4-456/1

4-456/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

6 DECEMBER 2007


Wetsvoorstel tot wijziging van de fiscale behandeling van meerwaarden op aandelen en van de in de vennootschapsbelasting definitief belaste inkomsten

(Ingediend door de heer Philippe Mahoux en mevrouw Joëlle Kapompolé)


TOELICHTING


De Hoge Raad voor Financiën stelde in zijn advies betreffende de hervorming van de vennootschapsbelasting al vast dat er op Europees niveau een trend bestaat om de belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting te verruimen en het tarief van die belasting te verlagen.

Met die vaststelling gewapend hebben de twee voorgaande regeringen een hervorming van de vennootschapsbelasting tot stand gebracht, waardoor het binnen een budgettair neutraal kader, mogelijk werd het tarief van de vennootschapsbelasting te verlagen en de inbreng van eigen middelen in vennootschappen te stimuleren, terwijl op het niveau van de grondslag van de vennootschapsbelasting mechanismen waarvan misbruik werd gemaakt of aftrekmogelijkheden die geen bestaansreden meer hadden, werden gecorrigeerd.

Ondanks die hervorming van onze wetgeving, blijven er nog bepaalde incoherenties bestaan.

Het is bijvoorbeeld zo dat in het stelsel van de definitief belaste inkomsten de voorwaarde inzake het bezit door de vennootschap die het dividend ontvangt van een bepaalde hoeveelheid aandelen in de vennootschap die het dividend uitkeert, niet geldt voor banken, verzekeringsmaatschappijen, holdings en beursvennootschappen.

We kunnen hierbij verwijzen naar het arrest van het Grondwettelijke Hof van 5 juli 2006, waarin het Hof zich beraadde over de prejudiciële vraag of het feit dat aan banken, beursvennootschappen en verzekeringsondernemingen geen voorwaarden worden gesteld inzake het bezitten van een minimale participatie al dan niet discriminerend is, en waarop het antwoord ontkennend was. De reden hiervan is te vinden in de specifieke wetgeving voor de ondernemingen in die sectoren, die hun verbiedt bepaalde volledige of gedeeltelijke participaties in andere vennootschappen te bezitten.

De Europese richtlijn 90/435/EG daarentegen had tot doel « hergroeperingen van vennootschappen uit verschillende lidstaten » te stimuleren en bepaalde hiertoe het volgende : « Wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar dochteronderneming, uitgekeerde winst ontvangt ..., moet de Lidstaat van de moedermaatschappij :

— of wel zich onthouden van het belasten van deze winst,

— of wel de winst belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij toestaan dat gedeelte van de belasting van de dochteronderneming dat op deze winst betrekking heeft van haar eigen belasting af te trekken ».

We mogen hieruit dus het volgende besluiten :

— de Europese reglementering verplicht ons er slechts toe de belasting te regelen tussen « deelgerechtigde » vennootschappen en hiertoe is het instellen van een deelnemingsvoorwaarde relevant;

— wat de banken, verzekeringsondernemingen en beursvennootschappen betreft, is alleen de wil van de regering om een vorm van dubbele belasting te voorkomen het uitgangspunt voor het stelsel van de definitief belaste inkomsten dat voor hen geldt. De reden hiervan is dat zij de facto, door de beperkingen van hun specifieke regelgeving, (fiscaal gezien) de eigenschappen van een moedermaatschappij niet kunnen hebben.

Na die vaststelling kan men zich afvragen of het mogelijk is bij de behandeling van de vennootschappen van alle sectoren aan de hand van boekhoudkundige criteria een grotere gelijkheid na te streven. Er is reeds een stap in die richting gezet door het koninklijk besluit van 27 maart 2003, dat bepaalt wat bij de toepassing van het stelsel van de definitief belaste inkomsten in de sector van de banken, de verzekeringsondernemingen en de beursvennootschappen moet worden verstaan onder « financiële vaste activa ». Hoewel de Raad van State dat koninklijk besluit, wat het gedeelte over de verzekeringsondernemingen betreft, vernietigd heeft, lijkt die methode ons een aanpak toe te staan waardoor een deelnemingsdrempel kan worden vastgelegd die niet in een percentage van de aandelen van de dividenduitkerende vennootschap is uitgedrukt, maar in een absoluut bedrag. Men kan hiertoe perfect de drempel van 1,2 miljoen euro overnemen, die momenteel in het Wetboek staat en die sinds 1990 niet is veranderd.

Om coherent te blijven met het stelsel van de definitief belaste inkomsten, stellen we ten slotte ook voor de vrijstelling in de vennootschapsbelasting van op aandelen verwezenlijkte meerwaarden afhankelijk te maken van het aanhouden gedurende een minimumperiode van de aandelen.

Wat die laatste betreft, moeten we vaststellen dat de doelstelling om de dubbele economische belasting van de winst te voorkomen, niet belet heeft dat zuiver speculatieve meerwaarden vrijgesteld zijn.

Daarom stellen wij voor dat de aandelen twee jaar in bezit gehouden moeten worden en dat er een deelneming wordt aangehouden van minstens 10 % of 1 200 000 euro in de vennootschap die het aandeel waarop de meerwaarde werd verwezenlijkt, heeft uitgegeven.

Omdat de kosten in verband met de verrichting die een minderwaarde veroorzaakt als beroepskosten aftrekbaar zijn, maakt toestaan dat de netto minderwaarde niet aftrekbaar is een dubbele aftrek van die kosten mogelijk. Het is dus aangewezen te bepalen dat de vervreemdingskosten opgenomen worden in het niet aftrekbare bedrag van de minderwaarde.

Eveneens in de context van de reglementering van de definitief belaste inkomsten, heeft de wet van 11 mei 2007 tot aanpassing van de wetgeving inzake de bestrijding van omkoping een punt 24 in artikel 53 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen ingevoegd waardoor de kosten, commissies, makelaarslonen, enz. die met omkoping te maken hebben van het begrip beroepskosten worden uitgesloten.

Dat betekent dat overeenkomstig artikel 205 WIB/92, de verworpen uitgaven waarvan gebleken is dat ze met omkoping te maken hebben, niet in aanmerking komen om te worden opgenomen in de regeling definitief belaste inkomsten.

Maar omdat men artikel 205, § 2, tweede lid, niet heeft gewijzigd, geldt die niet-aftrekbaarheid niet wanneer de dividenden afkomstig zijn van een dochteronderneming gevestigd in de Europese Unie. Dat sluit aan bij de bepalingen van de « moeder-dochter »-richtlijn van 23 juli 1990, maar blijkt strijdig met de bepalingen ter bestrijding van omkoping. We stellen dus voor die laatste vereiste voorrang te verlenen boven die van de richtlijn van 1990.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit artikel wijzigt artikel 192 om de vrijstelling van de meerwaarden afhankelijk te maken van het bezit van de aandelen gedurende minstens twee jaar en van een minimumdeelneming in de vennootschappen die het vereffende aandeel hebben uitgegeven.

Artikel 3

Dit artikel wijzigt artikel 198, 7º, WIB/92, om duidelijk te stellen dat met het niet als beroepskosten aftrekbare bedrag in de vennootschapsbelasting wordt bedoeld de minderwaarde verhoogd met de kosten in verband met de verrichting welke tot die minderwaarde geleid heeft.

Artikel 4

Dit artikel wijzigt artikel 202 WIB/92, om er voor de banken, verzekeringen en beursvenootschappen een voorwaarde in op te nemen van een minimumbedrag van deelneming opdat op de dividenden die ze innen het stelsel van de definitief belaste inkomsten kan worden toegepast.

Artikel 5

Dit artikel wijzigt artikel 205, tweede lid, WIB/92, om in geen geval toe te staan dat de « kosten van omkoping » worden opgenomen in de regeling definitief belaste inkomsten.

Artikel 6

Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van de wet.

Philippe MAHOUX.
Joëlle KAPOMPOLÉ.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 192, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangevuld met de volgende zinsnede :

« en indien ze verwezenlijkt zijn op aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben, die gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee jaar in volle eigendom werden aangehouden, en de vennootschap op de datum van de verwezenlijking van de meerwaarde een deelneming heeft van ten minste 10 % of met een aanschaffingswaarde van ten minste 1 200 000 EUR in het kapitaal van de vennootschap die het vereffende aandeel heeft uitgegeven.

Art. 3

In artikel 198, 7º, van hetzelfde Wetboek, worden tussen het woord « aandelen, » en het woord « behoudens » de woorden « in voorkomend geval verhoogd met de vervreemdingskosten » ingevoegd.

Art. 4

Artikel 202, § 2, van hetzelfde Wetboek wordt gewijzigd als volgt :

A. Het eerste lid, 1º, wordt vervangen als volgt :

« 1º op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten, de vennootschap die de inkomsten verkrijgt in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert

a) ofwel een deelneming bezit van ten minste 10 pct.,

b) ofwel een deelneming bezit met een aanschaffingswaarde van ten minste 1 200 000 EUR; »

B. het vijfde lid wordt vervangen als volgt :

« De voorwaarde vermeld in het eerste lid, 1º, a), is evenwel niet van toepassing op de inkomsten : »

Art. 5

Artikel 205, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld als volgt :

« , behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, 2º, indien het gaat om kosten bedoeld in artikel 53, 24º. »

Art. 6

Deze wet is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2009.

25 oktober 2007.

Philippe MAHOUX.
Joëlle KAPOMPOLÉ.