4-514/3 | 4-514/3 |
10 APRIL 2008
I. PROCEDURE
De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft dit voorstel van bijzondere wet besproken tijdens haar vergadering van 10 april 2008, tezamen met twee andere voorstellen van gewone wet, het ene verplicht, het andere optioneel bicameraal, die dezelfde doelstelling hebben (zie stukken Senaat, nrs. 4-513/1 en 4-515/1).
Aangezien deze drie voorstellen een triptiek vormen, is er de voorkeur aan gegeven om de bespreking ervan samen te ballen in het voorliggende verslag.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE INDIENER VAN DE DRIE WETSVOORSTELLEN
Bij de herziening van de Grondwet van 7 mei 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007 — Editie 3) — en niet van 7 mei 2005 zoals verkeerdelijk in de toelichting van onderhavige wetsvoorstellen werd vermeld — werd de benaming van het Arbitragehof veranderd in « Grondwettelijk Hof ».
Het spreekt voor zich dat, wanneer men verwijst naar het Arbitragehof in de bijzondere en gewone wetten, de nieuwe benaming van het Hof moet worden gebruikt. Daartoe beschikt de wetgever over verschillende methodes.
In casu, werd voor een exhaustieve opsomming van de betrokken wettelijke bepalingen gekozen. Dat is ook de procedure die gevolgd werd door de wetten van 27 maart 2006 tot aanpassing van de wetgeving aan de nieuwe benamingen van de Gewest- en Gemeenschapsraden (Belgisch Staatsblad van 11 april 2006 — Editie 1). Hierdoor voorkomt men de vragen en onzekerheden verbonden aan een algemene wijzigingsbepaling die enkel de uitvoering van de wijziging voorschrijft, zonder naar de betrokken wetten te verwijzen.
De indiener van de drie voorstellen wenst de dienst Wetsevaluatie van de Senaat te bedanken voor zijn voorbereidend werk waarbij de dienst drie lijsten van de te wijzigen wetsbepalingen opstelde.
De drie voorstellen werden officieus voorgelegd aan de diensten van het Grondwettelijk Hof om de volledigheid ervan na te gaan.
Naar aanleiding van hun opmerkingen, heeft de indiener twee amendementen ingediend (stuk Senaat, nr. 4-514/2 en nr. 4-515/2) (zie infra).
Een andere opmerking van het Hof die niet van wetgevende aard is, maar die ongetwijfeld de belangstelling van de juristen zal opwekken, slaat op de vraag hoe de arresten van het Hof voortaan moeten worden geciteerd bijvoorbeeld in de parlementaire voorbereiding, de gerechtelijke beslissingen en in de handboeken recht. Mag men naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van 1985 verwijzen, wanneer die benaming slechts in de Grondwet werd bekrachtigd door de herziening van 7 mei 2007 die in werking trad op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad op 8 mei 2007 ?
In de praktijk lijkt die laatstgenoemde datum het onderscheidingscriterium te zijn : de arresten van het Hof die voor die datum geveld zijn, moeten geciteerd blijven worden als arresten van het Arbitragehof, terwijl de arresten van het Hof vanaf die datum, arresten van het Grondwettelijk Hof worden genoemd. Die oplossing maakt deel uit van een oude traditie. Toen de Volkenbond werd omgevormd tot de Organisatie van de Verenigde Naties, noemde men de activiteiten van die Bond in 1935, nooit de activiteiten van de Verenigde Naties. Idem dito voor de arresten van het Permanent Hof van Internationale Justitie, opgericht door de Volkenbond. Na zijn omvorming in 1946 tot het Internationaal Gerechtshof, is het gebruikelijk dat men blijft verwijzen naar de arresten van het « Permanent Hof van Internationale Justitie ». Dat onderscheid is een blijk van respect van het recht voor de geschiedenis. Zo komt de band tussen recht en geschiedenis tot uiting.
III. BESPREKING EN STEMMINGEN
De commissie schaart zich eenparig achter de drie voorstellen en gaat onmiddellijk tot de stemming over.
III.1. Voorstel van bijzondere wet tot aanpassing van verschillende bepalingen aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (stuk Senaat, nr. 4-514/1)
De artikelen 1 tot 52 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.
Met betrekking tot artikel 53 dient de heer Delpérée amendement nr. 1 in teneinde dit artikel te doen vervallen omdat het een overgangsbepaling betreft die niet meer van kracht is en overbodig is geworden (stuk Senaat, nr. 4-514/2).
Het amendement wordt aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.
Het aldus geamendeerde voorstel van bijzondere wet in zijn geheel wordt eveneens aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.
III.2. Wetsvoorstel tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (stuk Senaat, nr. 4-513/1)
De artikelen 1 tot 27, alsook het wetsvoorstel in zijn geheel worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 12 aanwezige leden.
III.3. Wetsvoorstel tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, aan de benaming « Grondwettelijk Hof » (stuk Senaat, nr. 4-515/1)
III.3.1. Artikelen 1 tot 4
De artikelen 1 tot 4 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.
III.3.2. Artikel 4bis (nieuw)
De heer Delpérée dient amendement nr. 1 in teneinde een hoofdstuk IIIbis, houdende een artikel 4bis, in te voegen (zie stuk Senaat, nr. 4-515/2 en de erin opgenomen verantwoording).
Het amendement wordt aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.
III.3.3. Artikelen 5 tot 10
De artikelen 5 tot 10 worden achtereenvolgens aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.
III.3.4. Stemming over het geheel
Het aldus geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt eveneens aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Berni COLLAS. | Armand DE DECKER. |
DOOR DE COMMISSIE AANGENOMEN TEKSTEN
stuk Senaat, nr. 4-514
Voor de door de commissie aangenomen tekst : zie stuk Senaat, nr. 4-514/4 - 2007/2008.
stuk Senaat, nr. 4-513
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als die van het wetsvoorstel.
stuk Senaat, nr. 4-515
Voor de door de commissie aangenomen tekst : zie stuk Senaat, nr. 4-515/4 - 2007/2008.