4-562/1

4-562/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

13 FEBRUARI 2008


Wetsvoorstel tot regeling van het forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek

(Ingediend door de heren Jacques Brotchi, Patrik Vankrunkelsven en Wouter Beke)


TOELICHTING


België kent een grote achterstand inzake het onderzoek van het overlijden, zowel ten opzichte van vele andere West-Europese landen, als ten opzichte van de Verenigde Staten. Slechts een zeer kleine minderheid van de overlijdens wordt in ons land, in vergelijking met andere landen, onderzocht door een in de forensische geneeskunde gespecialiseerde arts.

Ons land heeft geen officiële statistieken, maar volgens schattingen zou er slechts bij 1 à 2 % van de overlijdens sprake zijn van een autopsie. Dat cijfer staat in schril contrast met de 10 % die nodig zijn om de kwaliteit te verhogen. Andere landen halen autopsieratio's van 8 % (Duitsland), 12 % (VS), 19 % (Zwitserland), 24 % (Engeland) en zelfs meer dan 30 % (Scandinavische landen). (1) In een recente aanbeveling van de Raad van Europa luidt het : « In cases where death may be due to unnatural causes, the competent authority, accompanied by one or more medico-legal experts, should where appropriate investigate the scene, examine the body and decide whether an autopsy should be carried out. » (2) .

Algemeen wordt aangenomen dat een goed onderzoek betreffende het levenseinde drie duidelijke aandachtspunten dient te hebben : 1) het (h)erkennen van overlijdens die de nodige aandacht vereisen, 2) een onderzoek van de verdachte overlijdens met de nodige kennis van zaken en 3) eventueel een autopsie indien na een eerste, eerder oppervlakkig onderzoek (uitwendige schouwing) onduidelijkheid of juridische bemerkingen zouden bestaan.

De aangehaalde achterstand heeft ook te maken met een gebrek aan wetgeving ter zake. Waar er wel wetgeving voorhanden is, merken we duidelijk dat ze compleet verouderd is en soms slechts zijdelings met de materie te maken heeft. Dit alles leidt dan weer tot kwaliteitsverlies. Zo stroomt er te weinig of zelfs foutieve informatie door en worden er alleszins inschattingsfouten gemaakt, welke vermeden zouden kunnen worden.

Een aanpassing van de huidige wetgeving is dan ook noodzakelijk. Algemeen kunnen we stellen dat er moet gestreefd worden naar betere informatie, betere communicatie en het vermijden van nutteloos tijdverlies.

Verscheidene geledingen van de samenleving hebben voordeel bij een betere wetgeving over het forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek. Hieronder volgt een overzicht.

Een eerste sector is de gezondheidszorg. Als de gegevens fout zijn is ook het beleid ten dele gebaseerd op verkeerde uitgangspunten. Het risico bestaat dat beoordelingsfouten gemaakt worden en dat de beleidsmiddelen slecht of verkeerd worden aangewend, waardoor scheefgetrokken situaties kunnen ontstaan. Dat kan worden verholpen met juiste cijfers. Ook de problematiek inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten houdt hiermee verband. Het is immers van belang de juiste doodsoorzaak te kunnen vaststellen. Verkeerde uitgangspunten kunnen ertoe leiden dat onterechte vergoedingen worden uitgekeerd, wanneer er eigenlijk sprake is van een inwendige aandoening die losstaat van het arbeidsongeval. Omgekeerd kan een weigering om een vergoeding uit te keren tot onrechtvaardigheden leiden ten opzichte van de rechthebbenden van iemand die daadwerkelijk tijdens zijn beroepsactiviteit overleden is. Correcte informatie maakt het mogelijk vlugger de juiste verantwoordelijke aan te wijzen. Bovendien kan zoiets nuttig zijn met het oog op de preventie van arbeidsongevallen.

De tweede belangrijke sector is justitie. Ook justitie is gebaat met correcte en snelle informatie over sterfgevallen. Met het systeem dat we voor ogen hebben, kan veel accurater en sneller ingeschat worden of er al dan niet sprake is van een « onverklaard, verdacht of gewelddadig » overlijden. De mogelijke toepassingsgevallen zijn vrij ruim. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een overlijden bij een arrestatie of tijdens een periode van opsluiting. De toepassing van de voorgestelde regeling zou ongetwijfeld een gunstige invloed hebben op het verdere verloop van het onderzoek en bepaalde pistes zullen sneller verlaten kunnen worden. Verdachtmakingen en geruchten kunnen trouwens ook sneller de kop worden ingedrukt, zeker als er sprake is van een zogenaamde « plotse dood » (we denken onder andere aan dood op jonge leeftijd of van sportlui, ...). Nu worden die gevallen vaak niet echt grondig onderzocht (de vermelding « hartaderbreuk » op het overlijdensattest onder doodsoorzaak is maar een verzinsel dat helemaal niet wetenschappelijk verantwoord is).

Daarenboven is het noodzakelijk om de « gecamoufleerde » (zelf)dodingen (waarover de media af en toe berichten) zo goed mogelijk te proberen op te sporen, zeker als we weten dat het aantal crematies alleen maar toeneemt (in bepaalde grote steden in het land vertegenwoordigen ze 50 %). Als we de buitenlandse beschikbare cijfergegevens inzake postmortaal onderzoek naar ons land zouden extrapoleren, zouden we jaarlijks aan 150 « gecamoufleerde » dodingen komen.

De derde sector is de economie. In eerste instantie is de verzekeringswereld betrokken partij. De vaststelling van de juiste doodsoorzaak is immers van belang om te weten aan wie de verzekeringsmaatschappij de verschuldigde bedragen moet uitkeren.

De laatste groep bestaat uit de bij het overlijden betrokken personen, zoals gezins- en familieleden. Vandaag bestaat in vele gevallen twijfel over sterfgevallen of duikt er later twijfel op die niet meteen kan worden weggenomen. Deze twijfel zal het rouwproces, dat op zich al moeilijk is, nog complexer maken met alle nefaste gevolgen van dien. Indien een gezins- of familielid van de overledene nauwkeurig en snel geïnformeerd wordt over het overlijden, kan hij de toestand veel vlugger aanvaarden.

In extreme gevallen ten slotte, waarin het lichaam geïdentificeerd dient te worden, kunnen alleen forensisch geneeskundige anthropologische onderzoeken ons helpen om de overledenen aan hun familie terug te geven, wat de conditio sine qua non is om het rouwproces te kunnen afsluiten.

Anderzijds kan verwezen worden naar de rol die het Nationaal Instituut voor de Statistiek speelt in het verzamelen en het correct verwerken van gegevens omtrent sterfgevallen. Een beleid kan slechts gevoerd worden indien men beschikt over cijfers en indien deze cijfers gebaseerd zijn op correcte gegevens.

De gevallen waarin een bijkomend onderzoek nodig is objectief beschrijven

Momenteel rust er op de arts die de dood dient vast te stellen een zeer grote verantwoordelijkheid. Vergissingen inzake de doodsoorzaak — te goeder trouw of zelfs opzettelijk — kunnen zware gevolgen hebben en leiden tot een teraardebestelling (en dikwijls zelfs een crematie) zonder enig voorafgaand onderzoek. Nochtans blijkt een grondig onderzoek soms wel wenselijk en nuttig. Zo leren we in een Engels werk over forensische geneeskunde : « The systems differ widely, but in general those deaths which are criminal, suspicious, accidental, suicidal, sudden and unexpected, unexplained or in any way not due to natural causes, cannot be certified by a doctor and must be reported for medico-legal investigation. » (3) .

Het merendeel van de overlijdens, ongeveer 90 %, vindt plaats in gekende omstandigheden. De vaststelling van deze overlijdens stelt dan ook geen onoverkomelijke problemen. Maar er zijn ook overlijdens in min of meer onverwachte omstandigheden, wanneer de betrokkene bijvoorbeeld geen medische voorgeschiedenis had en het overlijden dus eerder ongewoon te noemen is. In dergelijke gevallen moeten alle mogelijkheden open blijven (natuurlijke dood, ongeval, zelfdoding, doding, ...).

Het begrip « onverklaard, verdacht of gewelddadig » overlijden maakt een objectieve omschrijving mogelijk van die sterfgevallen waarin de vaststelling van de behandelende arts als onvoldoende moet worden beschouwd bij het zoeken naar de waarheid.

De behandelende arts heeft immers misschien niet de juiste ervaring om aanwijzingen of tekenen van een gewelddadige dood te ontdekken, gewoon omdat dat geen deel uitmaakt van zijn dagelijkse praktijk. Als huisarts kan hij wellicht ook onvoldoende afstand nemen van de familie om onderzoeken uit te voeren die nodig zijn voor een diepgaander onderzoek naar de doodsoorzaak (de overledene uitkleden in het bijzijn van de familie, nagaan of het lichaam geen blauwe plekken vertoont, nagaan of er geen aanwijzingen zijn dat de overledene zelfmoord heeft gepleegd (in het kader van een eventuele levensverzekering), ...). Om al deze redenen denken de indieners dat het noodzakelijk is systematisch een beroep te doen op een schouwarts die de familie niet kent en die in alle vrijheid en objectiviteit de precieze doodsoorzaak kan achterhalen. De indieners achten het niet raadzaam een behandelende arts de rol van « onderzoeker » toe te bedelen. Hij moet immers in deze moeilijke tijden psychologische steun bieden aan de familie van de overledene.

Kortom, het onverklaarde, verdachte of gewelddadige sterfgeval is een overlijden dat op zijn minst bijzondere aandacht vraagt. Dat is het doel van dit wetsvoorstel.

De schouwarts

Momenteel wordt een overlijden vastgesteld door een arts, meestal zal dit de behandelende arts zijn, een huisarts die weekend- en/of nachtdienst had of een urgentiearts.

Elke arts kan zeggen of iemand al dan niet is overleden. Het probleem is echter de vaststelling van de doodsoorzaak, en dat is een taak waarvoor een arts in principe niet voldoende is opgeleid. In het geneeskundecurriculum zijn hiervoor immers slechts tien lesuren ingepland. Dat is volstrekt ontoereikend ! Een arts vertrekt immers vanuit een totaal andere instelling, aangezien hij is opgeleid om de mensen te helpen, te verzorgen en te genezen.

De kennis van de doodsoorzaak is nochtans een belangrijk gegeven. Het zoeken ernaar kan dan ook beter overgelaten worden aan artsen die daarvoor specifiek zijn opgeleid en er dagdagelijks mee bezig zijn, die weten hoe een onderzoek aan het lichaam moet worden uigevoerd en hoe op een correcte manier te werken — met oog voor de juridische context.

Daarom stellen wij voor dat, wanneer een arts, die opgeroepen wordt om een overlijden vast te stellen, de natuurlijke doodsoorzaak kan aanduiden hij het overlijdenscertificaat invult. Wanneer hij echter geen doodsoorzaak kan aanduiden of wanneer hij twijfelt, hij vervolgens beroep moet doen op een schouwarts. Als deze schouwarts dan vaststelt dat het om een natuurlijk overlijden gaat, dan vult hij het overlijdenscertificaat in.

Wanneer de arts of schouwarts oordeelt dat het om een « verdacht of gewelddadig » overlijden gaat, of ook wanneer het overlijden voor de schouwarts onverklaard blijft, dienen de procureur des Konings en de bevoegde politiediensten onmiddellijk op de hoogte gebracht te worden. De arts en schouwarts zorgen ervoor dat het lichaam verder onaangeroerd blijft tot de procureur en de politiediensten aankomen.

Aangezien er systematisch een beroep moet worden gedaan op een arts die een minimumopleiding heeft gekregen om gewelddadige, verdachte of onverklaarde overlijdens te onderzoeken, moet een nieuwe « artsencategorie » in het leven worden geroepen. Het aantal geneesheren-specialist in forensische geneeskunde en kandidaat-specialisten in forensische geneeskunde is momenteel immers ontoereikend.

Deze kandidaat-schouwartsen moeten een opleiding volgen die is aangepast aan het soort opdrachten dat hun in het kader van dit wetsvoorstel zal worden toevertrouwd.

Aangezien zij verbonden zijn aan een instituut voor forensische geneeskunde, moeten de schouwartsen rechtstreeks in contact staan met de kandidaat-specialisten en de specialisten in forensische geneeskunde, tot wie zij zich kunnen wenden voor de uitvoering van hun taak. Die personen zullen uiteraard automatisch schouwarts kunnen worden.

Elk instituut voor forensische geneeskunde zou dus onder zijn leden schouwartsen, kandidaat-specialisten in de forensische geneeskunde en specialisten in de forensische geneeskunde tellen.

Het is immers belangrijk dat schouwartsen, die ook een andere medische activiteit beoefenen, zich kunnen laten bijstaan door specialisten.

Elk instituut voor forensische geneeskunde moet voor hen voortdurend opleidingen organiseren en hen inpassen in zijn structuur.

De Instituten voor forensische geneeskunde

Momenteel hebben de meeste universiteiten een goed basisinstituut voor forensische geneeskunde. Wat de KULeuven betreft kan verwezen worden naar het Interfacultair Instituut voor forensische wetenschappen en het Centrum forensische geneeskunde van het Universitair Ziekenhuis. De Universiteit Gent heeft een vakgroep gerechtelijke geneeskunde, en ook Luik heeft een gelijkaardig instituut. Er zijn ook het Multidisciplinair Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde van het UZAntwerpen en de laboratoria voor forensische geneeskunde in Brussel (UCL, VUB en ULB) alsook het Centre de médecine légale van Charleroi. Omdat één instituut voor forensische geneeskunde voor gans België om verschillende redenen (taal, afstand, ...) niet echt haalbaar lijkt, is de meest voor de hand liggende oplossing de uitbouw van de reeds bestaande en goed functionerende instituten, mede omdat in die instellingen ook al de vereiste ervaring aanwezig is. Een instituut voor forensische geneeskunde hoeft niet noodzakelijkerwijs een universitaire instelling te zijn, maar het instituut moet wel erkend worden.

Gebruik maken van de reeds bestaande instituten heeft wel een aantal duidelijke voordelen. Er kan optimaal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur (autopsievereisten, bijzondere technische onderzoeken, opvang van de nabestaanden, ...).

Wel interessant daarbij is de oprichting van een overkoepelende organisatie zodat de medische en wettelijke gegevens gecentraliseerd kunnen worden, wat tot een betere informatieverwerking moet leiden.

Het forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek dat wordt verricht in het kader van een gerechtelijke procedure, moet worden onderscheiden van het wetenschappelijk postmortaal onderzoek dat wordt verricht in het kader van wetenschappelijk onderzoek. Dit wetsvoorstel wil forensisch geneeskundige autopsieën regelen.

Met dit wetsvoorstel willen de indieners bij elk overlijden een soort van cascadesysteem invoeren. Een natuurlijke doodsoorzaak die vastgesteld wordt, moet hieraan niet voldoen. Anders is het wanneer de doodsoorzaak « onverklaard » is, ongeacht of ze nu verdacht of gewelddadig is.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Dit artikel omvat de vaststelling van overlijden.

Een arts die het natuurlijk overlijden vaststelt, vult het overlijdensattest in.

Een arts die een onverklaard overlijden vaststelt, moet hier onverwijld een beroep doen op een schouwarts. De indieners geven er de voorkeur aan dat de arts in dit geval de schouwarts rechtstreeks kan vorderen, zonder tussenkomst van politie en procureur. Dit lijkt niet alleen efficiënter, men vermijdt zo ook dat de familie en buren in geval van onverklaard overlijden meteen de verkeerde conclusies gaan trekken na aankomst van politiediensten.

De familie, de naasten en de omgeving zouden immers niet begrijpen dat er bij hen een dergelijk team neerstrijkt, terwijl de persoon misschien in volstrekt normale omstandigheden is overleden.

Als de schouwarts van mening is dat de doodsoorzaak natuurlijk is, dan vult hij het overlijdensattest in. Indien de schouwarts de doodsoorzaak niet kan achterhalen of indien hij aanwijzingen heeft van een verdacht of gewelddadig overlijden dan verwittigt hij de bevoegde politiediensten en de procureur des Konings.

Een arts die een verdacht of gewelddadig overlijden vaststelt, verwittigt hiervan steeds de bevoegde politiediensten en de procureur des Konings. De taak van de arts en politiediensten beperkt er zich in dit geval toe de juiste staat, waarin het lichaam gevonden werd, te vrijwaren.

Er wordt tevens een gerechtelijke uitsluitingsperimeter (4) aangebracht. Op die manier wordt het verlies van bewijs en van elementen die de precieze doodsoorzaak zouden kunnen bepalen, vermeden. De schouwarts en/of de geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde kunnen aldus kennis nemen van alle elementen die samenhangen met het overlijden dat ze dienen te onderzoeken.

Om die beslissing enigszins te objectiveren en eventuele druk van de schouders van de arts weg te nemen, formuleren we een aantal criteria. Dat garandeert een uniforme afhandeling van alle overlijdens in België. Zodra één van de voorwaarden vervuld is, heeft de arts geen andere keuze dan een niet natuurlijk sterfgeval vast te stellen en is de tussenkomst van een schouwarts verplicht. De criteria bedoeld in artikel 2, § 2, zijn gebaseerd op de Aanbeveling van de Raad van Europa, « Recommandation nº R(99)3 relative à l'harmonisation des règles en matière d'autopsie médico-légale ».

De beslissing van de arts is dus veeleer een automatisme en zijn tussenkomst bij het overlijden eigenlijk instrumentalistisch.

Artikel 3

Aangezien er systematisch een beroep moet worden gedaan op een arts die een opleiding heeft gekregen om gewelddadige, verdachte of onverklaarde overlijdens te onderzoeken, moet een nieuwe « artsencategorie » worden gecreëerd. Het aantal geneesheren-specialisten in forensische geneeskunde en kandidaten en kandidaat-specialisten in forensische geneeskunde is momenteel immers ontoereikend.

Deze kandidaat-schouwartsen moeten een opleiding volgen die is aangepast aan het soort opdrachten dat hen in het kader van dit wetsvoorstel zal worden toevertrouwd.

Aangezien zij verbonden zijn aan een instituut voor forensische geneeskunde, moeten de schouwartsen rechtstreeks in contact staan met de specialisten en de kandidaat-specialisten in de forensische geneeskunde, tot wie zij zich kunnen wenden voor de uitvoering van hun taak. Die personen zullen uiteraard automatisch schouwarts kunnen worden.

Wat deze specialisten betreft, kan verwezen worden naar het ministerieel besluit van 27 februari 2002 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van gerechtelijke geneeskunde en het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde.

Elk instituut voor forensische geneeskunde zou dus onder zijn leden schouwartsen, kandidaat-specialisten in de forensische geneeskunde en geneesheren-specialisten in de forensische geneeskunde tellen.

Het is immers belangrijk dat schouwartsen, die ook een andere medische activiteit beoefenen, zich kunnen laten bijstaan door specialisten.

Artikel 4

De schouwarts dient een verslag op te maken over de juiste doodsoorzaak, indien die tenminste gevonden is. Is de schouwarts zeker, dan maakt hij het document model IIIC op en verwittigt hij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De schouwarts stelt hier de doodsoorzaak vast. Hij verricht geen daden van onderzoek voor een eventueel later strafonderzoek.

Als er eerst een autopsie moet worden uitgevoerd, brengt de schouwarts de procureur des Konings hiervan op de hoogte, die een geneesheer-specialist in de forensische geneeskunde inschakelt. De schouwarts stuurt een verslag met de voorlopige bevindingen naar het instituut, dat nadien een definitief verslag over de juiste doodsoorzaak opmaakt op grond van de conclusies van de geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde.

Een afschrift van het eindverslag wordt tevens bezorgd aan de behandelende arts en, indien dit niet dezelfde is, de arts die het overlijden heeft vastgesteld. Deze feedback is belangrijk in het kader van praktijkervaring van de arts. Ook spreekt het voor zich dat minstens een forensisch instituut zulk een verslag ontvangt. Ook dient een kopij van het eindverslag overgemaakt te worden aan het Nationaal Instituut voor de Statistiek alsook aan een Dienst Studies en Gewestelijke Statistiek.

Om te vermijden dat dit kopij onrechtmatig gebruikt zou kunnen worden in een aanhangige zaak, dient de procureur zijn toestemming te geven vooraleer dit overgemaakt wordt.

Artikel 5

De vergoeding van de geleverde prestaties van de schouwarts vallen ten laste van de FOD's Volksgezondheid, Justitie en de gemeenten. Zij mogen geenszins ten laste zijn van de familie van de overledene. Omwille van de expertise die door deze onderzoeken opgebouwd wordt, is zulks ten voordele van de Volksgezondheid alsook van Justitie. De gemeenten hoeven dan ook niet de volle last van deze vergoeding op zich te nemen. Per overlijden draagt de gemeente van de ingezetene wel bij in de kosten, indien geen woonplaats bepaald kan worden, is het de gemeente van plaats van overlijden. Het spreekt voor zich dat de indieners hiermee geen al te grote budgettaire gevolgen willen veroorzaken bij gemeenten die een ziekenhuis of RVT op hun grondgebied hebben.

De Koning bepaalt de verdeelsleutel in de kosten.

Artikelen 6 en 7

Die instituten voor forensische geneeskunde hoeven niet verbonden te zijn aan één van de universiteiten in ons land maar moeten wel erkend worden. De criteria voor de erkenning worden door de Koning vastgesteld. Daarbij kan minstens gedacht worden aan de opvang van nabestaanden, wachtdiensten waarin kwalitatief hoogstaande expertise permanent beschikbaar is en de organisatie van opleiding en nascholing.

De instituten moeten ook als stageplaatsen erkend worden in het kader van de specialisatie in de gerechtelijke geneeskunde (ministerieel besluit van 27 februari 2002).

Net als voor de uitwendige lijkschouwing, worden best specifieke criteria vastgesteld om een wetenschappelijke en uniforme afhandeling te garanderen. In de reeds vermelde Europese aanbeveling van de Raad van ministers is een procedure voor autopsies uitgewerkt, met voorschriften inzake het uitwendige en het inwendige onderzoek. Ook hier is het de Koning die de nadere regels bepaalt.

Artikel 8

De Koning kan een systeem van steekproefgewijs toezicht uitwerken. Hierbij komt het erop neer dat er onder het aantal natuurlijke overlijdens een ad-random aantal gevallen worden aangeduid die nader onderzocht zullen worden. Dit zou de uniformiteit van de behandeling van overlijdens over het ganse grondgebied moeten verzekeren. De Koning kan zo ook een procedure uitschrijven waarbij een procureur in een bepaald rechtsgebied zulk een steekproef oplegt omdat hij aanwijzingen heeft dat de behandeling van overlijdens niet geheel conform de bepalingen van deze wet loopt.

Artikel 9

In artikel 77 BW wordt de bepaling geschrapt die erin voorziet dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zich naar de plaats van overlijden moet begeven om aldaar het overlijden vast te stellen. Deze bepaling is verouderd.

De nieuwe bepaling wordt dan : « Geen teraardebestelling geschiedt zonder een (...) kosteloos afgegeven verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, vierentwintig uren na het overlijden, behalve in de gevallen door politieverordeningen bepaald. ».

Artikel 10

In artikel 79 BW wordt eveneens de plaats, de datum en het tijdstip van vaststelling van overlijden toegevoegd als element in het attest.

De nieuwe bepaling wordt dan : « De akte van overlijden vermeldt de voornamen, de naam, de woonplaats, de plaats en datum van geboorte van de overledene; de plaats, de datum en het tijdstip waarop het overlijden is vastgesteld; de voornamen en de naam van de echtgenoot, indien de overledene gehuwd dan wel weduwnaar of weduwe was; de voornamen, de naam, de geboortedatum en de woonplaats van de aangever en, indien hij verwant is met de overledene, zijn graad van verwantschap. ».

Artikel 11

In artikel 80, eerste lid, BW wordt de bepaling geschrapt die erin voorziet dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zich naar de plaats van overlijden moet begeven om aldaar het overlijden vast te stellen. Deze bepaling is verouderd en wordt door dit artikel vervangen door de arts die het overlijdensattest invult en aan de ambtenaar van burgerlijke stand bezorgt.

Artikel 12

Betreft tevens een aanpassing van het Burgerlijk Wetboek conform de bepalingen van dit voorstel. Het nieuwe artikel 81 BW wordt dan : « Zijn er tekens of aanwijzingen van een gewelddadige, verdachte of onverklaarde dood of andere omstandigheden die zulks laten vermoeden, dan mag de teraardebestelling eerst geschieden nadat een officier van politie, bijgestaan door een schouwarts, een proces-verbaal heeft opgemaakt van de staat van het lijk en van de daarop betrekking hebbende omstandigheden, alsook van de inlichtingen die hij heeft kunnen inwinnen omtrent de voornamen, de naam, de leeftijd, het beroep, de geboorteplaats en de woonplaats van de overledene. ».

Artikel 13

Het artikel 83 BW wordt opgeheven omdat het nog handelt over doodvonnissen.

Artikel 14

Zelfde verantwoording als artikel 11.

Artikel 15

Zelfde verantwoording als artikel 13.

Artikel 16

Net als artikel 12 wordt ook met dit artikel, het artikel 44 van het Wetboek van strafvordering aangepast aan de bepalingen in dit voorstel.

Artikel 17

Dit artikel stelt dat een overlijden dat onder de toepassing valt van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en voldoet aan de voorwaarden van deze wet, niet onder het toepassingsgebied van dit wetsvoorstel valt. De voorwaarden van de wet betreffende de euthanasie zijn immers strenger dan die in dit voorstel. Indien het zou gaan om een verdacht of gewelddadig overlijden in het kader van euthanasie, komt dit neer op een overtreding van de wet betreffende de euthanasie en zijn ook de sancties die deze wet dicteert onverminderd van toepassing.

Artikel 18

Dit artikel stelt dat een onverwacht en medisch onverklaard overlijden van een kind minder dan achttien maanden niet onder het toepassingsgebied van deze wet valt. De bepalingen van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind minder dan achttien maanden blijven in deze gevallen onverminderd van toepassing.

Artikel 19

Elke handeling die een persoon, in welke hoedanigheid dan ook, stelt om doelbewust het verloop van het postmortaal onderzoek te hinderen wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar of met geldboete van vijftig tot vijfduizend euro of met een van die straffen alleen. Het gaat dus om het stellen van de handeling, ongeacht het gevolg.

Artikel 20

Elke arts die de bepalingen van deze wet niet naleeft wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.

Artikel 21

De Koning bepaalt de inwerkingtreding van deze wet.

Jacques BROTCHI.
Patrik VANKRUNKELSVEN.
Wouter BEKE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Titel I

Het vaststellen van het overlijden

Art. 2

§ 1. De arts die het overlijden vaststelt van een persoon die op natuurlijke wijze is gestorven, vult het overlijdenscertificaat — model III C in.

§ 2. De arts die het overlijden vaststelt van een persoon die op onverklaarde wijze is gestorven, schakelt onverwijld een schouwarts in.

De Koning legt de wijze vast waarop de arts een beroep moet doen op de schouwarts.

De schouwarts die na een uitwendige lijkschouwing besluit tot een overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, vult het overlijdenscertificaat — model III C zoals bedoeld in § 1 van dit artikel in.

§ 3. Als de arts of de schouwarts geen volledige zekerheid heeft over de doodsoorzaak of indien hij besluit dat het om een verdacht of gewelddadig overlijden gaat, brengt hij de bevoegde politiediensten en de procureur des Konings daarvan onverwijld op de hoogte.

De arts en de politieambtenaren die ter plaatse aanwezig zijn zien erop toe dat het lichaam onaangeroerd blijft. Er wordt een gerechtelijke uitsluitingsperimeter aangebracht.

§ 4. In alle hierna bedoelde situaties en in alle gevallen van een verdacht of gewelddadig overlijden, moet een schouwarts ambtshalve ter plaatse worden geroepen :

1º doodslag of vermoeden van doodslag;

2º vermoeden van foltering, vergiftiging of slechte behandeling;

3º zelfmoord of vermoeden van zelfmoord;

4º ongeval in huis of verkeersongeval;

5º beroepsziekte of arbeidsongeval;

6º natuurramp of technologische ramp;

7º niet-geïdentificeerd lichaam;

8º menselijke skeletten of geskeletteerde menselijke resten, lichamen in staat van ontbinding of verkoolde lichamen.

De Koning wijzigt het overlijdenscertificaat — model III C — om er de verplichting uit het vorige lid in op te nemen.

§ 5. De aangewezen schouwarts mag niet de behandelende arts zijn die de persoon vóór zijn overlijden heeft gevolgd. De schouwarts mag geen familiale, vriendschappelijke, professionele of vertrouwensrelatie gehad hebben met de persoon die hij onderzoekt.

Titel II

De schouwarts

Art. 3

De schouwarts is een doctor in de geneeskunde die een theoretische en praktische opleiding heeft gevolgd inzake de uitwendige lijkschouwing teneinde de doodsoorzaak vast te stellen.

De schouwarts is verbonden aan een erkend Instituut voor forensische geneeskunde.

De Koning bepaalt aan welke opleidingsvoorwaarden doctors in de geneeskunde moeten voldoen en welke ervaring zij ten minste moeten bezitten om de titel van schouwarts te mogen voeren.

Art. 4

§ 1. De schouwarts gaat over tot een uitwendige lijkschouwing om de juiste doodsoorzaak te bepalen.

De schouwarts kan geen daden stellen in het kader van een strafonderzoek, tenzij hij hiervoor gemachtigd is door de procureur des Konings.

De Koning bepaalt de nadere regelen voor het verrichten van een uitwendige lijkschouwing.

§ 2. De schouwarts is als enige bevoegd, samen met de kandidaat-specialisten in de gerechtelijke geneeskunde en de geneesheer-specialisten in de gerechtelijke geneeskunde, om op vordering van de procureur des Konings de biologische monsternemingen op de overledene uit te voeren.

§ 3. Wanneer de schouwarts de juiste doodsoorzaak heeft vastgesteld, maakt hij een verslag op.

De Koning bepaalt de nadere regelen waaraan dat verslag moet voldoen.

§ 4. Als de schouwarts besluit dat het om een natuurlijke dood gaat of om een overlijden dat verband houdt met een van de situaties bedoeld in artikel 2, § 4, 5º, brengt hij de procureur des Konings en de ambtenaar van de burgerlijke stand daarvan op de hoogte, en bezorgt hun zijn verslag.

Als hij besluit dat het gaat om een overlijden in een van de omstandigheden bedoeld in artikel 2, § 4, 1º, 2º, 3º, 4º, 6º, 7º of 8º, van deze wet, brengt hij de procureur des Konings van het rechtsgebied waar het lijk gevonden is daarvan onmiddellijk op de hoogte, en bezorgt hem zijn verslag.

§ 5. Als de schouwarts geen volledige zekerheid heeft over de doodsoorzaak, brengt hij de procureur des Konings daarvan op de hoogte, die een beroep doet op een geneesheer-specialist in de forensische geneeskunde verbonden aan een erkend Instituut voor forensische geneeskunde.

Bij zijn aanvraag voegt hij een verslag van zijn voorlopige bevindingen.

De Koning bepaalt de nadere regelen waaraan dat verslag moet voldoen.

§ 6. Een afschrift van het eindverslag wordt bezorgd aan de behandelende arts, aan de arts die de dood vaststelde, aan een Instituut voor forensische geneeskunde en aan de Instituten voor statistiek, zodra de procureur des Konings hiertoe toestemming heeft gegeven.

De Koning bepaalt de nadere regelen voor de toepassing van deze paragraaf.

Art. 5

De vergoeding van de prestaties, geleverd door de schouwarts, zijn ten laste van de FOD Volksgezondheid, de FOD Justitie en de gemeente waar de overledende laatst woonachtig was, en indien de laatste woonplaats van de overledene niet gekend is, de gemeente van de plaats van overlijden.

De Koning bepaalt de nadere regelen. Hij legt ook de verdeelsleutel voor de vergoeding vast.

Titel III

De Instituten voor Forensische Geneeskunde

Art. 6

Een autopsie met het oog op het vaststellen van de doodsoorzaak, mag enkel worden verricht in een erkend instituut voor forensische geneeskunde, na machtiging van de procureur des Konings overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van strafvordering, na machtiging van de onderzoeksrechter.

De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden waaraan de instituten voor forensische geneeskunde moeten voldoen.

Art. 7

§ 1. Een autopsie als bedoeld in artikel 6 omvat een uitwendig en een inwendig onderzoek van het lichaam.

De autopsie vangt aan ten laatste 48 uren nadat de procureur des Konings in kennis werd gesteld van het overlijden.

De artsen die de autopsie verrichten mogen geen familiale, vriendschappelijke, professionele of vertrouwensrelatie gehad hebben met de persoon op wie een autopsie wordt verricht.

De Koning bepaalt de nadere regelen voor het verrichten van een autopsie.

De Koning bepaalt de bijzondere erkenningscriteria waaraan de geneesheren-specialisten die houder zijn van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde alsook de stagemeesters voor gerechtelijke geneeskunde moeten voldoen.

§ 2. Het Instituut voor forensische geneeskunde bezorgt zijn verslag aan de procureur des Konings van het rechtsgebied waar het lijk is gevonden.

De Koning bepaalt de nadere regelen waaraan dat verslag moet voldoen.

Art. 8

Specialisten in de gerechtelijke geneeskunde, verbonden aan een erkend Instituut voor forensische geneeskunde kunnen de opdracht krijgen om steekproefsgewijze toezicht uit te oefenen op de waarachtigheid van de verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Zij kunnen daartoe overgaan tot uitwendig en inwendig onderzoek van het lijk.

De Koning bepaalt de nadere regelen en voorwaarden waaraan deze steekproeven moeten voldoen.

Titel IV

Wijzigingsbepalingen

Hoofdstuk I

Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek

Art. 9

In artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1951, worden de woorden « niet mag afgeven dan nadat hij zich naar de overledene heeft begeven om zich van het overlijden te vergewissen, en eerst » vervangen door de woorden « niet vroeger mag afgeven dan ».

Art. 10

In artikel 79 van hetzelfde Wetboek,vervangen bij de wet 31 maart 1978 en gewijzigd bij de wet van 23 mei 2006, worden na de woorden « datum van geboorte van de overledene; » de woorden « de plaats, de datum en het tijdstip waarop het overlijden is vastgesteld; » ingevoegd.

Art. 11

In artikel 80, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « deze begeeft zich ter plaatse om zich van het overlijden te vergewissen » vervangen door de woorden « deze vergewist zich van het overlijden door middel van het overlijdensattest ».

Art. 12

In artikel 81 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. tussen het woord « gewelddadige » en het woord « dood » worden de woorden « , verdachte of onverklaarde » ingevoegd;

B. de woorden « een doctor in de geneeskunde of de heelkunde » worden vervangen door de woorden « een schouwarts ».

Art. 13

Artikel 83 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 14

In artikel 84 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « die zich ter plaatse begeeft, zoals in artikel 80 bepaald is » vervangen door de woorden « die zich van het overlijden vergewist door middel van het overlijdensattest ».

Art. 15

In artikel 85 van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden « , of van terechtstelling ».

Hoofdstuk II

Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

Art. 16

In artikel 44 van het Wetboek van strafvordering, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. de woorden « een gewelddadige dood of een dood waarvan de oorzaak onbekend is en verdacht » worden vervangen door de woorden « een gewelddadige of verdachte dood »;

B. de woorden « door een of twee geneesheren » worden vervangen door de woorden « door een geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde en eventueel door een kandidaat-specialist in de gerechtelijke geneeskunde ».

Hoofdstuk III

Wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie

Art. 17

In artikel 15 van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« Het overlijden valt dan niet onder het toepassingsgebied van de wet van ...tot regeling van het forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek. ».

Hoofdstuk IV

Wijziging van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind minder dan achttien maanden

Art. 18

In artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind minder dan achttien maanden, wordt na de eerste zin volgende zin ingevoegd :

« Het overlijden valt dan niet onder het toepassingsgebied van de wet van ... tot regeling van het forensisch geneeskundig postmortaal onderzoek. ».

Titel V

Sancties

Art. 19

Degene die door feitelijkheden, geweld of op elke andere manier het post-mortemonderzoek, zoals bedoeld in deze wet, verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en geldboete van vijftig tot vijfduizend euro of met één van deze straffen alleen.

Art. 20

Elke arts die de bepalingen van deze wet niet naleeft, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.

Titel VI

Slotbepaling

Art. 21

Deze wet treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum.

8 januari 2008.

Jacques BROTCHI.
Patrik VANKRUNKELSVEN.
Wouter BEKE.

(1) Zie in dat verband : Van De Voorde, W., Goethals, J. en Nieuwdorp, M., « Het ongewoon sterfgeval. Medicolegaal postmortem onderzoek », in Multidisciplinair forensisch onderzoek : juridische en wetenschappelijke aspecten, Politeia, 2003, p. 187.

(2) Recommendation no. R(99) — Committee of ministers to Member States — On the Harmonisation of Medico-Legal Autopsy Rules. Zie in dat verband : Beauthier, J.-P., « Médecine légale et justice, un partenariat (presque) parfait », in J. Méd. Lég. Droit Méd., 47, pp. 320-324; Beauthier, J.-P., « Quelques réflexions sur l'avenir de la médecine légale en Belgique », in Rev. belge du dommage corporel et de médecine légale, 32, pp. 25-32; Beauthier, J.-P., Traité de Médecine légale, 2007, Brussel, De Boeck Université, II, hoofdstuk 1 en 2; Quatrehomme, G., Rougé, D., « La Recommandation no R(99)3 du Comité des ministres aux États membres relative à l'harmonisation des règles en matière d'autopsie médico-légale », in J. Méd. Lég. Droit Méd., 46, pp. 249-260.

(3) Knight, B., Simpson's Forensic Medicine, Arnold, London, 1997, blz. 14.

(4) Zie in dat verband het koninklijk besluit van 4 februari 2002 ter uitvoering van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken, Belgisch Staatsblad van 30 maart 2002.