4-576/1

4-576/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

21 FEBRUARI 2008


Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot de korting die de Staat inhoudt op de inkomsten uit de aanvullende belastingen op de personenbelasting

(Ingediend door de heer Wouter Beke c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 23 maart 2006 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 51-2363/001).

Op 15 februari 2001 werd in de Senaat met unanimiteit een wetsvoorstel van mevrouw Anne-Marie Lizin (Wetgevingsstuk nr. 2-24/1) gestemd dat voorzag in de afschaffing van de korting van 3 % die de Staat inhoudt op de inkomsten uit de aanvullende belastingen op de personenbelasting en dit met ingang vanaf 1 januari 2001. De minister van Financiën verzette zich echter hiertegen. Onder druk van de toenmalige paarsgroene regering werd in het parlement uiteindelijk de wet van 10 december 2001 gestemd die voorzag in de vermindering van die inhouding van 3 % in 2001, over 2 % in 2002 naar 1 % in 2003.

Uit het antwoord van de minister van Financiën op een parlementaire vraag (mondelinge vraag nr. 9461 van 10 januari 2006) blijkt dat de wet van 10 december 2001 tot wijziging van artikel 470 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de bedoeling had de gemeentefinanciën op te krikken en ertoe leidt dat sinds 2003 jaarlijks 35 miljoen euro minder administratiekosten ingehouden worden op de storting van de aanvullende gemeentebelastingen op de geïnde personenbelasting. Dit betekent dat een verlaging van de administratiekosten van 1 % tot 0 % een eerder beperkt kostenplaatje torst van om en bij de 17,5 miljoen euro.

We stellen daarenboven vast dat enkel administratiekosten worden ingehouden op de storting van de aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting. Voor de opcentiemen op de onroerende voorheffing en de verkeersbelasting houdt de federale overheidsdienst geen administratiekosten in. Het argument dat de inhouding gebeurt ter wille van de dienstverlening is dan ook niet gegrond vermits deze voor de ene belasting wel en voor de andere blijkbaar niet in aanmerking wordt genomen.

Om die redenen stellen de indieners voor om de nog resterende inhouding van 1 % af te schaffen.

Wouter BEKE
Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE
Etienne SCHOUPPE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 470 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt opgeheven.

11 februari 2008.

Wouter BEKE
Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE
Etienne SCHOUPPE.