4-18

4-18

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 28 FEBRUARI 2008 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie en aan de minister van Justitie over «gewelddaden en aanrandingen in de asielcentra» (nr. 4-160)

Mevrouw Margriet Hermans (Open Vld). - Vorige week werd ik bijzonder getroffen door een krantenartikel over gewelddaden en aanrandingen in de asielcentra.

Driekwart van de asielzoekers komt in aanraking met gendergerelateerd geweld. De ijzingwekkende resultaten van een uitgebreid onderzoek van de Universiteit Gent leren ons dat bijna een op de drie gewelddaden gebeurt in asielcentra, dat een kwart van de daders verantwoordelijken van de instelling zijn en dat ruim een op de drie slachtoffers sterft aan de gevolgen ervan.

Het slachtoffer heeft angst voor uitwijzing en zal dus niet naar de politie stappen. Schrijnend is de zelfmoord van een tienerjongen als gevolg van een seksuele aanranding door een kamergenoot in een asielcentrum. Het onderzoek werd uitgevoerd in België en Nederland. Daaruit blijkt dat slachtoffers worden verkracht, geslagen, tegengewerkt in hun asielprocedure, bedreigd of getreiterd door daders. De onzekere status van de slachtoffers maakt hen extra kwetsbaar en het vele seksuele geweld valt op. In 56% van de gevallen gaat het om seksueel geweld. Hier is een dringend optreden vereist.

Vele asielzoekers hebben in hun land van oorsprong vaak al vreselijke dingen meegemaakt. Ondanks alles zijn ze op een plaats terechtgekomen waar ze zich veilig voelen. Uit de studie blijkt echter dat ze er helemaal niet veilig zijn en dat zelfs overheidsverantwoordelijken zich tegen hen keren.

Hoe reageert de minister op die studie en op het gegeven dat een op de drie gewelddaden gebeurt in asielcentra, een kwart van de daders overheidsverantwoordelijken zijn en ruim een op de drie sterft aan de gevolgen van de agressie?

Beschikt de minister over recente cijfers omtrent het aantal gewelddaden tegen asielzoekers in gesloten centra en seksueel geweld? Is er onderrapportering, gelet op het precaire statuut van de slachtoffers en hun gebrekkige talenkennis? In hoeveel gevallen was de dader een overheidsambtenaar?

Welke concrete maatregelen zal de minister treffen tegen deze wantoestanden? Komt er een bijzonder onderzoek? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wanneer?

De heer Christian Dupont, minister van Pensioenen en Maatschappelijke integratie. - Ik ben, net als u, geschokt en ongerust over de feiten die door dit onderzoek aan het licht kwamen.

De vaststellingen moeten nog nauwkeurig worden geanalyseerd zodat duidelijk wordt welke conclusies eruit moeten worden getrokken en welke concrete maatregelen moeten worden genomen. De gegevens waarop de universiteit zich baseert, hebben betrekking op België en Nederland. Het gaat om een gerichte steekproef van vrijwillige respondenten die zeer diverse vormen van geweld aan het licht brengt, zowel van institutionele als van intrafamiliale aard.

Ik wil de oorzaken van de ondraaglijke situaties die de enquête aan het licht brengt, nader onderzoeken en maatregelen uitwerken voor preventie en bescherming, maar ook voor een efficiëntere detectie van het geweld en de bestraffing van de daders. De studie bevat een reeks resultaten die met de nodige precisie moeten worden gelezen. De 166 respondenten uit Nederland en België meldden ons 332 gevallen van gendergerelateerd geweld op henzelf of op iemand in hun naaste omgeving.

Deze studie legt de nadruk op de kwetsbaarheid van de asielzoekers ten aanzien van de personen en de instellingen waarvan ze afhangen. De respondenten hebben aangegeven dat het geweld in 87 van de 332 gerapporteerde gevallen gepleegd werd door de autoriteiten of andere verantwoordelijken. De institutionele afhankelijkheidsband tussen dader en slachtoffer is uiteraard een verzwarende omstandigheid.

In 13 van die 87 gevallen betrof het verantwoordelijken uit een opvangstructuur die onder de bevoegdheid valt van Fedasil, waarop ik toezicht houd. Voor zover ik weet, werden deze situaties niet gerapporteerd aan mijn administratie aan wie ik heb gevraagd een grondig onderzoek te voeren om de nodige maatregelen te nemen. Mijn houding tegenover bewezen feiten van seksueel geweld waarvoor een personeelslid van een opvangcentrum verantwoordelijk zou zijn, is zeer duidelijk. De dader is niet op zijn plaats in een opvangstructuur en het gaat om een zware fout die een onmiddellijk ontslag vereist. Er moet ook onmiddellijk een klacht worden ingediend door de organiserende instantie van de opvangstructuur: Fedasil, Rode Kruis of OCMW.

In 102 van de 332 gerapporteerde gevallen was de dader van het delict de partner of ex-partner van het slachtoffer. In 113 gevallen betrof het een familielid, buur, vriend of andere bekende. In 40 gevallen was de dader niet bekend. In 91 gevallen gebeurde de geweldpleging in de opvangstructuur.

De collectieve huisvestingsplaatsen voor mensen die vaak een chaotisch parcours hebben afgelegd, zijn gevlucht voor angst en bedreigingen en soms extreem geweld hebben meegemaakt, zijn onbetwistbaar risicovolle plaatsen. Er is de laatste jaren zeker verbetering geboekt, meer bepaald door de uitvoering van een belangrijk renovatieprogramma van de centra, de geleidelijke afschaffing van de slaapzalen en vooral door het feit dat asielzoekers na enkele maanden worden gehuisvest in individuele opvangstructuren. De verbetering van de dagelijkse leefomstandigheden is uiteraard één van de kernpunten van geweldpreventie.

Ook inzake gendergerelateerd geweld worden op het terrein inspanningen geleverd. Fedasil werkt samen met een aantal gespecialiseerde organisaties die de nodige opleiding en vorming organiseren voor het personeel in de opvangstructuren en de bewoners zelf informeren en sensibiliseren. Er werden infrastructuuraanpassingen doorgevoerd om vrouwelijke bewoners beter te beschermen, zoals afsluitbare kamers, gescheiden sanitair en aparte vleugels voor alleenstaande vrouwen en niet-begeleide minderjarigen. De opvangstructuren organiseren tevens specifieke activiteiten om de weerbaarheid en autonomie van de bewoners te versterken.

Fedasil en een aantal van zijn partners werken actief mee aan de uitvoering van dit onderzoek. Zij verlenen eveneens hun steun aan het verder uitwerken van preventiemaatregelen.

Ondanks deze verschillende maatregelen acht ik het noodzakelijk een systematisch geweldpreventiebeleid te ontwikkelen en gecoördineerde initiatieven te stimuleren die in het bijzonder betrekking hebben op het respecteren van de integriteit van vrouwen en de strijd tegen partnergeweld.

Er zal dus gevolg worden gegeven aan het signaal van de studie van de Universiteit Gent via preventieve en repressieve maatregelen met als doel de veiligheid van vrouwen in de opvangstructuren te versterken, in het bijzonder ten aanzien van gendergeweld. U mag er zeker van zijn dat niemand onverschillig blijft voor deze ontoelaatbare situaties, noch de maatschappelijk werkers op het terrein, noch de administratie, noch ikzelf.

Mevrouw Margriet Hermans (Open Vld). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Inhoudelijk zitten wij duidelijk op dezelfde lijn. Ik heb echter nog altijd vragen bij deze situatie. We stellen immers resoluties op in verband met situaties in Bulgaarse weeshuizen of situaties in andere landen, maar ook bij ons worden weerloze mensen misbruikt, zowel vrouwen als mannen. Ik wens dus nogmaals te benadrukken hoe belangrijk het is om contact te hebben met deze mensen. Voor hen is het immers bijna onmogelijk om een klacht in te dienen. Taalkundig zijn ze meestal niet mondig genoeg en ze durven niemand in vertrouwen te nemen. We kunnen inderdaad beleidsmatig optreden, en op dat gebied heeft de minister goede suggesties gedaan, maar ik denk dat het noodzakelijk is deze mensen in hun eigen taal te benaderen en hun situatie constant te evalueren.

De heer Christian Dupont, minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie. - Ik ben het eens met mevrouw Hermans. Deze mensen bevinden zich in een precaire situatie. We ondervinden inderdaad moeilijkheden om hun rechten te doen respecteren. Daarom moeten we bijzondere aandacht hebben voor hun situatie en hen de gelegenheid bieden om klacht in te dienen en hun rechten te doen respecteren. Dat is de reden waarom in de nieuwe opvangwet de procedures om klacht in te dienen werden verbeterd.

Persoonlijk ben ik niet op de hoogte van de feiten die in het onderzoek worden aangehaald, maar ze zijn uiteraard onduldbaar. We zullen dan ook nog meer voorzorgen nemen. Ik heb ondervonden dat de mensen die in onze centra werken zeer gemotiveerd zijn en dat ze hun taak ter harte nemen. Als zich toch problemen voordoen, moeten we daar iets aan doen.