4-402/1

4-402/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

22 NOVEMBER 2007


Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, teneinde komaf te maken met een werkloosheidsval voor onvrijwillig deeltijdwerkers met een inkomensgarantie-uitkering

(Ingediend door mevrouw Anne Delvaux c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 10 juli 2006 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 51-2621/001).

Inleiding : de drie categorieën van deeltijdwerkers

De reglementering voorziet in drie categorieën van deeltijdwerkers.

1. De deeltijdwerkers die worden gelijkgesteld met voltijdse werknemers : zij krijgen een loon dat ten minste gelijk is aan het interprofessioneel minimumloon voor een voltijdse baan, met name :

— 1 234 euro voor wie minstens 21 jaar oud is;

— 1 283 euro voor wie 22 jaar oud is, met 12 maanden anciënniteit;

2. De deeltijdwerkers « met behoud van rechten » : deeltijdwerkers met die status worden geacht te zoeken naar een voltijdse baan. Vóór 1991 werden zij officieel « werknemers met verminderde arbeidstijd om te ontsnappen aan de werkloosheid » genoemd, en vervolgens, tot in 1996, « onvrijwillig deeltijdse werknemers ». Onder bepaalde voorwaarden (waarvan infra zal worden aangetoond dat die geleidelijk werden aangescherpt) kunnen die werknemers naast hun loon een aanvullende werkloosheidsuitkering krijgen, de zogenaamde « inkomensgarantie-uitkering » (IGU);

3. De vrijwillig deeltijdwerkers : alle deeltijdse werknemers die niet behoren tot de twee andere categorieën.

Dit wetsvoorstel behelst de tweede werknemerscategorie, zijnde de deeltijdwerkers « met behoud van rechten ». Op 800 000 deeltijdwerkers ontvingen in 2005 ongeveer 48 000 personen een inkomensgarantie-uitkering, dus ongeveer 5,9 % van de deeltijdwerkers.

Historisch overzicht : de wordingsgang van de hervormingen van de IGU

Vóór 1993

Al wie die deeltijds werkte, kreeg een aanvullende werkloosheidsuitkering in verhouding tot de niet-gepresteerde arbeidstijd, op voorwaarde dat het loon van de werknemer niet hoger was dan het refertemaandloon, dit wil zeggen het gemiddeld minimum maandinkomen (1) . Veel werknemers kozen vrijwillig voor een deeltijdse baan, aangezien ze tevens die aanvullende werkloosheidsuitkering kregen. In bepaalde sectoren regelden de ondernemingen het bovendien zo dat ze hun voordeel konden doen met de formule; zo gaven bijvoorbeeld de supermarkten, met hun openingsuren van 9 tot 19 uur, de voorkeur aan dubbele shifts, en beklemtoonden ze dat hun personeel, dat vooral uit vrouwen bestond, daar baat bij had.

1993

1993 was een keerpunt op dat vlak. De Belgische economie viel ten prooi aan de zwaarste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog, met een BBP dat daalde met 1,7 %. 1993 was in zekere zin een crisisjaar. Alle bezuinigingsmaatregelen waren dus meer dan welkom. In dat raam nam de regering-Dehaene het « Globaal Plan » aan, dat onder meer maatregelen bevatte die betrekking hadden op de status van de deeltijdwerkers.

In die context stelde de regering vanaf 1 juni 1993 de status in van « deeltijds werknemer met behoud van rechten en die recht heeft op een inkomensgarantie-uitkering », met het oog op de geleidelijke vervanging van de status van « onvrijwillig deeltijds werknemer die recht heeft op een werkloosheidsuitkering ».

Die laatstgenoemde status werd definitief afgeschaft in 1996. Die wijziging was van groot belang; ze deed het aantal rechthebbenden op een vergoeding immers fors inkrimpen, en zorgde daardoor ook voor een sterke daling van de overheidsuitgaven. Zo evolueerde het aantal deeltijdwerkers met een vergoeding van iets meer dan 20 000 in 1982 naar meer dan 200 000 in 1991, en daalde het aantal geleidelijk tot 30 000 in 1996. In 1998 bedroeg het percentage van de deeltijdwerkers met een vergoeding nog slechts 20 % van het aantal in 1992 geregistreerde soortgelijke werknemers (zie bijlage voor een grafisch overzicht).

De (grotendeels nog van toepassing zijnde) vereisten om die nieuwe status te verwerven, waren immers aanzienlijk strenger :

1. de arbeidsduur moest ten minste gelijk zijn aan 1/3 van de voltijdse arbeidsduur (hoewel in bepaalde afwijkingen was voorzien);

2. wanneer de werknemer deeltijds begon te werken, moest hij voldoen aan de voorwaarden om voor een voltijdse baan in aanmerking te komen en die te krijgen; vervolgens moest hij binnen twee maanden een aanvraag indienen om de status van « deeltijds werknemer met behoud van rechten » te krijgen;

3. de werknemer moest zich, binnen twee maanden nadat hij zijn deeltijdse baan had hervat, inschrijven als voltijds werkzoekende;

4. zijn loon moest lager zijn dan het minimum maandinkomen;

5. de arbeidstijd mocht maximaal 3/4-tijd bedragen (in 1997 werd dat 4/5-tijd);

6. de betrokkene moest bij zijn werkgever solliciteren voor een voltijdse baan.

Onder die voorwaarden werd het bedrag van de IGU berekend als volgt :

IGU = referte-uitkering + maandelijks supplement — nettoloon

of

— Referte-uitkering : 26 x de daguitkering die gedurende de beschouwde maand werd toegekend in geval van voltijdse werkloosheid;

— Maandsupplement : het forfaitaire bedrag, rekening houdend met de gezinstoestand (2)  :

— 154,08 euro voor werknemers met één enkel inkomen en met gezinslast;

— 123,26 euro voor een alleenstaande;

— 92,44 euro voor een samenwonende.

Gevolgen van de veranderingen die in 1993 werden doorgevoerd

— Voordelen :

Om aanspraak te maken op de inkomensgarantie-uitkering, moesten de betrokkenen voortaan aantonen dat zij daadwerkelijk voltijds wilden werken. Die maatregel leidde tot een vermindering van het aantal deeltijdwerkers met behoud van rechten, wat op zijn beurt grote minderuitgaven voor de Rijksbegroting meebracht.

— Nadelen :

De deeltijdwerker ontving telkens hetzelfde loon, ongeacht de graad van deeltijdwerk (1/3-tijds, halftijds, 3/4-tijds, ...). Een vergelijking tussen mensen met dezelfde status (gezinshoofd, alleenstaande of samenwonende) leert dat iemand die 3/4-tijds werkte, niet méér verdiende dan iemand die 1/3- of 1/5-tijds werkte. Men werd er dus niet toe aangemoedigd méér te gaan werken.

2003

In juli 2003 kondigde de regering in haar beleidsverklaring een hervorming van de inkomensgarantie-uitkering aan, wat werd bevestigd tijdens een Ministerraad van januari 2004.

Het uitgangspunt was het volgende : de uitkering zou niet langer de vorm aannemen van een vast bedrag per maand; ze zou daarentegen worden toegekend als een aanvulling per gepresteerd uur. De regeling werd aldus ingevoerd per 1 juli 2005 (via het koninklijk besluit van 28 juni 2005).

Sindsdien is het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering evenredig met de arbeidsduur. Maar de berekeningswijze is ook uitzonderlijk complex geworden in vergelijking met de vroegere regeling. Overigens werd de administratieve afhandeling van de berekening van de inkomensgarantie-uitkering doorgeschoven naar de vakbonden en valt die dus niet langer onder de bevoegdheid van de RVA.

Bedrag van de IGU

Sinds juli 2005 wordt de inkomensgarantie-uitkering als volgt berekend (behalve voor mensen die een voorlopige inkomensgarantie-uitkering genieten) (3) (4)  :

IGU = Referte-uitkering + (uurtoeslag x aantal werkuren boven 55 uur) — (nettoloon + werkbonus)

of

— Referte-uitkering = 26 x de daguitkering die gedurende de betrokken maand wordt toegekend in geval van volledige werkloosheid.

— Maandbedrag van de uurtoeslag = het aantal die maand gepresteerde uren x de uurtoeslag (opgelet : alleen de uren boven 1/3 van een voltijdse baan komen terzake in aanmerking, dat wil zeggen vanaf méér dan 55 uur) :

— 2,60 euro voor een werknemer met gezinslast;

— 1,82 euro voor een alleenstaande;

— 1,04 euro voor een samenwonende.

Officieel is het doel van de hervorming bereikt, te weten voorzien in billijker vergoedingen die afhankelijk zijn van het aantal gepresteerde uren in het kader van een deeltijdbaan. In de praktijk kunnen echter vraagtekens worden geplaatst bij de werkelijke motieven en de gekozen methode.

Op drie punten is die hervorming immers vatbaar voor kritiek en uitgaande van die drie punten wordt hier een nieuwe inkomensgarantie-uitkeringregeling voorgesteld.

1. Eerste punt van kritiek : de nieuwe regeling brengt voor deeltijdwerkers een forse daling van de inkomensgarantie-uitkering met zich

De op 1 juli 2005 in werking getreden regeling inzake inkomensgarantie voor zowat alle deeltijdwerkers heel wat minder voordelig dan de vorige. De enige « gelukkigen » zijn zij met een 3/4-tijdse of méér dan een 3/4-tijdse baan, maar dan nog op voorwaarde dat zij óók gezinshoofd zijn.

Dat euvel werd al van bij de eerste simulatieberekeningen van de IGU, in juli 2005, vastgesteld door het vakbondspersoneel dat ermee werd belast de inkomensgarantie-uitkering te berekenen. De toenmalige algemeen secretaris van het ABVV, Thierry Bodson, verwoordde het als volgt : « C'est une perte de revenus mensuelle de 65 à 205 euros qui est régulièrement observée (...). Certaines personnes touchent désormais moins d'argent en travaillant à temps partiel que lorsqu'elles étaient au chômage. Je dirais même que certaines personnes perdent quelques euros pour aller travailler à tiers-temps. (...) 90 % des travailleurs à temps partiel vont perdre de l'argent. Parmi les travailleurs à temps partiel, 50 % sont à mi-temps. Ceux qui vont gagner avec le nouveau système ce sont les chefs de ménage mais ils vont à peine recevoir 2 à 5 euros supplémentaires chaque mois » (5) . Hieronder vindt de lezer een grafiek waarin het ACV de berekening van de IGU simuleert vóór en na juli 2005.

Uit die simulatie blijkt dat de gang van zaken momenteel oneerlijk is, en wel om de volgende redenen :

— de IGU daalt zo fors dat heel wat deeltijdwerkers in een werkloosheidsval terechtkomen. Ter illustratie enkele uit het leven gegrepen situaties :

a) een arbeider die tegelijk gezinshoofd is, stempelt halftijds en werkt halftijds (19/38 uur per week). Zijn brutoloon bedraagt 680 euro. Als volledig werkloze zou hij 1 025,70 euro krijgen. Als gezinshoofd ontvangt hij sinds juli 2005 een IGU ten belope van 462 euro. Door deeltijds te werken, ontvangt hij dus 462 euro (inkomensgarantie-uitkering) + 631 euro (loon voor zijn beroepsactiviteit), dat wil zeggen in totaal 1 093 euro tegenover 1 025,70 euro indien hij helemaal niet zou werken;

b) een kleuterleidster die wekelijks 4 uur werkt (6) , verdiende in juni 2005 netto alles samen 752,37 euro. Sinds 1 september 2005 verdient ze 670,46 euro per maand. Door de jongste hervorming van de inkomensgarantie-uitkering verliest zij dus maandelijks 81,91 euro;

— die situatie treft vooral mensen die onder de meest precaire arbeidsovereenkomsten werken (inzonderheid in de horeca en de schoolcrèches). In die beroepen hebben de werknemers veelal immers minder dan een 3/4-tijdse baan, niet omdat zij dat zo willen, maar omdat zulks nu eenmaal tot de geplogenheden binnen de sector behoort. Zo heeft de horeca heel veel werkkrachten nodig, maar slechts gedurende een kort tijdsbestek (de etensuren). De drastische terugval van het inkomen dreigt in die beroepen een tekort aan arbeidskrachten te doen ontstaan, dat overigens al zichtbaar wordt in de schoolcrèches;

— de deeltijdwerkers met behoud van rechten verdienen doorgaans slechts heel weinig (ter herinnering : wie méér verdient dan het gewaarborgd minimumloon, valt uit de boot). Dat betekent dat de weinigverdieners nu nóg minder verdienen en dat hun bestaansonzekerheid nóg toeneemt;

— onze arbeidsmarkt wordt een gebrek aan flexibiliteit verweten. Precies het deeltijdwerk is een van de vele mogelijkheden om de arbeidskrachten flexibeler te beheren. Inzonderheid in de arbeidsintensieve sectoren is deeltijdwerk een uitgelezen middel om de productiviteit op te voeren, de werkgeverslasten te verlichten, bijkomende arbeidsuren te verkrijgen zonder ze als overuren te moeten betalen enzovoort. Door het deeltijdwerk voor de minst bedeelde categorieën van werknemers financieel minder aantrekkelijk te maken, verliezen we hefbomen om onze arbeidsmarkt flexibeler te maken.

Het ACV komt in dat verband tot de volgende bevindingen :

2) Tweede punt van kritiek : de hervorming van de inkomensgarantie-uitkering : een verkapte manier om budgettair te bezuinigen ?

Het is verdacht dat de hervorming van de IGU gepaard gaat met een bezuiniging op de begroting. De minister die bevoegd is voor de Begroting had die bezuiniging eerst geraamd op 10 miljoen euro voor 2005, vooraleer hij daarop terugkwam met de verklaring dat die bezuiniging op maar 3 miljoen euro zou uitkomen.

Hij had in verband met 2006 ook aangegeven dat de hervorming meer dan 17 miljoen euro aan minderuitgaven zou opleveren. Welnu, in de begroting 2006 wordt wel degelijk een verlaging met 2 % bekrachtigd in vergelijking met het bedrag dat vorig jaar voor de IGU was uitgetrokken.

Indien het werkelijk de bedoeling was in de Rijksbegroting tot minderuitgaven te komen, dan had de regering dat niet alleen openlijk moeten aangeven, maar ook en vooral in overweging moeten nemen dat de mensen die deeltijds werken en een inkomensgarantie-uitkering ontvangen, in een precaire situatie leven. Op die categorie van mensen mag budgettair zeker niet worden bespaard, vooral omdat het resultaat daarvan dreigt te zijn dat vooral het vraagstuk van de werkloosheidsvallen dreigt te verergeren.

Begroting (in duizenden euro) Begrotingsverschil ten opzichte van het jaar voordien Aantal mensen dat een aanvullende werkloosheidsuitkering ontvangt
2003 183 784 - 42,137
2004 192 720 5 % 44 096
2005 213 323 11 % 47 924
2006 208 571 -2 % nd

3) Derde punt van kritiek : de berekening van de inkomensgarantie-uitkering is bijzonder ingewikkeld

De sinds 1 juli 2005 vigerende berekeningswijze is bijzonder ingewikkeld. Ze brengt heel wat bijkomende administratieve rompslomp mee. Daarom volgt hierna de vereenvoudigde versie van de berekening van de IGU. Mocht volledigheid worden betracht, dan moet worden gepreciseerd dat de berekening van de IGU in werkelijkheid in twee delen is onderverdeeld (hierna de delen A en B genoemd). Pro memorie : bij die twee delen worden alle volgende parameters in aanmerking genomen (7)  :

« In DEEL A wordt het theoretische bedrag van de werkloosheidsuitkering (F2), eventueel verhoogd met de PWA-verhoging (F11),

— geproportioneerd in functie van de vergoedbare periode in de beschouwde maand (F1);

— verhoogd met een uurtoeslag (F4) voor de uren die één derde van een voltijds uurrooster (55) te boven gaan;

— verminderd met een fictief nettoloon (YNETBIS). Dit wordt bekomen door het brutoloon te verminderen met de theoretische RSZ-bijdrage, te verhogen met de RSZ-werkbonus en te verminderen met de voorheffing (zie verder).

Deel A : [F1 x (F2 + F11)] + {F4 x [F8 — (55 x F1/26)]} — YNETBIS × 100/89,91

Bijkomende uitleg :

— de PWA-verhoging (F11) geldt slechts tot 30.6.2006;

— indien [F8 — (55 x F1/26)] negatief is, wordt het getal 0 ingevoerd;

— het resultaat wordt herleid tot 0 euro, indien dit resultaat x 0,8991 lager is dan 7,64 euro;

— op het eindresultaat wordt voorheffing ingehouden (zie verder).

In DEEL B wordt een maximumbedrag berekend dat niet overschreden mag worden. (...)

Dit maximumbedrag wordt bekomen door het fictief deeltijdse nettoloon (YNETBIS) in mindering te brengen van het theoretisch voltijds nettoloon, bekomen op grond van het gemiddeld uurloon (F6) van de beschouwde maand.

Ook voor arbeiders wordt de RSZ-bijdrage berekend op het loon aan 100 % in plaats van aan 108 %. Dit gebeurt omdat ook voor de vakantiemaand een fictief loon (waarop fictieve RSZ-bijdragen worden berekend) in rekening wordt gebracht. Zo ontvangt de arbeider tijdens vakantieperiodes ongeveer dezelfde inkomensgarantie-uitkering als tijdens de tewerkstelling.

DEEL B : [F6 x S × 4,3333 x F1/26 x 0,8693)] + PROP-BONUSFT — voorheffing — YNETBIS

Aanvullende uitleg :

— het resultaat wordt herleid tot 0 euro, indien dit resultaat x 0,8991 lager is dan 7,64 euro;

— op het eindresultaat wordt voorheffing ingehouden (zie verder).

De berekening van de inkomensgarantie-uitkering is dus complex, en het is niet altijd gemakkelijk aan de werknemers uit te leggen hoeveel zij op het einde van de maand met die nieuwe regeling zullen ontvangen. Zoals reeds gesteld, is het trouwens niet langer de RVA die de berekening van de inkomensgarantie-uitkering verricht; dat doen thans de uitbetalingsinstellingen. Zulks doet het bijkomende knelpunt rijzen dat de instellingen soms bepaalde, aan de interpretatie van de berekeningsregels gerelateerde moeilijkheden ondervinden.

Voorstel

Het idee waarop de in 2003 uitgedachte hervorming stoelde, was correct, met name dat het niet normaal was dat iemand die een deeltijdse prestatie van 1/3de, 1/2e dan wel 3/5den verricht, hetzelfde inkomen ontvangt. Een hervorming was dus wenselijk om mensen aan te moedigen meer te werken.

De gekozen methode deugt echter niet : ze leidt tot ernstige functiestoornissen en doet echt een werkloosheidsval ontstaan. Zoals hierboven gesteld, zal de hervorming in bepaalde situaties haaks staan op de verwachte doelstellingen : de werknemers worden ertoe aangezet niet langer deeltijds werk te aanvaarden, maar integendeel voltijdse werkloosheid te verkiezen. Dat garandeert hun immers een bijna even hoge als, of zelfs een hogere maandelijkse netto-uitkering dan die welke zij zouden ontvangen, mochten zij deeltijds aan de slag gaan.

De indiener stelt voor dat knelpunt zo spoedig mogelijk te verhelpen, en niet te wachten tot nog meer mensen in een precaire situatie belanden en te lijden krijgen van de nadelen van die falende regeling.

Een mogelijkheid ware de nieuwe regeling inzake de inkomensgarantie-uitkering in beginsel te behouden, maar bepaalde variabelen ervan te wijzigen opdat de werknemers die één derde van de arbeidstijd of halftijds werken, dan wel de alleenstaande of samenwonende werknemers zonder gezinslast een hogere toeslag ontvangen dan die waarin thans is voorzien. Dat ware evenwel een onvolmaakte, halfslachtige oplossing : dan zou namelijk een uitermate ingewikkeld berekeningsstelsel voor de IGU gehandhaafd blijven. Zulks zou evenmin de bestaande onderlinge ongelijkheden wegwerken tussen de verschillende berekeningswijzen die de uitbetalingsinstellingen hanteren.

Daarom wordt met dit wetsvoorstel een regeling in uitzicht gesteld die volgens de indiener billijker en rationeler is, in casu een regeling waarbij deeltijdwerkers met handhaving van hun rechten een inkomensgarantie-uitkering genieten in verhouding tot het aantal werkloosheidsdagen. Het beginsel van die regeling zou dus sporen met het stelsel dat in 1993 van kracht werd. De voorgestelde berekening van de IGU kan worden samengevat in de volgende formule :

IGU = dagelijkse werkloosheidsuitkering x aantal werkloosheidsdagen

Het maandinkomen van de deeltijdwerker zou dus de som zijn van het loon dat hij voor zijn gepresteerde werkdagen heeft ontvangen én van de uitkering voor de werkloosheidsdagen. Eenvoudiger kan haast niet ...

Vanzelfsprekend zou een maximumbedrag gelden. De som van de inkomensgarantie-uitkering en het netto-inkomen zou met name lager moeten liggen dan 87,5 % van het (bruto) interprofessioneel maandloon.

Voorts zou de werknemer minder dan 4/5den moeten werken om aanspraak te maken op de inkomensgarantie-uitkering (een regel die nu al van toepassing is).

Het gaat dus om dezelfde berekeningsregeling van de werkloosheidstoeslag als die welke vóór 1993 van toepassing was, maar dan zonder de destijds vastgestelde misbruiken, aangezien wij het « voorwaardenarsenaal » zouden behouden, te weten voornamelijk dat de deeltijdwerkers daadwerkelijk onvrijwillig deeltijds aan de slag zijn en dat ze dus volledig beschikbaar zijn voor een voltijdse baan.

Wij zouden niettemin komaf maken met een van de in 1993 ingestelde voorwaarden betreffende het minimumaantal werkuren om het statuut van deeltijdwerker met behoud van rechten te kunnen krijgen. Destijds was die voorwaarde weliswaar gerechtvaardigd door de geldende berekeningswijze, maar thans lijkt die voorwaarde niet langer wenselijk. Ze zorgt voor een ongelijke behandeling tussen de werknemers met behoud van rechten die meer dan 1/3 van de werktijd presteren, en de onvrijwillige deeltijdwerkers die er niet in slagen een betrekking van meer dan 1/3 van de werktijd te vinden. Die voorwaarde in stand houden, zou erop neerkomen dat de betrokkene iedere motivatie wordt ontnomen om een beschikbare baan van minder dan 1/3 van de werktijd te aanvaarden, omdat zulks niet voor meer inkomen zou zorgen en zelfs een inkomensverlies met zich kan brengen.

Ten slotte wil de indiener voorkomen dat tussen werkgevers en werknemers stilzwijgende overeenkomsten worden gesloten, waarbij de werknemer verklaart dat hij een voltijdse baan zoekt om de inkomensgarantie-uitkering te krijgen, terwijl hij in werkelijkheid niet echt beschikbaar zou zijn om in de onderneming voltijds te werken. Daarom wordt voorgesteld te voorzien in een sanctieregeling ten aanzien van werkgevers die medeplichtig zouden zijn aan een dergelijk gedrag, door een beschikbare voltijdse baan niet aan te bieden aan die werknemer zodra er in de onderneming een vacature is (8) , maar in plaats daarvan een nieuwe werknemer in dienst nemen.

De indiener laat het aan de Koning over de nadere regels inzake controle en sancties te bepalen. Terzake zouden bijvoorbeeld de geldboetes voor werkgevers die een beroep doen op zwartwerkers model kunnen staan.

Weerslag van de voorgestelde maatregel op de begroting

In 2005

— hebben gemiddeld 47 924 deeltijdwerkers een inkomensgarantie-uitkering gekregen;

— bedroeg de gemiddelde inkomensgarantie-uitkering van de deeltijdwerkers 370,94 euro;

— werd aan de inkomensgarantie-uitkering budgettair 213 323 400 euro besteed.

Door de voorgestelde hervorming zou het inkomen van de deeltijdwerkers met ongeveer 75 euro stijgen.

De weerslag op de begroting zou er dus uitzien als volgt :

— voor de deeltijdwerkers die thans de inkomensgarantie-uitkering ontvangen (en ervan uitgaand dat het aantal deeltijdwerkers met behoud van rechten ongewijzigd blijft), zou de hervorming jaarlijks ongeveer 43,13 miljoen euro kosten;

— voor de werklozen die uit de werkloosheid zouden treden om deeltijds te gaan werken (omdat het voortaan voordeliger zal zijn te werken), is het moeilijk de kosten te ramen, maar het staat vast dat ze in ruime mate zouden worden gecompenseerd door een terugverdieneffect, met name omdat die mensen niet langer de volledige werkloosheidsuitkering ontvangen.

De weerslag op de begroting zou dus minder dan 43,13 miljoen euro bedragen. Hoe meer de IGU de werkloosheidsvallen wegwerkt, hoe kleiner de weerslag ervan op de federale begroting.

Simulatie (bruto-inkomsten)

Duur van de werkloosheid tijdens de maand. — Temps de chômage sur le mois Werktijdregeling (aantal uren per week/38). — Horaire d'heures travaillées par mois Aantal gepresteerde uren per maand. — Nombre d'heures travaillées par mois Bruto-maandloon van de werknemer. — Salaire mensuel brut du travailleur Voorgestelde IGU. — AGR proposé Totaal inkomen van de werknemer volgens de voorgestelde IGU. — Revenu total du travailleur selon AGR proposé Aantla uren dat n aanmerking komt voor de toeslag. — Nombre d'heures qui comptent pour le complément Huidige IGU. — AGR actuel Inkomen volgens de huidige IGU. — Revenu selon AGR actuel IGU volgens de oude regeling. — AGR ancien régime Inkomen volgens de oude IGU-regeling. — Revenu selon ancien régime AGR Verschil tussen de voorgestelde en de huidige IGU. — Différence entre AGR proposé et AGR actuel
66 % 13 56 422 566 988 0 438 860 592 1 014 128
63 % 14 61 455 543 998 6 420 874 560 1 014 123
61 % 15 65 459 521 979 10 427 885 555 1 014 94
58 % 16 69 489 498 987 14 407 896 525 1 014 91
55 % 17 74 520 475 995 19 387 908 494 1 014 88
53 % 18 78 551 453 1 003 23 368 919 464 1 014 85
50 % 19 82 581 430 1 011 27 348 930 433 1 014 82
47 % 20 87 612 407 1 019 32 329 941 402 1 014 79
45 % 21 91 642 385 1 027 36 309 952 372 1 014 75
42 % 22 95 673 362 1 035 40 290 963 341 1 014 72
39 % 23 100 704 340 1 043 45 270 974 311 1 014 69
37 % 24 104 734 317 1 051 49 251 985 280 1 014 66
34 % 25 108 765 294 1 059 53 231 996 249 1 014 63
32 % 26 113 795 272 1 067 58 212 1 007 219 1 014 60
29 % 27 117 826 249 1 075 62 192 1 018 188 1 014 57
26 % 28 121 857 226 1 083 66 172 1 029 158 1 014 54
24 % 29 126 887 204 1 091 71 153 1 040 127 1 014 51
21 % (4/5 tps) 30 130 918 181 1 098 75 133 1 051 96 1 014 47
Maandelijkse werkloosheidsvergoeding. — Allocation de chômage mensuelle Voltijds werkrooster. — Horaire temps plein Uurloon GMML. — Salaire horaire au RMMM Voltijds GMML. — RMMM temps plein
860,08 38,00 7,49 1 234

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Dit artikel strekt ertoe te voorzien in :

1. een berekeningswijze van de inkomensgarantie-uitkering voor de onvrijwillig deeltijdwerker die maakt dat de inkomensgarantie-uitkering gelijk is aan het deel van de volledige werkloosheidsuitkering dat overeenstemt met de niet-gepresteerde arbeidstijd ten opzichte van een voltijdse baan;

2. een bovengrens voor de inkomensgarantie-uitkering, waarbij met name de som van die uitkering en het netto-inkomen lager moet zijn dan 87,5 % van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen;

3. de regel dat als de bovengrens van 87,5 % van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen als bedoeld in 2. wordt overschreden, het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering wordt verminderd ten belope van de overschrijding.

Artikel 3

Dit artikel strekt ertoe de werknemers die minder dan 1/3 van de werktijd presteren, opnieuw als mogelijke gerechtigden voor de inkomensgarantie-uitkering in aanmerking te laten komen.

Artikel 4

Dit artikel stekt ertoe de Koning te machtigen een sanctieregeling en de nadere controleregels in te stellen ten aanzien van de werkgevers die aan onvrijwillig deeltijdwerkers in hun onderneming geen beschikbare voltijdse baan zouden aanbieden.

Dit artikel beoogt aldus stilzwijgende afspraken tussen werkgevers en werknemers te voorkomen, waarbij de werknemer zich voor een voltijdse baan bereid zou verklaren met het oog op het verkrijgen van de inkomensgarantie-uitkering, maar in werkelijkheid niet beschikbaar zou zijn om in de onderneming een voltijdse baan uit te oefenen.

Anne DELVAUX.
Marc ELSEN.
Georges DALLEMAGNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1. paragraaf 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder :

1º S : de contractuele gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werknemer, vermeerderd met de ingevolge een regeling inzake arbeidsduurvermindering bezoldigde inhaalrust;

2º Q : de contractuele gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de refertepersoon, vermeerderd met de ingevolge een regeling inzake arbeidsduurvermindering bezoldigde inhaalrust;

3º R : de daguitkering in de zin van hoofdstuk IV, afdeling 2.

Het nettobedrag van de inkomensgarantie-uitkering wordt verkregen door de toepassing van de volgende formule :

[1 — (S/Q)] * (26*R)

De Koning kan de nadere regels voor de berekening van de in het eerste en het tweede lid bepaalde inkomensgarantie-uitkering wijzigen. »;

2. paragraaf 2bis wordt vervangen door de volgende bepaling :

« De som van het nettobedrag van de inkomensgarantie-uitkering en van het door de deeltijdse werknemer met behoud van rechten in de beschouwde maand verdiende nettoloon mag echter nooit hoger zijn dan 87,5 % van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen.

Ingeval dit bedrag 87,5 % van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen zou overschrijden, wordt het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering verminderd ten belope van de genoemde overschrijding.

De Koning kan de in het eerste en het tweede lid bepaalde voorwaarden wijzigen. »;

3. de §§ 2ter en 3bis worden opgeheven.

Art. 3

In artikel 29 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden « en waarvan de wekelijkse duur beantwoordt aan de bepalingen van artikel 11bis, vierde en volgende leden van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten » weggelaten.

Art. 4

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels inzake de controle en bestraffing die van toepassing zijn op de werkgevers die de vacante betrekkingen in de onderneming bij identieke kwalificatie niet zouden toekennen aan de deeltijdse werknemers met behoud van rechten die al in de onderneming werken.

29 oktober 2007.

Anne DELVAUX.
Marc ELSEN.
Georges DALLEMAGNE.

Bijlage

Evolutie statuut onvrijwillig deeltijds/deeltijds met behoud van rechten volgens geslacht (1982-1998)

Verhouding mannen en vrouwen die de IGU ontvangen

Maart 2006 Verhouding
Mannen 10 089 22 %
Vrouwen 35 562 78 %
Totaal 45 651 100 %

NB : De verhoudingen zijn identiek voor het jaar 2005.

54 % van de gerechtigden op de IGU zijn samenwonenden met gezinslast; de overige 46 % zijn dus alleenstaanden en samenwonenden zonder gezinlast.


(1) In 1992 is die regel gedeeltelijk gewijzigd : er wordt aan de deeltijdwerker slechts een aanvullende uitkering verleend wanneer hij niet meer dan 87,5 % van het refertemaandloon verdient, terwijl dat voordien 100 % was.

(2) De vermelde bedragen werden bij de tijd gebracht, teneinde de vergelijking met de verschillende voorgestelde regelingen mogelijk te maken. Het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering kwam overeen met het verschil tussen de theoretische maandelijkse werkloosheidsuitkering voor volledige werkloosheid, verhoogd met een aanvullende uitkering, afhankelijk van de gezinstoestand en het nettoloon voor het deeltijdwerk. De inkomensgarantie-uitkering was overigens beperkt tot 2/3 van de maandelijkse uitkering waarop de werknemer als voltijds werkloze recht had gehad.

(3) De werknemers die onder de overgangsregeling vallen, ontvangen een ikomensgarantie-uitkering die werd berekend volgens de vroegere methode. In verband met de overgangsmaatregelen bepaalt de wet dat de werknemers die na de inwerkingtreding van de nieuwe reglementering een inkomensgarantie-uitkering aanvragen en die een dergelijke uitkering reeds gedurende tenminste een kalendermaand tussen 1 juli en 13 juni 2005 hebben ontvangen, eveneens onder het overgangsstelsel vallen, op voorwaarde dat er tussen twee deeltijdse betrekkingen minder dan 4 maanden liggen en dat de nieuwe betrekking bedraagt.

(4) Het betreft hier een vereenvoudigde weergave van de inkomensgarantie-uitkeringregeling. Voor een gedetailleerde weergave : cf. infra.

(5) La Libre Belgique, 22 oktober 2005.

(6) NB : Voor bepaalde functies bestaan er afwijkingen op grond waarvan iemand die minder dan 1/3 van de tijd werkt, alsnog op een inkomensgarantie-uitkering aanspraak maakt.

(7) De uitleg van de berekening komt van de RVA-website, zie : http://www.onem.fgov.be/D_opdracht_PTdefaultasp?MainDir=D_opdracht_PT&IndexDir=Bedrag&Button=3.

(8) Uiteraard van dezelfde scholingsgraad als die van de werknemer.