4-87/1 | 4-87/1 |
12 JULI 2007
Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 24 maart 2005 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-1111/1 — 2004/2005).
Dit wetsvoorstel wil de aandacht vestigen op de bijzondere taalsituatie in het gerechtelijk arrondissement Eupen met name wat de secretarissen en de personeelsleden van het secretariaat van het parket van de procureur des Konings betreft.
Artikel 45bis, § 1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken luidt als volgt :
« In het arrondissement Eupen kan niemand worden benoemd tot voorzitter, ondervoorzitter, rechter of plaatsvervangend rechter in de rechtbank van eerste aanleg, tot procureur des Konings of substituut-procureur des Konings, tot vrederechter of plaatsvervangend vrederechter, tot rechter of plaatsvervangend rechter in een politierechtbank of tot toegevoegd rechter in een vredegerecht of in een politierechtbank tenzij hij het bewijs levert van de kennis van het Duits en bovendien door zijn diploma bewijst dat hij de examens van de licentie in de rechten in het Frans heeft afgelegd of het bewijs levert van de kennis van het Frans. »
Artikel 53, § 4, van de wet, bepaalt : « In het arrondissement Eupen kan niemand tot griffier bij de rechtbank van eerste aanleg, bij een vredegerecht, bij een politierechtbank worden benoemd als hij niet het bewijs levert van de kennis van de Duitse en van de Franse taal. »
Artikel 54bis van deze wet bepaalt : « De bepalingen van de artikelen 53 en 54 zijn van toepassing op de griffiersklerken, alsmede op de opstellers en de bedienden ».
In het arrondissement Eupen moeten bijgevolg alle parketmagistraten, alle leden van de zittende magistratuur, alsook alle griffiers en personeelsleden van de griffie het bewijs leveren dat zij het Duits en het Frans machtig zijn.
De enigen die geen bewijs van tweetaligheid moeten leveren zijn de secretarissen en de personeelsleden van het secretariaat van het parket van Eupen, aangezien noch de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, noch de wet van 23 september 1985 betreffende het gebruik van het Duits in gerechtszaken en betreffende de rechterlijke organisatie enige wettelijke taalbepaling bevat die op hen betrekking heeft.
Naar onze mening is dit een vergetelheid : niettegenstaande het feit dat de regels inzake het taalgebruik die van toepassing zijn op het administratief personeel van het parket van Eupen, opgenomen zijn in de wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, meer bepaald in de artikelen 1, § 1, 4º, 2, 5, 11, § 2, 12, tweede lid, 14, § 3, 15, § 3, 32, 34, § 1 b) en 38, § 1 (1) , wijzen deze wettelijke bepalingen duidelijk op de noodzaak van een wettelijke — en dus verplichte — tweetaligheid van de personeelsleden van het parket, en lijkt het bijgevolg meer dan gerechtvaardigd dat de leden en het personeel van de griffies van de Eupense gerechten enerzijds, en de leden en het personeel van het secretariaat van de procureur des Konings van Eupen anderzijds, op gelijke voet behandeld worden, althans wat de talenkennis betreft.
| Berni COLLAS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 53, § 4, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd door de wet van 10 april 2003, wordt vervangen door de volgende bepaling :
« In het arrondissement Eupen kan niemand worden benoemd tot hoofdgriffier, griffier of adjunct-griffier bij de rechtbank van eerste aanleg, bij een vredegerecht of bij een politierechtbank, of tot hoofdsecretaris, secretaris of adjunct-secretaris bij het parket van de procureur des Konings, als hij niet het bewijs levert van de kennis van de Duitse en van de Franse taal. »
Art. 3
In dezelfde wet wordt een artikel 54quater ingevoegd, luidende :
« Art. 54quater. — In het arrondissement Eupen zijn de bepalingen van artikel 53, §§ 1 tot en met 4 en 6 van toepassing op de opstellers en de bedienden van de griffie, alsook op de vertaler(s), opstellers en bedienden van het secretariaat van de procureur des Konings. ».
12 juli 2007.
| Berni COLLAS. |
(1) Volgens die bepalingen kan in de diensten als bedoeld in artikel 34, § 1 (aangezien het parket een gewestelijke dienst is), niemand tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden indien hij de taal van het gebied (namelijk het Duits) niet kent. (...)De berichten, mededelingen en formulieren, die de gewestelijke dienst rechtstreeks aan het publiek richt en de formulieren die hij op dezelfde wijze afgeeft, stelt hij in de taal of talen die ter zake opgelegd zijn aan de plaatselijke diensten van de gemeenten waar zijn zetel gevestigd is. In de gemeenten van het Duitse taalgebied worden de diensten zo georganiseerd, dat het publiek, zonder enige moeite te woord kan gestaan worden in het Frans of het Duits (artikel 15, § 3).