4-23

4-23

Sénat de Belgique

Annales

SAMEDI 22 MARS 2008 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Discussion de la déclaration du gouvernement

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Ik trap allicht een open deur in met mijn standpunt dat deze regering, in weerwil van wat de kersverse premier in Kamer en Senaat heeft verklaard, de regering is van de ongeloofwaardigheid. De geloofwaardigheid van coalitiepartner CD&V ligt alleszins aan diggelen.

De regeringsverklaring doet ons afvragen wat we ermee moeten aanvangen en hoe we ons er tegenover moeten opstellen. Vaagheid en wolligheid regeren. Met betrekking tot de koopkrachtverhoging bijvoorbeeld lezen we dat de lasten zullen verminderen en de uitkeringen verhogen en welvaartsvast zullen worden gemaakt, maar we hebben er het raden naar hoe en met welke middelen dit zal gebeuren. Het is alsof de premier een tovenaar is die binnen de kortste keren - de eerstvolgende maanden of misschien wel jaren - middelen uit zijn zakken zal toveren om de beloften van het regeerakkoord waar te maken.

Ook onduidelijkheid is troef. Ik verwijs hiervoor naar het deel over het asielbeleid. Na de regeringsvorming verklaarde minister Dewael met betrekking tot de individuele regularisaties dat de minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk blijft en mevrouw Milquet dat een commissie de exclusieve bevoegdheid zou krijgen. In het regeerakkoord lees ik dat de regering de wenselijkheid zal onderzoeken om dergelijke commissie op te richten, maar dat deze, eenmaal opgericht, exclusief bevoegd is. Met andere woorden, de volgende maanden zullen binnen de meerderheid nog hevige debatten worden gevoerd over het al dan niet oprichten van die commissie.

In het kader van de onderhandelingen deed men uitschijnen dat het ging over de inhoud, en niet over de postjes. Ik neem dan ook aan dat dit de reden is waarom men bijna een hele nacht heeft onderhandeld over wie welke ministerportefeuille zou krijgen. De pariteit in de regering is grondwettelijk vastgelegd en werd gerespecteerd, maar er zijn vijf Franstalige staatssecretarissen en slechts twee Nederlandstalige. Een dergelijke wanverhouding is nooit gezien en, los van de afgelegde verklaringen, een teken dat bijzonder duidelijk aangeeft dat deze regering door de Franstaligen wordt gedomineerd.

De afgelopen weken en maanden werd - wellicht bij de coalitiepartners, maar meer nog in de media - vaak de vraag gesteld: `Kan Leterme het? Heeft hij wel het profiel en het kaliber om niet alleen minister-president van de Vlaamse regering te zijn geweest, maar ook Belgisch premier te worden?' Op die vraag moet ik natuurlijk het antwoord voor een stukje schuldig blijven, maar de vraag die daar eigenlijk bij hoort, is nooit gesteld. De vraag is niet alleen `Kan Leterme het?' maar ook `Mag hij het?'. Dat is een heel andere vraag, maar even fundamenteel. Mag Yves Leterme zijn politiek project realiseren? Mag Yves Leterme de 800.000 stemmen die hij op 10 juni 2007 behaalde, verzilveren? Of men het nu graag heeft of niet, hij was wel de kopman van een kartel met een bijzonder duidelijk communautair programma gebaseerd op de resoluties van het Vlaams Parlement van 1999 die opgenomen waren en nog altijd zijn in het regeerakkoord van de Vlaamse regering van 2004. Ik zal u de opsomming van die resoluties en dus van het Vlaams regeerakkoord besparen, maar Yves Leterme werd daarvoor door de Vlaamse kiezer niet afgestraft. Integendeel, hij werd ervoor beloond. Als ik dan echter zie wat inzake staatshervorming in het regeerakkoord staat en vooral wat er niet in staat, dan kan ik slechts besluiten dat Yves Leterme inderdaad niet mocht. Ik heb hier een ontwerp van regeerakkoord waar na het institutionele deel nog een tekstje staat over wat men eventueel in de tweede fase van de staatshervorming zou willen realiseren of waar tenminste over gepraat zou kunnen worden. In dit document staat de tekst er nog wel, maar hij is doorgestreept en in het regeerakkoord zelf is hij gewoon helemaal weg. Het is een wit blad geworden. Over het institutionele deel staat er dus niets meer in. Zelfs de vage intenties rond wat er eventueel in een tweede fase in het Octopusoverleg zou kunnen worden besproken, zelfs dat kon en mocht blijkbaar niet in het regeerakkoord staan, hoe vaag het ook was. Want uiteindelijk stonden in de geschrapte tekst enkel een paar borrelnootjes die zouden worden overgeheveld en enkele punten die eventueel, misschien in een tweede fase, bespreekbaar zouden zijn.

Mocht hij het? Nee, hij mocht het niet. Kan hij het? Ja, hij kan het wel. Hij kan het, omdat hij niet mocht doen wat hij wilde doen. Maar hij kan het wel. Hij kan inderdaad de bocht nemen die elke Vlaming die premier van België wil worden, geacht wordt te nemen. Want wij zitten in dit land toch wel met een bijzondere definitie van staatsmanschap. In het buitenland is een staatsman iemand die niet alleen principes heeft en verdedigt, maar ze ook realiseert en daarvoor desnoods zijn hoofd op het blok legt.

In België is iemand pas een staatsman als men vergeet dat men Vlaming is en zijn principes opgeeft voor het zogenaamde hogere belang. Premier Leterme kan perfect een bocht nemen. Hij kan vervellen van Vlaams boegbeeld als minister-president van de Vlaamse regering tot Belgisch premier. We hebben dat ook zien gebeuren met de heer Verhofstadt. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij de heer Leterme, maar dan versneld.

Het gevolg is dat hij zijn geloofwaardigheid, waarmee hij zo pronkte, aan een ijltempo weggooit. De huidige premier riep in 2004 uit dat er maar vijf minuten politieke moed nodig zou zijn om Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen. Welnu, als we niet opletten worden het vijf jaren politieke hel.

CD&V zou niet in een Vlaamse regering stappen zonder dat de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde een feit was. Hij zou ook niet in een federale regering stappen zonder dat de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde een feit was. CD&V zou niet deelnemen aan een regering zonder een grote staatshervorming of ten minste het vooruitzicht op een staatshervorming. Nu stellen we vast dat CD&V in een regering stapt zonder dat Brussel-Halle-Vilvoorde gesplitst is. Meer zelfs, de heer Leterme zegt vandaag in Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg dat er een onderhandelde oplossing moet komen en dat er toch ook wel iets voor de Franstaligen moet inzitten.

CD&V zou ook niet in een regering stappen zonder garanties voor een grote staatshervorming. Ik herinner me nog dat Yves Leterme als minister-president van de Vlaamse regering vanop het spreekgestoelte meedeelde dat hij de Vlaamse regering zou verlaten en zou overstappen naar het federale niveau om de Vlaamse belangen beter te dienen. Het institutionele deel van dit regeerakkoord is compleet verwaarloosbaar. Een regeerakkoord is geen verkiezingsprogramma, maar een engagement. Als men de vergelijking maakt met wat in het Vlaams regeerakkoord staat en verwoord werd door minister-president Kris Peeters in het Octopusoverleg en het voorstel van bijzondere wet met de memorie van toelichting, dan zeg ik `Shame on you, CD&V!'.

Hoe kunnen de leden van CD&V-N-VA aan de publieke opinie verklaren dat ze als kartel met een verkiezingsprogramma naar de verkiezingen zijn gegaan als nu een deel van het kartel vindt dat wat in het regeerakkoord staat voldoet aan het verkiezingsprogramma en het andere deel van het kartel vindt dat het absoluut niet aan het gemeenschappelijk verkiezingsprogramma beantwoordt. En wij moeten al die onzin geloven.

Het hoofdstuk over de staatshervorming komt ons echt niet geloofwaardig over. Eric Van Rompuy, toch niet de minste bij CD&V, in Knack van begin februari, omvat het ontwerp van bijzondere wet dat de huurwet, de Ikeawet, de participatiefondsen, de onteigeningen en dergelijke overhevelt, alleen `maar bagatellen'. In de memorie van toelichting bij die bijzondere wet lees ik dat men misschien eens zal praten over het arbeidsmarktbeleid om dan na te gaan of eventueel een paar aspecten daarvan mogelijk naar de gewesten zouden kunnen worden overgeheveld, en dat men misschien eens moet gaan praten over het mogelijk overhevelen van sommige delen van het gezondheids- en het gezinsbeleid naar de gemeenschappen en over de voorwaarden waaronder dat zou kunnen gebeuren.

Ik begrijp overigens niet waar ik de geloofwaardigheid van CD&V zou moeten zoeken. Er is niet alleen die vaagheid over wat er kan worden overgeheveld, er is zelfs geen visie op wat CD&V een grote staatshervorming noemt. Ze heeft daarover sinds 10 juni zoveel mist laten hangen dat we ons afvragen wat voor CD&V nu de grote staatshervorming is en waar de grens ligt voor wat de partij voldoende vindt. Wat er nu op tafel ligt, kan het in alle geval niet zijn.

Er is meer. Niet alleen staan de Vlaamse eisen voor een staatshervorming niet in het regeerakkoord, het bevat wel beleidsopties die duidelijk regelrecht ingaan tegen een overheveling van wat dan ook. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het hoofdstuk over het gezondheidsbeleid of naar het arbeidsmarktbeleid. Ik krijg meer en meer de indruk dat CD&V zich tot dat laatste beperkt en dat ze al de rest van het Vlaamse regeerakkoord verwerpt. Zelfs over het arbeidsmarktbeleid lees ik in het hoofdstuk `Een nationale werkgelegenheidsstrategie' dat de regering plannen ontwikkelt om de werklozen te activeren, dat ze van plan is een doelgroepenbeleid te ontwikkelen en dat ze het hele systeem van de werkloosheiduitkeringen wil herbekijken. Dat men mij dan maar eens in alle sereniteit komt uitleggen hoe een regering die zelf een arbeidsmarktbeleid - wat voor CD&V zo belangrijk is - wil ontwikkelen, in juni dat beleidsdomein naar de gewesten zal overhevelen. Het feit alleen dat de federale regering daar plannen voor heeft, betekent dat ze de overheveling van het arbeidsmarktbeleid nu al helemaal in de vuilbak heeft gegooid. Een ander voorbeeld is de schoolpremie, die men in 2006 nog heeft ingevoerd en die de regering nu al wil omvormen tot een bijkomende kinderbijslag in de maand augustus. Ik herinner me dat CD&V in 2006 moord en brand schreeuwde en dat CD&V-volksvertegenwoordiger Greta D'Hondt in de Kamer de extra kinderbijslag zelfs boerenbedrog noemde. Vlaams minister van Onderwijs Vandenbroucke reageerde dat de federale regering zich niet met de onderwijsuitgaven moest bezighouden en dat de Vlaamse regering zich wel met de onderwijsuitgaven zou bezighouden. Iedereen wist waarom die schoolpremie er moest komen: de Franse Gemeenschap had gewoon het geld niet om de studiekosten te vergoeden van de leerlingen van het lager en het secundair onderwijs.

Nu wordt de schoolpremie anders genoemd. Omdat onderwijs een gemeenschapsbevoegdheid is, krijgt de schoolpremie de vorm van een dubbele kinderbijslag, uitbetaald in augustus. Op die manier wordt gecamoufleerd dat de regering op het bevoegdheidsterrein van de gemeenschappen bezig is. Met zulke concrete maatregelen in een federaal regeerakkoord staan we ver van een eventuele overheveling van het gezinsbeleid, zoals dat in de nota van Vlaams minister-president Kris Peeters staat.

Ik heb hier de toelichting door de Vlaamse regering van haar standpunt op het Octopusoverleg van 1 februari 2008. In het Vlaams Parlement heb ik aan minister-president Peeters toegegeven dat die nota een correcte samenvatting is van het Vlaams regeerakkoord. Als ik die nota echter vergelijk met wat in het regeerakkoord staat en met wat nu op tafel ligt aan bevoegdheidsoverdrachten - wat Eric Van Rompuy de bagatellen, en Didier Reynders anekdotische verhaaltjes noemt - en bovendien vaststel dat in de memorie van toelichting niets staat, dan besluit ik dat de brave Kris Peeters met de nota van de Vlaamse regering naar het Octopusoverleg in de Senaat is mogen komen uit beleefdheid. Nadien mocht zijn nota naar de vuilnisbak.

De geloofwaardigheid van CD&V ligt aan diggelen. CD&V was de grote winnaar van de verkiezingen, maar is de grote verliezer van deze regering. Brussel-Halle-Vilvoorde staat niet in het regeerakkoord. De staatshervorming evenmin. Hoe kan CD&V geloofwaardig zijn? De kopman van CD&V, die nu premier is, zegt op zijn congres dat hij uit de regering stapt als er geen grote staatshervorming is, maar geeft vandaag in Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg aan de Franstaligen het signaal dat CD&V er nooit uitstapt. CD&V is de verkiezingen ingegaan met de belofte niet in een regering te stappen zonder grote staatshervorming. Ze stapt in de regering met de belofte eruit te stappen als er geen grote staatshervorming komt. Maar vandaag al is de koers opnieuw veranderd en heeft ze via de media aan de Franstaligen duidelijk laten weten dat ze de N-VA desnoods niet nodig heeft.

Waar is nog de geloofwaardigheid? CD&V is vandaag de grote verliezer. Het is niet meer nodig dat wij oppositie voeren. In De Standaard van vandaag voeren enkele CD&V'ers zelf oppositie. Ik citeer Tony Van Parys: `De kritiek op de regeringssamenstelling was zo intens en langdurig dat we zelfs niet aan de inhoud van het regeerakkoord zijn toegekomen.' Proficiat, dames en heren van CD&V. Blijkbaar ging de bespreking op de fractie over de postjes. De frustratie over het feit dat we een regering hebben met meer Franstalige dan Vlaamse excellenties is blijkbaar bijzonder groot. Dat kan ik begrijpen.

Ik citeer Tony Van Parys verder: `Invloed op de stemming zal dat niet hebben, we zullen loyaal zijn tot 15 juli. Dan volgt de ultieme test, de zoveelste. Voor de meesten van ons - niet alleen N-VA'ers, ook de meeste CD&V'ers - is het al vrij zeker dat het niet zal gaan. Maar we willen het echt nog eens proberen'.

De heer Van Parys zegt dat het tegen 15 juli niet zal lukken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - We zullen zien. We gaan er alleszins voor.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Neen, Tony Van Parys is er vrij zeker van, maar CD&V wil het echt nog eens proberen.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Maar Van Parys is dan ook geen minister geworden.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Geen minister, maar uiteindelijk wel quaestor.

In De Standaard van vandaag zegt de heer Van Parys: `Er is geen overeenstemming meer te vinden in dit land, dit is de waarheid. Velen, ook de perscommentatoren, doen alsof dat aan individuen ligt. Ik zeg u, en vele CD&V'ers met mij: het probleem zit niet bij individuen, het zit veel dieper.'

Inderdaad, dit land heeft de grenzen van zijn federalisme bereikt. Het valt eigenlijk niet meer te besturen en in plaats van voort te strompelen van staatshervorming tot staatshervorming zouden we beter dat andere debat voeren, namelijk het debat over de vraag hoe we vreedzaam uit elkaar kunnen gaan. Laten we in godsnaam de stekker uittrekken in plaats van voort te strompelen.

De regering die aantreedt is die van het ingebakken wantrouwen, van de permanente onderhandelingen, van de niet ingeloste beloften. Het is eigenlijk de regering van het grootschalige bedrog van de Vlaamse kiezer die op 10 juni 2007 een bijzonder duidelijke stem heeft uitgebracht.

Maand na maand heeft men CD&V de broek afgestroopt. Vandaag staat die partij daar met de broek op de enkels. Wie met zijn broek op de enkels een stap vooruit doet, struikelt.

CD&V had beter haar electoraal gewicht gebruikt om te doen wat ze haar kiezers had beloofd, maar CD&V is begraven en de oude CVP is er terug. Deze regering is de regering van het bedrog en Yves Leterme, de magistrale minister-president van de Vlaamse regering die zijn partij naar het hoogtepunt van 800.000 stemmen heeft gestuwd, bevindt zich vandaag in een positie waarin Guy Verhofstadt nooit verzeild is geraakt.

Leterme heeft inderdaad een bocht gemaakt. Mocht hij dat doen? Neen. Maar hij kan het wel. Ja, bochten maken kan hij. Dat stemt ons bijzonder droevig.

Mme Christine Defraigne (MR). - Certains ont parlé, à propos de ce gouvernement, d'un accouchement long et laborieux. Dans cette assemblée, nous avons mené des débats très intéressants concernant la bioéthique. Je préfère dès lors parler d'une procréation très assistée, qui a nécessité une technologie médicale de pointe pour obtenir un embryon. Nous sommes bien entendu en amont du processus. Pour ce qui est de l'accouchement, nous verrons de quoi demain sera fait. Nous sommes en tout cas passés d'un GDD - gouvernement à durée déterminée - à un GDI, mais ce caractère indéterminé s'apparente ici à une grande incertitude.

Quoi qu'il en soit, cette étape était absolument nécessaire pour la population. Personne n'aurait accepté qu'après des mois d'insécurité, l'on n'aboutisse pas à une solution au moins deux ou trois jours avant le terme fixé.

S'agissant d'une composante gouvernementale asymétrique réunissant un certain nombre de partis, chacun puisera dans le programme ou dans la déclaration gouvernementale les accents qui lui sont les plus personnels et les plus chers.

Pour ma formation, l'élément essentiel - cela ne vous surprendra pas - est la baisse des impôts, que l'on ne pouvait pas, comme notre chef de file l'a précisé, appeler « réforme fiscale ». Je suis heureuse que lors des discussions ayant précédé la déclaration, certains aient finalement compris qu'un salaire net de 1.500 euros par mois, que ce soit pour un ménage ou pour une personne seule, était loin d'être mirifique et qu'il fallait aussi s'intéresser à cette catégorie de la population, à cette classe moyenne - il ne s'agit pas de riches - confrontée à des difficultés en termes de pouvoir d'achat.

Je suis satisfaite des mesures prises : augmentation de la quotité exonérée, suppression de barèmes intermédiaires, allégement des charges sociales et fiscales des petites et moyennes entreprises, amélioration de la situation des indépendants... À cet égard, nous sommes enfin parvenus à faire accepter cette notion selon laquelle un enfant égale un enfant ; il a fallu combattre depuis des années, voire des décennies, pour y arriver. Finalement donc, nous aurons bientôt une situation équilibrée pour ce qui est des allocations familiales.

Je suis heureuse que la disparition progressive de la cotisation de solidarité retenue sur les pensions soit programmée. En effet, combien n'a-t-il pas fallu batailler et tempêter pour que l'on reconnaisse enfin le caractère inique et pervers de cette cotisation !

En matière de santé, le gouvernement provisoire a évoqué le Plan cancer. Il est heureux que l'on se préoccupe de cette maladie de longue durée, mais d'autres maladies requièrent notre attention.

Au coeur d'une réflexion indispensable sur l'offre de santé figure le numerus clausus, une mesure selon moi très injuste sur les plans humain et philosophique ainsi qu'au point de vue des libertés individuelles parmi lesquelles figure le droit de faire des études. En outre, ce dispositif a montré ses limites. Bon nombre de médecins sont astreints à des gardes infernales. Certaines spécialités, comme la radiologie ou la pédiatrie, souffrent de pénuries, sans compter les disparités géographiques. Il faudra repenser fondamentalement ce système qui n'est plus adapté. Il ne tient pas compte de la féminisation de la profession, du nombre de médecins qui n'exercent plus mais conservent leur numéro INAMI pour faire des ordonnances à leur famille, etc.

J'en viens à une malade de longue durée, à savoir la justice, qui elle aussi mériterait un plan. Je pense évidemment à l'arriéré judiciaire et à certains thèmes qui nous tiennent à coeur et sur lesquels nous continuons à travailler. Ainsi, nous prônons la création d'un véritable tribunal de la famille. S'agissant de l'exécution des peines, le système carcéral doit être repensé. Il faut certes construire de nouvelles prisons mais également mener une réflexion sur la sanction. Dans ce cadre, le bracelet électronique - un des chevaux de bataille que j'aborde à chaque débat sur une déclaration gouvernementale - ne devrait plus être considéré comme une modalité d'exécution de la peine mais comme une peine à part entière, avec ce qu'elle implique de contraintes.

La libération conditionnelle revient également comme un leitmotiv. Au fil des années, la loi Lejeune a montré ses limites. De la même manière qu'il est tabou de parler de réforme fiscale, il est tabou de parler de peines incompressibles. Parlons plutôt de peines en deçà desquelles on ne peut descendre ou de peines dont le seuil de tolérance sera fixé par le magistrat. Il est intéressant de savoir que le juge pourra, en quelque sorte, fixer une peine de sûreté qui sera calculée en fractions de la peine à exécuter.

J'en viens à l'immigration, un thème important qui suscitera encore beaucoup de discussions et d'empoignades. Cette question doit être abordée sans prêter d'intention nuisible aux uns et aux autres. Il faut garder à l'esprit que la coopération au développement revêt une importance fondamentale pour le bien-être des pays concernés et que le choix de l'immigration est toujours un échec et un malheur. Une coopération bien pensée et aux objectifs clairs aura des effets plus positifs sur l'immigration que bien des discussions idéologiques sur ce thème. Nous devons tendre vers une harmonie entre le développement des pays originaires et les besoins du pays d'accueil.

Les régularisations donneront lieu à des discussions. Nous réaffirmons notre attachement aux régularisations individuelles et non collectives, sur la base de critères humains et humanistes.

Un autre thème devant faire l'objet d'un débat est la situation des apatrides et la façon dont les cas d'apatridie sont réglés par les tribunaux de première instance, lesquels sont souvent dépassés.

Certains ont comparé le programme du gouvernement à un catalogue ou un inventaire. Ils reprochent au gouvernement de ne pas avoir chiffré les mesures qu'il propose. J'admets que le budget reste un des points d'interrogation de cette déclaration gouvernementale. Nous sortons de huit années d'équilibre budgétaire. La situation économique actuelle n'est évidemment pas facile. Dans une situation conjoncturelle extrêmement mouvante, marquée par des évolutions économiques internationales très capricieuses, il est peut-être bon de ne pas s'enfermer dans des carcans.

Le dernier point que je souhaite évoquer est la réforme de l'État. J'ai entendu les cris et les appels lancés par celui qui m'a précédée à la tribune. Un premier paquet de réformes sera voté prochainement. Quant au deuxième paquet, prévu pour le 15 juillet, je n'ai pas de boule de cristal et j'ignore donc comment les choses vont se dérouler. Je pense même que les négociateurs, les membres du gouvernement et les sages l'ignorent également. Ma conviction profonde est qu'il faudra régler le problème de l'arrondissement de Bruxelles-Hal-Vilvorde d'une manière ou d'une autre et je rappelle que la Cour constitutionnelle n'a pas exigé la scission. J'ai également noté que l'accord de gouvernement ne dit pas grand-chose de la réforme de notre estimée et honorable assemblée. Comme on le dit à Liège, c'est une « discrétion de violette » que l'on observe à propos de la réforme du Sénat.

M. Philippe Mahoux (PS). - Pas de nouvelle, bonne nouvelle !

Mme Christine Defraigne (MR). - Effectivement. Mais il y a des silences qui sont parfois assourdissants et chargés de menaces.

La présidente du sp.a a déclaré qu'il s'agissait d'un gouvernement d'une droite dure et sans pitié. Je dirai donc à mes camarades du PS : « Bienvenue dans ce gouvernement de droite ! »

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Op 10 juni 2007 hebben de Vlaamse, Brusselse en Waalse kiezers hun prioriteiten naar voren geschoven. Op die dag werden de politieke kaarten grondig door elkaar geschud. Sindsdien is ons land op zoek naar een nieuw evenwicht en naar een nieuw werkbaar samenlevingsmodel, waarin de problemen van de mensen efficiënter kunnen worden aangepakt, waarin een beleid kan worden gevoerd dat optimaal is afgestemd op de noden van de verschillende regio's en waarin flexibeler kan worden ingespeeld op de internationale ontwikkelingen. Die internationale ontwikkelingen, zoals de globalisering van de economie, het energievraagstuk, de klimaatproblematiek, de welvaartsverdeling in de wereld en de internationale wereldvrede, dwingen ons tot een continue reflectie over en een actualisering van onze politieke besluitvormingsmodellen. Alle landen, en niet het minst Europa, krijgen te maken met het meerledige bestuursmodel, een model met een spreiding van de verantwoordelijkheden tussen de lokale, regionale, federale, Europese en internationale besluitvormingsniveaus waarbinnen alle politieke antwoorden kunnen worden geformuleerd, antwoorden die zowel krachtig als democratisch gelegitimeerd moeten zijn.

Als we hier vandaag samen zijn om de regeringsverklaring te bespreken, dan is dat omdat er sinds 21 december van vorig jaar een welbepaald traject is uitgestippeld, een traject met een klassieke meerderheid en een klassieke oppositie, waarbij de vier grote politieke families van ons land samen de bakens uitzetten voor een vernieuwd staatsmodel. De voorbije drie maanden heeft de interim-regering dit traject ingevuld. Ondanks de kwakkelende economische groei werd de begroting 2008 in evenwicht en zonder eenmalige maatregelen opgesteld. Daarnaast werd een nationaal veiligheidsplan goedgekeurd en werden maatregelen genomen om het stookoliefonds doeltreffender te maken.

Wij hebben lang moeten vechten om onze communautaire eisen op de politieke agenda te krijgen. Na het akkoord in de raad der wijzen werd een eerste pakket van maatregelen in de vorm van een bijzondere wet in de Senaat ingediend om meer bevoegdheden naar de gewesten over te hevelen. We staan klaar om die wetsvoorstellen meteen na de paasvakantie te behandelen. Een tweede en stevig pakket moet tegen juli worden gerealiseerd. Dat is voor het kartel CD&V-N-VA een cruciale voorwaarde om het werk van deze regering in de komende jaren te kunnen voortzetten en er een succes van te maken.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Wat vindt u van de heer Van Rompuy die dat `bagatellen' noemt?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Ik denk dat het eerste pakket meer betekent dan de Lambermontakkoorden en dat er een tweede, consistent pakket van maatregelen moet komen. Ons standpunt daarover is algemeen bekend. Wij zijn zeer transparant.

Eergisteren heeft de premier in zijn regeringsverklaring de krijtlijnen van het bestuursakkoord tussen de regeringspartijen toegelicht. Op basis van die uitgangspunten zal de regering haar beleid voeren. Namens de CD&V-senaatsfractie engageer ik mij voor een volle medewerking aan dit programma.

Onze fractie is tevreden dat de regering op budgettair vlak durft te kiezen voor een structureel overschot van 1% van het bbp tegen 2011. Het primair saldo is de voorbije jaren gestaag gedaald; het budgettair evenwicht werd maar bereikt door eenmalige maatregelen. Deze regering engageert zich nu om een echt structureel evenwicht na te streven. We hebben nu een akkoord waarbij we wel op lange termijn durven te denken, waarbij we de vergrijzing wel voorbereiden.

Een echt sociaal beleid is in de eerste plaats een ambitieus begrotingsbeleid. We steunen de aanpak om eerst een streng budgettair kader vast te stellen, eerst de budgettaire marges te creëren en dan evenwichtige en efficiënte maatregelen te nemen. Binnen dit kader zal het sociaal beleid gestalte krijgen via een gerichte verhoging van de uitkeringen, maar ook via een gerichte verlaging van de belastingen. Binnen dit kader zal de regering maatregelen uitwerken met het oog op de verhoging van de inkomens van de zwaksten, met aandacht voor de chronisch zieken en hen die tegenslag hebben, maar ook met aandacht voor de gezinnen en de middengroepen en met gerichte maatregelen die tegelijk dienen om de werkgelegenheid te verhogen, het ondernemerschap te versterken en de werkloosheidsvallen op te ruimen. Voor onze fractie is dit geen óf/óf-, maar een én/én-verhaal.

Dit regeerakkoord zet de warme samenleving op de agenda. Zo is er aandacht voor een betere ondersteuning van het vrijwilligerswerk, onder andere door het optrekken van de fiscale plafonds en zal ook werk worden gemaakt van een heus handvest van het middenveld. Het regeerakkoord is ook uitgesproken gezinsvriendelijk. De dertiende maand kinderbijslag komt in zicht; voor het eerst komt er een gelijkschakeling van de kinderbijslagen voor alle kinderen, ook voor kinderen van zelfstandigen, want een kind is een kind; het familierecht wordt geactualiseerd; gezin en arbeid moeten verder beter op elkaar worden afgestemd.

Onze fractie is tevreden met de versterkte aandacht voor de autonomie en de draagkracht van de gemeenten. Er komt een verruimd toepassingsgebied inzake gemeentelijke administratieve sancties, de wet op de civiele veiligheid zal worden uitgevoerd zonder meerkosten voor de steden en gemeenten en de regering zal de gemeenten ondersteunen voor de ontwikkeling van de nood- en interventieplannen. De aandacht voor de gemeenten is met dit akkoord duidelijk terug van weggeweest.

Aangezien de Senaat ook de eerste kamer is inzake internationale betrekkingen, ga ik iets dieper in op de internationale aangelegenheden. Terecht worden in de regeringsverklaring vrede en veiligheid, armoede en ongelijkheid, klimaat en milieuvervuiling onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onze fractie heeft daar een uitgesproken visie op. Mensenrechten verzoenen met economische belangen is niet eenvoudig. Toch zijn mensenrechten voor ons prioritair, omdat dit fundamentele recht de beste garantie biedt op duurzame vrede en gelijkheid. Deze afweging zullen wij steeds hanteren in de houding van ons land tegenover landen en regio's met mensenrechtenschendingen. Ik wil het ook hebben over China, want wat vandaag in Tibet gebeurt, is onaanvaardbaar. Er is, zoals de dalai lama zei, een culturele genocide aan de gang. Bovendien worden de mensenrechten en de godsdienstvrijheid niet gerespecteerd. Wij zullen opkomen voor Tibet, zoals we zullen opkomen voor mensenrechten in Myanmar, Iran en andere regio's in de wereld.

In het verlengde van het goede werk dat de voorbije weken ook in de Senaat werd verricht, is het goed dat het regeerakkoord in het kader van human security uitdrukkelijk stelt dat de regering het seksueel geweld tegen vrouwen in gewapende conflicten, meer bepaald in Oost-Congo, wil bestrijden. Bereidheid is één zaak. Nu komt het er ook op aan hoe het beleid en de regering dit zal aanpakken om deze voornemens concreet te vertalen op het terrein. Onze fractie zal ervoor waken dat de regering alles in het werk stelt om deze problematiek in het mandaat van de MONUC op te nemen met de bedoeling een omkadering en een beveiliging te geven aan de rechtbanken, de magistraten, de psychologen, de gezondheidswerkers. Daarom moet voor ons de huidige positie van België in de VN-Veiligheidsraad als hefboom worden gebruikt.

Onze aandacht voor seksueel geweld en kindsoldaten, die in het regeerakkoord vermeld is, mag ons niet doen vergeten dat Congo meer dan vier miljoen doden heeft gekend en dat er, volgens het laatste rapport van een internationaal alom erkende organisatie, regio's zijn in het centrum van het land, zoals Kasaï en Maniema, waar de kindersterfte vandaag nog steeds toeneemt. Daarom stelt het regeerakkoord terecht dat Centraal-Afrika hoog op de agenda zal blijven.

Onze fractie is verheugd dat alle regeringspartijen opnieuw een duidelijk groeipad naar de 0,7%-norm inzake ontwikkelingssamenwerking tegen 2010 hebben vastgelegd. Deze bijkomende middelen moeten voor ons evenwichtig verdeeld worden over de verschillende actoren, met een inhaalbeweging voor de indirecte en de bilaterale samenwerking. De herziening van de wet op de internationale samenwerking van 1999 op basis van de nieuwe inzichten ter zake juichen we toe. Dat betekent dat voor de nieuwe hulpmiddelen zoals budgethulp en gedelegeerde samenwerking een wettelijke basis zal nodig zijn.

Onze fractie is vragende partij om een inbreng te hebben in de wetgevende initiatieven die nodig zijn om het regeerprogramma inzake justitie en veiligheid uit te voeren. De aanpak van overlast en kleine criminaliteit, de jeugdcriminaliteit, de hervorming van justitie, een geloofwaardige strafuitvoering, het strafprocesrecht, waar we zo hard aan gewerkt hebben, de actualisering van het familierecht zijn thema's die op de agenda staan en waar de Senaat naar onze mening een belangrijke en actieve rol kan spelen. Uiteraard moeten we als Senaat ook de al aangevatte debatten over het draagmoederschap, over het postmortaal onderzoek en betreffende de commercialisering van menselijke weefsels en cellen voortzetten. We nodigen de regering en de andere fracties uit om tot goede afspraken te komen om al deze debatten grondig te voeren, wat altijd de ambitie is van onze fractie binnen de Senaat.

De maatschappelijke context waarin deze regering tot stand komt, werd de voorbije weken gekenmerkt door ongeloof of gelatenheid. Ook de misnoegdheid over het kennelijk onevenwicht binnen de regering is bekend, maar wij willen voortgaan op een positief elan. Ons gaat het om de inhoud en de krachtlijnen van het regeerakkoord. Daarom roepen we de regering op om de daad bij het woord te voegen, om dagelijks de juiste beslissingen te nemen. We roepen alle partners rond de regeringstafel op om loyaal en met respect voor elkaar samen te werken en om de fundamentele opvattingen en waarden van de andere regeringspartners te respecteren - ik denk daarbij niet het minst aan het ethische debat - in het belang van ons land, in het belang van de huidige en toekomstige generaties en in het belang van de democratie.

M. José Daras (Ecolo). - Je suis un parlementaire sérieux et appliqué. J'ai donc lu et relu le texte de la déclaration gouvernementale. Certains affirment que ce n'est qu'un catalogue de la Redoute, un ensemble de voeux pieux, un catalogue d'intentions, et tout cela est sans doute vrai. Je dirais, moi, que ce texte semble être un menu de négociations. C'est le genre de document à déposer sur les bancs au début d'une négociation, un relevé de tous les points à régler, pour lesquels il faudrait trouver un accord. Une liste des points pour lesquels le gouvernement essaiera, verra s'il est possible de, étudiera..., cela ne fait pas un accord solide. C'est un menu de négociations entre les partenaires qui vont donc négocier tout le temps et tout, puisqu'à peu près rien n'est réglé dans cet accord. C'est aussi un menu de négociations avec les entités fédérées puisqu'en divers endroits il est question des régions et des communautés, avec lesquelles il faudra négocier, arranger, trouver un accord.

Bien, on peut vivre avec un accord de gouvernement qui n'est qu'un menu de négociations. C'est une tendance que l'on avait cherché à freiner ces dernières années, en faisant des accords les plus précis possible, pour que l'on sache où l'on va, pour que l'on puisse dire à la population à quoi l'on s'engage vis-à-vis d'elle. Cette tendance est clairement renversée dans le texte proposé aujourd'hui.

Non seulement le contenu, mais aussi les aspects budgétaires, le coût de chaque mesure, les marges à dégager, tout cela devra être négocié à chaque fois.

C'est donc un gouvernement d'incertitude sur sa durée, avec l'épée de Damoclès de la N-VA constamment présente, un pied dedans, un pied dehors, mais aussi sur ses objectifs et ses moyens. C'est un gouvernement de porcelaine avec beaucoup d'éléphants dedans et dehors, plus ceux qui ont une patte dedans et une patte dehors. Honnêtement, je ne voudrais pas être à la place de certains membres de ce gouvernement qui, par ailleurs, ont toute ma sympathie.

Ce ne serait pas trop grave si la confiance régnait entre les partenaires. Il ne s'agit pas de s'aimer, ce n'est pas ce qu'on ne demande aux membres d'un gouvernement, mais au moins d'avoir du respect les uns pour les autres, de la loyauté et, ensemble, une volonté de réussir, bref, de former une équipe. À l'heure actuelle, je n'ai pas le sentiment que l'équipe soit soudée par la volonté de réussir, la volonté de répondre aux grands défis qui se posent dans nos sociétés. On sent des tensions, de la méfiance, du flou sur les objectifs. Or, nos sociétés sont aujourd'hui confrontées à des défis extrêmement importants, en dehors des questions institutionnelles qui ne constituent un défi que pour certains et auxquelles ils faudrait vraiment consacrer moins d'énergie.

L'un de ces défis est celui de la pauvreté d'une partie de nos concitoyens.

C'est aussi le défi de la perte de pouvoir d'achat. Je n'aime pas cette expression qui réduit le citoyen à un consommateur, mais elle est d'usage courant.

Nous vivons dans un pays riche d'Europe occidentale, un pays démocratique bénéficiant d'une forte protection sociale et d'un système de soins de santé. Il est normal que, dans un pays comme le nôtre, les citoyens aient envie de vivre bien.

Je me demande parfois si les membres de la majorité savent de quoi ils parlent quand ils évoquent les revenus moyens. Dans un pays où la classe moyenne représente 70 ou 80% de la population, aucun parti politique ne peut s'en désintéresser.

J'ai été frappé en lisant l'interview de M. Di Rupo, ce vendredi, à qui l'on demandait ce qu'était pour lui un revenu moyen. Est-ce un lapsus, une erreur ou une distraction, mais il a répondu ce qui suit : « Il faut voir au cas par cas ; pour la grande majorité des gens, cela va de 1.200 à 3.000 ou 4.000 euros nets par mois » ? J'invite dès lors mes collègues des bancs socialistes à signaler à M. Di Rupo que, dans ce pays, 70% des gens gagnent moins de 1.715 euros nets par mois.

Le revenu moyen officiel avant impôt est de 1.900 euros par mois en Wallonie, de 2.035 euros en Belgique et de quelque 2.100 euros en Flandre. Voilà la réalité des chiffres.

Quand on parle de revenu moyen, il s'agit de 2.000 euros avant impôt. Je tenais à apporter cette précision car il est intéressant que ceux qui se soucient du revenu des habitants sachent au moins quel est, en réalité, le montant moyen de celui-ci.

Quelles réponses peut-on formuler ? Travailler plus pour gagner plus ? Quelqu'un y croit-il encore ? Il arrive aujourd'hui que des gens travaillent plus, en faisant éventuellement des heures supplémentaires, pour gagner la même chose, mais parfois aussi pour gagner moins. Qui croit encore au slogan « travailler plus pour gagner plus » ? C'est une totale illusion.

Si nous nous attachons au salaire, ce n'est pas de la démagogie. Je me permettrai de citer encore quelques chiffres. Depuis dix ans, dans notre pays, les salaires ont augmenté de 29%, les allocations sociales de 19%, mais les dividendes, quant à eux, ont augmenté de 134% !

Aujourd'hui, dans certaines entreprises, il vaut beaucoup mieux être actionnaire qu'y travailler. Un ami qui est cadre dans une entreprise liégeoise me disait récemment qu'il valait mieux avoir cent actions de son entreprise qu'y être ouvrier. Le gain est supérieur et ce n'est pas normal.

Quand nous disons qu'il faut revoir le salaire minimum à la hausse et que nous proposons de le porter à 1.500 euros - soit 250 euros de plus qu'à l'heure actuelle - ce n'est pas de la démagogie.

Nous tenons compte de la situation réelle vécue par les gens et du retard inacceptable pris par l'évolution des salaires sur celle des profits du capitalisme financier.

Bien sûr, nous sommes dans un contexte de mondialisation. Nous sommes loin de l'époque du fordisme, lorsque Ford voulait augmenter les salaires de ses ouvriers pour qu'ils puissent s'acheter les voitures qui sortaient de son usine. Les augmentations salariales étaient alors considérés comme un investissement qui profitait à l'économie.

Aujourd'hui, les salaires sont devenus un coût pour les entreprises et on cherche à les diminuer. Les écologistes entendent combattre cette évolution.

La baisse d'impôts programmée ne touche pas les 20% des Belges les plus pauvres qui, de toutes façons, n'en paient pas.

Il en va de même pour la suppression de la cotisation de solidarité sur les pensions, à laquelle nous ne sommes pas opposés. Nous ne savons pas quand ni à quel rythme elle sera mise en oeuvre mais des centaines de milliers de petits pensionnés n'y étaient pas soumis.

Certaines couches de la population profiteront donc très peu de cet accord de centre droit, hormis le relèvement de l'une ou l'autre petite pension.

Quant au Fonds de vieillissement, il y manque déjà 2,7 milliards par rapport aux prévisions pour faire face aux inévitables coûts liés au vieillissement de la population. On dit espérer pouvoir dégager des surplus pour alimenter ce fonds en 2011. Peut-être est-ce un message subliminal qui indique que ce gouvernement compte subsister jusque là.

En ce qui concerne les titres-services, leur extension à certains secteurs risque de faire perdre des emplois à des travailleurs salariés en raison d'une concurrence déloyale. Ce n'est pas une bonne idée.

Quant à la dégressivité des allocations de chômage, je ne comprends pas que l'on ait accepté cette mesure. Je veux bien que l'on donne un peu plus à ceux qui viennent de perdre leur emploi pour éviter une diminution trop rapide de leur pouvoir d'achat. Mais faut-il sanctionner ceux qui ont le plus de difficultés à retrouver un emploi et qui resteront deux, trois ans, voire davantage au chômage ?

Le chapitre de la santé, très développé, contient toute une série de points positifs sur lesquels je ne m'attarderai pas puisque je représente ici la seule opposition démocratique francophone.

Je me demande pourtant où sont les 4,5% de la norme de croissance.

M. Philippe Mahoux (PS). - C'est la loi.

M. José Daras (Ecolo). - Je l'espère. Encore faut-il savoir quelle part de ces 4,5% sera investie dans le Fonds d'avenir. Les socialistes demandaient 1,5%.

Venons-en à la mobilité, une politique essentielle dans le cadre de la lutte contre le réchauffement climatique. Il s'agit d'un des secteurs où l'augmentation des gaz à effet de serre est la plus difficile à maîtriser.

Il est donc extrêmement important de disposer d'un plan ambitieux de redéploiement du rail. Nous ne sommes toutefois pas rassurés car nous connaissons bien la personne qui s'en occupera et qui, pendant des années, n'a pas pu assurer ce redéploiement. En outre, l'accord ne prévoit aucun objectif chiffré pour l'avenir de la SNCB.

J'en viens au dossier relatif à l'énergie et au climat. Il est essentiel pour l'environnement mais aussi pour le niveau de vie de nos concitoyens. On nous annonce que nous nous plaçons dans le cadre européen. Ce n'est toujours pas synonyme d'objectifs pour notre pays. De plus, nous n'avons toujours pas bien compris si la Belgique était contente des objectifs assignés par l'Europe ou si elle avait essayé d'obtenir moins. Peu importe, finalement... Dans cette matière non plus, aucun objectif chiffré n'a été établi.

Les économies d'énergie constituent la base de tout. Le développement des énergies renouvelables est primordial. Certains confondent toutefois économie d'énergie et efficacité énergétique. Ce n'est pourtant pas du tout la même chose. Il ne sert à rien de posséder une voiture qui consomme six litres au lieu de huit, si vous augmentez la distance parcourue de 30%. Dans ce cas, l'outil possède une meilleure efficacité énergétique mais le comportement humain en gomme le bénéfice. Il convient donc bien de parler d'économie d'énergie.

Il s'agit en outre d'une extraordinaire opportunité de développement de certaines techniques. Celles-ci peuvent être exportées et créer de l'emploi. Pour ce faire, il faut se décider à investir dans les économies d'énergie. Il y a toutefois urgence. Je regrette que M. Magnette ne soit pas là car, avec toute l'affection que je lui porte, je lui aurais demandé d'arrêter de diligenter des études. Elles ont en effet déjà toutes été faites. Chaque gouvernement doit-il recommencer les études que le précédent à commandées ? Nous savons ce qu'il faut faire. Aujourd'hui, il faut juste décider d'agir.

Je salue dans le texte de la déclaration, la présence du développement de l'éolien offshore. Ouf ! Il aura suffi que certains demandent la régionalisation de la Mer du Nord pour que d'autres comprennent son gigantesque potentiel éolien. Cela représente des milliers de mégawatts. La régionalisation de la Mer du Nord est donc totalement inimaginable. Si l'on souhaite que ce pays continue à exister, il n'est pas concevable qu'une seule région mette la main sur ce potentiel.

Quid de la récupération par la taxation des bénéfices échoués ? Je ne résiste pas au plaisir - et à la déception - de vous rappeler qu'un texte de l'Orange bleue, cet ancêtre de la coalition actuelle, prévoyait que le produit des taxes sur les bénéfices exceptionnels générés par la production des centrales nucléaires et charbon amorties sera pour partie affecté via un nouveau fonds à la recherche concernant la production et le développement de sources d'énergies renouvelables, à l'efficacité de l'énergie, au développement de réseaux décentralisés, à la diminution de la contribution fédérale, au développement de la technique de séquestration du carbone et au soutien du projet MYRRHA. Ce dernier a disparu ; tant mieux !

La nouvelle coalition reste totalement dans le vague mais nous savons qu'on a envoyé M. Magnette mendier 250 millions auprès de SUEZ.

M. Philippe Mahoux (PS). - Vous oubliez de dire que dans le programme de l'orange bleue, on prévoyait la prolongation de l'existence des centrales nucléaires.

Aujourd'hui, cela ne se trouve plus au programme.

M. José Daras (Ecolo). - Ah, que j'aime la perche que vous me tendez ! Le fait qu'elles ne soient pas prolongées ne s'y trouve pas non plus.

Cependant, on a commandé une étude pour savoir quel sera le futur « mix » énergétique.

M. Philippe Mahoux (PS). - Avez-vous lu la loi, monsieur Daras ? C'est comme les 4,5% pour les soins de santé ...

M. José Daras (Ecolo). - Nous l'avons rédigée cette loi, et vous le savez. Mais ne faites pas croire que le silence de la déclaration à ce sujet signifie qu'il n'y aura pas de prolongation. Et ne parlons pas de prolongation pour deux ou trois ans, cela n'a aucun sens.

M. Wille sait ou il suppose !

M. Paul Wille (Open Vld). - Le silence est d'or.

M. José Daras (Ecolo). - Et les profits de SUEZ le sont aussi !

Finalement, dois-je penser que l'orange bleue était mieux ? On pouvait utiliser l'argent récupéré pour financer le tiers investisseur, par exemple, parce que les banques privées ne sont pas intéressées à jouer ce rôle auprès du petit consommateur.

L'organisation d'un sommet mondial de l'environnement en Belgique est une vraie mauvaise idée.

Pitié ! Des grand-messes, il faut en faire de temps en temps mais laissez ce soin aux Nations unies. Ne nous mettons pas à en organiser. Tous ces gens qui viennent en avion représentent une consommation de CO2 extraordinaire. On n'en a absolument pas besoin.

Par contre, nous devons assurer une présence dans les enceintes internationales, une présence résolue et affirmée pour influencer les décisions dans le bon sens. De cela, nous en avons bien besoin, mais non d'une grand-messe sur les problèmes du climat. Nous savons ce qu'il y a à faire. Si nous voulons que notre pays jouisse d'une aura internationale, la meilleure façon pour l'obtenir est d'être à la pointe du combat pour l'environnement.

Je n'oserais pas rappeler que nous souhaitions une inspection du développement durable puisqu'à l'heure actuelle, la situation est pire : on n'examine plus du tout les différents sujets discutés au sein du gouvernement sous l'angle du développement durable.

On parle d'immigration par le travail. Je me méfie de cette politique et de ce terme : cela sent un peu trop l'immigration choisie à la Sarkozy.

Que l'on donne la possibilité de travailler aux sans-papiers qui sont chez nous, j'applaudis des deux mains. Je pense que ce chapitre de la déclaration est probablement l'un de ceux qui ont été les plus discutés mot par mot, virgule par virgule, et que certains ont essayé d'avancer dans le bon sens avec un certain succès.

M. Philippe Mahoux (PS). - Ne le pensez pas : c'est une réalité. Ce chapitre a été très discuté.

M. José Daras (Ecolo). - Je le salue. Cela se sent. Je ne doute pas que certains partis se soient mobilisés au maximum pour obtenir des résultats.

Par contre, faire venir du Sud des immigrés économiques ne peut avoir lieu qu'en concertation avec les organisations des travailleurs et en dialogue avec les pays concernés. Il n'est pas question d'aller débaucher dans les pays du Sud les cerveaux et les travailleurs qualifiés dont ces pays ont bien besoin pour leur propre développement. Je suis très méfiant vis-à-vis de cette « immigration choisie ».

Pour le reste, il est inutile de vous dire que je trouve les restrictions imposées au regroupement familial tout à fait déplacées dans la mesure où cela va concerner aussi les conjoints et les enfants mineurs.

J'aurais préféré que les critères de régularisation soient fixés dans une loi - qui est plus stable - et non dans une circulaire. Mais soit, admettons ! Les critères seront clairs dans une circulaire. J'espère qu'ensuite, c'est une commission indépendante qui décidera. Mais ce n'est pas encore certain.

L'idée de faire appel aux autorités locales pour vérifier l'ancrage local est excellente. C'est un des progrès qui figurent dans le texte.

En revanche, sur le non-enfermement des familles avec enfants, le texte est complexe. Si j'ai bien compris, on va quand même les enfermer mais en permettant aux enfants de sortir, avec une certaine souplesse. Ce n'est pas satisfaisant.

Je regrette aussi qu'en attendant toutes ces réalisations, on n'ait pas décidé un moratoire sur les expulsions.

Le texte parle très peu des matières internationales, ce qui est regrettable dans un pays qui présidera l'Union européenne dans un an et demi. Cependant, un secrétaire d'État va s'en occuper et préparer cette présidence. Vu les incertitudes dont j'ai parlé tout à l'heure, personne ne sait si ce gouvernement pourra finaliser cette préparation.

Le texte ne dit rien sur la crise financière qui risque de nous frapper, si j'en crois M. Greenspan qui s'est exprimé voici deux jours dans le Financial Times et qui prévoit une récession mondiale. Je pense que celle-ci rendra les choses plus difficiles encore au niveau budgétaire.

Les objectifs sont maintenus pour la Coopération au développement. Malheureusement, je suis un peu sceptique car ce n'est pas la première fois. Cela ne signifie pas encore forcément qu'ils seront atteints. C'est tout le mal que je souhaite à M. Michel, en espérant qu'il fera un bon usage de cet argent.

Il y a aussi le dossier institutionnel dont je ne désire pas parler. Nous en avons « ras-le-bol » de ce dossier ! On va pourtant s'en occuper, et nous sommes disposés à donner un coup de main s'il s'agit de stabiliser ce pays, ses composantes et d'assurer son avenir. Cependant, franchement, nous préférerions nous occuper de matières vraiment plus importantes. Aucune précision n'est fournie sur le processus. Nous attendrons donc, mais je dis déjà que nous n'accourons pas lorsque l'on nous siffle. Il ne faut pas exagérer.

Pour le reste, nous sommes dans l'opposition, la seule opposition francophone démocratique. Ce ne sera pas forcément un plaisir, ce sera un devoir aride, un service public.

Vous pouvez compter sur nous pour que cette opposition soit à la hauteur des défis que je viens d'identifier.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Donderdag, na de voorlezing van de beleidsverklaring, heerste er een rouwstemming in de Senaat.

Vandaag is het feest, want het is paaszaterdag, althans voor de katholieken die hier aanwezig zijn. Ik dank de N-VA voor haar aanwezigheid. Het is heel moeilijk een debat te voeren als de meerderheid, die 48 leden telt, met minder leden aanwezig is dan het personeel. Ook voor het personeel is het paaszaterdag. Ik ben beleefd opgevoed en ben aanwezig. Wij hebben bovendien een oppositierol en kunnen dus doen wat we willen. De regering zal echter alle steun kunnen gebruiken, ook binnen de eigen meerderheid. De regering moet nu tonen dat zij voldoende zelfvertrouwen heeft. Ik merk daarvan echter niets.

Het is feest vandaag voor de katholieken. Het is paaszaterdag en kindjes zoeken dan vlijtig naar chocolade-eieren. Kinderen verkiezen gevulde eitjes. De paashaas brengt echter ook gekleurde eieren waarin alleen lucht zit. In het parlement vinden we vandaag geen gevulde eieren: er zijn alleen gekleurde eieren, gevuld met lucht en met wensen. De kleur van de eieren in de regeringsmand varieert afhankelijk van wie spreekt. Voor de ene meerderheidspartij zijn ze vooral blauw, voor de andere oranje of rood. Iedere partij wil de eieren liefst in de eigen mand leggen. Eieren zijn echter breekbaar en het is mogelijk dat er niets van overblijft.

Deze beeldspraak is misschien actueel en plezant, maar ook bittere ernst. Als oppositiepartij is het bijzonder moeilijk om origineel en kritisch uit de hoek te komen. De media en vooral de meerderheidspartijen zelf geloven niet in hun eigen gezamenlijke eiermand, hun broos en teer regeerakkoord. De meerderheidspartijen en niet in het minst het kartel CD&V-N-VA, zijn doodongelukkig. Bij gebrek aan inhoudelijke commentaar gaat het in de kranten vooral over de samenstelling van de regering.

Als vrouw uit de oppositie zou ik beter moeten doen dan de CD&V-vrouwen donderdag in de Kamer, maar ik kan me alleen maar uitdrukkelijk aansluiten bij hun terechte klaagzang over het gebrek aan vrouwen in deze regering. Nochtans zijn er echt wel genoeg postjes gecreëerd.

De vaststelling dat er meer Franstaligen dan Vlamingen in de regering zitten is ook al niet meer origineel, maar het blijft wel zeer opvallend voor wie zich de verkiezingscampagne in Vlaanderen van negen maanden geleden herinnert. De Vlaamse leeuwen sloegen ons om de oren en de kiezers werden verblind door alle Vlaamse slogans. Vandaag krijgen de kiezers niks van wat toen werd beloofd. Uiteraard niet, het waren onrealistische en onhaalbare beloften.

CD&V-N-VA vult vandaag de krant met ontgoocheling over het gebrek aan vrouwen, aan Vlamingen én aan inhoud. Meer nog, het kartel moet vaststellen dat vooral de andere partijen hun slag hebben thuisgehaald, zowel op het vlak van inhoud als op dat van postjes. De N-VA stelt vast dat haar steun grote broer CD&V weliswaar aan een premier heeft geholpen, maar dat voor het overige de andere partijen met meer en sterkere bevoegdheden gaan lopen. Het moet pijnlijk zijn om dat op een zaterdagochtend te moeten lezen.

Open Vld vindt het dan weer leuk om te melden dat een regering zonder begroting ook geen minister van Begroting nodig heeft.

Het regeerakkoord is een samenraapsel van de verkiezingsprogramma's, van beloftes en intenties. Dat geven de regeringspartijen zelf ook toe. Mevrouw Milquet zei dat het regeerakkoord voor 90% overeenkomt met het programma van cdH. PS-voorzitter Di Rupo ziet zelfs voor 95% overeenkomsten met zijn programma. Open Vld-voorzitter Somers vindt het regeerakkoord op en top liberaal. Kersvers premier Leterme overtuigde zijn ledencongres met de stelling dat het regeerakkoord in het verlengde ligt van het verkiezingsprogramma van het kartel.

Gelet de ideologische verschillen tussen die partijen komen die uitspraken in eerste instantie vreemd over. Het erge is echter dat al die mensen gelijk hebben. Dit is immers geen regeerakkoord, maar een samenvoeging van verkiezingsprogramma's, een waslijst van goede voornemens en goede bedoelingen.

Iedereen weet echter dat de meeste voornemens nooit in de realiteit worden omgezet. Het is dus een tijdelijke regering.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Alles is tijdelijk, behalve mevrouw Vanlerberghe, die is eeuwig.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Alles is inderdaad tijdelijk.

Dit is niet alleen opnieuw een interim-regering, het is vooral een intentieregering.

De tekst blinkt niet alleen uit in vaagheid, met zinnetjes als `in voorkomend geval zullen we de nodige maatregelen nemen' of `de regering zal waken over de verbetering van de wetgeving'. Het woord concreet komt geen enkele keer in de tekst voor, woorden als `studie', `onderzoek', `evaluatie' en `plan' komen wel tientallen keren voor.

Het zullen vooral loze beloften blijken te zijn, omdat concrete cijfers en een budgettair kader ontbreken. `Natuurlijk,' verklaart een bepaalde voorzitter op de radio, `daar was te weinig tijd voor.' Als de situatie niet zo ernstig was, zou men erom kunnen lachen. Wanneer gaan de leden van de meerderheid eindelijk beseffen dat ze hun geloofwaardigheid nooit meer terug krijgen? Na meer dan negen maanden onderhandelen beweren dat er te weinig tijd was, is gewoonweg niet ernstig en toont aan dat er geen respect voor de kiezer is. Wie gelooft deze mensen nog, als zelfs de nieuwe premier het ledencongres van zijn partij overtuigt met de uitspraak dat het regeerakkoord niet zal worden uitgevoerd, zolang er geen grote staatshervorming is. Gelooft men werkelijk dat de nieuwe meerderheid het regeerakkoord zal uitvoeren? Dat kan toch niet, want voor die mooie beloftes is er geen geld en eerst moet nog een grote staatshervorming worden uitgewerkt.

Eén belofte heeft het Vlaamse kartel CD&V-N-VA alleszins gehouden. De voorbije maanden hebben ze hun verkiezingsslogan `Tijd voor verandering' stelselmatig uitgevoerd. Helaas bedoelden ze met verandering niet verbetering.

Van de belofte van goed bestuur valt niet veel te merken. Integendeel, geen bestuur is een veel betere omschrijving. De vorige CD&V-premier, de heer Dehaene, wachtte met beslissen tot er zich problemen voordeden. De huidige CD&V-premier neemt zelfs geen beslissingen als er problemen zijn.

Ter illustratie geef ik het voorbeeld van de koopkracht. Wie zijn winkelkarretje vult of op de prijzen let, weet maar al te goed dat het leven de voorbije maanden heel wat duurder is geworden. Na zes maanden onderhandelen had de nieuwe meerderheid dat ook begrepen en werd een onderzoek gestart binnen de vorige interim-regering om het bestaan van het probleem vast te stellen en het te vergelijken met dit in andere landen. Na nog eens drie maanden werd een wetsvoorstel overgenomen van de oppositie over de uitbreiding van het stookoliefonds en een lijstje in de begroting opgenomen met verhogingen van uitkeringen, die trouwens al door de vorige regering werden goedgekeurd. Daarnaast heeft men studies over de daling van de koopkracht besteld.

De nieuwe interim-regering legt nu in haar regeerakkoord een hele resem aan koopkrachtmaatregelen voor, alsmede voorstellen tot verhoging van uitkeringen en lastenverlagingen, maar hoe zullen ze worden uitgevoerd? Misschien zullen ze worden verwezenlijkt als er geld voor is, maar nu heeft men te weinig tijd om daarnaar te zoeken. Dus moet de burger geduld oefenen.

Het geduld van de mensen raakt echter op. Al maanden moeten ze wachten op concrete maatregelen en het enige dat ze daarna te horen krijgen is dat snel maatregelen zullen worden genomen.

Geen goed bestuur dus. Let wel, goed bestuur komt maar één keer in het regeerakkoord voor, namelijk in het hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking. Wij gaan derdewereldlanden uitleggen wat goed bestuur is. Moeten zij een voorbeeld nemen aan wat zich momenteel in België afspeelt? Derdewereldlanden verdienen beter dan onze goede raad inzake goed bestuur.

Er komen geen oplossingen voor BHV, de nachtvluchten of de koopkracht. Er is wel een mooie belofte over de kinderbijslag. Pas op, we zijn daar voorstander van, maar opnieuw: waar zal de regering het geld halen? Er is niet veel tijd, want in juli kan de bom opnieuw op springen staan. Dat heeft Leterme zelf gezegd en op dat vlak geloof ik hem.

De regering bereidt België ook helemaal niet voor op de vergrijzing. Ze vormt dus eigenlijk een bedreiging voor onze sociale bescherming. Ze wil wel een verdere groei van de werkgelegenheid, met 200.000 bijkomende jobs. Ik heb dat cijfer hier al vaak horen noemen, onder de vorige regering. Bijkomende jobs, dat is een goede zaak, maar door de vele, `blauwe', lastenverlagingen zullen er uiteindelijk niet veel meer centen in het laatje zitten. Er zullen dus heel veel meer jobs moeten worden gecreëerd om meer geld in het laatje te krijgen. Nergens, maar dan ook nergens is er sprake van het Zilverfonds! Daar zit nu ongeveer 20 miljard euro in en normaal zou er over vier jaar 3,5 miljard meer in zitten, als de regering ermee zou voortdoen, maar ze praat er niet eens over. En dat allemaal terwijl CD&V acht jaar lang heeft geklaagd dat paars te weinig geld aan de kant zette voor het Zilverfonds! Vandaag zet CD&V, als grootste regeringspartij, het woord Zilverfonds niet eens in het regeerakkoord.

De afschaffing van de solidariteitsbijdrage op de pensioenen betekent 300 miljoen euro minder voor de laagste pensioenen. Tegelijk belooft de regering wel dat ze de oudste en de laagste pensioenen zal optrekken, maar wat zal het eindresultaat zijn als ze eerst zoveel afpakt om ze dan lichtjes te verhogen? De enigen die echt lijken te winnen, zijn zij die de solidariteitsbijdrage niet meer moeten betalen. Zij zullen meer pensioen hebben, maar welke compensatie de anderen zullen krijgen, is totaal onduidelijk. We wachten af en hopen heel snel op iets concretere maatregelen.

Werk en pensioenen: te vaag, te onduidelijk. De goede bedoelingen moeten nog in daden worden omgezet en het geheel klinkt zo ongeloofwaardig omdat de ene maatregel de andere compleet tegenspreekt. Dat krijg je als je verschillende verkiezingsprogramma's naast elkaar legt. Een regeerakkoord zou een soort contract tussen getrouwde mensen moeten zijn, maar de huidige tekst is een heel rare zaak.

Bij het lezen van het regeerakkoord was ik uiteraard heel benieuwd naar een passage over ethische vraagstukken. Ook op dit vlak zagen we de voorbije maanden immers veel meningsverschillen en haantjesgedrag.

Open Vld houdt vast aan de absolute parlementaire vrijheid, wordt geschreeuwd door de heren De Gucht, de jonge en de oude.

CD&V, met intussen ex-voorzitter Schouppe voorop, pleitte daarentegen voor een stop op die vrijheid. Sommigen - nietwaar collega Beke? - zouden op ethisch vlak zelfs de klok willen terugdraaien. De heer Beke is het in grote lijnen eens met degenen die na de dood van Hugo Claus euthanasie bekritiseren.

De heer Leterme zei dat men in het parlement vrij zou kunnen beslissen. Wij steunen die opvatting. Ik heb respect voor de mening van de heer Schouppe, maar ik hoop dat ze het niet haalt binnen de regering. Van de mening van de heer Beke hoop ik dat zeker, maar hij zit niet in de regering.

Als we in de Senaat geen debat kunnen voeren over ethische vraagstukken als euthanasie, draagmoeders en regelingen inzake cellen en weefsels, dan zijn we niet goed bezig. Ik reken op de collega's van de PS en van Open Vld om dit debat te kunnen voeren. De burgers verdienen duidelijkheid met betrekking tot de moeilijke momenten in hun leven.

De heer Wouter Beke (CD&V-N-VA). - Tijdens de vorige legislatuur, toen de paarse vrijheid op het vlak van ethische debatten zogezegd grenzeloos was, kwamen op het moment dat er moest worden gestemd, telefoons vanuit de partijhoofdkwartieren, vanuit de Wetstraat 16, om te zeggen hoe bepaalde collega's moesten stemmen.

M. Philippe Mahoux (PS). - Qu'est-ce que c'est pour une invention !

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Dat is weer zo'n typische bliksemafleider. Wij stonden helemaal niet onder druk en ik heb van niemand telefoon gekregen. Het moet dus gaan over uw nieuwe collega's van Open Vld en van de PS, mijnheer Beke. Het toont nog maar eens hoeveel wantrouwen er is tussen de regeringspartijen.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ik wil mevrouw Vanlerberghe toch eens vragen wat ze al bereikt heeft met haar opstelling. Nog maar 14,5 procent van de Vlaamse kiezers steunt haar partij. Als de partij zich anders opstelt, gaat ze over twaalf jaar misschien weer vooruit bij de verkiezingen.

Als mevrouw Vanlerberghe denkt dat haar partij met de huidige opstelling op een ader zit in Vlaanderen, dan heeft ze het compleet mis. Ik zou zeggen, mevrouw Vanlerberghe: doe rustig voort met uw uiteenzettingen naast de kwestie, dan zal de volgende keer weer vijf procent minder voor de socialisten stemmen. Wat mevrouw Vanlerberghe hier komt vertellen, interesseert haar kiezers geen fluit. (Applaus bij de CD&V-N-VA-fractie)

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Het is niet mijn gewoonte zware woorden te gebruiken tegenover een minister, maar wat minister De Crem hier zegt over mijn kiezers vind ik ongemeen arrogant.

Blijkbaar raak ik niet zozeer een Vlaamse ader, dan wel een gevoelige zenuw van de regering. (Uitroepen bij de CD&V-N-VA-fractie en van ministers)

Als Open Vld en PS de ethische vrijheid nog altijd belangrijk vinden ...

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Mevrouw Vanlerberghe, u weet toch dat er verkiezingen zijn geweest en dat de politieke verhoudingen in Kamer en Senaat sindsdien fundamenteel zijn veranderd. Doen alsof er niets veranderd is en alsof verkiezingen geen gevolgen hebben, is ook niet ernstig.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - En mag ik daarom niet meer opwerpen dat ethische kwesties binnen deze regering voor problemen zullen zorgen? Als ik zie hoe de leden van de CD&V-N-VA-fractie nu plots wakker schieten, dan bevestigt dat alleen maar wat ik zeg. (Uitroepen bij de CD&V-N-VA-fractie)

Mijnheer Vandenberghe, vorige week deed u op de vergadering van het Bureau precies hetzelfde als wat u hier doet. U verbood me zelfs een vraag te stellen aan toen nog vice-eersteminister Leterme. Ik heb mijn vraag ingetrokken, maar toen al aangekondigd dat ik ermee zou terugkomen, zodra we de ministers van de nieuwe regering zouden kennen. Dat is nu het geval. Mijnheer Schouppe, wiens benoeming tot staatssecretaris voor mij een complete verrassing is - maar dat is het punt niet -, moet ophouden met te verhinderen dat sp.a duidelijke antwoorden krijgt op haar ethische vragen. Vorige week is mijn vraag tegengehouden op het Bureau en vandaag is het maar al te duidelijk dat ik weer geen antwoord zal krijgen. Wij kunnen daar geen verandering in forceren - daarvoor zijn wij te klein - maar ik hoop dat PS en Open Vld hieruit onthouden wat hen te wachten staat. Hetzelfde geldt overigens voor MR, die hier bijna helemaal afwezig is.

Ter afsluiting dring ik er nog eens op aan dat de regering mij een duidelijk antwoord geeft. Ik kom niet op een paaszaterdag naar de Senaat om er te moeten aanhoren dat ik straks geen enkele kiezer meer overhoud. Dat is geen antwoord op mijn vraag.

De voorzitter. - Mevrouw Vanlerberghe, u hebt uw spreektijd al met zeven minuten overschreden.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - U maakt misbruik van de tribune, mevrouw Vanlerberghe.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - U moet er de vele onderbrekingen van leden van de CD&V-N-VA-fractie wel aftrekken, mijnheer de voorzitter.

Overigens hebben verschillende fractieleiders van meerderheidspartijen hier ook langer gesproken dan ze mochten en ze zijn bovendien intussen al vertrokken.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Kijk liever naar de leden van uw eigen fractie, mevrouw Vanlerberghe.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Er is een verschil tussen meerderheid en oppositie, mijnheer Schouppe. Bent u dat al vergeten?

De regering moet gesteund worden door de meerderheidspartijen, niet door de oppositie.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Hoewel ik nog niet lang in het Parlement zit, heb ik al langer in de oppositie gezeten dan mevrouw Vanlerberghe!

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Blijkbaar werk ik de heer Schouppe op de zenuwen. Dat zal zeker niet de laatste keer zijn.

Wat nu telt is, wat we de komende weken kunnen doen. Zo kan mevrouw Lanjri, die jammer genoeg niet aanwezig is, ervoor zorgen dat het wetsvoorstel voor betaald verlof voor ouders met een kind in het ziekenhuis, in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden wordt goedgekeurd. Dat voorstel werd door alle partijen ondertekend. Ik roep in het bijzonder mijn vrouwelijke collega's op om dat voorstel te steunen.

Tot slot dank ik de regeringsleden voor de duidelijkheid, ook al krijg ik straks geen antwoord.

(M. Hugo Vandenberghe, premier vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

M. Philippe Mahoux (PS). - Après avoir discuté, pinaillé, négocié durant des jours et des semaines, l'orange bleue a échoué et on a sollicité notre participation. Nous, socialistes francophones, installés dans l'opposition, nous avons répondu à l'offre, dans des circonstances qui revêtaient un caractère relativement dramatique pour l'ensemble de la population : menace d'une dissolution du pays, absence de gouvernement, impossibilité de trouver des solutions. Nous avons donc accepté, au mois de décembre, de contribuer à l'élaboration d'une solution. Nous l'avons fait de manière volontariste, essentiellement par devoir, mais sans grand enthousiasme.

Au cours de cette période, nous avons commencé, y compris avec les partis de l'opposition, à élaborer une réforme de l'État, réforme requérant une large majorité puisqu'une proposition de loi spéciale a été déposée.

Par ailleurs, l'élargissement du Fonds mazout a été décidée - même si d'aucuns ont formulé des critiques à cet égard. Par ailleurs, le plan national de lutte contre le cancer se poursuivra, nous y tenions fermement.

S'en est suivie une négociation sur la composition de ce gouvernement. Selon que l'on se trouve en dehors du gouvernement ou en dedans et selon le parti politique auquel on appartient, on donne une étiquette différente à ce gouvernement. Quoi qu'il en soit, nous socialistes, sommes de gauche et le resterons.

En son temps, la revue hebdomadaire satirique française, Charlie Hebdo insérait toujours, à l'intérieur du magazine, une page reprenant les couvertures auxquelles les lecteurs avaient échappé. De la même manière, nous pourrions dire que nous avons échappé à beaucoup de choses, par rapport aux dangers qui nous guettaient sous l'orange bleue.

Je voudrais remonter un peu plus loin dans le temps, à une période où les socialistes étaient absents du gouvernement.

Mme Isabelle Durant (Ecolo). - C'est très ancien !

M. Philippe Mahoux (PS). - Non, pas tant que cela. Nous n'étions pas au gouvernement entre 1981 et 1988, lorsque la cotisation de solidarité, critiquée avec beaucoup de fougue par Mme Defraigne, a été instaurée. Le gouvernement de l'époque pouvait vraiment être qualifié de droite.

Mme Defraigne a également abordé la question du numerus clausus. Quels éléments ont-ils présidé à sa création ? Tout d'abord, une demande affirmée des néerlandophones, considérant que la pléthore de l'offre déterminait la trop grande ampleur des dépenses. Ensuite, une demande expresse du corps médical, dans une démarche qui avait, à l'époque, une connotation quelque peu protectionniste.

À présent, de nombreuses voix s'élèvent pour réclamer la suppression du numerus clausus. Je partage cet avis, considérant que la justification de cette mesure est largement erronée et que celle-ci n'est plus d'actualité puisqu'elle entraîne, particulièrement dans les hôpitaux, une disette de médecins, surtout dans certains services. Je suis donc tout à fait partisan de l'allégement souhaité. Il faudra d'ailleurs apporter la preuve que ce numerus clausus entraîne des dépenses spécifiques en termes de sécurité sociale. Je voudrais à cet égard signaler qu'il est possible - nous l'avons vu sous la précédente législature - de gérer correctement la sécurité sociale, en tout cas pour ce qui est des soins de santé, tout en assurant de meilleures conditions aux malades.

Je n'insisterai pas sur les mesures envisagées sous l'orange bleue et qui ont disparu. Il ne nous appartient pas de justifier les décisions prises à l'époque. Permettez-moi quand même, monsieur Daras, de répéter, même si cela ne vous plaît pas, que l'orange bleue prévoyait de prolonger la durée de vie des centrales nucléaires. Dans l'état actuel des choses, la loi existante garde toutes ses composantes de départ, ni plus ni moins.

Je voudrais insister sur les points positifs et sur les accents socialistes, c'est-à-dire sur les accents de gauche.

Je commencerai par le pouvoir d'achat. Les réformes fiscales ne doivent pas profiter uniquement à ceux qui ont les revenus les plus importants. La manière d'aborder l'amélioration du pouvoir d'achat en prévoyant une exonération totale sur une base forfaitaire implique que dorénavant, l'exonération ne sera plus directement proportionnelle aux revenus. Par conséquent, les personnes qui gagnent beaucoup d'argent ne bénéficieront pas d'un abattement supérieur par rapport à celles qui en gagnent moins.

On peut toujours espérer davantage, mais toutes les négociations impliquent des compromis. Nous pouvons tout de même nous réjouir d'une avancée. Parlons de quelques mesures sociales : la problématique des pensions - on a évoqué la suppression progressive, en commençant par les plus basses pensions, de la cotisation de solidarité - les allocations familiales...

Mme Isabelle Durant (Ecolo). - Quand, combien, monsieur Mahoux ?

M. Philippe Mahoux (PS). - ... la prime de rentrée scolaire transformée en treizième mois - une mesure extrêmement positive que personne ne critique -, la liaison au bien-être des allocations familiales, comme des autres revenus de remplacement ou de sécurité sociale, l'harmonisation des allocations familiales pour les travailleurs indépendants dont beaucoup ne disposent que de faibles revenus. Maintes fois, mon parti a défendu la position selon laquelle la solidarité de la société doit s'exercer à l'égard des travailleurs indépendants, mais cette solidarité doit également s'exprimer au sein même du régime des travailleurs indépendants.

Pour les personnes handicapées, on soulignera la suppression de la pénalisation de la vie commune, ce que l'on appelle le prix de l'amour. Cette mesure positive était attendue.

Il faut également se réjouir de l'amélioration du fonds des créances alimentaires, et ce à deux niveaux : l'élargissement de la base des personnes qui peuvent avoir recours à ce fonds et l'augmentation du montant de l'avance qui peut être consentie. Faut-il le répéter, le fonds des créances alimentaires n'a pas pour objectif de dédouaner les débiteurs alimentaires de leurs obligations ; il a pour vocation de venir en aide aux personnes - des femmes, dans la grande majorité des cas - dont les débiteurs alimentaires ne remplissent pas leur rôle.

Je soulignerai aussi l'amélioration de la situation des volontaires.

Je tiens à rassurer M. Daras qui a émis quelques doutes sur la question : la norme de croissance de 4,5% sera bien maintenue, dans le secteur des soins de santé. Cette norme semble indispensable, notamment en fonction du « plan cancer », mais aussi pour les maladies chroniques dont les traitements représentent des coûts excessifs pour les patients. Lors de négociations précédentes, il fut question d'une norme de croissance de 2,5%, basée sur un boni du budget. On peut donc saluer tout particulièrement le maintien d'une norme de 4,5%. La déclaration gouvernementale stipule bien que l'équilibre de la sécurité sociale doit être garanti.

Et puis, générant des inquiétudes au niveau des organisations syndicales, le fait que l'on renvoie une série de problèmes à la concertation sociale.

Il aurait été préférable d'inscrire quelques points supplémentaires dans la déclaration gouvernementale, par exemple, l'augmentation du salaire minimum, l'aménagement de l'épargne-temps, qui suscite des inquiétudes chez les travailleurs, ou encore la gratuité des transports en commun. Ces mesures importantes sont renvoyées à la concertation sociale. Nous, socialistes, prendrons le parti des plus faibles lors de la négociation de tous ces points.

Mme Isabelle Durant (Ecolo). - Je me réjouis bien sûr que l'on diminue le coût des transports en commun et même qu'on les rende gratuits mais l'accord de gouvernement ne prévoit rien à ce sujet. En réalité, les usagers des chemins de fer ont subi une augmentation de 3%. Il ne faut donc pas se moquer des gens en annonçant la gratuité des transports en commun.

M. Philippe Mahoux (PS). - Madame Durant, vous avez dû avoir un petit moment de distraction. Je n'ai pas dit que cette mesure se trouvait dans l'accord de gouvernement mais au contraire qu'elle était renvoyée à la négociation interprofessionnelle.

J'en viens au problème des régularisations. Il semble que ce point ait fait l'objet de discussions très difficiles, tout à la fin des négociations. Chacun connaît le combat que nous menons, avec d'autres qui font maintenant partie de l'opposition, pour qu'un traitement humain soit accordé aux dossiers de régularisation et à toutes les personnes qui vivent en situation irrégulière et rencontrent de nombreuses difficultés.

Deux éléments importants seront désormais pris en considération : l'attachement durable - ce qui constitue une avancée essentielle - et la période de recours au Conseil d'État en ce qui concerne le critère d'ancienneté.

Concernant les centres fermés, j'aurais certes souhaité des avancées plus importantes. J'admets que la conception de l'enfermement, y compris à l'égard des mineurs, qui transparaît dans l'accord prête à des interprétations multiples. J'ose espérer que la situation des mineurs va réellement s'améliorer. Les associations qui s'intéressent particulièrement au sort des sans-papiers ont en tout cas souligné les avancées que permettra l'accord de gouvernement. Nous resterons bien sûr attentifs à la concrétisation de ces mesures.

À propos de la sécurité du citoyen, je soulignerai que nous nous réjouissons de l'augmentation du nombre d'agents de police dans les rues, notamment en raison de l'effet dissuasif qu'exerce cette présence.

En ce qui concerne le volet Justice, la poursuite de la modernisation de l'institution judiciaire figure dans l'accord de gouvernement. Citons également la simplification du langage judiciaire, la création d'un tribunal de la famille, le développement accru des mesures alternatives et la lutte contre l'arriéré judiciaire.

Par ailleurs, la création d'un grand tribunal de première instance dont il est question ne pourra se faire qu'en concertation avec les acteurs concernés.

Pour nous, la spécificité des tribunaux du travail reste un élément essentiel de l'organisation judiciaire. Le maintien des juges sociaux et consulaires dans ces tribunaux du travail et dans les tribunaux du commerce est indispensable en raison de la spécificité du travail de ces tribunaux et cours.

La poursuite de la concrétisation du plan pluriannuel Justice en matière de bâtiments pénitentiaires est un point extrêmement positif.

Le rôle du tribunal de l'application des peines et la modification de la législation sur la libération conditionnelle sont en accord avec le système d'exécution des peines modifié en 2006. Je me réjouis que le gouvernement s'engage à permettre aux tribunaux d'application des peines et aux maisons de justice d'atteindre leur vitesse de croisière.

En ce qui concerne le volet international, les socialistes ont déjà eu largement l'occasion de s'exprimer au sujet de la politique européenne à mener lors de la discussion du Traité de Lisbonne. J'insiste sur le fait que nous souhaitons l'élaboration d'une défense européenne, non parce que nous voulons augmenter les dépenses en matière d'armement mais parce que dans le concert international, il nous paraît important de développer deux pôles à l'intérieur de l'Otan, le pôle des États-Unis et le pôle européen.

Le chiffre de 0,7% du PNB à consacrer à la Coopération au développement paraît souvent mythique. Cet objectif existait déjà lorsque M. Boutmans était secrétaire d'État au département. Nous soutenons l'idée d'augmenter les budgets de la Coopération au développement mais nous soulignons que cette politique ne peut être confondue avec celle du commerce extérieur ni avec la politique étrangère.

Notre politique de Coopération au développement ne doit pas nécessairement être en contradiction avec notre politique étrangère mais je considère que ce sont les besoins des peuples auxquels la coopération est destinée qui doivent constituer le critère principal et non diverses considérations des pays riches par rapport aux pays du Sud.

Je dirai pour conclure que l'on constate une absence de chiffres concrets dans ce texte gouvernemental. Toutefois, des objectifs sont clairement établis et l'utilisation des moyens qui seront disponibles est déterminée.

Les points de la déclaration gouvernementale portant sur la politique sociale, que je viens de citer, sont suffisamment importants pour que nous soutenions ce gouvernement de manière loyale.

On entend diverses hypothèses sur la durée de ce gouvernement. Un premier accord a été conclu en matière institutionnelle, mais la confiance est indispensable pour pouvoir poursuivre dans cette voie. Nous devons continuer à travailler, sachant qu'il ne sera pas possible d'accepter des mesures qui auraient pour conséquence, à court ou à moyen terme, de nuire aux citoyens francophones dans leur vie quotidienne. C'est un élément fondamental.

D'aucuns ont fixé l'échéance des négociations à la Fête nationale. Est-ce un symbole par rapport au contenu d'un futur accord institutionnel ? Si on prévoit la date du 21 juillet, cela signifie peut-être que l'on tient à cet État, à cette Belgique. Menons dès lors des négociations, mais dans la confiance réciproque, avec les balises que nous francophones, tant wallons que bruxellois, avons posées.

Le programme est établi. Si on doit le réaliser complètement, il faudra peut-être aller jusqu'en 2011. Si cela s'effectue dans le respect mutuel, le respect de chacun de nos concitoyens où qu'il se trouve, si cela permet, dans le cadre de l'accord gouvernemental, de venir en aide à ceux dont les revenus sont faibles ou moyens, nous soutiendrons loyalement ce gouvernement.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Aan de regering-Verhofstadt III hadden we drie opdrachten gegeven: verantwoordelijk besturen, het vertrouwen herstellen en de open dialoog herstellen. Falen voor een van de drie zou meteen de opstart van de definitieve regering in het gedrang brengen. Pacta sunt servanda. Verhofstadt III heeft zijn opdracht naar best vermogen uitgevoerd. De leiding van de regering is overgedragen aan de politicus die de kiezer daartoe heeft aangewezen.

Dankzij Verhofstadt is de belangrijke eerste stap gedaan om het land uit de impasse te halen. De federale regering sluit opnieuw aan bij het beleid van begrotingen in evenwicht en heeft de aanzet gegeven tot een staatshervorming. Nu is het aan ons om ervoor te zorgen dat we definitief uit de impasse raken.

Samen met de andere Vlaamse regeringspartners zullen we ons uiterste best doen opdat dit gebeurt zoals de Vlaamse kiezer het wil.

Sommigen verwijten de regering nu reeds dat ze te ambitieus is, anderen dat ze niet ambitieus genoeg is. Volgens mij toont dit aan dat het programma evenwichtig is. Sommigen zeggen dat de regering te veel tegelijk wil. Welnu, dat is net het bewijs van het engagement van onze partij en van de andere meerderheidspartijen dat we ervoor gaan en wel voor de volle legislatuur. De begroting wordt de jaarlijkse toetssteen om te evalueren of ons profiel verzwakt dan wel of het ons aan de vereiste middelen ontbreekt.

Om te weten of liberalen met een regering gelukkig zijn, hebben wijze mensen ijkpunten aangegeven. Ik denk aan Frans Grootjans. Hij zei: `Het liberalisme is een allesomvattende levensvisie. Basiselementen zijn: het respect voor de medeburger, het open houden van voldoende ruimte voor de individuele creativiteit, het opbrengen van positieve tolerantie, het aanvaarden van risico, de beloning van inspanning, de bekommernis voor wie het moeilijk heeft in het leven en de zorg voor het leefmilieu.'. Laten we eens nagaan wat de regering ervan terechtbrengt.

Meer en meer mensen zijn ervan overtuigd dat `leven om te werken' niet het juiste uitgangspunt is. De burger wil een soepel arbeidsritme en wil de kans te krijgen zijn loopbaan te onderbreken om zich, bijvoorbeeld, bij te scholen, kinderen op te vangen of een ziek familielid te verzorgen. We weten echter ook maar al te goed dat om de kosten van de vergrijzing op te vangen langer werken onvermijdelijk wordt. Dankzij een loopbaanrekening kan een werknemer in de verschillende fasen van zijn leven bewuste keuzes maken. Zo kan hij afstappen van collectieve uurregelingen die geen rekening houden met de persoonlijke wensen inzake flexibiliteit. De loopbaanrekening vormt dus een essentieel onderdeel van de modernisering van de arbeidsmarkt.

De maatregelen ter ondersteuning van de koopkracht zijn voor onze fractie de beste manier om de sociale bescherming te versterken. Drie fiscale maatregelen springen in het oog; empowerment staat hierbij centraal. De zwakkere en de middenklasse moeten nog weerbaarder gemaakt worden, niet alleen sociaal maar ook economisch.

Samen met sp.a hebben we in de vorige coalitie de jobkorting ingevoerd. Paars had de bedoeling om werkloosheidsvallen weg te werken en werkende mensen te belonen. Hiervoor werd 75 miljoen euro uitgetrokken. De jobkorting wordt net als vorig jaar verrekend via de bedrijfsvoorheffing. Sinds 2001 is de forfaitaire beroepskorting op de eerste schijf toegenomen van 20% naar 25% en is het plafond verhoogd. Het verheugt ons dat de partijen van de nieuwe meerderheid op de ingeslagen weg voortgaan. In tegenstelling tot wat de oppositie beweert, leert de ervaring ons dat dit wel degelijk betaalbaar is.

Een tweede fiscale maatregel is het belastingvrije minimum verhogen. Dat was een van de belangrijkste strijdpunten van de betoging van 15 december jongstleden, waarvoor ook de socialistische vakbond gemobiliseerd had. De maatregel verhoogt de koopkracht van de zwaksten en is meer dan nodig. Willen we het werken echt aanmoedigen, dan moeten we het belastingvrije minimum verder optrekken. Ook hier wordt voortgebouwd op de inzet van Verhofstadt. Het belastingvrije minimum is opgeklommen van 5.780 euro in 2005 tot 6.150 euro vandaag.

Veruit de belangrijkste maatregel, die niet alleen de koopkracht van de zwakkere, maar ook die van de middeninkomens een aanzienlijke boost zal geven, is de vermindering van het aantal belastingschalen van vijf naar drie. We betalen vandaag te snel en te veel belastingen. Die sociale onrechtvaardigheid wordt reeds sinds mensenheugenis in stand gehouden onder het mom van de progressiviteit van de belastingen. Volgens sommigen is deze maatregel antisociaal omdat ook de middenklasse er baat bij heeft. Ik vind dit nonsens. Hebben mensen die 2.000 euro per maand verdienen, soms ook geen problemen om rond te komen? Is het rechtvaardig of antisociaal dat we ook die mensen de hand reiken? Vindt de oppositie het dan rechtvaardig en sociaal verantwoord dat iemand die maandelijks 1.500 euro verdient, al onder de belastingschaal van 45% valt? Onze fractie is er vast van overtuigd dat de vermindering van de fiscale druk op de middeninkomens de sleutel bij uitstek is om de koopkracht te verhogen en de economie aan te zwengelen. De overgang van een weinig naar een zwaarder belast inkomen is nu veel te drastisch. Wie een echte progressieve belasting wil nastreven, moet de belastingschijven voor de middeninkomens verminderen en vereenvoudigen.

De regering bekommert zich ook over de zwakkeren. Wij willen hen steunen en helpen waar we kunnen. Een op vijf gepensioneerden leeft in armoede. De regering zal daarom verder ijveren voor de gelijkschakeling van het pensioen van de zelfstandigen met dat van de werknemers. Onder de regering Verhofstadt II werd het minimumpensioen van de zelfstandigen tot vier keer toe verhoogd, telkens met ongeveer 4%. Eind 2008 zal het gemiddelde pensioen gestegen zijn met 12,3% voor de mannen en met 10,1% voor de vrouwen. De laagste pensioenen van de werknemers en zelfstandigen zullen worden opgetrokken. Is deze regering dan antisociaal? Ik denk het niet.

Reagan zei ooit, een citaat van Benjamin Franklin parafraserend: `Death and taxes may be inevitable, but unjust taxes are not.'. Wij kunnen ons daar volkomen in terugvinden en steunen dan ook ten volle de afschaffing van de solidariteitsbijdrage op pensioenen, vooral op de laagste. Ik denk dat ook mevrouw Vanlerberghe daar geen probleem mee heeft.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Ik vind wat de heer Wille hier zegt, ongelooflijk mooi en ik heb daar inderdaad geen enkel probleem mee, maar hij moet mij toch ook eens uitleggen hoe al die maatregelen, die we nooit afgekeurd hebben, zullen worden betaald.

Hij vraagt zich af wie er tegen kan zijn dat ook de middeninkomens, toch een grote groep, in de prijzen delen. Dat is het probleem ook niet.

Belastingvermindering is echter alleen in het voordeel van mensen die belastingen betalen. Wij vragen een belastingkrediet voor arme mensen, die geen belastingen betalen omdat ze geen inkomen hebben.

Niemand betaalt graag belastingen. Belastingvermindering komt dus heel populair over. Wat minder populair zal overkomen, is dat die inkomstenderving voor de staat moet worden gecompenseerd. De hamvraag is dus hoe de regering de maatregelen die in het regeerakkoord worden aangekondigd zal betalen?

De heer Paul Wille (Open Vld). - Ik vermoed dat u hic et nunc geen antwoord verwacht, want dan zou ik minister van Begroting moeten zijn en het is niet zeker dat ik dat wel zou willen. Ik neem echter aan dat de regering perfect in staat zal zijn daarop te antwoorden.

Aangezien gelijke kansen en werk aan één minister worden toevertrouwd, moet het mogelijk zijn snel vooruit te gaan. Wij rekenen daar dan ook op. Door het invoeren van de splitting voor pensioenen zal de partner die zijn of haar carrière onderbreekt voor een zorgactiviteit, niet meer worden benadeeld inzake pensioenrechten.

Wij zijn fier op deze sociale maatregelen. Een vrije en open samenleving is immers een illusie als sociale rechtvaardigheid ontbreekt.

Over de modernisering van de arbeidsmarkt en de regionalisering is de regering meer dan duidelijk. De regering Verhofstadt II had 200.000 jobs beloofd en ondanks de kritiek heeft ze die ook gerealiseerd. Het verheugt onze fractie dan ook dat dit engagement opnieuw wordt aangegaan.

Onze arbeidsmarkt is archaïsch en door ze te moderniseren kunnen we vooruitgang boeken. Een dubbele aanpak, die bestaat uit het verhogen van de mobiliteit op de arbeidsmarkt en het verder activeren en stimuleren van de werkzoekenden, waarbij de werkloosheidsvallen worden weggewerkt, is de sleutel van dit beleid. Concrete liberale punten zoals de loopbaanrekening dragen bij tot een evenwicht tussen werk en vrije tijd.

De arbeidsmarkt is een federale bevoegdheid, maar is feitelijk al regionaal. Samen met de modernisering van de arbeidsmarkt pleit Open Vld voor een regionalisering. De regionale verschillen op de arbeidsmarkt verbeterden nauwelijks over een periode van 20 jaar. Vlaanderen kampt met ouderenwerkloosheid, Brussel en Wallonië kampen met jongerenwerkloosheid en langdurig werklozen. Volgende cijfers ondersteunen de noodzaak van een regionale aanpak: in Vlaanderen bedraagt het aantal werkzoekenden per niet-ingevulde vacature 5; in Wallonië zijn er 42 werkzoekenden voor één vacature en in Brussel 32.

Vraag en aanbod zouden moeten resulteren in loonverschillen en uiteindelijk in een opwaartse spiraal. De realiteit is omgekeerd. Er is centraal loonoverleg zonder flexibiliteit. Het resultaat is onaangepaste lonen in Wallonië en een omgekeerde werkloosheidsval. Het aandeel van de openbare sector in de werkgelegenheid bedraagt 40% in Wallonië en 20% in Vlaanderen. Ook internationale instellingen zeggen dat we daar iets aan moeten doen. Onze fractie zegt dat regionalisering een middel is om alle regio's de mogelijkheid te bieden om wijzigingen aan te brengen. Een drastische inhoudelijke hervorming van het beleid is noodzakelijk, vooral op het gebied van de werkloosheidsverzekering.

De inhoudelijke hervorming van de arbeidsmarkt en de modernisering van het werkgelegenheidsbeleid kan dus zeker ook deels federaal worden gerealiseerd, maar de regionalisering van het werkgelegenheidsbeleid wordt door onze fractie absoluut naar voren geschoven bij de bespreking van de staatshervorming.

De notionele aftrek, die behouden blijft, en de invoering van de fiscale consolidatie voor ondernemingen zijn de hefbomen voor een stevige economische groei. De ondernemingen hebben immers zuurstof nodig. Met dit beleid sluiten we naadloos aan bij het beleid van de andere landen of doen we beter, wat onmiddellijk in directe buitenlandse investeringen heeft geresulteerd.

Ethische kwesties zijn een zaak van het parlement. Op korte en middellange termijn zullen wij, met respect voor eenieders mening, in het parlement voorstellen indienen en verdedigen. Ik ben ervan overtuigd dat we er zelfs zullen in slagen de christendemocratische fractie of althans bepaalde leden ervan, mee te krijgen in de verzuchtingen van de publieke opinie in Vlaanderen. (Protest bij CD&V-N-VA)

We zullen ervoor zorgen dat alles wat we daarover denken ter discussie komt in het parlement, zoals we dat ook in het verleden hebben gedaan.

De regering wil de strijd tegen het internationale terrorisme intensifiëren. De wetgeving op de bijzondere opsporingsmethoden (BOM) en de uitwisseling van gegevens tussen de inlichtingendiensten moet worden aangepast met respect voor de fundamentele rechten en vrijheden. Omdat het goed functioneren van de inlichtingendiensten essentieel is, zal de regering op basis van een audit nagaan of en hoe de werking kan verbeterd worden.

Open Vld kan zich geheel terugvinden in de principiële benadering van de strijd tegen het terrorisme, namelijk het in evenwicht houden van de doelmatigheid van de diensten en het vrijwaren van de rechten van de burger. Dit is niets meer dan het basisprincipe waarop iedere moderne democratische rechtsstaat steunt, zoals dat ook in de organieke wet op de Vaste Comités van Toezicht terug te vinden is. Ook het zoeken naar een verbetering van de werking van de diensten door een audit kan alleen maar bijgetreden worden.

Open Vld ziet in deze verklaring de gelegenheid om tegelijk met de nieuwe vormen van toezicht en het verbeteren van de werking door een audit ook enkele oude problemen op te lossen. De organieke wet op de Vaste Comités blijft een zeer goede wet die alle mogelijkheden biedt voor een doelmatig toezicht door de wetgever op de werking van de politie- en inlichtingendiensten.

Er is principieel geen enkele reden om voor nieuwe of aangepaste vormen van toezicht nieuwe instellingen op te richten. Het volstaat de nieuwe toezichtsmodaliteiten te integreren in bestaande structuren. Weliswaar moet daarbij gezocht worden naar een optimalisering van de moeilijke en veelal kiese opdracht van zowel de wetgever als van de Comités die een emanatie van de wetgever zijn.

Daarom is Open Vld voorstander van de uitbreiding van de bevoegdheid van het Vast Comité I ten overstaan van de BIM-methodes die aan de inlichtingendiensten moeten worden toegestaan.

Niemand zal betwisten dat het meest doelmatige en meest wenselijke toezicht op maatregelen die een inbreuk vormen op de rechten van de burger het toezicht is door de onafhankelijke rechter, zoals dat overigens door een arrest van het Grondwettelijk Hof in verband met de BOM-wet werd bevestigd.

Daar de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden zich situeren in het gerechtelijke onderzoek is het herstel van het rechterlijke toezicht daar volkomen op zijn plaats. Omdat de toepassing van de bijzondere inlichtingenmethoden zich niet in de gerechtelijke sfeer maar in een bestuurlijk kader situeren is een ongewijzigd rechterlijk toezicht daarop niet mogelijk. Daarom moet gezocht worden op welke wijze een aangepast toezicht kan gevonden worden dat enerzijds zoveel als mogelijk de principes van doelmatigheid en onafhankelijkheid respecteert en dat anderzijds kan ingepast worden in een bestuurlijke finaliteit.

Die opvatting komt er dus op neer dat moet nagegaan worden op welke wijze een rechterlijk toezicht kan ondergebracht worden in de bestaande structuur van het Vast Comité I.

In dezelfde optie kan eveneens onderzocht worden of van deze gelegenheid geen gebruik moet gemaakt worden om bepaalde spanningen die merkbaar zijn in de huidige werking van het Vast Comité I, voornamelijk ten overstaan van de rapportering aan de Senaat, op te lossen.

Hoewel deze materie een oud zeer is, volgt uit de behandeling van recente dossiers dat de verslaggeving door het Comité I aan het Parlement, wat het einddoel uitmaakt van iedere activiteit van het Comité, voor verbetering vatbaar is. De kern van deze problematiek ligt in een verkeerde opvatting over wat daarbij kan en mag ter kennis worden gebracht en hoe daarvan gebruik kan gemaakt worden in het publieke debat.

Het Vast Comité I is gebonden door de principes van de classificatie en de regel van de derde brengt een in de praktijk niet te verwaarlozen verplichting met zich mee. Anderzijds heeft het intermediair toezicht door het Comité geen zin indien daarover niet dienstig aan de wetgever kan worden gerapporteerd. De tot hiertoe gevolgde praktijk waarbij gezocht wordt om de gevoeligheid van de materie te verzoenen met de noodzaak tot publieke verslaggeving, lijkt mij onvoldoende en overigens in tegenstelling met de basisbeginselen van de parlementaire vertegenwoordiging. Een kleine wijziging van de organieke wet kan een gepast antwoord bieden.

Het is de opdracht en de verantwoordelijkheid van het Vast Comité I om de inhoud en de bewoordingen van een verslag te bepalen. Het is de opdracht en de verantwoordelijkheid van de Senaat om daaraan het gepaste gevolg te geven. Aan deze basisbeginselen wordt niets gewijzigd indien bepaald wordt dat het alleen de opdracht en de bevoegdheid van de Senaat is om te beslissen of en wat in een publiek debat kan worden gebracht. Deze wijziging ontlast het Vast Comité I van de soms netelige opdracht om zelf te bepalen wat van een uitgebracht verslag in een publiek debat mag worden vrijgegeven.

Met betrekking tot de werking van de diensten zelf is het logisch dat een audit kan aantonen wat moet worden gewijzigd. Een nieuwe audit met betrekking tot de Veiligheid van de Staat lijkt mij overbodig.

De audit die enkele jaren geleden door het Vast Comité I werd uitgevoerd, kan immers nog steeds als leidraad gebruikt worden. Deze audit kwam tot de bevinding dat de voornaamste werkingsmoeilijkheid lag in een slechte informatiestroom en het ontbreken van een strategie ter zake. Het is dus nuttig, alvorens een nieuwe audit uit te voeren, de aanbevelingen van de senatoriale Begeleidingscommissie ter zake te hernemen en te evalueren of een nieuwe audit een meerwaarde kan brengen.

Ook met betrekking tot de vooropgestelde verbetering van de informatie-uitwisseling tussen de diensten kan het volstaan de aanbevelingen van het Vast Comité I en de daaraan gewijde besprekingen in de senatoriale Begeleidingscommissie te hernemen. Hierbij moet het onderscheid worden gemaakt tussen de reeds bestaande bepalingen en verplichtingen ten overstaan van het CODA/OCAM en de wijze waarop de door de inlichtingendiensten verworven informatie in de gerechtelijke actie kan worden ingebracht. Hoewel moet uitgekeken worden naar het arrest van het Hof van Cassatie in het Erdaldossier dat hopelijk duidelijkheid zal brengen in de nu verwarde en tegenstrijdige opvattingen ter zake, verwijs ik ook naar wat het Vast Comité I, in samenwerking met de universiteit Leuven, aan studiewerk heeft verricht. Het intensiveren van de strijd tegen het internationale terrorisme is beter gediend door een duidelijke en eenvormige werkwijze die tegelijk in overeenstemming kan worden gebracht met de vereisten van een behoorlijke procesvoering, dan met om het even welke versterking van middelen en werkwijzen die bij de behandeling voor de strafrechter als onbehoorlijk of niet dienend moeten worden afgewezen.

Wanneer de door de regeringsverklaring voorgestelde maatregelen in deze materie vergeleken worden met wat daarover in de adviezen en de voorstellen van het Vast Comité I en de senatoriale Begeleidingscommissie kan worden teruggevonden, besluiten wij dat er voldoende gegevens voorhanden zijn om de regeringsvoorstellen nuttig te implementeren. Een open en diepgaand debat volstaat.

Daardoor kan ook het parlementair toezicht op de inlichtingen- en politiediensten opnieuw de efficiëntie krijgen waarop het recht heeft.

Ik kom nu bij het buitenlandse beleid. Ons engagement mag niet stoppen aan de landsgrenzen. Meer dan één miljard mensen moet het nog steeds stellen met minder dan 1 euro per dag. Eén miljard mensen heeft nog steeds geen toegang tot proper water, waardoor ieder jaar bijna twee miljoen kinderen sterven. Ik ben dan ook zeer verheugd dat de regering een bijzondere inspanning zal doen om in Afrika de komende jaren miljoenen mensen toegang te geven tot water. Dat is de sleutel tot duurzame vooruitgang voor hele generaties.

Belangrijk is ook dat deze regering vasthoudt aan het doel om in 2010 minstens 0,7% van het bnp aan Ontwikkelingssamenwerking te besteden.

Wij zijn geen pessimisten. De regering Leterme I mag geen regering van voorlopige twaalfden zijn, maar ze moet voluit haar verantwoordelijkheid op zich nemen. Er moet een einde komen aan de politieke manoeuvres. Wij hopen dat over de tweede fase van de staatshervorming een verstandig debat wordt gevoerd. We hebben absoluut geen probleem met de nieuwe premier omdat hij een ploeg leidt waarin we ons voldoende kunnen terugvinden. De heer Leterme heeft een mandaat gekregen van de kiezer. De publieke opinie wenst dat we de vraag over wie nu de grootste fractie is onbeslist laten en tot de actie overgaan.

We hebben met een aantal politieke partijen een akkoord gesloten. Wat ons betreft zal de regering de volle regeerperiode uitdoen. Hierbij zal ze het vertrouwen van de burger, dat tijdens de afgelopen turbulente periode is afgebrokkeld, moeten herstellen. (Applaus)

M. Francis Delpérée (cdH). - Hier, c'était le 21 mars. C'était le printemps. Je veux, sans ironie, saluer cet événement. Je ne dis pas que la photo du nouveau gouvernement ressemble à une peinture de Botticelli ni que les accents de la déclaration gouvernementale s'apparentent aux premières mesures des Quatre saisons de Vivaldi. Ce que je veux dire, c'est que nous voici prêts pour un nouveau départ. « Andiamo », comme je le disais dans un premier commentaire. Avançons, marchons, prouvons le mouvement en marchant.

Vous l'aurez compris, la satisfaction du groupe cdH, au nom duquel je m'exprime ce soir, n'est pas feinte. Elle est réelle. Elle est également mesurée. Je voudrais, dans cette intervention, énumérer les cinq raisons qui nous poussent à apporter aujourd'hui notre concours et notre appui au gouvernement.

Premier motif de satisfaction : nous avons un gouvernement. Vous me direz que c'est la moindre des choses. Si nous sommes réunis aujourd'hui, c'est pour lui apporter notre concours ou, au contraire, pour lui exprimer nos réserves et nos critiques.

Reconnaissons-le, il était temps ! Le 2 mai dernier, voici plus de dix mois déjà, les Chambres étaient dissoutes et le gouvernement était en période d'affaires courantes. Elle s'est prolongée pendant six mois et un gouvernement provisoire ou transitoire a été constitué le 21 décembre, à la veille de la Noël. Nous voici, coïncidence, à la veille de Pâques.

Nos concitoyens n'auraient pas compris que le gouvernement de leur pays ne soit pas, enfin, constitué, qu'il n'exerce pas l'ensemble des responsabilités qui lui reviennent et qu'il ne travaille pas de manière effective et, si possible, durable. Il est de ces dates fatidiques dans l'histoire qu'il vaut mieux ne pas franchir. En effet, si ce n'était pas Pâques, il nous aurait sans doute fallu, comme dans la chanson de Malbrough, attendre la Trinité.

Deux précisions s'imposent, l'une sur la procédure, l'autre sur la durée. En ce qui concerne la procédure de nomination du nouveau gouvernement, je note avec satisfaction que les normes constitutionnelles ont été parfaitement respectées. L'idée avait germé, un moment, de remplacer simplement le premier ministre par un autre, d'opérer quelques permutations, de désigner quelques secrétaires d'État, sans toucher aux équilibres de base. Autrement dit, les ministres en place n'auraient pas démissionné. Seuls les sortants, les entrants et les mutants - si vous me permettez cette expression - auraient fait l'objet d'un arrêté royal de démission, de nomination ou de transfert.

Il n'en est rien et c'est fort bien ainsi. En droit constitutionnel, la pratique est claire. La démission d'un premier ministre entraîne automatiquement la démission de l'ensemble des membres du gouvernement. Le premier ministre est le chef d'équipe. S'il se retire, l'équipe se retire après lui. Le 20 mars, deux arrêtés royaux successifs entérinent la démission de Guy Verhofstadt puis la démission de ceux que vous me permettrez d'appeler ses ministres.

Les arrêtés royaux - quatre en tout - qui ont été pris ce jeudi, la nouvelle déclaration, la nouvelle équipe, le nouveau premier ministre, le nouveau débat que nous tenons ici montrent à suffisance que nous prenons aujourd'hui un nouveau départ, même si nous ne renions pas sur un plan politique ce qui a été fait durant l'hiver.

Pour ce qui est de la durée, je voudrais souhaiter bonne route et longue vie au nouveau gouvernement. En ce qui me concerne, je ne m'engage ni pour trois mois ni pour un an, mais je souhaite que le gouvernement que nous soutenons assume ses responsabilités pour le reste de la législature, pour les trois années qui viennent.

Le pire des scénarios que nous pourrions envisager, c'est qu'après un gouvernement Verhofstadt III de trois mois vienne un gouvernement Leterme Ier d'une durée équivalente. Si cela devait se produire, nous nous verrions entraînés dans une spirale de crise, dont nous devinons l'issue irrémédiable, pas seulement pour le gouvernement mais pour le pays, pas seulement pour nos institutions mais aussi pour nos activités sociales, économiques et culturelles.

Je me refuse d'envisager un tel fiasco. Je me refuse à accepter les ultimatums d'où qu'ils viennent. J'en appelle à tous les hommes et les femmes responsables de ce pays pour qu'ils mettent, dans les semaines à venir, le pays à l'abri de telles mésaventures.

Deuxième motif de satisfaction. : l'accord de gouvernement s'inscrit dans une perspective fédérale. Et c'est fort bien ainsi.

Au cours de ces derniers mois, nous avons entendu les discours les plus radicaux, les plus alarmistes, les plus inquiétants sur l'avenir de notre État fédéral. Des scénarios futuristes ont circulé, ici ou là. Certains allaient jusqu'à envisager la sécession d'une partie de la Belgique ou le divorce de ses collectivités de base. À entendre les Cassandre, ce n'était plus qu'une question de jours ou de mois.

L'accord gouvernemental s'inscrit à contre-courant de ces préoccupations fractionnelles, j'allais dire fratricides. La volonté est exprimée de faire fonctionner l'État fédéral, les communautés et les régions de la manière la plus efficace qui soit. L'engagement est pris d'assurer une meilleure gouvernance à tous les niveaux de pouvoir et de renforcer tous ceux-ci. Le souhait est formé d'assurer entre ces différents paliers de gouvernement une meilleure coordination dans la perspective d'un fédéralisme adulte, je veux dire d'un fédéralisme qui soit moins compétitif et plus coopératif.

Voici quinze jours, nous avons déposé, avec des sénateurs de la majorité et de l'opposition, une proposition de loi spéciale portant des mesures institutionnelles. Cette proposition contient ce que l'on appelle communément un premier paquet de réformes. Le moment n'est pas venu de déballer et d'ouvrir ce paquet. Disons simplement qu'il répond à nos voeux dans la mesure où il tend à assurer, dans l'un ou l'autre domaine, un exercice plus cohérent soit des compétences fédérales, soit des compétences fédérées.

Tant les développements de la proposition de loi spéciale que la déclaration gouvernementale annoncent un second paquet avec quelques thématiques qui sont esquissées. « Les chantiers sont ouverts », comme on disait au lendemain de la guerre dans certains cénacles politiques. Il va sans dire que de nouveaux équilibres institutionnels résulteront des opérations qui pourraient être réalisées à cette occasion.

Nous n'avons pas peur de ces réformes pour autant qu'elles se réalisent dans le calme, dans le dialogue, dans la mesure, dans la cohérence, dans le souci de l'intérêt général.

Si nous agissons de la sorte, nous éviterons le tourbillon institutionnel qui contribuerait sans doute à alimenter les fantasmes de certains mais ne servirait pas les objectifs de bonne gouvernance que l'équipe gouvernementale s'est à juste titre donnés.

Messieurs les membres du gouvernement, gardez le cap fédéral ! Nous sommes avec vous.

Si je devais résumer d'un mot, d'un seul peut-être, l'intervention du premier ministre ce jeudi après-midi, devant cette assemblée, je retiendrais « Solidarité ». Le premier ministre ajoutait même : « Nous écrivons Solidarité avec une majuscule ».

Les Belges jugeront le gouvernement sur son aptitude à réaliser un programme solidaire. Dans trois directions, au moins.

Nous devons assurer la solidarité entre les hommes et les femmes de notre pays, par la poursuite d'un programme social ambitieux. Il y a déjà était fait référence. Je me contente de citer les têtes de chapitre.

En matière de pensions : revalorisation des pensions les plus anciennes, liaison structurelle des prestations au bien-être, relèvement des limites en matière de travail autorisé, suppression progressive de la cotisation de solidarité sur les pensions, relèvement des allocations minimales d'invalidité.

En matière de soins de santé : meilleure prise en compte des soins spécifiques des maladies chroniques, développement d'un plan cancer, sous l'angle du dépistage et de l'accompagnement des malades, offre diversifiée de soins, y compris à domicile, lutte contre les inégalités en ce qui concerne les soins de santé à dispenser.

En matière familiale, le secrétaire d'État Melchior Wathelet veillera notamment à assurer une meilleure conciliation entre le travail et la famille en réfléchissant aux périodes temps qui peuvent être consacrées à ces différentes activités ; en s'interrogeant sur les charges parentales auxquelles les familles peuvent être confrontées, notamment lorsque les enfants sont en âge de scolarité ; en étant attentif aux divers risques que la famille composée, décomposée, recomposée peut rencontrer au cours de son existence.

(M. Armand De Decker, président, prend place au fauteuil présidentiel.)

Nous devons aussi assurer la solidarité entre les Belges par la mise en oeuvre d'un système performant de sécurité sociale.

Je cite le premier ministre : « En intervenant dans nos soins de santé, nos pensions, les frais d'éducation de nos enfants, etc., [la sécurité sociale] nous garantit bien-être et sécurité face à tous les aléas de l'existence ». Et il a ajouté qu'il faut la renforcer, il faut lui permettre d'évoluer. Il faut garantir son équilibre financier.

Je le répète ici : la solidarité interpersonnelle qui se réalise de cette manière est le meilleur ciment social de notre État fédéral.

Nous devons encore assurer la solidarité entre les nations, et spécialement entre les États de l'Union européenne. Nous songeons déjà à 2010. L'instauration d'une Task Force Europe 2010 nous paraît une bonne idée pour mieux associer les citoyens au progrès de l'Union européenne.

Nous songeons aussi à l'action que l'Union européenne devrait pouvoir mener en dehors de ses frontières. Disons-le clairement, l'Union doit être plus présente sur la scène internationale. Elle doit être un acteur privilégié de la paix au Moyen-Orient. Elle doit être un acteur du développement économique et social au coeur de l'Afrique.

Nous songeons encore au rôle que nous pouvons et devons jouer pour rencontrer le défi du développement. Le gouvernement atteindra l'objectif qu'il s'est fixé pour l'aide publique que nous consacrons au développement : 0, 7% du PIB en 2010.

Solidarité, solidarité, solidarité... Nous serons aux côtés du gouvernement s'il insuffle cette dynamique solidaire aux membres de son équipe, aux politiques qu'ils poursuivront et aux résultats qu'ils engrangeront.

Aujourd'hui, les Belges - et pas seulement les Belges car la préoccupation est exprimée avec vivacité dans d'autres États européens, souvent les plus proches - sont attentifs à la préservation et même à la reconstruction de leur pouvoir d'achat. Je suis comme M. Daras, je n'aime pas trop les termes « pouvoir d'achat » en raison de la formulation un peu consumériste. L'homme ne vit pas seulement de pain. Mais il ne vit pas non plus seulement d'amour et d'eau fraîche.

Je regrette que les aspects qualitatifs de la protection sociale et familiale passent parfois un peu à l'arrière-plan de ses aspects purement quantitatifs. Mais je peux aussi comprendre que, devant les difficultés du moment, il y a urgence à restaurer la situation matérielle d'un certain nombre de personnes.

Je ne reprendrai pas ici les mesures que le gouvernement envisage de prendre. Je n'en retiens qu'une : il faut relever le minimum imposable des personnes qui sont actives professionnellement et réduire les impôts des personnes qui ne disposent que de bas ou de moyens revenus. Leur pouvoir d'achat s'est détérioré au cours des derniers mois. Nous serons particulièrement vigilants à la bonne réalisation de ces engagements.

L'emploi était le premier point, la priorité des priorités, du programme électoral du cdH. Je me réjouis de constater que c'est aussi le premier point de l'accord de gouvernement.

Nous sommes constants. Nous sommes même têtus. Nous tenons aujourd'hui le même discours qu'hier.

Nous avons salué, il y a trois mois, la désignation de Josly Piette au ministère de l'Emploi. Aujourd'hui, dans un esprit de continuité, nous nous réjouissons de votre présence, madame Milquet, à la tête du même département.

Nous connaissons votre détermination, j'allais dire votre obstination. Nous mesurons votre énergie. Nous savons que nous pouvons compter sur vous quand il faudra lutter contre les pièges à l'emploi, assurer la mobilité des travailleurs et harmoniser les plans d'embauche.

Nous comptons aussi sur vous - faut-il le préciser ? - quand il faudra préserver au niveau fédéral un système harmonisé pour le droit au travail et pour le droit à la sécurité sociale. Ne fléchissez pas au moment de choix qui peuvent être décisifs, tant il est vrai que la défense de ces impératifs sociaux s'inscrit directement dans le prolongement de la philosophie humaniste qui est la nôtre et dans la perspective d'une Belgique fédérale à laquelle nous croyons de toutes nos forces et de tout notre esprit.

Certes, une stratégie nationale pour l'emploi ne peut se concevoir sans le concours des communautés et des régions. Il requiert aussi le concours des partenaires sociaux. Il serait stupide de se priver de leur concours. Il serait illogique de ne pas les mettre autour de la table. Il serait inefficace de ne pas les associer à la réalisation des politiques d'emploi.

Mais, il faut être clair, c'est l'État fédéral qui tient le gouvernail, c'est lui qui indique la voie à suivre, c'est lui qui conçoit les instruments juridiques, sociaux et fiscaux qui permettront d'atteindre les objectifs qu'il s'est fixés.

Je conclus sur une note un peu différente. Nous avons lu l'accord de gouvernement. Il est long de plus de quarante pages. Il est précis. Il est détaillé. Nous avons entendu la déclaration du premier Ministre. Je voudrais m'étonner un instant de la place singulière qui y est parfois réservée au citoyen.

Le mot-clé pour l'action de l'administration, précise l'accord de gouvernement, c'est, je cite : « l'orientation vers l'usager ». L'objectif poursuivi est d'assurer « la satisfaction de l'utilisateur » encore qualifié de « consommateur » ou de « client » dans d'autres parties du texte. C'est une vision très « managérielle » de l'administration publique et des rapports que celle-ci doit entretenir avec les citoyens.

C'est une vision qui peut paraître fort idyllique. Le contrôleur des contributions a-t-il l'intention de traiter les contribuables comme des clients, voire des copains ? Poser la question, c'est déjà y répondre.

C'est une vision qui peut paraître fort éloignée aussi de nos traditions administratives. Certes, nous ne sommes plus au temps de l'administration napoléonienne ou bismarckienne. L'administration belge, telle que l'avais conçue Louis Camu à la veille de la seconde guerre mondiale, a profondément évolué. Heureusement. Mais nous n'avons pas encore digéré les effets de la funeste réforme Copernic. Je me permets d'attirer l'attention sur les remises en ordre qui pourraient s'imposer à l'avenir. Il est temps de réconcilier le citoyen et « son » administration. Il est temps de réaliser la démocratie administrative.

L'on me dira sans doute que ce n'est pas le genre de propos que l'on trouve dans une déclaration politique d'un nouveau gouvernement.

J'ai envie de dire, pour terminer, aux membres du gouvernement : « Faites-nous rêver. Faites rêver les Belges. Faites rêver la Belgique. Sortez-nous de la glu dans laquelle nous sommes parfois empêtrés. Sortez-nous des ornières dans lesquelles nous prenons parfois plaisir à nous empêtrer ».

Vous savez comment on appelait jadis le gouvernement d'Edmond Leburton qui comptait trente-six ministres et secrétaires d'État ? On l'avait surnommé « le gouvernement de l'albatros » car, ajoutait-on il est comme l'oiseau de Baudelaire, « Ses ailes de géant l'empêchent de marcher ». Aujourd'hui, il n'y a pas trente-six ministres, mais vingt-deux membres dans le gouvernement.

Pensez à l'albatros. Par ma voix, le groupe cdH vous encourage à voler, à vous envoler, à déployer vos ailes comme les grands oiseaux de mer. Ces oiseaux-là, nous le savons, mettent parfois un peu de temps à décoller mais, une fois en vol, ils peuvent nous aider à rêver.

C'est ce que je vous souhaite. C'est ce que je nous souhaite aux premiers jours du printemps.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Sta me toe mijn uiteenzetting aan te vangen met een uitspraak van mijn grootvader, naar mijn oordeel een wijs man. Voor wat politici al te vaak blijken te doen, had hij volgende zegswijze. Uitblinken in wollige, nietszeggende en loze beloften noemde hij `lege zakken rechtzetten'. Alleen in die moeilijke discipline blijkt de regering met brio te slagen.

In de inleiding van het regeerakkoord worden radicale maatregelen in het vooruitzicht gesteld om onze planeet te redden. Zo'n uitspraak wekt natuurlijk onmiddellijk mijn groene aandacht, maar helaas blijkt de zak leeg te zijn.

In het regeerakkoord is veel sprake van de nood aan uitgebreide raadpleging en studies. Nochtans bestaan er al voldoende studies. De volle zakken laat de regering blijkbaar aan de kant staan.

De regering had kunnen kiezen voor een ambitieus nationaal klimaatplan, geënt op maar zich niet beperkend tot de ons door Europa opgelegde doelstellingen. Via jaarlijks vast te leggen doelstellingen, een uitgetekend en vooral concreet stappenplan en de keuze voor een economische en ecologische technologische ommekeer is het mogelijk om tegen 2030 de CO2-uitstoot te halveren. Dat is niet de uiting van groen naïef geloof, maar werd gewoon al lang geleden berekend en hoeft alleen maar in beleid te worden omgezet. Er zijn namelijk grenzen aan wat onze planeet en haar bewoners kunnen verdragen. Het wordt stilaan tijd dat dit ook door de politiek wordt erkend.

De strijd tegen de klimaatsverandering dwingt ons snel en radicaal te kiezen voor een ecologische economie en om te schakelen naar minder energieverbruik, minder energieverslindende productiewijzen en een minder gecentraliseerde productie van energie en elektriciteit. Niets daarvan, eerst nog raadplegen en studeren. Van een sense of urgency is helemaal niets te merken.

Ook voor ons moordende verkeer heerst er geen gevoel van urgentie. Het stemt me tevreden me hiervoor rechtstreeks tot de bevoegde staatssecretaris te kunnen richten. Over de verkeersonveiligheid, die nog steeds jaarlijks bijna 1.000 slachtoffers eist, wordt nagenoeg niets gezegd. Er wordt wel een post gecreëerd voor een staatssecretaris, maar dat was veeleer om een intern partijprobleem op te lossen.

Het Belgische verkeersveiligheidsbeleid is al geruime tijd op zoek naar een nieuw elan. Het aantal slachtoffers is de voorbije maanden zelfs opnieuw toegenomen. Ik vrees dat de gedeeltelijke regionalisering van de verkeersveiligheid het probleem niet zal oplossen.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Als arts weet ik dat het aantal verkeersslachtoffers over de jaren heen daalt, wat onder meer tot gevolg heeft dat er een tekort aan organen is om te transplanteren. Uiteraard kan de verkeersveiligheid steeds beter. Ik twijfel er evenwel niet aan dat staatssecretaris Schouppe zich ten volle zal inzetten.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik heb gezegd dat het aantal slachtoffers en het aantal doden enkele maanden geleden opnieuw is beginnen stijgen. Ik raad u aan de cijfers nog eens op te vragen bij het BIVV. Als u in die omstandigheden tevreden wil zijn, dan laat ik dat voor uw rekening. Ik ben het in elk geval niet. Elk verkeersslachtoffer is er een te veel. Er is dus nood aan coördinatie, aan transversale banden en vooral aan visie. De doelstellingen van de staten-generaal en het bijbehorende charter die in het regeerakkoord zijn ingeschreven, zijn weliswaar zeer nobel, maar ook onvoldoende. België moet de ambitie hebben om aansluiting te vinden bij de koplopers in Europa, landen zoals Zweden en Nederland. Willen we dat op een duurzame manier doen, dan moeten we tegelijkertijd inzetten op veiliger wegen, veiliger wagens en veiliger chauffeurs. Enkel door gelijktijdig te werken aan infrastructuur, auto's, handhaving en opvoeding, kunnen we de weg van Nederland en Zweden op gaan, waar men vandaag maar half zoveel kansen hebt om het slachtoffer van het verkeer te worden als in Vlaanderen.

Wat zal er gebeuren voor de armoedebestrijding? De regering wijdde daaraan welgeteld drie paragrafen. Het spreekt vanzelf dat niet de kwantiteit, maar wel de kwaliteit van de tekst telt, maar ook die kwaliteit laat te wensen over. In het regeerakkoord staat letterlijk: `De regering stelt voor om een ambitieus plan uit te voeren inzake het terugdringen van armoede en de verhoging van de koopkracht. Ze zal daartoe jaarlijks een inspanning leveren.' Jaarlijks een inspanning leveren! In Antwerpen zeggen we dan: `Het zou er nog aan moeten mankeren.' Het ontbrak er nog maar aan dat de regering niks doet aan de armoede en niet jaarlijks een inspanning levert.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Het is de eerste keer dat het zo uitdrukkelijk in een regeerverklaring vermeld staat, mevrouw Piryns.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - In zijn uiteenzetting van donderdag nam uw premier in elk geval het woord armoede niet meer in de mond. Hij vond het blijkbaar niet belangrijk genoeg om er op dat moment de aandacht op te vestigen. De snel groeiende kloof tussen arm en rijk staat dan ook in schril contrast met de schaarse middelen die de regering uittrekt voor de verhoging van de koopkracht. Ze zet alweer een lege zak recht. Van de 2 miljard euro die de heer Leterme in 2007 op het feest van Rerum Novarum nog beloofde, blijft vandaag slechts 300 miljoen over. We weten allemaal dat 1 mei en de herdenking van Rerum Novarum dit jaar uitzonderlijk samenvallen. Voor de premier die nu aankomt, verduidelijk ik graag dat ik de metafoor van de lege zakken aan het uitleggen ben.

De heer Yves Leterme, eerste minister. - Ik vermoedde al dat u het had over de strijd tegen de armoede. Net zoals uw collega's in de Kamer gaat u waarschijnlijk zeggen dat er inzake armoede geen concrete maatregelen in het regeerakkoord staan. Ten eerste bevat het regeerakkoord een hoofdstuk `sociale cohesie en strijd tegen de armoede'. Ten tweede zijn er behalve woorden intussen ook daden. De meerderheid en de leden van de regering die de begroting voor 2008 hebben opgesteld, hebben nu ook het regeerakkoord gemaakt en daarvoor het vertrouwen gekregen. In de begroting voor 2008 is 320 miljoen uitgetrokken. Daarvan gaat 100 miljoen naar het optrekken van onder meer de oudste en laagste pensioenen. Dat is een perfect middel tegen armoede. Bovendien wordt 75 van de 320 miljoen gebruikt voor het optrekken van het belastingvrije minimum. Kom me dan toch niet zeggen dat we niets doen voor de bestrijding van de armoede.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Het is niet mijn schuld dat we nu pas een echte regering hebben. We bespreken vandaag de regeringsverklaring en ik houd me daaraan.

In 2007 heeft de heer Leterme 2 miljard euro beloofd voor armoedebestrijding. Vandaag spreekt hij nog maar over 300 miljoen euro. Ik vraag me af welke beloftes de partijbonzen in petto hebben voor de vieringen van Rerum Novarum en 1 mei. Het benieuwt me vooral wie die beloftes nog zal geloven.

Vijftien procent van de Belgen leeft nog onder de armoedegrens. Dat harde cijfer wordt blijkbaar niet politiek gecorrigeerd.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - U weet toch waar die 15% vandaan komt. De pas aangetreden meerderheid kan daar toch geen schuld voor dragen.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik weet heel goed waarover ik spreek, mijnheer Schouppe, en vraag u, nu u de kans krijgt, er iets aan te doen. Toch zie ik nog niets.

De regering pakt inderdaad ook uit met een aantal positieve maatregelen. Er is het optrekken van het belastingvrije bedrag, de verhoging van de kinderbijslag en het verder afbouwen van de solidariteitsbijdragen op de pensioenen.

Elk mens weet dat dit onvoldoende is. Over de strijd tegen de energiearmoede is de regering enorm vaag. Men heeft het over evalueren, coördineren en zelfs een eventuele hervorming. De sociaal kwetsbaren zullen de factuur van de mislukte liberalisering van de energiemarkt blijven betalen.

Het is bijna aandoenlijk te zien hoe de rode partijen, in en buiten de regering, elkaar tegenspreken over het sociale karakter van het fiscale beleid. De vraag is wie er gelijk heeft. Het fiscale beleid van de regering zal de kloof tussen arm en rijk niet verkleinen. Een sociaal fiscaal beleid die naam waardig maakt dat de inkomensongelijkheid niet langer toeneemt. Dat betekent dat je naast een verhoging van de laagste uitkeringen en van het minimumloon tot boven de Europese armoedegrens ook moet durven kiezen voor een meer rechtvaardige fiscaliteit die inkomsten uit arbeid en uit vermogen opnieuw in evenwicht brengt, dus een fiscaliteit die inkomsten uit grote vermogens zwaarder belast. Niets daarvan in het regeerakkoord. Integendeel, door het behoud van de notionele intrestaftrek, worden opnieuw heel wat dure geschenken uitgedeeld aan de bedrijven.

Professor Cantillon had dus gelijk toen ze op 2 februari in De Morgen zei dat het met het armoedebeleid in België hetzelfde is als met de ontwikkelingssamenwerking, waarvan ook altijd - helaas tevergeefs - gezegd wordt dat er dringend 0,7% van het BNP aan moet worden besteed. Laat ons hopen dat het nu anders wordt.

De heer Wouter Beke (CD&V-N-VA). - Deze regering zorgt voor een keerpunt. Voor het eerst zullen de bedragen verhoogd worden. In de plaats van kritiek te spuien zou u de regering een eresaluut moeten brengen.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik heb nog niet eens kritiek geformuleerd, mijnheer Beke. Ik vraag alleen dat de regering het deze keer eens bewijst. We hebben een week geleden een debat gevoerd met de bevoegde minister, die zelf toegaf dat het halen van de 0,7% niet haalbaar is en dat we daar nog lang niet naartoe gaan.

Gelukkig zijn er nog thema's waar de regering meer aandacht aan besteedt. Over de toekomst van mensen zonder papieren heeft ze meer dan drie paragrafen geschreven en ze heeft zelfs een minister van Migratie- en Asielbeleid aangesteld. Toch blijft ook deze zak leeg, onwezenlijk leeg. Er komt een commissie voor regularisatie, maar pas na een wetenschappelijk onderzoek naar de wenselijkheid. De extra middelen voor de mensen die zelfstandig willen terugkeren, komen er maar `indien noodzakelijk'. Vrijwillige terugkeer moet volgens ons de doelstelling zijn, maar die is alleen haalbaar als mensen daarbij begeleid en gesteund worden. Zonder die steun gaat niemand of toch bijna niemand zomaar zijn land en familie achterlaten. Ook de paragrafen over de opsluiting van gezinnen en anderen blinken uit in nietszeggendheid en staan bol van dubbelzinnige formuleringen. Opnieuw wordt er verwezen naar het verslag van SumResearch. Dat zou dienen als basis voor alternatieven. Nochtans heeft minister Dewael zelf twee weken geleden nog in de Senaat gezegd dat dit verslag daarvoor onvoldoende is uitgewerkt. Wat inhumaan is, kan je namelijk niet humaniseren door het wat op te smukken. Ook met de best mogelijke begeleidingsmaatregelen en met de kortst mogelijke opsluiting lopen kinderen onherstelbare schade op.

De moed zinkt me bijna in de schoenen wanneer ik een nieuwe zak opendoe om na te gaan of daar misschien wel iets in zit. Ik neem als laatste het thema dat de voorbije negen maanden alles heeft geblokkeerd: de staatshervorming. En ziedaar, opnieuw drie paragrafen, maar opnieuw een lege zak, gevuld met vooral gebakken lucht. Ik ben zelf een van de indieners van het voorstel van bijzondere wet dat bij de Senaat werd ingediend. Ik wil daarom graag duidelijkheid verschaffen over het waarom en over de voorwaarden waaronder de Vlaamse groenen bereid waren én zijn om mee te werken aan stappen in de staatshervorming. Wij onderschrijven de doelstelling om meer samenhang te brengen in de bevoegdheidsverdeling en om de federatie efficiënter te laten besturen. Wij kunnen dit alleen als die doelstelling niet raakt aan de solidariteit waarop onze samenleving geënt moet zijn. Wij hebben ons bereid getoond mee te werken omdat een pacificatie tussen de gemeenschappen in ons land zeer dringend was, zodat eindelijk de sociale en ecologische problemen de aandacht krijgen die ze verdienen. We geloven dan ook dat al onze landgenoten, aan beide zijden van de taalgrens, recht hebben op sterke overheden.

Concrete voorstellen zullen wij dan ook rationeel beoordelen. We zullen bekijken in hoeverre ze een aanzet geven om alle burgers datgene te bieden waar ze recht op hebben, namelijk een kans op een efficiënter en democratischer bestuur dat werk kan maken van de ecologische en sociale uitdagingen.

De leden van de regering vragen ons vertrouwen, maar ze weten dat ze er zelf geen vertrouwen in hebben. De heer Leterme zegt dat als er op 15 juli geen belangrijke tweede stap in de staatshervorming is gezet, hij er zelf de stekker uittrekt. Qua vertrouwen in zichzelf en in zijn ploeg kan een dergelijk statement tellen. Ook de parlementsleden van zijn eigen fractie stellen onomwonden dat de regering het einde van juli niet haalt. Ze hebben daar nu al een verklaring voor. Het ligt absoluut niet aan premier Leterme, het ligt ook niet aan het kartel CD&V-N-VA, maar het ligt aan de structuur van ons land zelf. In feite zegt CD&V-N-VA het vertrouwen in België op. Toch wil een grote meerderheid van Vlamingen, samen met ons, absoluut geen splitsing van dit land. Het kartel blijkt daar desondanks op aan te sturen. Waarom? Omdat het niet meer wil kiezen voor het voortbestaan van een federatie of omdat het dat niet kan? Misschien is het omdat de leden zelfs niet meer kunnen samenwerken met hun eigen Franssprekende geestesgenoten van cdH.

Ik sluit me bij de premier zelf en bij zijn fractiegenoten aan: ik heb er ook geen vertrouwen in. Deze regeringsverklaring is ondermaats op het vlak van milieubeleid, van verkeersveiligheid, van armoedebestrijding, van mensen zonder papieren en zelfs ondermaats op het vlak van de staatshervorming. Het zijn stuk voor stuk lege zakken die men probeert recht te zetten, iets waar de premier nu al maanden of bijna een heel jaar in blijkt uit te blinken. Onze politiek in België heeft vandaag geen nood aan loze beloftes, maar aan een doortastend beleid dat oog heeft voor de enorme uitdagingen, op sociaal en ecologisch vlak, aan een beleid dat garanties biedt op levenskwaliteit voor iedereen, aan elke kant van de taalgrens, nu, maar vooral ook in de toekomst.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Medelijden is een ongemakkelijk en zeker geen opbeurend gevoel, maar toch is het enkel medelijden dat ik voor de nieuwe premier kan opbrengen. Het persoonlijke leed dat hem de afgelopen maanden heeft getroffen laat ik buiten beschouwing. Ik hoop oprecht, als arts, dat zijn gezondheid hem niet in de steek laat. Onze zoon stond als arts met nachtdienst mee in voor het welzijn van de premier.

Ik heb medelijden met de premier omdat hij op Witte Donderdag zijn regering heeft moeten samenstellen. Op Witte Donderdag heeft Judas zijn dertig zilverlingen ontvangen om zijn meester te verraden. Bij het zien van de foto van de nieuwe regeringsploeg kon ik me niet van de indruk ontdoen dat er niet één, maar een hele verzameling judassen was samengekomen om de premier en zijn regering even het licht te gunnen. Ik heb medelijden met de calvarietocht van negen maanden, een kruisweg waarop de premier werd bespot, gegeseld en bespuugd, niet door het publiek dat hem hopeloos zag ploeteren om het Belgische vehikel aan de gang te houden, maar in de eerste plaats door zijn collega's. Vooral zijn Franstalige partners hebben hem stuk voor stuk door het slijk gehaald, op de cadans van de Franstalige media die geen scheldwoorden te min vonden om de premier en zijn kartelpartners te beschimpen.

De ergste politieke schande, waarbij ik het grootste medelijden voor de premier kan opbrengen, is dat hij als grote overwinnaar van 10 juni, met het plebisciet van 800.000 Vlamingen, zijn premierschap te danken hebt aan zijn rivaal en voorganger, de heer Verhofstadt.

Verhofstadt was door de kiezer `gebuisd' en naar Toscane gestuurd, maar kon meesmuilend zijn Belgische zilverlingen uitspelen in Laken om zo het Belgische Huis overeind te houden. De lofuitzendingen over het afscheid van Verhofstadt op RTBF en RTL-TVI spraken boekdelen.

Mijnheer de eerste minister, ik heb ook medelijden met u voor wat u nog te wachten staat. U bent niet dom en evenmin naïef. U weet dan ook dat het regeerakkoord een valkuil is. Er wordt geen enkel cijfer op de geplande maatregelen geplakt, zodat de oppositie u tenminste daarop niet kan pakken.

Het regeerakkoord is een flou artistique dat Leonardo da Vinci, als vernieuwer in de schilderkunst, sfumato noemde, waarbij hij steeds dunnere, doorschijnende laagjes verf steeds opnieuw over elkaar heen schilderde om meer nuances en timbre te kunnen weergeven. Uiteindelijk kijkt de Mona Lisa ons aan met een omfloerste, spottende blik. Zoals Leonardo zelf placht te zeggen, is dat maar opsmuk; de croquis, de tekening is het voornaamste. Zo voorspel ik ook dat de laagjes verf en schmink snel van uw regeerproject zullen afvallen en dat zal blijken dat er niets concreets en fundamenteels is uitgetekend.

Aan iedere zin die de premier donderdag heeft uitgesproken, kan ik een eenvoudig zinnetje toevoegen: `..., als er geld voor is.'

De eerste minister wil een regering die de koopkracht versterkt, als er geld voor is. Hij wil de kinderbijslag laten stijgen, als er geld voor is. Hij wil de pensioenen koppelen aan de welvaart, de laagste en de oudste pensioenen verhogen, als er geld voor is. Hij belooft bijkomende financiële ondersteuning voor wetenschappelijk onderzoek, als er geld voor is. Hij wil de uitkeringen voor invaliditeit en arbeidsongeschiktheid optrekken, als er geld voor is. De regering zal de centrale plaats van de huisarts versterken, de verpleegkunde aantrekkelijker maken, als er geld voor is. Hij zal de kinderbijslag voor zelfstandigen gelijkschakelen met die voor werknemers, als er geld voor is. Hij laat de gerechtelijke achterstand wegwerken door te informatiseren, als er geld voor is.

Wat krijgen we zeker?

Een reuzenkabinet. Grotesk! Tweeëntwintig stuks en voor het eerst sedert veertig jaar een verpletterend overwicht van Franstaligen.

Moesten de Vlaamse kiezers daarom met een overgrote meerderheid een mandaat geven aan CD&V-N-VA, LDD en Vlaams Belang?

Waarvan zijn de kiezers van CD&V en N-VA uiteindelijk zeker? Alsof het kruis van de regering met cdH en PS niet zwaar genoeg weegt op de tengere schouders van de premier, krijgen zij er een FDF-staatssecretaris bovenop: een doornen kroon of een spons azijn die in de Vlaamse gezichten moest worden geduwd. Daarvan zijn zij zeker.

Een groter affront kon de meerderheid de Vlaamse kiezers niet aandoen. Moeten die kiezers nog geloven dat er een serieuze staatshervorming komt? Neen.

Het regeerproject doet me denken aan de `kroniek van een aangekondigde dood' van romanschrijver Gabriel García Márquez. In de aanzet van de roman: nergens een afspraak over BHV, nergens een croquis van wat men een ernstige staatshervorming kan noemen.

Sommige mensen staan zelfs te juichen langs de kant alsof het nog palmzondag is. Zoals de volgelingen van dame `Non' die gisteren op Télé Bruxelles verkondigden dat er tienduizenden dossiers van sans papiers kunnen worden geregeld. Een regularisatie van 20.000, 40.000 illegalen? De Brusselaars zullen blij zijn dat hun kerken eventjes leeglopen zodat ze de rommel en het afval van de hongerstakers kunnen oprapen, maar zodra de tamtams hebben geroffeld, staan ze hier weer. Nog eens honderdduizend nieuwkomers.

Mevrouw Milquet heeft een bijkomende reden tot juichen. Ze wordt immers bevoegd voor het departement Werk. Dat is nu net een bevoegdheid die een reële kans maakte om naar de deelstaten te verhuizen, maar zolang mevrouw Milquet het daar voor het zeggen heeft zal CD&V nog lang kunnen wachten op de grote staatshervorming.

Dan is er het FDF. De heer Clerfayt vond het zelfs nodig te zeggen dat zijn aanstelling als staatssecretaris het bewijs is dat zijn fractie van twee parlementsleden niet extremistisch of racistisch is. We zullen zien hoe de Vlaamse minderheid in Brussel in de toekomst zal worden behandeld. Er is misschien één lichtpuntje in dit regeerakkoord, namelijk dat de Vlamingen in de Brusselse gewestregering nu ook de meerderheid mogen gaan opeisen. Wat dacht u van vijf Nederlandstaligen tegen twee Franstalingen, of is dat voor u des Guten zuviel?

Deze regering heeft geen oplossing voor het probleem België en de grote staatshervorming. Deze regering is zelf het probleem. Deze regering is het grote Verdriet van België. Mijnheer Leterme, mij rest alleen nog u en uw gezin een zalig Pasen en een welverdiende rust toe te wensen.

M. Berni Collas (MR). - Als Senator der Deutschsprachigen Gemeinschaft möchte ich zunächst meine Genugtuung darüber äussern, dass wir nach monatelangem Gerangel, nach der Übergangsregierung Verhofstadt III nun eine definitive Regierung haben, deren Lebensdauer natürlich vom Nehmen gewisser Hürden abhängig sein wird, unter anderem der institutionellen und staatsreformerischen.

Als Senator der Deutschsprachigen Gemeinschaft kann ich mich auch nicht hinter Anderen verstecken, sodass ich meine Intervention dem institutionellen Teil widmen werde, weil er von vitaler Bedeutung ist, nicht nur für die Regierung, sondern für das ganze Land.

Le ministre-président de la Communauté germanophone, M. Lambertz, et moi-même avons eu l'honneur et le plaisir d'être entendus par le groupe Octopus. Nous avons évidemment eu l'occasion de présenter nos souhaits, que je rappellerai brièvement, en commençant par une représentation garantie à la Chambre et une représentation adéquate au Sénat. Rassurez-vous, nous ne sollicitons pas la parité... Nous souhaitons une représentation clairement identifiable.

Comme la Région de Bruxelles-Capitale, nous souhaitons évidemment obtenir l'autonomie constitutive. Un souhait - le transfert des compétences provinciales - ne pourra pas être exaucé à l'échelon fédéral, puisque le cadre institutionnel actuel ne s'y prête pas, alors que le modèle bruxellois nous inspire tant...

Nous souhaitons surtout être informés à temps et être traités de la même façon que les deux autres Communautés. Nous serons bientôt entendus - preuve supplémentaire des changements en cours - par l'instance de dialogue intrafrancophone qu'est le groupe Wallonie-Bruxelles, présidé par le duo Spaak-Busquin. On pourrait s'étonner de cette invitation, mais n'oublions pas que nous faisons encore partie de la Région wallonne pour de nombreuses compétences régionales.

De Duitstalige Gemeenschap beschikt over een vrij statuut. We willen dat statuut consolideren en uitbouwen op de weg naar een statuut van gemeenschap/gewest. We hebben die weg in het verleden al bewandeld door, in bilateraal overleg met het Waalse Gewest, bepaalde bevoegdheden over te nemen zoals landschap- en monumentenzorg, tewerkstellingsbeleid, gesubsidieerde werken, het gewoon toezicht op de gemeenten en de gemeentefinanciering. Wij zullen met het Waalse Gewest onderhandelingen aanvatten om nog meer bevoegdheden over te hevelen naar de Duitstalige Gemeenschap. Ik denk aan ruimtelijke ordening, sociale woningbouw en de provinciale bevoegdheden of beter gezegd de bevoegdheden van de verkozen organen van de provincie Luik.

Op het federale niveau werden we bij het vastleggen van het eerste pakket zeer correct behandeld, op voet van gelijkheid met de andere gemeenschappen. Vorige maandag hebben we in het parlement van de Duitstalige gemeenschap een gemotiveerd advies verstrekt waarin die tevredenheid duidelijk tot uiting komt. Wij hopen dan ook dat de Duitstalige Gemeenschap in het kader van de onderhandelingen voor het tweede pakket eveneens op gelijke voet zal worden behandeld en vooral dat Vlamingen en Franstaligen het evenwicht zullen kunnen realiseren dat dit land zo nodig heeft.

Wir werden also die weitere Entwicklung so gut wie möglich verfolgen. Wir wissen, dass wir nicht der Nabel Belgiens sind. Dessen sind wir uns bewusst, aber wir werden mit gesundem Selbstbewusstsein, ohne Arroganz, die Belange der Deutschsprachigen Gemeinschaft zu beherzigen wissen.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Ik wens de heer Collas alle succes en steun toe. Ik zal kort en beperkt, zoals drie maanden geleden, het standpunt van de N-VA toelichten, omdat de regering Leterme I op 15 juli verantwoording aflegt aan de Kamer, gevolgd door de vertrouwensstemming. De N-VA neemt grosso modo dezelfde houding aan als drie maanden geleden, namelijk met CD&V constructief samenwerken aan een noodzakelijke staatshervorming die het welzijn en de welvaart van iedereen in ons land waarborgt. Vandaag wordt in dit huis opnieuw niet gestemd, het woord zal dus voldoende moeten zijn om de posities van de verschillende partijen in te schatten.

De N-VA treedt niet toe tot de regering. Ook al hebben we een historische stemming in de kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken achter de rug, ook al staan een aantal bescheiden aanzetten tot overheveling van bevoegdheden naar de gemeenschappen in de steigers, de grote staatshervorming is er nog niet. We nemen akte van het regeerakkoord waarover we niet mee hebben onderhandeld. Er staan goede intenties in, zoals de belofte dat het remgeld voor de patiënt niet mag verhogen. Met de 1 miljard euro die de PS binnenhaalde kan het remgeld misschien wel omlaag, want volgens de OESO en de Wereldgezondheidsorganisatie betaalt de patiënt nu 30% van de uitgaven voor gezondheidszorg uit eigen zak.

Het regeerakkoord bevat geen cijfers. Dat is jammer, want als de tering naar de nering moet worden gezet, moeten er keuzes worden gemaakt. Dat is geen sinecure, want de regering kan helaas niet starten in ideale budgettaire omstandigheden. Er staan voor de N-VA ook onaanvaardbare dingen in dit regeerakkoord, dat steek ik niet onder stoelen of banken. Federale recuperatie van bevoegdheden die op gemeenschapsniveau thuishoren is onaanvaardbaar. Ik zal dergelijke wetsontwerpen niet goedkeuren, evenmin als de regularisatie van het aantal overtallige studenten geneeskunde. Vlaanderen organiseert strenge selectieproeven om te voorkomen dat er te veel artsen zouden afstuderen. De Franstaligen hebben te lang niets ondernomen en hebben nu een acuut overschot aan afgestudeerde artsen bovenop een historisch reeds bestaand overschot aan artsen. Een regularisatie zou een slag in het gezicht zijn van de vele Vlaamse jongeren die niet aan een artsenopleiding mochten beginnen. De goede leerling wordt gestraft, de slechte beloond.

Daarenboven wordt de Vlaamse kinesitherapeuten al jarenlang de toegang tot het beroep ontzegd. Dat is een onrechtvaardigheid die wij nooit zullen steunen. Volgens de principes van het reformatorisch Vlaams-nationalisme wil de N-VA opnieuw het beste van zichzelf geven en constructief meewerken aan de hervorming van de Staat, die de gemeenschappen ten goede zal komen. We kijken dus vol verwachting uit naar 15 juli, het ogenblik waarop de eerste minister een verklaring zal afleggen in de Kamer. Ik stel voor dat hij dan ook naar de Senaat komt, en dan zullen we oordelen.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Wel, hij is hier nu.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - U moet luisteren, ik heb gezegd op 15 juli.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Mijnheer de voorzitter, het komt de heer Ide niet toe mij te zeggen wanneer ik mag spreken en wanneer ik moet luisteren. Hij zei dat de Senaat zoals gebruikelijk niet over de regeringsverklaring zal stemmen. Dat is een gevolg van de hervorming van de samenwerking tussen Kamer en Senaat, die de VLD in illo tempore overigens niet heeft goedgekeurd. De heer Ide mag altijd een voorstel indienen om die hervorming ongedaan te maken en wij zullen hem steunen.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Het probleem bij Open Vld is dat ik niet goed weet bij wie ik terecht moet.

De heer Paul Wille (Open Vld). - In dit huis is het niet de gewoonte dat de spreker op het spreekgestoelte, die voor zichzelf beslist wat hij zegt, ook beslist wat de anderen niet mogen zeggen.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Het zou wel getuigen van respect als u zou luisteren naar wat ik zeg.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Wat u zegt, vind ik ergerlijk.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Dat is dan wederzijds.

Oprecht bezorgd over de afloop van dit verhaal en tegelijk vol verwachting kiest N-VA ervoor, resoluut en standvastig, gesterkt door de Vlaamse publieke opinie, trouw aan het kartelakkoord, tot het uiterste te gaan in de communautaire onderhandelingen, in een politieke context waar de tweederde meerderheid voorhanden is dankzij N-VA. Tot daar ziet N-VA haar verantwoordelijkheid en neemt ze haar verantwoordelijkheid.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Mijnheer Ide, we stemmen in de Senaat niet over het vertrouwen of het wantrouwen in de regering. Indien u hier samen met uw collega Stevens wel zou kunnen stemmen over het vertrouwen in de regering, wat zou u dan doen?

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Ik zou mij spiegelen aan wat in de Kamer gebeurd is. Daar werd een signaal gegeven.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - U zou dus strootjetrekken om te zien wie wel vertrouwen geeft aan de regering en wie zich onthoudt. Wat betekent dat signaal eigenlijk? Legt u me dat eens uit. U zegt immers dat u met uw kartelpartner een duidelijk afgebakend programma heeft. Ik stel vast dat een deel van het kartel, namelijk CD&V, zegt: dit is ons programma en dit voeren we uit. De N-VA zegt daarentegen: dit is niet het verkiezingsprogramma van het kartel, dit is niet voldoende. Dat lijkt een beetje op een spagaat.

Ik herhaal dus mijn vraag: zou u hier dus ja of nee stemmen?

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - De eerste minister is de kopman van ons kartel. Als er één man is die de staatshervorming zal realiseren zoals ze moet gerealiseerd worden op 15 juli, dan is het eerste minister Leterme. In die man stellen wij ons vertrouwen.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - U weet dus niet of u zou ja zou stemmen, dat is dus duidelijk.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Mijnheer Van Hauthem, misschien moet u een wetsvoorstel indienen dat ertoe strekt ons te laten stemmen na een debat zoals dit.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Wat ik weet, is dat u niet kan antwoorden op de vraag wat u zou doen als u zou kunnen stemmen.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - In december hebben we hier een debat gehouden rond de regeringsvorming van Verhofstadt III. Ik heb toen gesproken over de Mickey Mouse-regering. Het was immers een onechte ploeg die de indruk wou geven van hechte samenhang, maar die al wist van in het begin dat het slechts voor een paar maanden was. De Kamervoorzitter kon het niet beter verwoorden toen hij zei: `We hebben veertien ministers, maar we hebben geen regering.'

Vandaag is de situatie niet veel beter. We hebben vijftien ministers en we hebben er nog een pak staatssecretarissen bij, maar of we effectief een regeringsploeg hebben is voor mij nog een vraag.

Ik denk dat we steeds meer zullen moeten spreken van de vierseizoenenregering. Elk seizoen een nieuwe ploeg, daarop zijn we aan het afstevenen. Nu strompelt de regering naar 15 juli.

Als ik in de kranten het verslag van het partijcongres van CD&V lees, dan krijg ik de indruk dat de eerste minister bijna een bom onder de eigen regering legt. Tegen 15 juli moet er nog van alles gebeuren, waarvan ik me afvraag waarom dat niet nu is geregeld.

Als ik de verklaringen van de eerste minister vandaag in Gazet van Antwerpen lees, versta ik zelfs niet dat de N-VA vandaag nog het vertrouwen geeft aan de regering. Anderzijds verklaart mevrouw Milquet aan de Franstalige kranten dat `de regering gedoemd is om te slagen'. Dat klinkt niet vreselijk enthousiast. Verder zegt mevrouw Milquet dat men van haar geen soepelheid moet verwachten. Ik ben echt benieuwd wat we op 15 juli te zien zullen krijgen.

De vraag is of deze regering zal slagen. Het regeerakkoord hangt als een lappendeken aan elkaar, maar dan zonder garen, zonder budget dat alles samenhoudt. Ik zeg niet dat alles slecht is. Zo kan ik de verhoging van de werkloosheidsvergoeding in het begin van de periode van werkloosheid en het activeringsbeleid alleen maar toejuichen. Ook de vooropgestelde maatregelen inzake economische migratie en de openstelling van de werkgelegenheid voor asielzoekers zijn goede maatregelen.

Ik vrees echter dat we opnieuw terecht gaan komen in een scenario zoals in de jaren zeventig, met elkaar snel opeenvolgende regeringen die geen oog hebben voor de ontwikkeling van de staatsschuld. Ik vind het een bijzonder magere ambitie om pas in 2011 een overschot van 1% te willen behalen. Vicegouverneur Coene van de Nationale Bank verklaarde vandaag dat de lat hoger moet worden gelegd en dat de budgettaire orthodoxie moet terugkeren. Ik kan mij niet voorstellen dat Open Vld gelukkig is met het vooruitzicht van een overschot van 1% in 2011.

De lappendeken van het regeerakkoord is het gevolg van de bijzonder diepe crisis waarin het land verkeert, die net als in de jaren zeventig, deels ook communautair van aard is. Er zal dus een staatshervorming moeten komen en de regering belooft die tegen 15 juli.

Toch zien we de regering vandaag niet in die richting werken. Zo werd er een minister van Landbouw aangesteld, terwijl overeenkomstig artikel 6, §1, 5º, van de bijzondere wet, landbouw al grotendeels is geregionaliseerd. Ik merk ook dat men wetenschapsbeleid aan een minister toevertrouwt, en dat de universitaire attractiepolen worden versterkt. Volgens artikel 6bis, §1, van de bijzondere wet is wetenschapsbeleid een geregionaliseerde materie. Ik merk dat een staatssecretaris naast begroting - het is ongezien dat een minister niet bevoegd is voor begroting - ook bevoegd wordt voor gezinsbeleid. Nochtans is gezinsbeleid een gemeenschapsmaterie.

Innovatie, grootstedenbeleid, kankerpreventie, kinderbijslag, fiscale maatregelen inzake landbouw, onderzoek en ontwikkeling zijn bevoegdheden die het voorwerp zouden moeten uitmaken van een nieuw communautair akkoord. De regering zegt dat er tegen 15 juli een groot communautair akkoord wordt uitgewerkt, maar handelt vandaag niet navenant. Ik vrees bijgevolg dat ik over enkele jaren zal moeten zeggen dat deze vierseizoenenregering de slechtste ooit zal zijn geweest voor de regio's en de gemeenschappen, dus ook voor Wallonië. Het regeerakkoord staat haaks op de communautaire afspraken die al decennialang bestaan.

Niet alleen inzake de staatshervorming houd ik mijn hart vast. Ik lees tot mijn grote verbazing dat de wapenwet opnieuw wordt aangepast.

Keren we terug naar het tijdperk van vóór Hans Van Themsche, de periode van het vrije wapenbezit? Collega's die dergelijke plannen hebben, nodig ik uit de film Bowling for Columbine van Michael Moore te gaan zien, waarin duidelijk wordt aangetoond dat het ongebreidelde privéwapenbezit niet de goede optie is.

Ook aan het buitenlandse beleid wordt slechts een summiere paragraaf gewijd. Vanochtend heb ik nog deelgenomen aan een bomb spotting aan de NAVO-gebouwen. We staan op de vooravond van een niet onbelangrijke NAVO-top. Ik had graag geweten welke opties de Belgische regering op die top gaat nemen. Helaas lees ik enkel dat België zich volop zal inschrijven in de NAVO-politiek. Ik ben het daarmee niet eens: we moeten het NAVO-beleid mee bepalen. Als kleine, maar belangrijke partner kunnen we meewerken aan een beleid dat ingaat tegen het plan om met het zogenaamde wapenschild een nieuwe koude oorlog op te starten.

Dan is er het onderdeel Asiel en migratie. Op zich kan ik me vinden in het idee dat asielzoekers op werkaanbiedingen mogen ingaan. Ook verheugt het me dat duurzame lokale verankering als criterium voor regularisatie wordt ingeschreven. Ik lees echter niets over het statuut van de niet-begeleide minderjarige of over vluchtelingen die uit crisisgebieden komen. Ik ben dan ook bang dat ook de positieve punten in die paragraaf dode letter zullen blijven.

Er is een regering die het een paar maanden zal uithouden. Er is een begroting die waarschijnlijk niet overeind zal blijven. De regering beschikt niet eens over een meerderheid aan Nederlandstalige kant. Collega Ide heeft zich ook niet willen engageren. Het regeerakkoord bevat veel letters, maar geen zinnen of principes.

Ik wil eindigen met een zinnetje uit een bekend Frans liedje: `Mais à part ça, Madame la Marquise, tout va très bien, tout va très bien'.

De meerderheidspartijen zeggen dat er een regering is en dat de bevolking op haar beide oren mag slapen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Dat is het lijflied van de heer De Croo. Wij hebben niet zoveel markiezen onder onze kiezers.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Ik heb toch de indruk dat jullie dat liedje zingen. Het is een leuk deuntje, waarmee men de bevolking in slaap wil wiegen. Ik vrees echter dat de burger straks in een nachtmerrie zal ontwaken.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Ik had me graag tot de eerste minister gericht, die zijn betoog begon met de aandacht voor een aantal belangrijke zorgen van mensen. De zorg van de ondernemer, de zorg van de arbeider, bediende en ambtenaar, de zorg van de gepensioneerde, de zorg van vaders en moeders, de zorg van kinderen en kleinkinderen, en de zorgen van de zieken en hulpbehoevenden. Ik deel die bezorgdheden met hem.

Ons land is goed om in te leven. Als verzorgingsstaat staan we hoog aangeschreven in Europa en in de wereld. En toch wil ik onze maatschappij op een andere manier benaderen. Ik wil aandacht voor datgene waarin mensen vertrouwen hebben of zouden moeten hebben, namelijk hun talenten, kracht en kwaliteiten. We moeten oog hebben voor wat mensen ambiëren, waarin ze geloven en waarvan ze dromen. Hierbij gaat het niet om religie, maar om de kansen die men voor zichzelf ziet als een vrij individu in een maatschappij die openstaat voor kansen.

Ik wil mijn betoog houden voor mensen die niet alle kansen hebben of krijgen en die soms niet meer durven te geloven in hun dromen. Hierbij denk ik concreet aan mensen met een handicap, sommigen met een aangeboren handicap of een handicap na een ongeval en anderen met een niet-zichtbare handicap en mensen die na een langdurige ziekte het statuut van invaliditeit krijgen. Deze mensen leven niet alleen met een handicap. Vaak worden ze dubbel gehandicapt door maatregelen die hun persoonlijke onwikkeling, ambities en dromen in de weg staan.

Sta me toe dit toe te lichten met enkele voorbeelden. Iedereen kent Marc Herremans, mede door zijn status van bekende Vlaming en sportman, maar vooral door zijn bijzondere kwaliteiten en inzet voor de stichting To Walk Again. Bijna iedereen, ook politici, heeft met ongeloof de uitspraak van de rechter gehoord die Marc Herremans voor uitkeringsfraude veroordeelde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uiteraard trek ik het oordeel van de rechter niet in twijfel, maar ik durf wel te stellen dat hier iets niet klopt. Iemand die een zware handicap oploopt, levenslang beperkt zal zijn en onwaarschijnlijk moedig terugvecht, zich inzettend voor anderen door fundraising voor een stichting waar andere mensen met een handicap zich op hoogkwalitatieve manier sportief kunnen ontplooien, wordt tot een gevangenisstraf veroordeeld! Hoe kan dit? Waarom?

De regels voor mensen met een handicap staan die mensen niet altijd toe hun kwaliteiten volwaardig te benutten. Vrijwilligerswerk of bijverdienen naast hun uitkering, die ze overigens voor 100% nodig hebben, is niet toegelaten. Door deze drempels en remmen kunnen zij hun talenten niet ontplooien. Volgens het regeerakkoord wil de regering de cumulatie van enerzijds uitkeringen aan personen met een handicap en de invaliditeitsuitkering en anderzijds de beroepsinkomsten uitbreiden. Dat juich ik niet alleen toe, maar zal dit ook met bijzondere aandacht volgen en met initiatieven steunen.

Uiteraard gaat het niet alleen om Marc Herremans, maar net zozeer om elke onbekende man of vrouw met een handicap die zich volwaardig in de maatschappij wil inzetten.

De regering schaft de prijs van de liefde af, door voor de integratietegemoetkoming niet langer rekening te houden met het inkomen van de partner van een persoon met een handicap. Dat is goed: zo wordt liefde, in de vorm van een partnerrelatie, niet financieel afgeremd.

Naast de prijs van de liefde kennen mensen met een handicap ook een rem om volwaardig aan de arbeidsmarkt deel te nemen. Vergelijkbaar met de werkloosheidsval, bestaat voor personen met een handicap een arbeidsdrempel. Werken wordt vaak niet veel beter beloond dan passief van een uitkering genieten. Ik zou die arbeidsdrempel willen bestempelen als de prijs van de werklust. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat mensen met een handicap ervoor kiezen om werkloos te blijven omdat hun werklust niet wezenlijk wordt beloond, omdat ze hun toelage of uitkering verliezen ingevolge hun werkinzet.

Net zoals werken voor een werkloze moet lonen, moet ook werkinzet voor een gehandicapte lonen. We moeten niet alleen streven naar 3% jobs voor mensen met een handicap bij de federale overheid. Het is veel beter om mensen met een handicap die kunnen en willen werken structureel en voor honderd procent aan te moedigen. Want ik geloof heel oprecht in de mogelijkheden van deze mensen.

Mijn tweede en laatste voorbeeld is nog belangrijker, want het gaat om jongeren met een handicap. Bram, een jongen met een dwarslaesie, kiest ervoor om in de zomer vakantiewerk te doen, want zoals alle jongeren wil ook hij graag een iPod en een laptop kopen. Kunt u zich voorstellen hoe de ouders van Bram zich voelden toen ze enkele weken later een brief ontvingen met de mededeling dat de verhoogde kinderbijslag voor Bram met onmiddellijke ingang werd ingehouden omdat hij meer dan 447 euro had verdiend?

Welke perverse en demotiverende boodschap geef je daarmee? Bovendien moest Bram, om opnieuw in aanmerking te komen voor de verhoogde kinderbijslag, aantonen dat hij nog steeds gehandicapt is. Alsof er zoiets bestaat als elf maanden op een jaar gehandicapt zijn. De regering bedoelt het wellicht heel goed wanneer ze de kinderbijslag welvaartsvast wil maken, maar de welvaarts- en welzijnsbelemmerende voorwaarden uit onze wetgeving schrappen is zeker zo belangrijk.

Pour conclure, je m'adresse à Mme Fernandez Fernandez, secrétaire d'État aux personnes handicapées. Chère madame, soyez assurée que je vais prendre connaissance de vos projets et que, comme vous, je crois au potentiel de ces personnes.

Mensen met een handicap moeten het recht hebben vrijwilligerswerk te doen. Mensen met een handicap moeten bovenop hun tegemoetkoming of toelage kunnen bijverdienen. Mensen met een handicap, jongeren en volwassenen, moeten worden beloond voor hun werklust en er niet de prijs voor betalen. Ik vraag de regering mensen met een handicap alle kansen te geven, of ze nu bekend zijn zoals Marc Herremans of jong en ambitieus zijn zoals Bram. Laten we geloven in hun kansen en hen steunen in hun persoonlijke ontwikkeling, hun ambities en hun dromen. Laten we geloven in het onmogelijke en het ongelooflijke voor hen mogelijk maken.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - De eerste minister heeft me gevraagd ook in zijn naam te antwoorden.

Zowel de meerderheid als de oppositie heb ik horen zeggen dat het een goede zaak is dat er uiteindelijk een regering is om het land te besturen. Na deze eerste zin lopen de meningen uiteraard uiteen over de vraag of de regering wel de goede keuzes heeft gemaakt. Dat maakt natuurlijk ook het onderwerp uit van ons politieke debat.

De regeringspartijen leggen belangrijke accenten en in een democratie is dat normaal. Het is niet de bedoeling een homogeen beleid te presenteren waarmee meerderheid en oppositie het eens zijn. Zo zit onze democratie niet in elkaar. In elk geval hebben we kunnen merken dat de meerderheid meer samenhang vertoont dan de oppositie. Dat bleek bijvoorbeeld uit de uiteenzettingen van mevrouw Vanlerberghe en onze groene senatoren. De roeping van de regering is een beleid te voeren voor de hele bevolking op basis van keuzes. Ze zal de bevolking ervan proberen te overtuigen dat ze de keuzes die ze maakt en in het regeerakkoord heeft neergeschreven, in een beleid zal omzetten dat de hele bevolking ten goede komt.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Mijnheer de minister, u was er zeer goed in de oppositie te onderbreken, maar ik wil er toch op wijzen dat u niet eens alle uiteenzettingen van de oppositie hebt gehoord. Ik vind het dan ook zeer kras dat u durft te zeggen dat er geen samenhang is.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Het is moeilijk vanuit de oppositie te weten hoeveel oppositiepartijen er zijn. Ik heb de uiteenzetting van de heer Van Hauthem en van mevrouw Van Ermen gehoord. Ik heb ook uw interventie gehoord, mevrouw Piryns. U had het over zakken. Helaas niet over groene zakken, want u weet wat daarmee gebeurt, die zet men aan de deur en ze gaan mee met het huisvuil.

Ik heb ook de uiteenzetting van mevrouw Lijnen, van mevrouw Vanlerberghe, van de heer Lambert en van de heer Mahoux gehoord. Ik weet niet of er nog oppositiepartijen zijn. (Protest en gelach)

De heer Joris Van Hauthem (VB). - U hebt ook nog in de oppositie gezeten. Als gewezen oppositielid zult u weten dat de oppositie niet altijd uit één mond spreekt, maar we mogen wel verwachten dat de meerderheid uit één mond spreekt. Vandaag hebben we het tegendeel gezien.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ik zal proberen op basis van het regeerakkoord daar een paar elementen tegen in te brengen. Het is morgen Pasen en niet Pinksteren; toen sprak men alle talen.

Ik som de krachtlijnen van het regeerakkoord op.

Zin voor initiatief en het bevorderen van ondernemerschap. Minder lasten voor de burgers en voor de bedrijven. Kortom, er moet minder overheidsbeslag zijn en daar is het regeringsprogramma in geslaagd.

Solidariteit in hoofdletters en in kleine letters. Er is voor ons geen enkele tegenstelling tussen fiscaliteit en sociale zekerheid en tussen een bredere fiscaliteit en een bredere sociale zekerheid. De fiscaliteit komt de groepen die ik heb vernoemd, ten goede en ook de laagste en middeninkomens.

Sociale zekerheid voor de bescherming van vele groepen, van diegenen die minder geluk hebben gehad en zich op een of andere manier in een zwakke positie bevinden. De financiering van de sociale zekerheid wordt niet alleen gewaarborgd, maar ook dieper verankerd. Er worden maatregelen genomen om de laagste en de oudste pensioenen te koppelen aan de welvaart. De partij van mevrouw Vanlerberghe, die gedurende twintig jaar deel uitmaakte van de meerderheid, zei twintig jaar lang dat ze dit doel nastreefde, maar uiteindelijk wordt het verwezenlijkt in een coalitie zonder de sp.a. We zullen trouwens niet nalaten voortdurend te herhalen wie wel iets verwezenlijkt heeft en wie dat in het verleden niet heeft gedaan. (Applaus van CD&V-N-VA)

Belangrijk voor ons is duurzame ontwikkeling. Sustainability in al haar aspecten is niet alleen een uitgangspunt, maar ook een toets- en klankbord.

De overheid zal daarin een belangrijke voortrekkersrol spelen.

De werking van de overheid moet worden versterkt door een discussie over wat de kerntaken van die overheid zijn. Wij willen die vraag niet alleen stellen, maar ze, in tegenstelling tot de vorige regering, ook beantwoorden. We zullen dat doen met betrekking tot de politie, de modernisering en de toegankelijkheid van justitie en de gelijke toepassing van de wetgeving in heel het land. Dat is een gigantische uitdaging. We moeten erkennen dat niemand er de voorbije twintig jaar, laat staan de voorbije acht jaar, in geslaagd is dat te realiseren.

Wij willen een samenleving opbouwen en niet afbreken. Wij willen de mensen niet tegen elkaar opzetten. Wij willen belangrijke maatschappelijke dossiers met elkaar bespreken, niet in een sfeer van grootmoedigen en groepsegoïsten, van progressieven en conservatieven of van mensen die het licht hebben gezien, en anderen die achterlijk zijn of niet weten waarover het gaat. Daarom willen we werken aan een open en tolerante samenleving waarin het evenwicht tussen rechten en plichten opnieuw worden geïnstalleerd. Dat is wat de overgrote meerderheid van onze landgenoten van ons verwacht.

Internationale politiek is voor ons belangrijk. Een klein land als het onze moet een loyale en betrouwbare partner zijn. De heer Lambert sprak over ons engagement in de NAVO. Dat is zoals in het leven: van sommige zaken is men een koele minnaar, van andere een vurige, maar de liefde moet men iedere dag verdienen. (Uitroepen van de sp.a-spirit-fractie)

De NAVO heeft sinds de ondertekening van het Verdrag van Brussel van 1949 een belangrijke rol gespeeld en staat over twee weken op de top van Boekarest inderdaad voor een grote uitdaging, waar het niet alleen zal gaan over de uitbreiding van de NAVO, maar ook over de nieuwe NAVO-code en de stratificatie. Ik heb de heer Lambert overigens al beloofd dat we daarover zullen discussiëren, zowel in de Kamer als in de Senaat.

Hij heeft enkele aspecten van het regeerprogramma niet benadrukt, zoals onze Europese roeping om een klein maar krachtdadig leger te vormen, wat een belangrijke plaats inneemt in de regeringsverklaring. We willen namelijk een regering die accountable is, die verantwoording aflegt. Als er heel veel belastinggeld gaat naar een instituut als het leger, dan heeft de burger het recht te weten wat we daarmee doen. Dat wordt een kerntaak in mijn beleid.

Ontwikkelingssamenwerking wordt na jaren van lippendienst eindelijk, en voor het eerst, gecrediteerd met een stijging van 160 miljoen euro. Dat is een mijlpaal in de ontwikkelingssamenwerking en we mogen terecht trots zijn dat dit in de regeringsverklaring is opgenomen. (Applaus van de CD&V-N-VA-fractie)

Ondanks alle beloften is dit nooit eerder neergeschreven dan in dit met oranje inkt geschreven hoofdstuk van het regeerakkoord. (Uitroepen van de fracties van PS en sp.a-spirit)

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Mijnheer de minister, spreekt u nu namens de hele regering?

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ik stel alleen maar vast dat deze regering nieuwe engagementen aangaat en dat de vorige dat nooit heeft gedaan.

Het Europese kader is voor ons natuurlijk een roeping, en dan vooral het Europese voorzitterschap in 2010 en de voorbereiding daarvan.

Is dit regeerakkoord vaag? Dit akkoord is niet vrijblijvend. Als het akkoord een kleine mate van vrijblijvendheid bezit, zal dat in elk geval veel minder het geval zijn dan in de voorbije regeerakkoorden, die uitblonken door vaagheid en absolute vrijblijvendheid. De Belgische economie is geen eiland. We bevinden ons niet meer in de tijd van de gesloten economie, van het interbellum, van een planning door de Benelux, van het Europa van de zes, maar in een geglobaliseerde, gemondialiseerde economie met een heel grote specificiteit van ons land, dat arm is aan grondstoffen, maar rijk aan heel wat andere zaken. Hoe dan ook is er een daling van onze groei en een stijgende inflatie. Met andere woorden: budgettaire voorzichtigheid is absoluut op zijn plaats. Op dat vlak gaan we geen avonturen wagen. We betalen nog altijd voor de avonturen uit de jaren zeventig, tachtig en begin van de jaren negentig toen een aantal mooie maar onbetaalbare slogans naar voren werden gebracht.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Ik denk dat er ergens een ezeltje moet staan, want het regeerakkoord bevat vele onbetaalbare beloftes.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - In het debat in de Kamer werd, onder andere door leden van de sp.a-fractie, verweten dat er niets wordt aangekondigd in het regeerakkoord.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Het verwijt is dat het regeerakkoord een lappendeken is en dat er geen lijn in zit. En wat ik nergens kan lezen is waar dat ezeltje staat.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Het regeerakkoord is geen lappendeken, maar een warme en zekere deken. Het is misschien zelfs een donsdeken, en een donsdeken moet regelmatig worden opgeschud. Dat is wat de regering zal doen.

Een euro kan maar één keer worden geïncasseerd en één keer worden uitgegeven. De vorige coalitie gaf hem twee keer uit. In de vorige regering was er een minister die het verschil niet eens kende tussen een voorschot en een lening. Herinnert u zich de stookoliecheque? Nu is er een begroting met maatregelen en met cijfers. Dat is wel een gigantisch verschil.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Vandaag is er niet eens een minister van Begroting.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Dat is omdat de begroting zo duidelijk is.

Er is een begroting. We zullen de tering naar de nering moeten zetten. Dat is veel makkelijker dan te zeggen dat er middelen zijn, die er achteraf niet blijken te zijn maar wel al zijn uitgegeven. We richten onze ambitie naar de mogelijkheden. Nogmaals, een begroting is een politiek instrument, het is geen kasboek. In een begroting zet je de opties van het beleid, en dat hebben we duidelijk gedaan. In de begroting 2008 is 320 miljoen euro budgettaire ruimte vrijgemaakt. Negentig procent daarvan gaat naar sociale maatregelen. Dat zijn geen beloften. Die staan vast in het beleidsinstrument dat de begroting is. Iedere inwoner van het land, of hij nu in het noorden, het centrum of het zuiden woont, zal zien dat deze regering in 2008 maatregelen neemt die aan vele van zijn wensen voldoen.

Mevrouw Vanlerberghe, ik weet wel dat kinderbijslagen voor u niet belangrijk zijn. Daarvoor heeft u nooit iets gedaan. Achiel Van Acker zelf zei al: `Ofwel hebben de socialisten één kind, ofwel hebben ze er dertien.' (Protest bij sp.a-spirit)

U hebt twintig jaar lang in de regering gezeten en ik heb nooit ofte nimmer een beleidsmaatregel meegemaakt die inhield wat de huidige regering zal realiseren, namelijk de invoering van een leeftijdstoeslag. Hij is er gewoon en ook uw kiezers zullen dat zien.

Indien u oppositie blijft voeren zoal u nu voert, wordt het in de toekomst zeer moeilijk voor u.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Mijnheer de minister, ik zou de regering aanraden om al zijn leden een opleiding minister te laten volgen want ik stel vast dat het taalgebruik van de minister weinig verschilt van dat van een CD&V-fractievoorzitter.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Bij CD&V is het ministeriële taalgebruik ingeburgerd, mevrouw Vanlerberghe.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Iedereen in onze fractie heeft natuurlijk al een cursus gevolgd om minister te kunnen worden, mevrouw Vanlerberghe. In uw fractie niet soms?

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Ik luister niet op vrijwillige basis naar de stand-up comedian van dienst. Ik ben daartoe verplicht. In het optreden van minister De Crem zit geen enkele lijn.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Eindelijk wat animo in de Senaat. Eindelijk!

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Mevrouw Lanjri, na de vakantie reken ik op uw rechtlijnigheid, want u hebt getekend. U weet dat toch nog?

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Getekend waarvoor?

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Mijnheer De Crem, u hebt het over twintig jaar. Beseft u wel dat u er zelf de hele tijd bij was?

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Mevrouw, uw partij wilde niet. Met u was het onmogelijk om een gezinsvriendelijk beleid te voeren.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Dat is juist.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Ik weet wel dat de socialisten een probleem vormen voor u, maar u zit nu wel in de regering met de PS.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Socialisten zijn voor ons helemaal geen probleem.

Mevrouw, het moet voor u toch schrijnend zijn, dat uw collega's van de PS dit beleid verdedigen.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Erg straf verdedigen ze dat beleid niet, vind ik.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Niet straf ...? Ik vind dat ze het wel verdedigen. Ze doen dat met recht en reden omdat u nu eigenlijk buiten de coalitie staat. Ze kunnen en moeten die maatregelen nu verdedigen omdat ze ook voor hen belangrijk zijn. Ik zou daarover maar eens diep nadenken.

Voor de jobkorting komt er 50 euro extra vanaf juli. Wie werkt, wordt beloond. Voor de eerste keer kennen we zo een kentering. Ook de verhoging van het belastingvrije minimum en van de pensioenen nemen een aanvang in juli. Het realisme is teruggekeerd!

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Dat is ongetwijfeld waar.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Het was ook nodig. Budgettaire waakzaamheid is geboden.

Over de staatshervorming hebben een aantal collega's het woord gevoerd. Het land heeft een evenwichtige staatshervorming nodig en die zal er komen in dialoog met de verschillende politieke partijen en in dialoog tussen de verschillende gemeenschappen van dit land.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Niet in dialoog met uw kartelpartner, mijnheer De Crem. Dat las ik vanochtend toch in de kranten.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Mijnheer Lambert, de echo van uw stellingnamen over BHV tijdens de onderhandelingen over de bijzondere wet dienaangaande heb ik opgevangen. U durft nu te beweren dat wij niet aan een staatshervorming zouden willen meewerken. Vele collega's van u, ook uit uw geaffilieerde fractie, hebben mij gezegd dat ze uw houding in dat dossier niet hebben begrepen.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Dat zou me ten zeerste verwonderen.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Het zou u verwonderen ... maar u bent natuurlijk alleen in uw fractie.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Dat is waar.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Mij verwondert het dat u die anderen niet hebt gezien of gehoord. (Hilariteit bij CD&V-N-VA, verontwaardiging bij sp.a)

Voor de staatshervorming is een voorstel van bijzondere wet ingediend. De maatregelen die daarin staan, zijn echt belangrijk en hebben betrekking op vele zaken waar de mensen mee bezig zijn. Ik denk aan de huurwetgeving, de sociale economie en de kinderopvang, toch een bijzonder belangrijk dossier voor iedereen in dit land. De lokale bestuurders zullen dat ongetwijfeld weten. Als deze regering de staatsstructuur wil hervormen, doet ze dat om de mensen er beter bij te laten varen.

Mijnheer Van Hauthem, het partijprogramma van het Vlaams Belang zit niet in die bijzondere wet. U weet heel goed dat we uw partijprogramma nooit in een voorstel van bijzondere wet zullen opnemen. U moet zelf maar een voorstel indienen.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Ik had toch graag een antwoord op de vraag waarom Eric Van Rompuy, toch niet de minste van CD&V, het eerste pakket begin februari letterlijk `bagatellen' noemde.

De regering zal zich in de Senaat mogen verwachten aan een reeks amendementen op het ingediende voorstel van bijzondere wet, op de `bagatellen' van Van Rompuy, die perfect tegemoetkomen aan het regeerakkoord van de Vlaamse regering - dus nog niet eens ons programma - en aan de nota die Kris Peeters, minister-president van de Vlaamse regering, aan het Octopusoverleg is komen voorstellen. U zult dan kunnen kiezen. Als u kiest voor de `bagatellen' moet u dat echter niet proberen te verkopen als `de grote staatshervorming'.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ik zal antwoorden op uw vraag. Op 15 juli zullen in dit parlement voorstellen worden ingediend, op basis van de gemeenschappelijke wil die de meerderheid heeft. Het zal u vrij staan die voorstellen te aanvaarden of te verwerpen. De regering heeft zich in elk geval geëngageerd om rond die datum met een voorstel te komen.

Er worden duidelijke keuzes gemaakt. Ministerraad na ministerraad zal het vertrouwen worden hersteld. De regering zal daarin slagen door het land te leiden, te besturen en maatregelen te nemen die de toekomst van ons land voorbereiden.

De heer Lambert heeft zijn geheugentrommel geconsulteerd en is bij de Franse chansons blijven hangen. Hij heeft het liedje Tout va très bien, Madame la marquise opgevist. Ik vrees toch dat het naast de kwestie is. Ik zou het eerder houden bij Une belle histoire van Michel Fugain et son Big Bazar en zeggen C'est un beau roman, c'est une belle histoire. Ik vind dat dit veel meer van toepassing is op de regering Leterme I, die de moed heeft om de problemen met naam te noemen, maatregelen voor te stellen en die in de Kamer bovendien met een tweederde meerderheid wordt gesteund. Dat is op zich al een bijzonder groot exploot. (Applaus)

M. Philippe Mahoux (PS). - Je remercie le gouvernement de la réponse donnée par le ministre de la Défense, ce qui constitue une grande première dans notre assemblée.

Dans cette réponse, il a été question de société ouverte et tolérante. Comment ne pas appuyer avec force cette déclaration du gouvernement qui rejoint en cela une volonté que nous exprimons depuis longtemps ?

Tout à l'heure, dans mon intervention, j'ai eu l'occasion de dire qu'à l'époque où M. Boutmans était secrétaire d'État à la Coopération au développement, on parlait déjà du 0,7% du PNB. Depuis, toutes les déclarations de tous les gouvernements successifs en ont toujours fait mention. Je me réjouis que l'on retrouve ce pourcentage dans la présente déclaration mais ce n'est pas d'une grande originalité et je tenais à le souligner.

En ce qui concerne la politique de défense, j'ai eu l'occasion de dire l'importance que nous attachons à un pôle européen, à travers nos accords internationaux. En Belgique, nous avons voté à une très large majorité, voire à l'unanimité, des interdictions sur les mines antipersonnel, les bombes à fragmentation et les bombes à uranium appauvri. Dans toutes les opérations dans lesquelles nous nous sommes engagés, y compris dans le cadre de l'Otan, ces dispositions devront être respectées, sans aucune exception. Je sais que dans les assemblées parlementaires et les réunions interministérielles au niveau de l'Otan, il est beaucoup reproché à une série d'États membres de mettre des conditions aux participations aux missions de l'Otan. Elles sont différentes selon les États qui participent mais elles me paraissent parfaitement légitimes. Lors de la représentation du gouvernement que le ministre de la Défense devra assurer bientôt, ces conditions devront être réaffirmées. Ce sont des engagements de la Belgique qui doivent être respectés dans la politique de Défense.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). - Een eerste vaststelling is dat voor het eerst de ministers geen echte ministers zijn, maar vertegenwoordigers van hun eigen partij. Dat is nieuw en uniek. Ik hoop dat minister De Crem elke week komt, want dat is plezant. Voor de regering is dat echter dramatisch. We worden immers geconfronteerd met een verzameling ministers die duidelijk allemaal hun eigen partijbelangen dienen. Dat is een signaal voor de meerderheidspartijen, waarover ze tijdens de paasnacht misschien eens moeten nadenken.

Mijn tweede vaststelling is dat er geen antwoord gegeven wordt op de concrete vraag die ik heb gesteld. Het woord concreet is blijkbaar moeilijk voor deze regering. Ik heb een vraag gesteld over ethische kwesties, maar ik heb van de regering geen antwoord gekregen. Ik ga er dus van uit dat het parlement vrij zal mogen beslissen.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Ik hoop dat we de minister van Landsverdediging elke week in de Senaat kunnen begroeten. Ik heb zijn antwoord op alles wat gezegd is wel gesmaakt. Het feit dat hij eerder als partijman dan als minister antwoordde, stoort mij als dusdanig niet.

Mijnheer De Crem, u zal echter niet ontkennen dat u met uw grapjes en kwinkslagen, die soms wel terecht waren, niet kan verdoezelen dat deze meerderheid in feite geen meerderheid is en dat u niet geantwoord hebt namens de meerderheid, maar namens uw eigen partij en dat u niet geantwoord hebt op pertinente vragen, zoals die over de staatshervorming.

U zegt daarover dat uw partij de enige is die nu een voorstel van bijzondere wet heeft ingediend. Dat is waar, maar indien de vorige meerderheid een dergelijk voorstel van bijzondere wet had ingediend, met in de toelichting herhaaldelijk de woorden `als' en `maar' en `eventueel' en `we gaan onderzoeken', die voor een deel de concrete maatregelen die in het regeerakkoord staan hypothekeren, dan zou u naar het spreekgestoelte gekomen zijn om dat aan de schandpaal te nagelen.

U hebt ons absoluut niet overtuigd. Wij blijven dus bij ons standpunt dat u wat dat betreft met de broek op de enkels staat. Zelfs met uw grappen en kwinkslagen kunt u dat beeld nooit meer wegwissen. We zullen elkaar weerzien, niet op 15 juli, maar na de paasvakantie wanneer u, alweer als partijman, zal geconfronteerd worden met onze amendementen die de perfecte vertaling zijn van uw verkiezingsprogramma.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Mijnheer De Crem, u bent inderdaad een goed entertainer en ik denk dat het voor ons allen leuk is na zo een lange dag even wakker geschud te worden door uw grappen en grollen, maar antwoorden hebt u inderdaad niet gegeven. Ik heb concrete vragen gesteld over verkeersveiligheid, er zijn ook heel concrete en terechte vragen gesteld over ethiek en over milieu. U hebt dan snel het dure woord duurzame veiligheid in de mond genomen, maar voor de rest hebben we niets gehoord.

De heer Schouppe was hier heel de namiddag, waarvoor onze dank en bewondering. Misschien is hij één van de weinigen die nog absoluut in deze Senaat gelooft en begint hij hem al te missen nu hij plots staatssecretaris is geworden. Hij is dan wel aanwezig, maar hij geeft geen antwoord op concrete vragen over verkeersveiligheid. Mijnheer Schouppe, u moet niet denken dat u daarmee duidelijkheid kunt verschaffen. U zult het anders moeten aanpakken.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Sommigen hebben het al gezegd, maar ook ik zou het bijzonder appreciëren indien collega De Crem hier nog veel en vaak het woord zou nemen als woordvoerder van de regering. Dat zal de cohesie van de regering zeker versterken. Op mijn verwijzing naar het Franse chanson, antwoordde de minister dat beter gekozen zou worden voor `Une belle histoire'. Welnu ik denk dat hij gelijk heeft, want ik heb de tekst hier voor mij:

`Ils se sont quittés au bord du matin
Sur l'autoroute des vacances
C'était fini le jour de chance
Ils reprirent alors chacun leur chemin
'

En dan zeer toepasselijk:

`Elle est descendue là-bas dans le Midi'

en, mijnheer de minister, misschien slaat het op u:

`Il rentra chez lui, là-haut vers le brouillard'!

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V-N-VA). - Namens mijn fractie wil ik de regering danken voor haar aanwezigheid, in het bijzonder minister De Crem en staatssecretaris Schouppe, die deze namiddag met ons in debat zijn gegaan en de standpunten van de verschillende fracties ook hebben gehoord. Op zich is het al een trendbreuk met het verleden dat we de regering hier hebben gezien en dat we een antwoord hebben gekregen.

We zijn vandaag nog niet uitgepraat en het stemt mij hoopvol dat dit het begin mag zijn van een goede samenwerking met de Senaat en van een goede ingesteldheid van de regering ten aanzien van de parlementaire initiatieven die hier worden genomen, zoals die van de navelstrengbloedbanken. Dat initiatief leeft hier en kan perfect vanuit het Parlement worden geregeld. Wij zien de nieuwe regering positief tegemoet.

M. le président. - L'ordre du jour de la présente séance est ainsi épuisé.

-Le Sénat s'ajourne jusqu'à convocation ultérieure.

(La séance est levée à 20 h 55.)