4-677/1

4-677/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

8 APRIL 2008


Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, om de voorbereiding en de verbetering van het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op te dragen aan externe deskundigen

(Ingediend door de heer Berni Collas)


TOELICHTING


De Hoge Raad voor de Justitie werd opgericht bij artikel 151 van de Grondwet, dat op zijn beurt ten uitvoer werd gelegd bij de wet van 22 december 1998, en heeft een zeer groot aandeel in het benoemings- en opleidingsbeleid van de magistratuur. Hij oefent die bevoegdheid effectief uit sinds 2 augustus 2000.

De oprichting van de Hoge Raad voor de Justitie was een breuk met een gerechtelijk systeem dat na de zaak Dutroux in diskrediet was gebracht. De uitvoerende macht werd gedwongen af te zien van elke rechtstreekse inmenging in de benoeming van magistraten, ten gunste van een taalkundig paritair orgaan, dat zowel ten opzichte van de uitvoerende macht zelf als ten opzichte van de rechterlijke macht onafhankelijk is.

Nu is het dus de Hoge Raad voor de Justitie, die, als opvolger van het vroegere Wervingscollege der magistraten, bepaalt welke examens de kandidaat-magistraten moeten afleggen. De wetgever heeft hem de opdracht gegeven niet alleen de intellectuele bekwaamheid van de kandidaat te evalueren, maar ook andere vaardigheden, zoals luisterbereidheid en stressbestendigheid.

De Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie herziet de programma's jaarlijks. Vervolgens moeten die programma's worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de Hoge Raad, waarna ze door de minister van Justitie worden bekrachtigd en vervolgens in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Alleen wie slaagt voor een examen dat is voorbereid door de Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie heeft toegang tot de magistratuur. Om dat doel te bereiken, bestaan er drie verschillende mogelijkheden :

— het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage, waarbij een jong jurist met succes een vergelijkend examen aflegt waardoor hij toegang krijgt tot een (korte of lange) gerechtelijke stage. Na die stage kan hij tot magistraat worden benoemd.

— het examen inzake beroepsbekwaamheid, dat er voor meer ervaren juristen is. Indien ze slagen, krijgen de kandidaten een getuigschrift waarmee ze onmiddellijk kunnen solliciteren voor een functie als magistraat.

— de derde en laatste mogelijkheid is van recentere datum. Ze kwam tot stand bij de wet van 7 april 2005 en komt erop neer dat men moet slagen voor een mondeling evaluatie-examen. Met het getuigschrift kan men eveneens onmiddellijk solliciteren voor een functie als magistraat. Die derde mogelijkheid is er speciaal voor advocaten met twintig jaar ervaring aan de balie, alsook voor juristen die vijftien jaar ervaring aan de balie hebben en tevens gedurende minstens vijf jaar een functie hebben uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist.

Het aantal geslaagden dat door middel van die laatste mogelijkheid kan worden benoemd, is bij wet beperkt tot twaalf procent van de personeelsformatie van de magistraten per rechtsgebied van een hof van beroep en wel voor de functies van rechter in de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbank, van vrederechter of van rechter in de politierechtbank. Die uitbreiding geldt ook voor de parketmagistraten.

In het geval van de derde mogelijkheid bestaat het examen alleen uit een mondelinge proef, maar de twee andere mogelijkheden die toegang geven tot de magistratuur bestaan uit een examen met een mondeling gedeelte en een schriftelijk gedeelte. Het schriftelijk gedeelte bestaat uit twee proeven die op verschillende datums plaatsvinden. Elke proef is eliminerend. Wie voor het schriftelijk gedeelte slaagt, gaat door met het mondelinge.

Dat systeem is momenteel een probleem voor Duitstalige kandidaat-magistraten. Men moet helaas vaststellen dat zij te vaak niet slagen voor die examens, meer bepaald voor het schriftelijk gedeelte.

De reden voor die herhaalde mislukkingen is niet ver te zoeken. De oorzaak is te vinden in artikel 259bis-9, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat sinds de hervorming van 1998 bepaalt dat de kandidaten de examens moeten afleggen in de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten. Dat is, met andere woorden, in het Frans of in het Nederlands, terwijl de kandidaat voor 1998 kon vragen dat er een examen in het Duits zou worden georganiseerd.

Men kan zich eventueel nog voorstellen dat een kandidaat die pas van de universiteit komt in staat is om het examen tot de gerechtelijke stage (eerste mogelijkheid) in de taal van zijn studie af te leggen, maar voor de meer ervaren juristen, die hun beroep uitoefenen in het Duitse taalgebied en die daarbij bijna uitsluitend van het Duits gebruik maken, is dat een ander paar mouwen. Het zijn precies die kandidaten die in aanmerking komen om onmiddellijk te worden aangewezen voor een functie als magistraat, aangezien ze geen stage moeten lopen.

De herhaalde mislukkingen van de Duitstalige kandidaten, hoofdzakelijk van advocaten, zijn waarschijnlijk te wijten aan de problemen welke die kandidaten hebben om te schrijven en zich uit te drukken in het Frans en daarenboven wellicht aan de criteria inzake uitmuntendheid die de Hoge Raad voor de Justitie hanteert. Dat probleem rijst hoofdzakelijk bij de schriftelijke proeven, omdat die anoniem zijn en niet de mogelijkheid bieden de taalachtergrond van de kandidaat te achterhalen. Bij de mondelinge examens daarentegen kunnen de examinatoren rekening houden met de taalhandicap van de Duitstalige kandidaten.

De lage slaagcijfers van de Duitstalige kandidaten bij de toelatingsexamens tot de magistratuur hebben het kwalijke gevolg dat er een tekort dreigt in de personeelsformatie van het gerechtelijke arrondissement Eupen, waar de taal van de rechtspleging het Duits is. Momenteel ontbreekt er in dat arrondissment een arbeidsauditeur, alsook een Duitstalig magistraat gespecialiseerd in fiscale zaken. Men heeft zelfs een Franstalige moeten benoemen bij het arbeidshof, om het wegvallen van een Duitstalige op te vangen.

Daarbij komt nog dat men Duitstalige magistraten nodig heeft voor de goede werking van de nieuwe strafuitvoeringsrechtbank en van de jeugdrechtbank, die voor uithandengeving voortaan uit drie rechters moet bestaan.

De recent ingevoerde derde mogelijkheid, waarbij alleen een mondelinge proef wordt afgenomen, is een stap in de goede richting, maar het is onvoldoende. Eigenlijk komen daarvoor alleen de meest ervaren advocaten, met minstens twintig jaar anciënniteit, in aanmerking. Die leeftijdsgroep verdient in principe reeds goed zijn brood en wenst niet speciaal zijn loopbaan een andere wending te geven.

Het is dus kennelijk noodzakelijk dat we de Duitstalige kandidaten de mogelijkheid bieden de examens in hun taal af te leggen. Vervelend daarbij is dat momenteel geen enkel lid van de Benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie het Duits beheerst. Het is inderdaad betreurenswaardig dat de wet (cf. artikel 259bis-1, § 3, 3º, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) slechts één lid van het Franstalige college ertoe verplicht het bewijs te leveren van de kennis van het Duits.

Het komt ons voor dat dit probleem definitief kan worden opgelost. Men kan aan deskundigen die de Duitse taal beheersen opdragen de examens inzake beroepsbekwaamheid en de vergelijkende toelatingsexamens tot de gerechtelijke stage te organiseren voor wat het schriftelijk gedeelte betreft, want daar wringt het schoentje. Daarmee kan men het probleem van het ontbreken van personen die Duits kennen bij de Benoemings- en aanwijzingscommissies omzeilen, zonder de bevoegdheden of de samenstelling ervan op losse schroeven te zetten.

Artikel 259bis-10, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voorziet immers in de mogelijkheid voor de Franstalige en Nederlandstalige benoemingscommissie om een beroep te doen op externe deskundigen, maar dan alleen bij de voorbereiding van de examens : « Elke benoemingscommissie kan een beroep doen op externe deskundigen om de subcommissies bij te staan bij de voorbereiding van de in § 1, 2º, bedoelde examens (het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage) en bij de voorbereiding van de proeven. Deze deskundigen maken in geen geval deel uit van de subcommissies en mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen ».

Het is de bedoeling de draagwijdte van dat artikel uit te breiden tot « de verbetering » van de examens inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage. Het schriftelijke gedeelte van die twee examens kan dus naar het Duits worden vertaald voor eventuele Duitstalige kandidaten.

Tevens kan de Hoge Raad voor de Justitie van die mogelijkheid gebruik maken om in andere omstandigheden een beroep te doen op deskundigen om andere redenen dan taalkundige, ten gunste van alle kandidaten. Men kan bijvoorbeeld denken aan het Instituut voor gerechtelijke opleiding dat bijna een jaar geleden bij de wet van 31 januari 2007 werd opgericht.

Dat Instituut zou als externe deskundige kunnen optreden, wat niet onlogisch is, aangezien het reeds bevoegd is om voor de gerechtelijke opleiding van de magistraten te zorgen.

Onder gerechtelijke opleiding wordt verstaan :

— de initiële opleiding, namelijk die welke verstrekt wordt tijdens de stage of bij de indiensttreding;

— de permanente opleiding, namelijk die welke verstrekt wordt gedurende de loopbaan met als doel de beroepsbekwaamheid te ontwikkelen;

— de loopbaanbegeleiding, namelijk die welke verstrekt wordt ter voorbereiding van de uitoefening van een toekomstig ambt of mandaat.

Het Instituut voor gerechtelijke opleiding een opdracht geven bij het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage zou dus niet onlogisch zijn, aangezien het om kandidaten gaat die daarna de opleiding zullen volgen die het Instituut verstrekt.

Het spreekt vanzelf dat de Hoge Raad voor de Justitie vrij blijft een beroep te doen op externe deskundigen voor de voorbereidings- en de verbeteringsfases. Het is evenwel niet nodig die mogelijkheid uit te breiden tot de voorbereiding of de verbetering van het mondelinge gedeelte van de examens, aangezien het probleem van het hoge aantal mislukkingen van Duitstalige kandidaten vooral bestaat bij het schriftelijk gedeelte. Doorgaans schenken de mondelinge examens die de Hoge Raad voor Justitie organiseert volledige voldoening.

Bovendien behoudt de Hoge Raad voor de Justitie zijn bevoegdheid wat de uiteindelijke benoeming van de magistraat betreft.

Om al die redenen verdedigt het voorstel de uitbreiding van de mogelijkheid die de Hoge Raad voor de Justitie heeft om een beroep te doen op externe deskundigen — mogelijkheid waarin artikel 259bis-10, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voorziet — tot de verbetering van de examens inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage. Het vermeldt evenwel dat die deskundigen niet zullen mogen deelnemen aan de beraadslagingen over het mondeling gedeelte van de examens inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage. Die beperking is noodzakelijk om in overeenstemming te blijven met artikel 151, § 3, 3º, van de Grondwet, dat de bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie erkent inzake de toegang tot het ambt van rechter of van ambtenaar van het openbaar ministerie.

Het voorstel voorziet ook in de erkenning van de bevoegdheid van het Instituut om als deskundige deel te nemen aan de voorbereiding en de verbetering van het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage.

Het voorstel wijzigt ten slotte artikel 259bis-9, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, om het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid, alsook dat van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage in het Duits te kunnen organiseren. Het mondelinge gedeelte van die examens blijft evenwel plaatsvinden in de taal van het diploma.

Berni COLLAS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 2

Artikel 259bis-9, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 7 april 2005, wordt aangevuld met de volgende volzin :

« Wanneer evenwel de benoemingscommissie daartoe beslist, kan het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid of van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage door de Duitstalige kandidaten in de Duitse taal worden afgelegd. ».

Art. 3

In artikel 259bis-10, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) in de tweede volzin worden de woorden « en de verbetering » ingevoegd tussen de woorden « bij de voorbereiding » en de woorden « van de in § 1, 2º, bedoelde examens ».

B) de derde volzin wordt op het einde aangevuld met de volgende zinsnede : « van het mondelinge gedeelte van de in § 1, 2º, bedoelde examens. ».

Wijziging van de wet inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding

Art. 4

Artikel 8 van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, wordt aangevuld met een § 3, luidende :

« § 3. — Het Instituut kan op verzoek van de Hoge Raad voor de Justitie optreden als deskundige, om het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage voor te bereiden en te verbeteren. ».

16 januari 2007.

Berni COLLAS.