4-457/1 | 4-457/1 |
6 DECEMBER 2007
Een zeer recent verslag van het Franse Rekenhof wijst op de aanzienlijke verbreiding van aandelenoptieplannen in bedrijven en raamt het inkomstenverlies voor de Franse Staat inzake sociale bijdragen op 3,2 miljard euro.
De optieplannen maken deel uit van de indirecte loonvoordelen die bedrijven toekennen. Volgens een studie van SD Worx op basis van een steekproef bij 600 000 werknemers bedragen aandelenopties naar schatting 20 % van het totale salarispakket.
Deze indirecte loonvoordelen bestaan voornamelijk uit maaltijdcheques, forfaitaire onkostenvergoedingen, groepsverzekeringen, bedrijfswagens en communicatiemiddelen.
Uit deze studie blijkt ook dat het aandeel van de indirecte loonvoordelen toeneemt met de plaats van de functie in de hiërarchie.
Het is moeilijk om het totale volume van de meerwaarden die in fine in het kader van deze plannen worden gerealiseerd, in te schatten, met name door de nog steeds geldende anonimiteit van het effectenbezit.
De analyse van de jaarverslagen van een aantal groepen toont de omvang van het fenomeen evenwel afdoende aan.
De cijfers van het Franse Rekenhof bevestigen deze analyse.
Tevens blijkt dat bedrijfsleiders en met name de gedelegeerd bestuurders op grote schaal op deze plannen intekenen.
Er moet worden vastgesteld dat hoewel bedrijfswagens, om maar dit als voorbeeld te nemen, belast worden in de personenbelasting, waarbij het minimumbedrag forfaitair is bepaald maar door de administratie kan worden gecorrigeerd, de meerwaarden uit aandelen in het kader van optieplannen nagenoeg van belasting vrijgesteld zijn.
Toch is het door of bij de beroepsactiviteit dat men deze voordelen geniet. Het gaat dus wel degelijk om een vorm van bezoldiging.
Op dit moment wordt het belastbare voordeel voor beursgenoteerde aandelen als volgt berekend :
15 % van de koers van het aandeel op de dag vóór het aanbod (om in te tekenen op het optieplan).
Om de waarde van het aandeel te bepalen, heeft de firma die de optie aanbiedt de keuze tussen :
— de gemiddelde slotkoers van het aandeel tijdens de 30 dagen voorafgaand aan het aanbod, of
— de laatste slotkoers vóór de dag van het aanbod.
Voor de niet genoteerde aandelen is de berekeningswijze verschillend (er wordt verwezen naar artikel 43 van de wet van 26 maart 1999).
Wanneer de optie wordt toegekend voor een periode van meer dan 5 jaar te rekenen vanaf de datum van het aanbod, wordt het belastbare voordeel per jaar of gedeelte van een jaar dat de vijf jaar overschrijdt, vermeerderd met 1 % van de waarde van de aandelen.
Het tarief van 15 % wordt verlaagd tot 7,5 % wanneer aan verschillende voorwaarden — die heel wat bedrijven in acht nemen —, is voldaan :
— de uitoefenprijs van de optie wordt defintief vastgesteld op het ogenblik van het aanbod;
— de optie moet vermelden dat ze niet kan worden overgedragen onder levenden en niet kan worden uitgeoefend vóór het einde van het derde kalenderjaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden, noch na het einde van het tiende jaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden;
— de optie heeft betrekking op aandelen van de vennootschap ten behoeve waarvan de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend of op aandelen van een andere vennootschap die een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming heeft in de eerstgenoemde vennootschap (onder bepaalde voorwaarden).
Voor de details en bepaalde bijzonderheden van het stelsel (zoals de toekenning van een uitoefenprijs die lager is dan de op het ogenblik van het aanbod geldende waarde van het aandeel) wordt verwezen naar de artikelen 41 tot 47 van de wet van 26 maart 1999 en naar de wet van 24 december 2002.
Het aldus vastgestelde voordeel van 15 of 7,5 % van de waarde van het aandeel op het moment van het aanbod wordt als voordeel van alle aard gevoegd bij het totaal belastbaar inkomen en wordt gekoppeld aan het belastbaar tijdperk dat overeenstemt met het jaar van het aanbod.
De later gerealiseerde meerwaarde uit het verschil tussen de waarde van het aandeel op het moment van het aanbod en de verkoopwaarde ervan wordt niet beschouwd als een belastbaar beroepsinkomen.
Gelet op het belang van een algemeen belastingssysteem dat rekening houdt met de reële draagkracht van personen en, op basis van de vaststellingen in de studie van SD Worx, het belang van de andere indirecte loonvoordelen waarvan SD Worx de ongelijke verdeling benadrukt, lijkt het noodzakelijk om de fiscaliteit inzake aandelenopties te herzien.
Aangezien het tevens gaat om een vorm van deelname aan de resultaten van het bedrijf, lijkt het logisch om de meerwaarden die daadwerkelijk zijn gerealiseerd in het kader van optieplannen te belasten tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 25 %, dit wil zeggen het equivalent van de roerende voorheffing met betrekking tot de aan de aandeelhouders uitgekeerde dividenden.
Artikel 2
Artikel 42, § 2, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, dat bepaalt dat de meerwaarden die worden gerealiseerd bij de uitoefening van een aandelenoptie niet worden belast, wordt opgeheven.
Artikel 3
A. Dit artikel wijzigt artikel 43, § 1, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, de kern van deze materie, volledig teneinde de forfaitaire bepaling van het verkregen voordeel van de begunstigde van een aandelenoptie om te zetten in de vaststelling van het reëel verkregen voordeel.
B. De invoering van een nieuwe bepaling maakt de §§ 2 en 3 van artikel 43 van dezelfde wet overbodig.
C. Het gaat om een technische wijziging teneinde de samenhang van de nieuwe tekst te waarborgen.
D. De invoering van een nieuwe bepaling maakt de §§ 5 en 6 van artikel 43 overbodig.
E. Het gaat om een technische wijziging teneinde de samenhang van de nieuwe tekst te waarborgen.
F. De invoering van een nieuwe bepaling in artikel 43, § 1, maakt deze wijziging noodzakelijk.
Artikel 4
Dit artikel beoogt de overdracht van informatie aan de belastingdiensten zowel door de personen die de aandelenopties toekennen als door de financiële tussenpersonen bij latere transacties.
Er wordt voorzien in een delegatie aan de Koning teneinde de aard, de vorm en de nadere regels met betrekking tot deze informatie te bepalen.
Artikel 5
Dit artikel heeft tot doel de meerwaarden die door de begunstigden van een aandelenoptieplan worden gerealiseerd, afzonderlijk te belasten in de personenbelasting tegen een aanslagvoet van 25 %.
Artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt dienovereenkomstig gewijzigd.
Artikel 6
Artikel 6 bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet.
| Philippe MAHOUX. Joëlle KAPOMPOLÉ. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 42, § 2, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt opgeheven.
Art. 3
In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. § 1 wordt vervangen als volgt :
« § 1. — Het krachtens artikel 42, § 1, belastbare bedrag van het voordeel stemt overeen met de meerwaarde uit het verschil tussen de waarde van het aandeel op het moment van het aanbod en de verkoopwaarde ervan wanneer de optie wordt uitgeoefend »;
B. de §§ 2 en 3 worden opgeheven;
C. In § 4, gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, worden de woorden « van paragraaf 3 » vervangen door de woorden « van paragraaf 1 »;
D. de §§ 5 en 6 worden opgeheven;
E. in § 7 worden de woorden « in de gevallen bedoeld in de §§ 4 tot 6 » vervangen door de woorden « in de gevallen bedoeld in § 4 ».
F. op het einde van § 8 worden de woorden « dat forfaitair wordt vastgesteld op het ogenblik van de toekenning van de optie » vervangen door de woorden « dat wordt vastgesteld overeenkomstig § 1 ».
Art. 4
Artikel 44 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 44. — De persoon die aandelenopties toekent waarvan de meerwaarden kunnen worden belast overeenkomstig artikel 43, § 1, dient de fiscale administratie jaarlijks de informatie te bezorgen waarvan de aard, de voorwaarden en de nadere regels door de Koning worden bepaald en waarmee wat de begunstigden betreft, de aangifte van de inkomsten bedoeld in artikel 42, § 1, kan worden nagegaan.
De Koning legt tevens de verplichtingen inzake het verstrekken van informatie aan de fiscale administratie vast voor de kredietinstellingen, beursvennootschappen en elke andere tussenpersoon die betrokken is bij een transactie met betrekking tot de aankoop of verkoop van aandelen in het kader van een aandelenoptieplan. ».
Art. 5
Artikel 171, 3º, quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, wordt aangevuld met het volgende zinsdeel :
« en de meerwaarden bedoeld in artikel 43, § 1, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen. ».
Art. 6
Deze wet is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2009.
25 oktober 2007.
| Philippe MAHOUX. Joëlle KAPOMPOLÉ. |