4-175/1

4-175/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2007

4 SEPTEMBER 2007


Wetsvoorstel tot invoering van een universele toegangskaart voor gehandicapten

(Ingediend door de heer Philippe Mahoux)


TOELICHTING


Zoals iedereen weet verkeren gehandicapten in een uiterst ingewikkelde toestand. Elke dag hebben zij met hindernissen te kampen. Een van de voornaamste problemen is de moeilijke toegang tot openbare plaatsen, het openbaar vervoer, enz.

Om dit probleem te verhelpen heeft ons land hun een aantal rechten en voorzieningen toegekend.

Dergelijke voorzieningen zijn onder meer de parkeerkaart, de verminderingskaart voor het openbaar vervoer en de begeleiderskaart.

Dankzij de parkeerkaart kunnen personen met een beperkte mobiliteit parkeren op de hun voorbehouden plaatsen.

Met de nationale verminderingskaart voor het openbaar vervoer krijgen personen die volledig of voor 90 % blind zijn, gratis toegang tot het openbaar vervoer.

De begeleiderskaart, ten slotte, stelt personen met een beperkte mobiliteit en hun begeleider in staat om met één enkel vervoerbewijs op alle samenwerkende netten te reizen.

Voor personen met een beperkte mobiliteit kan de procedure voor het verkrijgen van deze kaarten echter ingewikkeld en lang zijn. Bij de aanvragen moeten immers meestal schriftelijke getuigschriften gevoegd worden van artsen en instellingen, en een formulier dat bij de gemeente afgehaald moet worden. Vervolgens moeten die aanvragen teruggestuurd worden naar de FOD Sociale Zekerheid, directie-generaal Personen met een handicap, dienst Attesten.

De parkeerkaart moet bij andere diensten aangevraagd worden. Oorlogsinvaliden (militairen en gelijkgestelden) en militaire invaliden in vredestijd moeten hun aanvraag indienen bij de dienst Pensioenen. Burgerlijke oorlogsinvaliden moeten dan weer hun aanvraag indienen bij de FOD Sociale Zekerheid, dienst Oorlogsslachtoffers.

De begeleiderskaart, ten slotte, wordt door de NMBS uitgereikt. De FOD Sociale Zekerheid en de NMBS werken hiervoor samen zodat mindervaliden met een attest van de handicap zich kunnen laten begeleiden door een persoon naar keuze op alle samenwerkende netten.

Voor elk van deze kaarten is een afzonderlijke aanvraag nodig, hoewel de vereiste documenten daarvoor steeds dezelfde zijn.

Dit wetsvoorstel heeft tot doel al deze formaliteiten te vereenvoudigen door alleen de dienst Attesten voor personen met een handicap de documenten gezamenlijk te laten verstrekken.

Bovendien past het uitreiken van de begeleiderskaart door de FOD Sociale Zekerheid in het raam van de administratieve vereenvoudiging en ontlast het de diensten van de NMBS.

Het betreft dus de volgende documenten :

— de parkeerkaart voor alle bovenvermelde betrokkenen;

— de verminderingskaart voor het openbaar vervoer;

— de begeleiderskaart.

Onlangs zijn wijzigingen aangebracht die het gemakkelijker maken om de kaarten te verkrijgen. Zo worden sinds 2005 de parkeerkaarten voor het leven uitgereikt, behalve voor personen van wie de handicap als voorbijgaand wordt beschouwd. Voor personen met een onomkeerbare handicap moet de kaart niet langer om de 10 jaar vernieuwd worden, zoals vroeger wel het geval was.

Bovendien worden de kaarten sinds januari 2007 automatisch naar de rechthebbenden gestuurd. Deze maatregelen zijn lovenswaardig en passen in de geest van ons voorstel.

De indieners van het voorstel betreuren echter dat personen die de kaart vóór 30 september 2005 hebben verkregen, moeten wachten tot ze verstreken is alvorens de kaart voor onbepaalde duur te kunnen verkrijgen.

Deze personen zouden hun kaart onmiddellijk moeten kunnen krijgen zonder te moeten wachten tot de hunne verstreken is en zonder de hele aanvraagprocedure te moeten herbeginnen.

Om de procedure te uniformiseren wordt uitdrukkelijk bepaald dat de verschillende kaarten automatisch door de FOD Sociale Zekerheid worden uitgereikt.

De kaart zou rechtstreeks worden toegekend op grond van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap indien de betrokkene voldoet aan de bovenvermelde criteria en voorwaarden.

De aanvraag zou eerst bij het gemeentebestuur van de voornaamste verblijfplaats van de betrokkene ingediend worden, en vervolgens bij de directie-generaal Personen met een handicap, die het dossier onderzoekt. Bewijsstukken (medisch attest, inkomensverklaring, ...) worden bij het dossier gevoegd om de aanvraag te staven.

Om tijd en geld te winnen, maar vooral om het leven te vereenvoudigen van mensen die reeds met een pijnlijke handicap te kampen hebben, wil het wetsvoorstel ook de verschillende voorzieningen vervangen door één en dezelfde toegangskaart voor het leven.

De toekenningsvoorwaarden van deze kaarten zijn in de huidige wetgeving echter niet allemaal dezelfde, vooral wat betreft de verminderingskaart voor het openbaar vervoer, die alleen aan blinden of zwaar slechtzienden toegekend wordt. Onder dergelijke voorwaarden is een universele kaart onmogelijk.

Om een universele toegangskaart mogelijk te maken, stellen wij voor de criteria voor de toekenning van de verminderingskaart voor het openbaar vervoer uit te breiden tot andere handicaps, waaronder de handicaps die in aanmerking genomen worden voor de toekenning van de parkeerkaart. Concreet zou de universele toegangskaart toegekend worden aan personen met een beperkte mobiliteit en aan blinden en slechtzienden. Zij zou toegang verlenen tot de parkeerplaatsen die voorbehouden zijn aan gehandicapten, tot gratis openbaar vervoer, en de mogelijkheid bieden om zich te laten begeleiden (door een persoon of daartoe afgerichte hond) met slechts één vervoerbewijs (de universele toegangskaart wordt beschouwd als een vervoerbewijs).

Een aanvraag bij de directie-generaal Personen met een handicap om de uitkering voor personen met een handicap te verkrijgen impliceert de aanvraag van de universele toegangskaart.

Indien dit voorstel wordt aangenomen, hoeft een gehandicapte geen andere documenten voor andere kaarten meer in te vullen.

Philippe MAHOUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Er wordt een universele toegangskaart voor gehandicapten ingevoerd.

Art. 3

De universele toegangskaart voor gehandicapten geeft hun recht op de volgende voorzieningen :

1º een vergunning om :

— te parkeren op de plaatsen die uitsluitend voor gehandicapte personen voorbehouden zijn (aangegeven met een witte letter P op een blauwe achtergrond, aangevuld met een wit pictogram van een gehandicapte in een rolstoel);

— voor onbeperkte tijd te parkeren op de plaatsen waar de parkeertijd beperkt is (blauwe zones);

— gratis te parkeren op plaatsen waar de parkeertijd beperkt is door een parkeermeter of parkeerautomaat in de gemeenten die hierin voorzien;

— gratis te parkeren op de plaatsen die door de NMBS zijn voorbehouden;

2º gratis te reizen op alle samenwerkende lijnen van het openbaar vervoer;

3º zich met één enkel vervoerbewijs te laten begeleiden (door een persoon of door een geleidehond) op alle samenwerkende lijnen van het openbaar vervoer.

Art. 4

De universele toegangskaart bevat de volgende vermeldingen :

— vergunning om te parkeren in alle Europese landen;

— gratis vervoer;

— gratis vervoer voor de begeleider.

Art. 5

Kunnen een universele toegangskaart aanvragen :

a. personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt;

b. personen die volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of wier bovenste ledematen zijn geamputeerd;

c. personen wier gezondheidstoestand aanleiding geeft tot een vermindering van de graad van zelfredzaamheid met ten minste 12 punten, bepaald overeenkomstig de handleiding en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;

d. personen wier gezondheidstoestand aanleiding geeft tot een vermindering van hun verplaatsingsmogelijkheden met ten minste 2 punten, bepaald overeenkomstig de handleiding en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;

e. kinderen die beantwoorden aan het criterium van ten minste 2 punten voor de categorie « Mobiliteit en verplaatsing », pijler 2.3 van de medico-sociale schaal in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de progammawet (I) van 24 december 2002;

f. kinderen die beantwoorden aan het criterium van ten minste 2 punten in de categorie « Verplaatsing » overeenkomstig de handleiding voor de evaluatie van de zelfredzaamheid gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies, 62, § 3, en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;

g. burgerlijke en oorlogsinvaliden met minstens 50 % oorlogsinvaliditeit;

h. personen die volledig of voor 90 % blind zijn.

Art. 6

De universele toegangskaart wordt uitgereikt door de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid, directie-generaal Tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Zodra bij het indienen van een aanvraag tot tegemoetkoming aan een persoon met een handicap als bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, uit het medisch dossier blijkt dat de betrokkene voldoet aan de hierboven vermelde voorwaarden, wordt de universele toegangskaart automatisch toegekend.

Art. 7

De bovenvermelde kaart wordt voor onbepaalde tijd toegekend aan personen met een onomkeerbare handicap.

Indien het medisch attest, dat de grondslag vormt van de uitreiking, beperkt is in de tijd, dan geldt de kaart voor de duur van het medisch attest.

Art. 8

De kaarten die vóór de invoering van de universele toegangskaart zijn uitgereikt, worden automatisch vervangen. De vroegere parkeerkaarten en verminderingskaarten voor het openbaar vervoer worden bij ontvangst van de universele toegangskaart teruggestuurd naar de FOD Sociale Zekerheid. In voorkomend geval worden zij teruggestuurd naar het gemeentebestuur van de voornaamste verblijfplaats van de betrokkene.

Art. 9

Op de universele toegangskaart staan de naam, de voornaam, de geboortedatum, het rijksregisternummer en de handtekening van de betrokkene.

De kaart wordt ook voorzien van een recente foto van de betrokkene.

Art. 10

Wanneer de grondslag voor het gebruik van de kaart wegvalt, moet zij, in voorkomend geval op vraag van de Bestuursdirectie Uitkeringen aan Personen met een Handicap, door de houder teruggegeven worden aan deze Bestuursdirectie.

In geval van overlijden van de houder, wordt de kaart binnen dertig dagen na het overlijden overhandigd aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats van de overledene. Bij ontstentenis hiervan kan de kaart door een gemachtigd ambtenaar ingetrokken worden.

De universele toegangskaart is strikt persoonlijk; zij kan enkel door de houder van de kaart of in zijn aanwezigheid gebruikt worden.

Art. 11

Alle geldende bepalingen inzake de parkeerkaart, de nationale verminderingskaart voor het openbaar vervoer en de begeleiderskaart, worden opgeheven en vervangen door de bepalingen van deze wet.

Art. 12

Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

17 augustus 2007.

Philippe MAHOUX.