4-643/2

4-643/2

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

7 MEI 2008


Belangenconflict tussen het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Vlaams Parlement naar aanleiding van het voorstel van decreet houdende interpretatie van de artikelen 44, 44bis en 62, § 1, 7º, 9º en 10º, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 (Vlaams Parlement, Stuk 1163 (2006-2007) — Nrs. 1 tot 6)


AANVULLEND VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN DELPÉRÉE EN VANKRUNKELSVEN


VOORSTEL VAN ADVIES AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN


I. PROCEDURE

Op 23 april 2008 heeft de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden de, wat later zou blijken, eerste besprekingsronde over dit belangenconflict afgesloten met de verwerping van het gewijzigde voorstel van advies dat de twee rapporteurs hadden ingediend (zie verslag-Delpérée en Vankrunkelsven, stuk Senaat, nr. 4-643/1).

Tijdens de plenaire vergadering van 30 april 2008 hebben de heren Van Hauthem en Coveliers respectievelijk de heren Lambert en Van Nieuwkerke twee voorstellen van advies ingediend. Na een schorsing gedurende welke het Bureau van de Senaat is bijeengekomen om de procedure te bespreken die hiervoor diende te worden gevolgd, heeft de plenaire vergadering het voorstel tot terugzending van het belangenconflict naar de commissie aangenomen bij zitten en opstaan (Senaat, Handelingen, nr. 4-27, blz. 6-7 en 36-37).

De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft het belangenconflict bijgevolg in de tweede ronde besproken tijdens haar vergadering van 7 mei 2008 (II) en, tot besluit, een voorstel van advies aangenomen (III), waarvan de tekst achteraan in dit aanvullend verslag is opgenomen (IV).

II. BESPREKING

De heer De Decker, voorzitter, herinnert de commissie eraan dat de heren Van Hauthem en Coveliers respectievelijk de heren Lambert en Van Nieuwkerke tijdens de plenaire vergadering van 30 april 2008 elk een voorstel van advies hebben ingediend, maar dat de heer Van Hauthem zijn voorstel tijdens de vergadering van het Bureau van 30 april 2008 heeft ingetrokken.

De heer Van Hauthem ontkent dat en antwoordt dat hij de intrekking enkel overwoog indien de heer Lambert dat ook deed.

De heer Lambert acht zich daardoor aangesproken en preciseert dat hij enkel verklaard heeft hierover te zullen nadenken.

Staande de vergadering dienen de heren Vandenberghe en Delpérée, mevrouw Defraigne en de heren Collignon en Vankrunkelsven het volgende voorstel van advies in :

« In het licht van de discussie, zoals weergegeven in het commissieverslag nr. 4-643/1, stelt de commissie voor om geen gemotiveerd advies uit te brengen aan het Overlegcomité als bedoeld in artikel 31, § 1, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. »

Op verzoek van de heer Cheron preciseren de indieners dat de verwijzing naar artikel 31, § 1, uitsluitend tot doel heeft het Overlegcomité te identificeren (1) en dus geenszins inhoudt dat de Senaat geen advies hoeft te verstrekken.

De heer Coveliers wenst te weten of de commissie en, bij uitbreiding, de Senaat zich met een dergelijk advies niet schuldig maken aan rechtsweigering. Artikel 32, § 1quater, eerste lid, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen draagt de Senaat immers op een gemotiveerd advies uit te brengen aan het Overlegcomité. Op de Senaat rust derhalve de verplichting om te pogen de standpunten van de onderscheiden assemblees die in het belangenconflict tegenover elkaar staan, met elkaar te verzoenen om zo tot een oplossing te komen. Met het voorliggende voorstel van advies weigert de Senaat die opdracht uit te voeren. Die houding gaat manifest in tegen de geest van de wet van 9 augustus 1980 en wellicht ook tegen de letter ervan. Allicht zal het parket niet tot vervolging overgaan. Maar, gelet op het voorgaande, acht spreker zich wel verplicht om tegen dit voorstel van advies stemmen.

De voorzitter attendeert de vorige spreker erop dat de heer Van Hauthem met betrekking tot dit belangenconflict steevast verkondigd heeft dat de ontstentenis van advies ook als advies geldt.

De heer Coveliers repliceert dat hij als lid van dezelfde democratische fractie niet door die uitspraak gebonden is en zich een overtuiging vormt op basis van argumenten.

De heer Vankrunkelsven betreurt dat de commissie er tijdens de eerste ronde niet in geslaagd is om een inhoudelijk gemotiveerd advies uit te brengen. Samen met zijn corapporteur, de heer Delpérée, had hij een evenwichtig voorstel in die richting gedaan dat, met de erop ingediende wijzigingsvoorstellen, de vertolking was van de standpunten die in de commissie naar voren waren gebracht. Sommige fracties hebben niet eens de moeite gedaan om daarop wijzigingsvoorstellen in te dienen en hebben het voorstel gewoon weggestemd. Diezelfde fracties stellen nu vast dat er geen gemotiveerd advies kan worden uitgebracht en noteren dat nu formeel in een advies. Dat is een teken van zwakte, ook vanwege de Senaat.

Aangezien de standpunten met betrekking tot dit belangenconflict voldoende gekend zijn, stelt de voorzitter voor om het voorstel van advies van de heer Vandenberghe en Delpérée, mevrouw Defraigne en de heren Collignon en Vankrunkelsven onmiddellijk in stemming te brengen omdat het de verste strekking heeft.

De heren Van Hauthem en Coveliers reageren daarop door hun voorstel van advies opnieuw in te dienen als een amendement op het voorstel van de heer Vandenberghe c.s.

Hun amendement luidt als volgt :

« Het voorstel van advies van de heer Vandenberghe c.s. vervangen als volgt :

« De Senaat,

Gelet op de bespreking in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden;

Is van oordeel dat in deze aangelegenheid het Parlement van de Franse Gemeenschap eigenlijk de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap inzake de regelgeving en inspectie van het basisonderwijs in de randgemeenten betwist;

Is van oordeel dat in de Grondwet een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de vraag wie bevoegd is inzake regelgeving over het basisonderwijs in de randgemeenten, enerzijds, en de taal waarin dit onderwijs wordt gegeven, anderzijds;

Is bijgevolg van oordeel dat het Grondwettelijk Hof desgevallend een oordeel zal moeten vellen. »

De heren Lambert en Van Nieuwkerke zetten hun voorstel van advies eveneens om in een amendement, luidende :

« Het voorstel van advies van de heer Vandenberghe c.s. vervangen als volgt :

« De Senaat is van oordeel dat het belangenconflict met betrekking tot het voorstel van decreet van de Vlaamse Gemeenschap, opgeworpen door het Parlement van de Franse Gemeenschap op 13 december 2007, ten onrechte werd opgeworpen. Zo respecteert de Senaat de bevoegdheid van het Vlaams Parlement. »

Met betrekking tot de stemprocedure werpt de voorzitter de vraag op naar de zin van een stemming over deze twee inhoudelijke amendementen die zijn ingediend op een formeel voorstel van advies, namelijk het voorstel om geen gemotiveerd advies uit te brengen.

Daarom stelt hij voor om eerst de tekst met de verste strekking in stemming te brengen, zijnde het voorstel om geen gemotiveerd advies uit te brengen. Een eventuele goedkeuring van die tekst zou dan het verval meebrengen van de twee amendementen die een letterlijke overname zijn van de tijdens de plenaire vergadering van 30 april 2008 ingediende voorstellen van advies.

Na een gedachtewisseling over (1) de vraag welke van de verschillende teksten de verste strekking heeft en de consequenties die de goedkeuring daarvan zou hebben voor de andere teksten, te weten hun eventueel verval, en (2) de vraag naar de opportuniteit van de handelwijze waarbij in deze fase van de belangenconflictprocedure voorstellen van advies in amendementen worden omgezet om er toch een stemming over te kunnen afdwingen, besluit de voorzitter de gewone stemprocedure te volgen. Er wordt dus eerst over de amendementen gestemd en daarna, in voorkomend geval, over het voorstel van advies.

III. STEMMINGEN

Het amendement van de heren Van Hauthem en Coveliers wordt verworpen met 12 tegen 2 stemmen, bij 3 onthoudingen.

Het amendement van de heren Lambert en Van Nieuwkerke wordt verworpen met 11 tegen 4 stemmen, bij 2 onthoudingen.

Het voorstel van advies van de heren Vandenberghe en Delpérée, mevrouw Defraigne en de heren Collignon en Vankrunkelsven wordt aangenomen met 13 tegen 2 stemmen, bij 2 onthoudingen.

IV. VOORSTEL VAN ADVIES AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE

In het licht van de discussie, zoals weergegeven in het commissieverslag nr. 4-643/1, stelt de commissie voor om geen gemotiveerd advies uit te brengen aan het Overlegcomité als bedoeld in artikel 31, § 1, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs voor het uitbrengen van dit aanvullend verslag.

De rapporteurs, De voorzitter,
Francis DELPÉRÉE.
Patrik VANKRUNKELSVEN.
Armand DE DECKER.

(1) Artikel 31, § 1, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen luidt als volgt : « Er wordt een Overlegcomité opgericht dat, met inachtneming van de taalpariteit, bestaat uit : 1o de regering vertegenwoordigd door de eerste minister en vijf van haar leden aangeduid bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit; 2o de Vlaamse regering vertegenwoordigd door haar voorzitter en één van haar leden; 3o de Franse Gemeenschapsexecutieve vertegenwoordigd door haar voorzitter; 4o de Waalse Gewestexecutieve vertegenwoordigd door haar voorzitter; 5o de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve vertegenwoordigd door haar voorzitter en één van haar leden, die tot de andere taalgroep behoort. »