is mogelijk zolang de huurachterstallen niet al te groot zijn, wat impliceert dat tijdig ingrijpen belangrijk is; op de inleidende zitting is dit te laat. Verder zijn verhuurders veel minder bereid toegevingen te doen eens de stap naar een gerechtelijke procedure is gezet. De minnelijke schikking lukt meestal als de verhuurder een afweging maakt tussen een regeling in der minne met weinig kosten en een rechtsvordering. Eens de rechtsvordering ingeleid, wil hij zekerheid.

Men had misschien eerder moeten zoeken waarbij men sneller op de bal kan spelen en waarbij men adequaat kan tussenkomen zodra een huurachterstal wordt opgebouwd.

De VVSG-werkgroep wees hierbij op de problematiek van de betaalbaarheid van de huurprijzen. Zo betaalt 39,2 % van de private Vlaamse huurders meer dan 30 % van hun inkomen aan de naakte huur, en betaalt 17,3 % zelfs meer dan 40 % van zijn inkomen aan de naakte huur (cijfers 2005). Dat het van kwaad naar erger gaat blijkt ook uit de cijfers. Zo bedroeg het gemiddelde aandeel van het beschikbaar inkomen dat naar private huur gaat in 1995 nog 21,8 % en is dit in 2005 al opgeklommen naar 29,5 %. Voor het laagste inkomensquintiel, met name 23 % van de Vlaamse huurders,bedraagt dit gemiddelde aandeel zelfs 30,6 % in 1992, 37,9 % in 2002 en 42 % in 2005. Zeker voor de laagste inkomensgroep is er nood aan een vorm van huursubsidie.

Een andere piste is de uitwerking van een federaal fonds waarbij de OCMW's kunnen worden aangesproken, ook door de verhuurder, bij een huurachterstal van 1 maand. De huurder kan dan onmiddellijk een afbetalingsplan uitwerken met het OCMW, dat de achterstallige gelden voorschiet en betaalt aan de verhuurder.

Er zou ook een sensibileringscampagne op poten moeten worden gezet, want vaak hebben de huurders met financiële problemen, de neiging het huurgeld als eerste kosten niet te betalen, juist omdat dit een dermate groot aandeel vormt van hun beschikbaar inkomen.

Het gaat hier om een structureel probleem.

D. Uiteenzetting door mevrouw Folens, vertegenwoordiger van Woonwinkel Izegem

Spreekster brengt een verhaal uit de praktijk, aansluitend op de vraag van de huurdersbonden om korter op de bal te spelen.

De huisvestingsdienst regio Izegem werd in 2003 door de Vlaamse regering goedgekeurd als experiment rond lokaal woonbeleid en is sterk bezig met de begeleiding van prioritaire doelgroepen met complexe woonvragen. Een vraag die sterk op de voorgrond treedt is de begeleiding bij gerechtelijke uithuiszetting. In 2004 werd een project opgestart rond deze gerechtelijke uithuiszetting vanuit een aantal vaststellingen op het terrein. Een eerste vaststelling hierbij is dat gerechtelijke uithuiszetting vaak te wijten is aan huurachterstallen, die op hun beurt vaak voortvloeien uit de zeer hoge huurprijzen die een belangrijk procentueel aandeel vormen in het gezinsinkomen. Bovendien zijn een aantal huurders er steevast van overtuigd dat een uithuiszetting niet mogelijk is. Begeleiding is nodig, zeker bij mensen met onvoldoende zelfredzaamheid. Men heeft te maken met een harde kern van kansarme huurders, die begeleiding nodig hebben.

Een andere vaststelling is de lage opkomst van huurders bij een poging tot verzoening. Hiervoor zijn er aantal verklaringen mogelijk, zoals de hoge drempelvrees naar Justitie toe; de mensen maken niet altijd het onderscheid tussen de vrederechter en de andere rechtbanken. Vaak begrijpt men ook de briefwisseling niet en is men zich niet bewust van het belang van de verzoeningspoging. Tevens is er ook een vluchtgedrag vanuit een schaamtegevoel.

Een derde vaststelling is dat de verzoeningspoging niet altijd leidt tot een goed resultaat, ook al zijn beide partijen aanwezig. Huurders zijn vaak onvoldoende voorbereid. Vaak zijn zij ook verbaal minder sterk dan de eigenaars of hun advocaten. Het gebeurt ook vaak dat de eigenaars al vooraf met hun advocaat hebben afgesproken dat zij niet tot een minnelijke schikking willen komen.

Ook de bemiddelingsrol van het OCMW levert in de praktijk vaak weinig resultaat op omdat men moet roeien met de riemen die men heeft. Er worden op dat vlak immers geen extra middelen vrijgemaakt. Meestal worden enkel de cliënten van het OCMW aangesproken omtrent de oproepingen tot verzoeningen, andere opgeroepen huurders worden niet gecontacteerd.

Een laatste vaststelling is de laattijdige hulpvraag van huurders. Ze komen meestal pas enkele dagen voor de uithuiszetting om hulp vragen.

Het project van de dienst huisvesting Izegem streeft naar een vroegtijdig optreden. De crisisopvang bleek immers overbevraagd en dienst kon aldus onmogelijk de uitgezette personen opvangen.

In 2004 werd, in samenspraak met het OCMW en het vredegerecht besloten tot een experiment waarbij de huisvestingsdienst, in naam van de OCMW's van de vier gemeenten waar deze werkzaam is, de huurder proactief gaat aanspreken. Dit gebeurt dan enerzijds voor de minnelijke schikking; op het ogenblik dat de eigenaar het verzoekschrift wil indienen, wordt de huisvestingsdienst daarvan telefonisch door de griffie van het vredegerecht op de hoogte gebracht. De huisvestingsdienst neemt dan schriftelijk of telefonisch contact op met de huurder. Er wordt ook onderzocht in welke mate dit zou kunnen gebeuren bij huisbezoek. Anderzijds komt de huisvestingsdienst ook tussen na de verzoeningspoging en vlak voor de zitting ten gronde, zodat de huurders beter voorbereid naar de rechtbank kunnen gaan.

In de mate van het mogelijke worden ook de eigenaars opgeroepen om samen met de huurders aan tafel te gaan zitten, waarbij de huisvestingsdienst dan poogt te bemiddelen. In heel wat dossiers levert dit een gunstig resultaat op.

De grootste uitdaging ligt eigenlijk in het bereiken van de huurder.

Spreekster concludeert dat een snelle afhandeling inderdaad positief is, zowel voor huurder als voor eigenaar. Het is voor geen van beide partijen een goede zaak als de huurachterstallen blijven aanslepen en oplopen. Zonder extra ondersteunende preventieve maatregelen zal het aantal uithuiszettingen echter niet afnemen, integendeel, met alle sociale drama's vandien. Een minnelijke oplossing is de meest aangewezen, ook voor de eigenaars. Men mag ook niet vergeten dat opvang voor uithuisgezette gezinnen een grote maatschappelijke kost betekent. Spreekster pleit aldus voor de optimalisatie van de verzoeningspoging, door bijkomende maatregelen uit te werken, via een meer proactief optreden van OCMW, huurdersbonden en woonwinkels.

E. Uiteenzetting van mevrouw Delcourt, vertegenwoordigster van het Algemeen Eigenaars en Mede-eigenaars Syndicaat

Het Algemeen Eigenaars en Mede-eigenaars Syndicaat is voorstander van het afschaffen van de verplichte verzoeningspoging. Die fase voor de geschillenregeling is tijdverlies. In bepaalde kantons laten huurders systematisch verstek gaan na een oproeping tot verzoening, omdat ze weten dat de rechtsgang nog maanden zal duren voor het tot een eventuele uithuiszetting komt.

Mevrouw Delcourt wijst erop dat in het kanton Grivegnée de rechtsdag voor een eerste verzoening pas na drie maanden volgt. Een eigenaar die een conflict met zijn huurder heeft, moet drie maanden wachten op de verzoeningszitting. Indien de huurder niet komt opdagen, of de verzoening weigert, of indien er geen akkoord kan worden gevonden, moet de eigenaar een vordering instellen en wachten tot de zaak ten gronde wordt ingeleid. Zo krijgt men termijnen van zes maanden voor de eigenaar een vonnis kan verkrijgen. Wanneer men rekening houdt met een termijn van minstens een maand voor de uithuiszetting, incasseert de eigenaar gedurende ongeveer zeven maanden huurverlies, terwijl hij te maken heeft met een huurder die zijn contractuele verplichtingen niet nakomt.

Meestal hebben partijen reeds een briefwisseling gevoerd en geprobeerd tot een verzoening te komen. Het gebeurt zelden dat een partij de zaak onmiddellijk bij het gerecht aanhangig maakt, zonder eerst contact te hebben gehad met de tegenpartij.

Anderzijds bestaat de mogelijkheid van verzoening al op grond van artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek. Waarom ze verplicht maken ? Indien partijen dat willen, kunnen ze vrijwillig voor een verzoening voor de vrederechter verschijnen.

Spreekster meent overigens dat de woorden « verplichte verzoening » met elkaar in tegenspraak zijn. Om tot een verzoening te komen, moeten beide partijen die betrokken zijn bij het conflict bereid zijn een overeenkomst te vinden. Indien bij de verplichte verzoening een opgeroepen partij niet komt opdagen of niet akkoord gaat, vindt de verzoening niet plaats.

Mevrouw Delcourt verwijst ook naar de mogelijkheden die de bemiddeling biedt. De rechter kan partijen, met hun instemming, naar bemiddeling verwijzen.

Tot slot brengt de verzoeningsprocedure een reeks praktische problemen met zich. Zelfs als het tot een verzoening komt, wanneer partijen tot een akkoord komen over het beëindigen van een huurovereenkomst op een overeengekomen datum en er een probleem rijst over de plaatsbeschrijving, staat het proces-verbaal van verzoening immers niet toe dat er een deskundigenonderzoek wordt uitgevoerd. Om de aanwijzing van een deskundige te verkrijgen, moet de eigenaar een nieuw verzoek indienen. Dat doet de procedures oplopen en overbelast de griffies, met alle negatieve gevolgen vandien voor alle rechtzoekenden.

Om al die redenen pleit het Eigenaarssyndicaat voor het afschaffen van de verplichte verzoeningspoging, aangezien ze niet efficiënt is.

F. Gedachtewisseling

De heer Delpérée herinnert eraan dat het voorliggende ontwerp de procedure inzake huurgeschillen betreft. Een spreker heeft gepleit voor een systeem van vertegenwoordiging in rechte van de huurders door hun verenigingen of vakbonden. Een tweede spreker heeft gewezen op macro- en micro-economische problemen, de huurprijzen, het aandeel van de huur in de gezinsbudgetten, en heeft gepleit voor een subsidieregeling ten gunste van huurders. Spreker begrijpt het verband niet tussen deze twee aspecten en de afschaffing van de verplichte poging tot minnelijke schikking.

De heer Garcia vindt het verband evident. Het feit dat een deel van de huurders — een minderheid — de huur niet betaalt, heeft te maken met de heel hoge huurprijzen. In grote steden besteden huurders in het algemeen 50 tot 60 % van hun inkomen aan huur. Het verband met de minnelijke schikking is dat deze procedure het probleem heel snel aan het licht kan brengen. Op dat ogenblik kunnen sociale maatregelen worden genomen.

Het instellen van een verplichte poging tot minnelijke schikking heeft niets tegenstrijdigs. Alvorens de geschillenfase — de oorlog — op te starten, is men verplicht een periode van verzoening in acht te nemen. Als men dit wegneemt, begint de strijd meteen. De heer Garcia gaat ervan uit dat, aangezien elke oorlog uiteindelijk moet uitmonden in vrede, het wijs is om te beginnen met een verzoeningspoging.

Huurdersverenigingen pleiten voor het behoud van de verplichte poging tot minnelijke schikking, omdat dit vele huurders verplicht om te reageren, bijvoorbeeld door een vereniging te gaan raadplegen. Dankzij de verplichte minnelijke schikking worden verenigingen en OCMW's sneller op de hoogte gebracht van een probleem. Het is juist essentieel om snel in te grijpen, vooraleer de geschillenfase intreedt. Wanneer de huurachterstallen te hoog zijn opgelopen, is een minnelijke schikking gewoonlijk niet meer mogelijk omdat de huurder niet meer in staat is de huur plus een gespreide aanzuivering van de achterstallen te betalen.

Misschien moet de bestaande verzoeningsprocedure enigszins aangepast worden om de opgeroepen partij te verplichten aanwezig te zijn, wat de kans op succes zal vergroten. De moeilijkheid is om een gepaste sanctie te vinden voor een partij die niet verschijnt. Het is evident dat strafrechtelijke of financiële sancties geen optie zijn wanneer men te maken heeft met personen die hun financiële verplichtingen niet kunnen nakomen.

De heer Garcia meent dat het mogelijk moet zijn om middelen te vinden om het verschijnen aan te moedigen. Hij verwijst naar het akkoord dat de sector met de gerechtsdeurwaarders heeft gesloten en waarbij het oproepingsformulier de namen vermeldt van alle huurders- of verhuurdersverenigingen die de ontvanger van het formulier kan raadplegen. Het juridisch jargon blijft immers heel ontoegankelijk voor de modale burger die inlichtingen wil over de documenten die hij ontvangt (oproeping tot verzoening, verzoekschrift, dagvaarding, enzovoort).

Anderzijds leert de ervaring in Brussel ons dat rechters gewoonlijk openstaan voor de aanwezigheid van huurdersverenigingen in huurgeschillen.

De heer Vankrunkelsven vraagt of er wetenschappelijke studies gemaakt zijn sinds de invoering van de verplichte poging tot minnelijke schikking om te onderzoeken welke gevolgen deze maatregel heeft gehad op het aantal uithuiszettingen. Alvorens een beslissing te nemen over de afschaffing van de verplichte poging tot minnelijke schikking, is het raadzaam te weten welke positieve en negatieve gevolgen deze maatregel gehad heeft.

De heer Inslegers verwijst naar de studie van november 2004 over de gerechtelijke uithuiszettingen. De werkgroep, samengesteld uit vertegenwoordigers van de OCMW's en de Vereniging van steden en gemeenten, heeft in een twintigtal steden het aantal vorderingen tot uitzetting onderzocht waarvan de OCMW's kennis hebben genomen, het aantal dossiers waarin de OCMW's stappen hebben ondernomen, het aantal gevallen waarin de OCMW's contact hebben kunnen nemen met de huurder, en ten slotte, het aantal gevallen waarin de uithuiszetting uiteindelijk is uitgevoerd. Deze studie betreft de jaren 2001-2003. Tijdens deze periode is het aantal rechtsvorderingen tot uithuiszetting van een huurder en het aantal daadwerkelijke uithuiszettingen gedaald, terwijl de druk op de vastgoedprijzen in die periode is toegenomen.

Spreker meent dat men het er over het algemeen over eens is dat de verplichte minnelijke schikking niet het verhoopte resultaat heeft opgeleverd. De oorzaken van deze mislukking werden echter onvoldoende onderzocht. Het staat echter niet aan de NGO's om deze wetenschappelijke analyse te maken.

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft vastgesteld dat in 70 tot 80 % van de gevallen, de verplichte poging tot minnelijke schikking niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, maar alleen tot tijdverlies heeft geleid. De heer Inslegers aanvaardt deze vaststelling. De oorzaken van deze mislukkingen moeten echter nauwkeuriger worden onderzocht. De oplossing waarvoor de Kamer heeft gekozen, het afschaffen van de verplichte poging tot minnelijke schikking, is te radicaal.

Spreker wijst op twee mogelijke oorzaken voor de teleurstellende resultaten van de verplichte poging tot minnelijke schikking. Het aandeel van de huur in het budget van de huurders wordt alsmaar hoger ten gevolge van de stijging van de huurprijzen én van de afbrokkeling van hun koopkracht. De minste vertraging in de betaling van de huur (zelfs één maand vertraging) wordt voor de huurder een bijna onoverkomelijk probleem. Bovendien blijft het vredegerecht weinig toegankelijk voor de meeste huurders, om psychologische redenen, maar ook wegens een gebrekkig begrip van de werking van het gerecht. Vele huurders kennen het verschil niet tussen het vredegerecht, de rechtbank van eerste aanleg, de burgerlijke rechtbank, de strafrechtbank, enz. Zij aarzelen dan ook om in te gaan op een oproeping van de griffie. In Nederland, waar huurcommissies bestaan die paritair zijn samengesteld, nemen de huurders beduidend vaker deel aan de rechtsprocedures. De organisatie van de behandeling van het geschil heeft een grote invloed op de toegankelijkheid van het gerecht voor minderbedeelden. Inzake huurgeschillen zou men een voorbeeld kunnen nemen aan de inspanningen die geleverd zijn in het arbeidsrecht om de drempel van de vredegerechten te verlagen.

De heer Inslegers benadrukt dat de aan deze verenigingen toegekende middelen aanzienlijk verhoogd moeten worden als men wil dat huurders- en verhuurdersverenigingen de bevoegdheid krijgen om hun leden in rechte te vertegenwoordigen.

De Vlaamse huurdersverenigingen krijgen subsidies van de Vlaamse regering, om voor juridische eerstelijnshulp te zorgen. Die financiële middelen zijn echter ontoereikend om de leden correct in rechte te vertegenwoordigen. De taken van de huurdersverenigingen uitbreiden zonder de middelen hieraan aan te passen, zal frustratie veroorzaken bij de huurders, omdat ze geen kwaliteitsdienstverlening zullen krijgen.

Mocht de wetgever de verenigingen het recht toekennen om hun leden in rechte te vertegenwoordigen — ongetwijfeld een interessante mogelijkheid om de toegang tot de rechtsbedeling te bevorderen — dan moeten de middelen voor de taken van juridische eerstelijnshulp welke die verenigingen verrichten hieraan worden aangepast.

Indien men vasthoudt aan het principe dat alleen advocaten de eigenaars en huurders in rechte kunnen vertegenwoordigen, dan kan men de bijstandsrol van de verenigingen beperken tot de verplichte verzoening. Komt het niet tot een verzoening, dan moet men voor de fase van het geschil een beroep doen op de diensten van een advocaat.

De heer Collignon denkt dat het probleem van de vertegenwoordiging in rechte van de huurders door de huurderssyndicaten buiten het bestek van het debat valt. Er bestaat overigens reeds een hele reeks mechanismen voor wie zich voor het gerecht wil laten verdedigen. Men kan zich wenden tot een bureau voor rechtsbijstand en men zal kosteloos een advocaat toegewezen krijgen die in huurzaken gespecialiseerd is. Het is dus niet nodig nog eens uit te vinden wat al bestaat.

Het debat van vandaag gaat over de vraag of de verplichte verzoening voorafgaand aan de rechtsgang over het geschil voor huurgeschillen het algemeen belang dient. Zoals de heer Janssens heeft verklaard is het een kosteloze procedure, die op bemiddeling is gericht, en die plaatsvindt in het kantoor van de vrederechter. Men dient te weten of die voorafgaande fase een meerwaarde oplevert, aangezien die aanpak de rechtsgang vertraagt.

De voorstanders van het afschaffen van de verplichte verzoeningspoging klagen over de verlenging van de rechtsgang en de gevolgen van die poging voor de overbelasting van de vredegerechten. Klopt het dat die voorafgaande fase de vredegerechten overbelast ?

Tevens verwijst de heer Collignon naar amendement nr. 7 dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend door mevrouw Genot en de heer Van Hecke (stuk Kamer nr. 52-0815/07), waarin werd voorgesteld het beginsel van de verplichte verzoening te handhaven. Indien het niet tot een verzoening komt, luidde het voorstel dat de zaak op de rol van de volgende rechtsdag wordt geplaatst als een geschil. Verzoent dat amendement beide belangen ?

Mevrouw Crombé-Berton vraagt of de verplichte verzoening een antwoord is op de hoge huurprijzen en op de schaarste van sociale woningen. Ze herinnert eraan dat de facultatieve verzoening bestaat.

Spreekster denkt dat die voorafgaande fase, die kan worden aangewend om de zaak te rekken, het omgekeerde gevolg kan hebben van wat wordt nagestreefd. Moet niet worden gevreesd dat de eigenaar uit angst voor het risico dat hij zijn huur niet zal ontvangen gedurende de lange maanden dat de procedure duurt, in zijn huurprijs een risicopremie zal opnemen om zich tegen dat probleem in te dekken ?

Zet dat tevens de eigenaar niet aan tot nog meer kieskeurigheid bij de keuze van zijn huurder ? Schiet die verplichte verzoeningsprocedure, die theoretisch in het voordeel van de huurder is, haar doel niet voorbij ?

Wat de 20 tot 30 % van de gevallen betreft waarin de partijen zich na de verplichte verzoeningspoging verzoenen : niets belet hen tot een overeenkomst te komen via een facultatieve verzoening, mocht het wetsontwerp de verplichte verzoening afschaffen.

Mevrouw Crombé-Berton leidt daaruit af dat de verplichte verzoening geen positieve gevolgen heeft, wel integendeel.

Mevrouw Laloux (Directrice van het Algemeen Eigenaars en Mede-eigenaars Syndicaat) sluit zich aan bij de analyse van vorige spreekster. In Frankrijk zijn de procedures rond huurgeschillen zo lang dat de verhuurders zoveel mogelijk waarborgen inbouwen bij het sluiten van een contract, om er zo zeker mogelijk van te zijn dat de huurder zijn verplichtingen zal kunnen nakomen. Het gevolg daarvan is dat het uiterst moeilijk is een goed te huren, omdat de verhuurders de huurders heel veel formaliteiten opleggen.

Wat de vraag over het gevolg van de verzoeningpoging voor de verlenging van de termijnen betreft, is het de ervaring van spreekster dat een rechtsdag voor een verzoening gemiddeld drie maanden op zich laat wachten. Het Gerechtelijk Wetboek voorziet niet in een termijn voor het vastleggen van die vorderingen tot verzoening.

Wegens personeelsproblemen bedraagt die termijn in het kanton Grivegnée zes maanden.

In het kanton Ukkel bedraagt de termijn voor het vastleggen van een rechtsdag voor een verzoening zes weken en men moet opnieuw zes weken wachten op een rechtsdag voor de vordering wanneer de zaak in de fase van het geschil komt.

Uit die enkele voorbeelden leidt spreekster af dat de voorafgaande verplichte verzoeningspoging een verlenging van de rechtsgang met zich brengt die aanzienlijk en schadelijk voor de eigenaars is. Het gevolg daarvan is dat de eigenaars steeds meer voorzorgen nemen en dat de huurrelatie steeds meer op wantrouwen gestoeld is.

Mevrouw Galopin geeft toe dat in bepaalde kantons werd vastgesteld dat de termijnen voor het bepalen van een rechtsdag voor verzoeningsprocedures vrij lang zijn. Ze kan ook voorbeelden geven waar de verzoeningszitting plaatsvond binnen veertien dagen na het indienen van het verzoekschrift.

Ze denkt dat de oorzaak van het wantrouwen van de verhuurders veeleer in de stijging van de huurprijzen kan worden gevonden. Omdat de huur hoog is, vreest de eigenaar dat zijn huur niet zal worden betaald. Noch de verplichte verzoening, noch de procedures veroorzaken het wantrouwen van de eigenaar.

Spreekster geeft toe dat het wetsontwerp over een bepaling van rechtspleging gaat. Het Gerechtelijk Wetboek voorziet niet in een termijn voor de verzoeningsprocedure. Dat is een goede zaak. Ze pleit voor de handhaving van de huidige procedure, want daarmee kan een doorbraak naar onderhandelingen worden bereikt. Ze maakt het mogelijk eigenaar en huurder samen aan tafel te krijgen om een akkoord te sluiten dat vervolgens aan de vrederechter wordt voorgelegd. Het is die aanpak die moet worden aangemoedigd.

Een deel van de bevolking aarzelt nog om de drempel te overschrijden van een wetswinkel of een bureau voor rechtsbijstand. Ook al verstrekken die instellingen degelijke diensten, het is gemakkelijker voor de huurders een huurdersvereniging of -syndicaat in hun buurt te consulteren.

De heer Collignon vraagt hoeveel huurders door het Syndicat des Locataires vertegenwoordigd worden.

De heer Garcia denkt niet dat het aantal leden van fundamenteel belang is. Er zijn overigens meer organisaties die de huurders verdedigen. Het Syndicat des Locataires verdedigt niet de meerderheid van de huurders. Waar het op aankomt, is te weten of men in het recht de verplichte poging tot minnelijke schikking moet handhaven en men tegelijk de onbedoelde gevolgen ervan kan beperken.

Spreker is het ermee eens dat een verzoeningsprocedure geen zes maanden mag duren. Hoe langer de procedure duurt, hoe kleiner de kans om tot een akkoord te komen. Het Syndicat des Locataires pleit niet voor een verruiming en een verlenging van de procedures, want dat kan het gevaar voor de huurder alleen maar vergroten.

De heer Garcia verkiest verzoening — ook al leidt ze niet altijd tot een akkoord — boven oorlog. Er moet dus in de rechtsgang ruimte worden gemaakt voor een fase van verplichte verzoening, wel wetende dat wanneer dat geen succes wordt, er een geschilfase zal volgen.

In verband met de duur van de verzoeningsprocedure, wijst de heer Janssens erop dat een verzoekschrift tot minnelijke schikking dat vandaag wordt ingediend in de vredegerechten die correct werken, volgende week in de raadkamer zal worden behandeld. Per rechtsdag handelt spreker een dertigtal zaken af, waaronder er vijftien tot twintig een verzoening in huurzaken betreffen.

Indien het op de verzoeningszitting niet tot een akkoord komt, krijgt de verhuurder de toestemming om ten gronde te dagvaarden en de rechtsdag zal worden bepaald binnen acht dagen na het indienen van het verzoekschrift. Indien er geen enkele betwisting mogelijk is, zal het vonnis worden geveld op de zittingsdag waarop de zaak wordt ingeleid.

Spreker leidt daaruit af dat de termijn om een beslissing te verkrijgen van uithuiszetting van een huurder na een flagrante schending van de contractuele verplichtingen, ongeveer drie weken bedraagt.

Spreker denkt niet dat de procedure van verplichte verzoening de vredegerechten overbelast. Wel veroorzaakt die procedure een administratieve overlast voor de griffies. Voor de vrederechter levert het geen bijkomend werk op. Indien men de verplichte verzoeningspoging afschaft en terugkeert naar de procedure zoals ze voor 2002 bestond, zal de vrederechter de partijen op de openbare zitting waarop de zaak wordt ingeleid vragen of het mogelijk is een oplossing voor het geschil te vinden. Spreker denkt dat de dagvaarding ten gronde perfect kan worden aangewend als een oproeping tot verzoening.

Mevrouw Laloux onderstreept dat in strijd met de indruk die men kan wekken, het Eigenaarssyndicaat geenszins tegen een minnelijke schikking van de problemen gekant is. Niet zozeer de verzoening is het probleem, maar de verplichting tot verzoening. Verplicht worden zich te verzoenen is een contradictio in terminis en volgens spreekster zit daar geen perspectief op een mogelijke minnelijke schikking van het conflict in.

Het moet daarentegen worden aangemoedigd dat de klemtoon wordt gelegd op de mogelijkheid om een beroep te doen op verzoening. Er zijn echter gevallen waarin verzoening uiterst moeilijk blijkt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de huurder al een achterstand van verscheidene maanden huur heeft opgestapeld.

Heel wat vrederechters staan heel kritisch tegenover verplichte verzoening. Ze menen dat die voorafgaande fase hen belet optimaal te werken. In heel wat vredegerechten veroorzaakt de huidige procedure een buitensporige verlenging van de procedure. Aan die toestanden moet paal en perk worden gesteld, door de verplichte poging tot minnelijke schikking — een overbodige en nefaste tussenstap — af te schaffen.

De heer Collignon wijst erop dat niet de verzoening verplicht is, maar de voorafgaande fase. Een soortgelijke procedure bestaat voor de pachtovereenkomst en die bevat geen tegenstrijdigheid. Hij herhaalt zijn vraag over amendement nr. 7 dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer nr. 52-0815/07) werd ingediend. Wat vinden de sprekers van die oplossing ?

De heer Inslegers vindt het een interessant denkspoor. Op grond van de statistieken van zijn vereniging, wijst spreker erop dat het aantal dossiers waarin men tot een minnelijke schikking komt hoger is dan dat waarin een verzoekschrift wordt ingediend of een dagvaarding wordt betekend. Het aantal zaken dat in der minne wordt geregeld dankzij de voorafgaande verzoening is met andere woorden hoger dan het aantal zaken waarin de geschilprocedure wordt gevolgd. De huurdersverenigingen moedigen de minnelijke schikkingen aan.

Mevrouw Galopin steunt amendement nr. 7 dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend. Men kan slechts voorstander zijn van een oplossing die het mogelijk maakt de rechtsplegingstermijnen in te korten.

Wat de statistieken betreft inzake het succes van de verplichte verzoening, schat spreekster dat in ongeveer 70 % van de gevallen waarin haar vereniging optreedt, een akkoord wordt bereikt.

Mevrouw Laloux denkt dat het mogelijk is dat men tot positieve resultaten komt zodra beide partijen voor de vrederechter verschijnen — daaruit blijkt dat de wil bestaat om zich te verzoenen. Men kan zich daarover slechts verheugen, want het is de bedoeling tot een oplossing te komen. Bij het berekenen van de statistieken moet men echter ook rekening houden met de zeer talrijke gevallen waarin de huurder verstek laat gaan.

Tegen het voorstel van amendement heeft ze geen bezwaar, op voorwaarde dat men garandeert dat de termijn van acht dagen om de zaak ten gronde in te leiden wanneer het niet tot een verzoening komt, in acht zal worden genomen.

De heer Janssens maakt over het in de Kamer ingediende amendement nr. 7 de volgende technische opmerking. De partijen worden op de verzoeningszitting opgeroepen via een gewone brief van de griffier. Wat gebeurt er wanneer een partij niet op die zitting verschijnt ? Indien men er zeker van wil zijn dat de tegenpartij geldig is opgeroepen, moet men gebruik maken van de formaliteit van de dagvaarding bij deurwaardersexploot of van het bij aangetekend schrijven betekend verzoekschrift. Het amendement zegt evenwel niets over de formaliteiten.

Spreker vraagt zich af welke procedure moet worden gevolgd wanneer de verzoeningspoging mislukt omdat de partijen geen akkoord vinden of omdat een van de partijen niet komt opdagen. Hij betwijfelt of de rechter de zaak in openbare zitting kan behandelen, aangezien de oproeping tot verzoening juridisch onvoldoende waarborgt dat de tegenpartij op geldige wijze bereikt werd.

De heer Janssens wijst er ook op dat, behoudens de kosten, de verzoeningsprocedure in de raadkamer en die in openbare zitting identiek zijn. Indien de verzoening in openbare zitting plaatsvindt, moeten de rechten voor inschrijving op de rol en de registratierechten worden betaald, terwijl de verzoening in de raadkamer gratis is.

Misschien is het mogelijk voor huurgeschillen een uitzondering te maken op de betaling van de rechten voor inschrijving op de rol en de registratierechten, zoals dat reeds betstaat in de wetgeving betreffende de voorlopige bewindvoering. Indien men die rechten afschaft, stelt men de regeling van de verzoening in openbare zitting volledig gelijk met die van de verzoening in de raadkamer.

Mevrouw Taelman wijst erop dat het huidige artikel 1344septies van het Gerechtelijk Wetboek de partij die daartoe het initiatief neemt, de mogelijkheid biedt om een minnelijke schikking te verzoeken zonder dat zij haar middelen moet bekendmaken. Het verzoek kan zelfs mondeling bij de griffie worden gedaan. Indien men wenst dat de minnelijke schikking bij verzoekschrift wordt ingeleid, moet de verzoekende partij het onderwerp van haar vordering daarin kort samenvatten.

V. HERVATTING VAN DE ALGEMENE BESPREKING

De minister meent dat de hoorzittingen voldoende signalen gaven vanuit het terrein om vast te stellen dat een verplichte verzoening niet leidt tot een betere behandeling van huurgeschillen.

Bovendien laten artikelen 731 tot 733 van het Gerechtelijke Wetboek nog steeds toe dat op verzoek van één der partijen of met beider instemming een huurzaak vooraf ter minnelijke schikking aan de vrederechter wordt voorgelegd. Deze procedure is niet verplichtend, maar er moet wel de nadruk op gelegd worden dat het ontwerp de verplichte minnelijke schikking niet afschaft, doch anders moduleert. Het wordt met name de verplichting van de vrederechter om op de inleidingszitting te pogen partijen te verzoenen. Partijen hebben dus nog steeds de mogelijkheid om vooraf de huurzaak ter minnelijke schikking voor te leggen.

Mevrouw Crombé-Berton herinnert eraan dat de mensen die zijn gehoord nogal uiteenlopende meningen hadden. Iedereen was het erover eens dat de poging tot minnelijke schikking geen manoeuvre mocht zijn om het vinden van een oplossing te vertragen. Het ging er eigenlijk om een formule van minnelijke schikking te vinden die de procedure niet vertraagt. Een aantal commissieleden hebben trouwens amendementen in die zin ingediend.

VI. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 2

Amendement nr. 3

De heer Swennen dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 4-693/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 1344septies als volgt te vervangen : « Elk debat betreffende een vordering inzake woninghuur moet, op straffe van nietigheid, worden voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking die op het zittingsblad wordt aangetekend.

Indien de partijen niet tot verzoening komen, wordt daarvan melding gemaakt in het vonnis. »

Amendementen nrs. 1 en 2

Mevrouw Russo c.s. dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 4-693/2), dat ertoe strekt de voorafgaande verplichte verzoeningspoging in raadkamer te houden. Indien geen verzoening wordt bereikt, wordt voorgesteld de procedure ten gronde op de volgende rechtsdag aan te vatten.

De minister merkt op dat de partijen krachtens het gemeen recht nog altijd aan de vrederechter kunnen vragen een verzoeningspoging te ondernemen in raadkamer. Dit principe kan ook worden toegepast op huurgeschillen.

De vrederechters kunnen ook tijdens de inleidingszitting pogen de partijen te verzoenen. Als er geen akkoord kan worden bereikt, wordt de geschilprocedure daarna gewoon voortgezet.

Littera c) van het amendement komt niet overeen met de oorspronkelijke intentie van de indieners van het wetsontwerp.

De heer Mahoux steunt amendement nr. 1, omdat het een dubbel doel wil bereiken : onnodige vertragingen voorkomen, terwijl de essentiële voordelen van een verzoeningsprocedure behouden blijven. Er wordt gepoogd tot een verzoening te komen, maar als dit niet lukt wordt de zaak op de volgende zittingsdag behandeld.

De heer Delpérée zegt dat de commissieleden grotendeels achter de nagestreefde doelstellingen staan. Een poging tot verzoening kan in een aantal gevallen nuttig zijn. Het mag niet gewoon een procedure-optie zijn waardoor men de behandeling van een zaak kan vertragen. Het is echter niet eenvoudig om die uiteenlopende doelstellingen met elkaar te verzoenen. De verzoening is immers een zeer soepele procedure, die geen advocaat vereist. Wordt er geen verzoening bereikt, dan volstaat deze rudimentaire vorm van adiëring niet meer en moeten er bepaalde termijnen in acht worden genomen. Het amendement van mevrouw Russo c.s. stelt voor dat de zaak, wanneer geen verzoening wordt bereikt, op de volgende zitting wordt behandeld. De volgende zitting kan echter ook dezelfde dag plaatshebben, of een paar dagen later. Hoe kan men op die korte tijd de andere partij op de hoogte brengen ? Er moeten andere oplossingen komen. Men zou bijvoorbeeld kunnen voorstellen — alhoewel dit ingewikkeld is — dat wanneer één der partijen een verzoeningspoging vraagt, zij tegelijkertijd een behandeling ten gronde vraagt (zoals bij andere geschillen, waar tegelijkertijd de schorsing en de vernietiging wordt gevraagd). In dat geval moet men echter wel een advocaat onder de arm nemen, de voorgeschreven vorm en termijnen in acht nemen, enz. Dit verzwaart de procedure al bij aanvang en kan de hele procedure overbodig maken.

Men zou ook kunnen voorstellen dat de rechter, als de verzoeningspoging mislukt, een redelijke termijn (bijvoorbeeld een maand) vaststelt om de zaak ten gronde te behandelen.

Een andere mogelijkheid is dat in de beschikkingen wordt vermeld dat de behandeling ten gronde kan worden aangevat binnen de voorgeschreven termijnen.

Mevrouw Crombé-Berton zegt net zo verward te zijn als de vorige spreker. Bovendien is krachtens artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek de vrijwillige poging tot minnelijke schikking nog steeds mogelijk. Als er informele contacten zijn geweest tussen de partijen en zolang die mogelijkheid in artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat, lijkt het niet raadzaam om een verplichte verzoeningspoging op te leggen. Vaak geeft dit toch geen resultaat. De realiteit vraagt eigenlijk gewoon om de afschaffing van de verplichte verzoeningspoging. Als men de verplichte verzoeningspoging behoudt, kan artikel 731 zelfs als overbodig worden beschouwd, aangezien de opties elkaar uitsluiten. Het is net die vrijwillige poging tot minnelijke schikking van artikel 731 die een zekere soepelheid biedt als beide partijen echt tot een overeenkomst willen komen.

De heer Mahoux antwoordt dat men op basis van die redenering in verzoeningsprocedures al helemaal geen rechter meer nodig heeft. Als de vrijwillige contacten tussen de eigenaar en de huurder niet tot een oplossing hebben geleid, is het optreden van de rechter echter zeer belangrijk.

De heer Collignon herinnert eraan dat niet de verzoening verplicht is, maar wel — voorafgaand aan het neerleggen van een verzoekschrift tot uithuiszetting — de poging tot verzoening. Dit geldt trouwens niet alleen voor de woninghuurovereenkomsten maar ook voor de pachtovereenkomsten.

Amendement nr. 1, ingediend door mevrouw Russo en door spreker mede-ondertekend, tracht beide doelstellingen met elkaar te verenigen. Het komt erop aan de procedure niet al te veel te vertragen, maar tegelijkertijd een positief signaal te geven aan beide partijen inzake een verzoeningspoging, door de bemiddelende rol van de rechter te benadrukken. Alle personen die hierover zijn gehoord, leken dit een goed idee te vinden.

Vanuit technisch oogpunt wordt, als de partij die is opgeroepen voor een verzoeningspoging verschijnt, een proces-verbaal van verzoening ondertekend. Als de partij niet verschijnt, wordt op het zittingsblad genoteerd naar welke latere zitting de zaak wordt verdaagd en stuurt de griffie, op basis van artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek, een gerechtsbrief die meldt dat de zaak bij verstek tot die datum is verdaagd.

De heer Delpérée merkt op dat men in dat geval de procedure vanaf het begin in gang moet zetten.

De heer Collignon antwoordt dat de partijen voor dit soort procedure niet verplicht zijn zich te laten bijstaan door een advocaat. Op de griffies van de vredegerechten kan men voorgedrukte formulieren voor een verzoekschrift krijgen.

De heer Delpérée antwoordt dat er dan nog steeds het probleem is van de « volgende » zitting, die zeer kort op de eerste zitting kan volgen.

De heer Collignon merkt op dat men daarmee de volgende zitting bedoelt die aan dit soort zaken is gewijd.

De heer Swennen dient een subamendement in op amendement nr. 1 (amendement nr. 2, Stuk Senaat nr. 4-693/3), om ervoor te zorgen dat de griffie het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de hoogte brengt wanneer er een procedure wordt ingeleid inzake een huurovereenkomst.

Amendement nr. 7

Na deze bespreking trekt mevrouw Russo amendement nr. 1 in ten gunste van amendement nr. 7 (stuk Senaat, nr. 4-693/4). Dit amendement dient samen te worden gelezen met amendement nr. 8 van dezelfde indieners, die voorstellen dat, wanneer de verzoeningspoging mislukt, de rechtspleging ten gronde uiterlijk binnen dertig dagen wordt aangevat (zie artikel 2bis).

De minister verwijst naar artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de minnelijke schikking.

Mevrouw Russo verduidelijkt dat de indieners van het amendement de voorafgaande verplichte verzoeningspoging in raadkamer willen behouden, aangezien deze procedure kosteloos is. Het gaat hier ook om de toegankelijkheid van de rechtspleging.

De minister antwoordt dat de rolrechten wel 35 euro bedragen wanneer het om een som hoger dan 1 240 euro gaat. Voor lagere bedragen worden er rolrechten van 25 euro aangerekend. Er zijn voorts 3 % registratierechten te betalen voor alle veroordelingen die meer dan 12 500 euro betreffen. Het probleem van de toegankelijkheid van de rechtspleging moet dus niet worden overdreven.

Mevrouw Defraigne vindt de discussie over de verplichte verzoeningspoging met betrekking tot huurovereenkomsten veeleer symbolisch. Ze herinnert eraan dat de minnelijke schikking van rechtswege in het Gerechtelijk Wetboek is opgenomen. Als één der partijen erom vraagt, zal de bevoegde rechter de andere partij oproepen voor een poging tot minnelijke schikking. Zelfs als men de voorafgaande verplichte verzoeningspoging afschaft, blijft de procedure tot minnelijke schikking in het gemeen recht nog steeds bestaan.

Spreekster begrijpt de onderliggende gedachtengang van de indieners van het amendement. Zij meent echter dat dit amendement niets toevoegt aan de procedure zoals die reeds in het Gerechtelijk Wetboek bestaat. De rechter kan beslissen om de poging tot minnelijke schikking in raadkamer te laten plaatsvinden, als één der partijen hierom vraagt. Hoe dan ook denkt spreekster niet dat het feit dat de verzoeningspoging in raadkamer plaatsvindt de procedure sneller zal doen verlopen.

De heer Collignon denkt dat er iets de verduidelijken valt wat de verplichte poging tot minnelijke schikking betreft. Volgens het Gerechtelijk Wetboek kan elke partij die dit wenst een poging tot minnelijke schikking ondernemen. Het voorliggende wetsontwerp legt echter niet aan de eigenaar op om een verplichte verzoeningspoging te ondernemen. Het is overigens niet de verzoening die verplicht is, wel de poging daartoe.

In 2002 was de wetgever er vooral op gericht om de bemiddelende rol van de rechter te regelen. Het was de bedoeling om meer huurgeschillen te regelen via onderhandeling. Spreker merkt op dat men de verplichte verzoeningspoging wel wil afschaffen voor de huurovereenkomsten, maar dat ze behouden blijft voor de pachtovereenkomsten.

De fractie van de heer Collignon heeft het amendement na de hoorzittingen mede-ondertekend. Uit de hoorzittingen is gebleken dat de huurders er belang bij hebben dat de verplichte verzoeningspoging behouden blijft, tenminste als er voor wordt gezorgd dat de procedures hierdoor niet teveel worden verlengd. De amendementen nrs. 7 en 8 (zie hieronder) trachten een evenwicht te vinden tussen die twee punten.

Mevrouw Crombé-Berton herinnert aan artikel 732 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat « indien een van hen het, zelfs mondeling, verzoekt, de partijen bij gewone brief van de griffier (worden) opgeroepen om binnen de gewone termijn van dagvaarding te verschijnen op dag en uur door de rechter bepaald. »

De procedure van minnelijke schikking zoals bepaald in artikelen 731 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek laat dus voldoende ruimte om op een zeer eenvoudige manier door de huurder of de eigenaar te worden toegepast. De vredegerechten kunnen worden ontlast door de minnelijke schikking toe te staan voor de partijen die daartoe bereid zijn. Voor de partijen die geen minnelijke schikking wensen heeft het geen zin om een verplichting op te leggen, aangezien de poging toch zou mislukken.

Artikel 2bis

Amendement nr. 8

Mevrouw Russo c.s. dienen amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 4-693/4), dat ertoe strekt een artikel 2bis in het wetsontwerp in te voegen. Dit amendement is verbonden met amendement nr. 7 en stelt voor dat, als er geen verzoening is, de rechtspleging ten gronde uiterlijk binnen dertig dagen wordt aangevat.

De heer Delpérée benadrukt dat de termijn van dertig dagen het mogelijk moet maken de partijen formeel op te roepen voor de nieuwe zitting ten gronde.

Mevrouw Russo merkt op dat de indieners van het oorspronkelijke wetsontwerp hadden voorgesteld om de verplichte verzoeningspoging af te schaffen omdat zij vertragingen in de procedure veroorzaakte. In de amendementen nr. 7 en 8 wordt voorgesteld de verplichte poging te behouden, maar met de garantie dat deze voorafgaande poging de behandeling van de zaak niet onnodig zal verlengen.

De minister merkt op dat de termijn van dertig dagen door een aantal vredegerechten wel in acht kan worden genomen. In een aantal kantons is de rol echter overvol en zal deze termijn niet in acht kunnen worden genomen. Wat zouden daarvan de gevolgen zijn voor de lopende procedure ?

Mevrouw Russo denkt dat de minister met haar antwoord niet bedoelt dat het onmogelijk is om de voorgestelde oplossing toe te passen, maar wel dat er een probleem is op het niveau van de organisatie en de werking van de rechtbanken.

Mevrouw Defraigne vraagt wat de sanctie zou zijn als de termijn van dertig dagen wordt overschreden. Wordt de procedure dan nietig verklaard ? Als dit zo is, is dat niet in het belang van de partijen. Zij geeft toe dat er bij bepaalde gerechten werkingsproblemen kunnen zijn. De wet op de gerechtelijke achterstand die tijdens de vorige zittingsperiode is aangenomen, heeft in de praktijk averechtse gevolgen gehad.

De heer Collignon antwoordt dat de termijn van dertig dagen niet op straffe van nietigheid wordt voorgeschreven. Het is echter wel belangrijk dat de wetgever een termijn aangeeft voor de vrederechters. Horen rechters immers niet als eersten de wet na te leven ? Hij is ervan overtuigd dat de termijn voor het overgrote deel van de vredegerechten geen probleem zal vormen.

Mocht een vrederechter de termijn niet kunnen naleven omdat zijn rol te vol staat, dan zou hij trouwens ook op korte termijn geen datum kunnen vaststellen voor de zitting waarop de zaak ten gronde moet worden behandeld.

De heer Van Parys meent dat voorliggend wetsontwerp evenwichtig is opgebouwd. Het biedt immers een goede balans tussen enerzijds het feit dat er een verzoeningspoging moet zijn en anderzijds het gegeven dat, wanneer deze poging niet lukt of wanneer één van beide partijen niet komt opdagen, men onmiddellijk naar een behandeling ten gronde moet kunnen overstappen. De beginselen van de efficiëntie van de procesvoering en van de vrederechter als verzoeningsrechter worden hier perfect nageleefd.

Spreker meent dat de voorgestelde amendementen aanleiding zullen geven tot problemen. Wat bijvoorbeeld de termijn van 30 dagen betreft, zullen de verschillende vrederechters verschillende interpretaties aanhouden. Tevens is deze termijn niet afdwingbaar; er is geen enkele sanctie voorzien als deze termijn niet wordt nageleefd.

De heer Vankrunkelsven kan zich hierbij aansluiten. Het ontwerp is voldoende evenwichtig opgebouwd. De verplichte voorafgaande poging tot minnelijke schikking blijkt een weinig werkbaar instrument en wordt dus best afgeschaft.

Amendement nr. 4

De heer Swennen dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 4-693/3) dat ertoe strekt, in het voorgestelde artikel 1344septies, eerste lid, de woorden « huur van woningen » te vervangen door de woorden « huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder ».

Het begrip huur van woningen is een zeer ruime term die tevens tweede verblijven, garages, ... dekt. Volgens de indiener is dit te ruim en dient de aandacht inzonderheid gericht te worden op de huur van hoofdverblijfplaatsen, waarin de verzoening een belangrijk element speelt om uithuiszettingen te voorkomen.

Amendement nr. 5

De heer Swennen dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 4-693/3) dat ertoe strekt, in het voorgestelde artikel 1344septies, tweede lid, het woord « Onverminderd » te vervangen door de woorden « Op straffe van nietigheid en onverminderd ... »

In het voorgestelde lid is geen sanctie voorzien op het niet vooraf pogen te verzoenen, wat deze bepaling tot de spreekwoordelijke lege doos maakt.

Amendement nr. 6

De heer Swennen dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 4-693/3) dat ertoe strekt, in het voorgestelde artikel 1344septies, derde lid, de woorden « of in geval van verstek » te doen vervallen.

In geval van verstek is uiteraard geen verzoening mogelijk, wat deze woorden dus overbodig maakt.

VII. STEMMINGEN

Artikel 1 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Amendement nr. 1 van mevrouw Russo c.s. wordt ingetrokken.

Amendement nr. 3 van de heer Swennen wordt verworpen met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 7 van de heer Swennen c.s. wordt verworpen met 7 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 2 van de heer Swennen vervalt.

De amendementen nrs 4, 5 en 6 van de heer Swennen worden eenparig verworpen door de 10 aanwezige leden.

Artikel 2 wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 8 van mevrouw Russo c.s. wordt verworpen met 7 tegen 3 stemmen.

Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 4 wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

VIII. EINDSTEMMING

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.


Dit verslag wordt eenparig goedgekeur door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Francis DELPÉRÉE. Patrik VANKRUNKELSVEN.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden tekst (zie stuk Kamer, nr. 52-815/8 - 2007/2008)