4-695/1 | 4-695/1 |
14 APRIL 2008
De situatie van allochtonen op onze arbeidsmarkt is gekend. Hun werkgelegenheidsgraad ligt veel lager dan die van autochtonen, ongeacht het opleidingsniveau. Dit wordt treffend aangetoond door de werkzaamheidsgraad (1) in het Vlaams Gewest uit de Arbeidskrachtenenquête (NIS, EAK) :
| 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | |
| Belgen. — Belges | 64,0 | 64,2 | 63,7 | 64,3 | 64,9 |
| EU-onderdanen. — Ressortissants de l'UE | 64,6 | 60,1 | 58,6 | 64,8 | 65,4 |
| Niet-EU-onderdanen. — Non-ressortissants de l'UE | 34,0 | 37,5 | 35,5 | 38,5 | 41,9 |
Buiten een kwantitatief probleem bestaat ook een kwalitatief probleem : allochtonen zijn oververtegenwoordigd in industriële sectoren en landbouw, lagere gemiddelde lonen, een overheersend arbeidersstatuut, uitzendarbeid en de noodzakelijke combinatie van verschillende deeltijdse jobs voor een voltijdse tewerkstelling (2) .
Uiteraard zorgt een lagere arbeidsparticipatie voor een moeizamere integratie, een minder vlotte aanpassing aan de talen en de cultuur van ons land. Bovendien wordt hun lage werkzaamheidsgraad omwille van bedenkelijke politieke motieven misbruikt. Paradoxaal genoeg bestaan de clichés over « ze nemen ons werk af » en « ze profiteren van onze sociale zekerheid » naast elkaar. De indienster is van oordeel dat er dringend op alle niveaus actie moet worden ondernomen om de positie van allochtonen op de arbeidsmarkt te versterken. Dit zal zowel de allochtone bevolking zelf als de autochtone bevolking en de financiering van de sociale zekerheid ten goede komen.
Oorzaken
Om een juist antwoord te bieden op deze problematiek, moeten eerst de oorzaken van de nadelige positie van allochtonen worden opgespoord. Verschillende studies (3) wijzen op een cluster van problemen aan de kant van de allochtonen zelf en anderzijds een cluster van problemen langs de vraagzijde. De problemen aan de kant van de allochtonen zelf behoren vooral tot de gewest- en gemeenschapsmateries : niveau van opleiding, onvoldoende kennis van de landstalen, gebruik van zoekkanalen naar werk. De problemen aan de kant van de vraagzijde zijn een combinatie van een aantal federale bevoegdheden en de gedeelde verantwoordelijkheid van alle overheden als werkgever.
Een onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van schoolverlaters van de VDAB (4) toont aan dat allochtonen (gedefinieerd als niet-etnische EU'ers) oververtegenwoordigd zijn bij laaggeschoolden (42,4 % tegen 16,1 % bij etnische EU'ers) en ondervertegenwoordigd bij hooggeschoolden (8,8 % tegen 39,6 %). Terwijl de restpercentages van de lagere studierichtingen (na één jaar nog steeds werkzoekend) tussen 30 en 50 % schommelen, is dit bij hooggeschoolden slechts 10-20 %. Allochtone niet-etnisch EU'ers kiezen dus vaker voor een studieniveau dat minder goed in de markt ligt. Ook binnen die studieniveaus kiezen zij haast systematisch meer voor die studierichtingen welke het niet zo goed doen op de arbeidsmarkt (ze kiezen in het beroepsonderwijs bijvoorbeeld vaker voor handel en minder voor bijvoorbeeld hout en bouw). Ongeacht het studieniveau of de studierichting stellen we vast dat het restpercentage dat na één jaar nog steeds geen werk gevonden heeft, systematisch hoger ligt bij allochtonen dan bij etnische EU'ers. Dit verschil neemt wel af naarmate het studieniveau stijgt.
Allochtonen met een gelijke opleiding als autochtonen blijven langer zonder werk, of vinden het moeilijker. Dit blijkt het gevolg van slechte zoekmethoden (werk zoeken via persoonlijk netwerk zorgt voor een grotere kans op tewerkstelling in informele economie, bijvoorbeeld), of van bewuste of onbewuste discriminatie door werkgevers (analyse van de VDAB-databank wijst uit dat werkgevers werknemers met een vreemde naam minder vaak een uitnodiging sturen).
« Wanneer we het succes van opleidingscheques bij Belgen en niet-Belgen vergelijken, merken we dat de laatste groep slechts 2 % van de aanvragers uitmaakt. Niet-Belgen zijn dus duidelijk ondervertegenwoordigd in verhouding tot hun aandeel in de werknemerspopulatie (6,6 %). » (Wie wordt slimmer van opleidingscheques ?, Steunpunt WAV, Arbeidsmarktflits, 22 mei 2006).
Bestaande oplossingen
In het verleden werden reeds verschillende initiatieven genomen. De wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (antidiscrimatiewet) en de wet van 20 januari 2003 tot versterking van de wetgeving tegen het racisme (antiracismewet) waren pogingen om de discriminatie van allochtonen, onder andere op de arbeidsmarkt, tegen te gaan. Meer specifiek kunnen we verwijzen naar artikel 5, § 2, van de eerstgenoemde wet, dat stelt dat elke vorm van discriminatie verboden is met betrekking tot :
« 1º de voorwaarden voor toegang tot arbeid [...];
2º de bepalingen en de praktijken met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en beloning [...];
3º de bepalingen en de praktijken inzake de beëindiging van de arbeidsbetrekking [...]. »
Over deze arbeidsbetrekkingen stelt artikel 8, § 1, van de antidiscriminatiewet dat een « direct onderscheid op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, geloof of levensbeschouwing » « uitsluitend gerechtvaardigd [kan] worden op grond van wezenlijke en bepalende beroepsvereisten ».
Naar een nieuwe oplossing
We moeten echter vaststellen dat er nog niet veel vooruitgang is geboekt. De arbeidsmarktsituatie van allochtonen blijft penibel. De oorzaken zijn veelvuldig : lagere opleiding, gebrekkige taalkennis en ook discriminatie. Dit laatste blijkt uit de vaststelling dat ook van hooggeschoolde allochtonen de werkgelegenheidsgraad aanzienlijk lager is dan die van hooggeschoolde autochtonen. Recente persartikelen bevestigen deze problematiek (5) .
De indienster wil met dit wetsvoorstel niet zover gaan om quota in te voeren. Bij tewerkstellingsquota kunnen vragen rijzen, zowel in termen van bedrijfseconomische efficiëntie als qua integratiebeleid. Het kan immers ook stigmatiserend zijn dat men is aangeworven omdat men allochtoon (6) , gehandicapte, ... is. De indienster is ervan overtuigd dat vandaag de bestaande kwalitatieve arbeidsreserve van ongeschoolde en geschoolde allochtone werknemers door de werkgevers nog te weinig wordt aangeboord. Een dergelijke situatie is maatschappelijk én economisch onhoudbaar, zeker in het licht van de vergrijzing met mogelijke arbeidskraptes. Het voorstel strekt er dus niet toe werknemers op basis van andere dan hun arbeidsgerelateerde competenties aan te werven, maar om werkgevers te laten inzien dat hun personeelsbeleid, meestal onbewust, ertoe leidt dat zij deze categorieën werknemers net minder kansen geven. De indienster stelt daarom voor dat de werkgevers voor hun bedrijf zelf de oefening maken en kijken of hun personeelsbeleid in voldoende gelijke kansen voorziet. In plaats van een quotaregeling, stelt de indienster daarom voor de werkgevers te verplichten het aantal allochtonen in hun onderneming te tellen en weer te geven in hun sociale balans. De sensibiliserende kracht van een dergelijke oefening kan reëel bijdragen tot de verhoging van de kansen van allochtonen op de arbeidsmarkt, zonder dat er sprake is van positieve discriminatie. Het wetsvoorstel voorziet ook in een verplichting voor de FOD Personeel en Organisatie te peilen naar het aantal allochtonen en autochtonen die in dienst zijn van de federale overheid. Aangezien de bevoegdheid over de ondergeschikte besturen bij de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap ligt, roept de indienster die overheden op om in de organieke wetgeving betreffende de ondergeschikte besturen bepalingen in te schrijven die analoog zijn aan die van het voorliggende wetsvoorstel.
Artikel 2
Dit artikel strekt ertoe gegevens betreffende de tewerkstelling van allochtonen op te nemen in de sociale balans. Op die manier wil de indienster de werkgevers bewustmaken van de gevolgen van hun personeelsbeleid voor de integratie van kansengroepen. Er wordt voor gekozen om de definitie van etniciteit over te laten aan de Koning, in overleg met de sociale partners. De methodologie die de VDAB hanteert, is eventueel toepasbaar op een aangepaste manier; die bestaat erin de etniciteit vast te stellen op basis van nationaliteit, de vrijwillige registratie in het AMI-systeem (7) en een namenzoekprogramma. De mogelijkheid om te rapporteren per type nationaliteit of etniciteit kan bijvoorbeeld bestaan in een onderscheid tussen EU-onderdanen en niet-EU-onderdanen, op hun beurt opgesplitst in nieuwe of oude lidstaten, respectievelijk Maghrebijnse of niet-Maghrebijnse landen (8) .
Artikel 3
Dit artikel verplicht de minister van Ambtenarenzaken om jaarlijks een rapport op te maken over de diversiteit in de verschillende federale overheidsdiensten en andere federale instellingen.
| Nahima LANJRI Wouter BEKE Dirk CLAES Sabine de BETHUNE Els SCHELFHOUT. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 45, derde lid, van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, wordt aangevuld met een derde gedachtestreepje, luidende :
« - het aantal in de onderneming tewerkgestelde personen met een niet-Belgische nationaliteit en het aantal personen met de Belgische nationaliteit die een niet-Belgische etniciteit hebben; de Koning bepaalt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad, wat moet worden verstaan onder etniciteit in de zin van dit artikel, welke verdere onderverdelingen per type nationaliteit en type etniciteit gerapporteerd moeten worden, hoe deze gegevens op bedrijfsniveau moeten worden ingezameld en in welke vorm ze moeten worden weergegeven. »
Art. 3
De minister die Ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft, maakt jaarlijks een rapport op over het aantal door de federale overheid tewerkgestelde personen met een niet-Belgische nationaliteit en het aantal personen met de Belgische nationaliteit die een niet-Belgische etniciteit hebben. De Koning bepaalt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, wat moet worden verstaan onder etniciteit in de zin van dit artikel, welke verdere onderverdelingen per type nationaliteit en type etniciteit gerapporteerd moeten worden en in welke vorm deze gegevens moeten worden weergegeven. ».
19 februari 2008.
| Nahima LANJRI Wouter BEKE Dirk CLAES Sabine de BETHUNE Els SCHELFHOUT. |
(1) Verhouding (in procent) van de werkenden tot de totale populatie in de leeftijdsgroep van 15-64 jaar.
(2) Diversiteit in de federale overheid. Studie naar tewerkstelling van vreemdelingen en personen met een vreemde afkomst binnen het federaal administratief openbaar ambt, C. Ceulemans, H. Verhoeven, A. Valkeneers, N. Ouali en B. Cambre, Afdeling Arbeid en Organisatie van de KULeuven, in samenwerking met het Instituut voor de overheid (KULeuven) en het Centre de sociologie du travail, de l'emploi et de la formation (TEF, ULB), Leuven, 2004, pagina 12-13.
(3) Idem voetnoot nr. 2, blz. 1.
(4) VDAB, « Fatima of Sil, een wereld van verschil. Een vergelijkend onderzoek naar de slaagkansen op de arbeidsmarkt tussen etnisch EU en allochtone schoolverlaters. » ArbeidsmarktTopic nr. 2, juni 2004, Brussel.
(5) Zie onder meer « Werkloze steeds vaker allochtoon », De Morgen, 7 februari 2008; « Allochtoon vaker afgewezen bij sollicitatie », Het Laatste Nieuws, 29 januari 2008.
(6) Bijvoorbeeld in artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet, dat onder meer voorziet in de jaarlijkse opstelling van een gemeentelijk jaarverslag.
(7) AMI : Arbeidsmarktinformatiesysteem.
(8) Dit is de indeling die de VDAB maakt.